Jemen, 16 juni 1996

Qasr al-Qubba-hotel, Tarim.
Qaṣr al-Qubba-hotel in Tarīm. V.l.n.r.: Man­ṣūr van de cafetaria, de bewaker, ondergete­kende, Sālim al-T., receptionist (hij is ook le­raar Engels). Een onbekende lange bezoeker, zeker uit het Noorden, gezien zijn lange witte dišdāša (ṯawb). Op de achtergrond het zwem­bad voor Jeme­ni­tische mannen.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 16 juni 1996 (zondag).

Naar het einde of de index.

Ṣanaᶜā’.
Wakker van de aḏān al-faǧr om on­geveer 04.15 uur. Ik kan niet goed meer slapen en sta om 04.50 op.
Ik denk aan de woorden van Nico: dat hij in het kasboek privézaken en taxi nooit bij elkaar zette, anders zou een deel van de taxikosten als privé kunnen worden aangemerkt. Nu hielden we en hield ik alle taxikosten als projectkosten aan, maar ik hield de taxi niet altijd uit de buurt van de privékosten. Ik besluit het kasboek te herschrijven en werk eraan van circa 05.00 tot 09.00 uur.
Ik ga naar de Algemene Organisatie etc., waar ik mijn paspoort aan Ǧamāl geef, die naar de paspoort­autoriteiten gaat.
ᶜAbd al-Raḥmān A. en ik worden ontvangen door dr. Aḥmad al-Š. voor een informeel gesprek.
Sprekend over de lawaaierige aḏān blijkt dat hij niet uitmunt in geloof. (Hij vindt ze ook te lawaaierig, maar dat mag je niet hardop zeggen, want dan wordt je beschuldigd van blas­femie, waarop de doodstraf staat.)
Met ᶜAbd al-Raḥmān bezoek ik de met een kwart ton gerestaureerde al-Nūba? toren in Ṣanaᶜā’. (Ongeveer tachtig jaar oud.) Wel ja, het geld, de ene helft van het geschenk aan Jemen, moest op. De al-Aḥqāf-bi­blio­theek kreeg de andere helft. (Twee­hon­derdvijftigduizend gulden.)
Bij de Algemene Organisatie bewon­der ik de ogen van enkele dames die in het zwart gekleed gaan en ga naar het hotel om te rusten, zodra ik mijn paspoort via Ǧamāl terug heb.
Op aanraden van ᶜAbd al-Raḥmān (gisterenavond) nodig ik Ǧamāl ook uit voor etentje in het restaurant van het Taj Sheba hotel, alles en iedereen op mijn kosten.

Bed, circa anderhalf uur.
Financiën: verbeterd kasboek gereed maken.
Nu 17.30 uur.
Weer: fris, in de zon, af en toe aanwezig, warm.

Ik ruim mijn spullen goed op en ben rond 19.00 in het Taj Sheba hotel. ᶜAbd al-Raḥmān, die er rond 19.00 uur zou zijn om zijn vriend Ǧamāl te ontmoeten, komt pas circa 19.30 en zijn vriend tegen 19.50 uur. Dan komt ook CR, van de Nederlandse Ambassade.
Het is een gezellige avond, die pas laat op gang komt, want ik weet niet goed wat ik met Ǧamāl moet bespreken, want ik ken hem nog maar kort.

Ik ben rond 22.45 uur in het al-Qāsmī-hotel en heb nu serieus last van diarree. Eergisteren, na de eerste pizza deden zich al proble­men voor. Na de tweede pizza weer, en nu, na de derde westerse maaltijd is het probleem ernstig. Ik moet lang zoeken tussen de meegebrachte medicijnen, maar uiteindelijk vind ik toch de antidiarree pillen.
Ik wil niet meer gaan slapen, want ik vertrouw de wekker niet en vrees bovendien dat ik me zal verslapen, zoals bij het vorig bezoek aan Ṣanaᶜā’ (15 mei) ook gebeurde.
Ik schrijf het dag-verslag op de com­puter en als ik de woorden van Ǧamāl van deze avond neerschrijf valt het kwartje, een zeer belangrijk kwartje.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 16 juni.
Ik krijg via Ǧamāl mijn uitreisvisum.

[…]

Van ᶜAbd al-Raḥmān hoor ik dat er in het Zuiden overstromingen zijn. De weg tussen Tarīm en Say’ūn is geblokkeerd.
(Van Pa en Ma hoor ik op 19 juni dat er in hun krant stond dat er in Oost-Jemen veel mensen verdronken zijn na overstromingen en dat veel huizen ingestort zijn.)

[…]

Na het gezellige etentje in restau­rant Bilquis van het Taj Sheba Hotel (Ali ᶜAbdul-Moghni Street in Ṣanaᶜā’) typ ik in mijn computer het verslag van deze dag en noteer daarbij ook wat Ǧamāl mij over zijn leven vertelde.
Al schrijvend (typend) wordt mij plotseling duidelijk dat zijn verhaal de sleutel is tot de oplossing van een, voor mij tot nu toe, onbegrijpelijke legpuzzel.
Ik schreef in brieven naar vrienden en vriendinnen in Nederland:
[…] de andere medewerkers doen […] niets. Als ze na een halve dag voor zich uitstaren, op de klok zien dat het half twee is, trekken ze zich terug om te gaan rusten. […] Er ontstond enige paniek toen bleek dat wij door willen werken, zodra de container met het materiaal aankomt.
Dan zouden ze na de middag ook nog gedwongen worden voor zich uit te staren, zonder dat ze aan rusten zouden toekomen
. (Einde citaat.)
Ik begreep niet goed waarom ᶜAbd al-Raḥmān een vergoeding uit het project wilde hebben. Was dat gewoon hebzucht? Dat extra werk dat hij claimde te doen, daarvoor werd hij toch betaald door zijn werkgever. Je bent directeur of je bent het niet, toch?
Ǧamāl zegt 10.000 rial [f. 130,00] per maand te ontvangen van zijn baas, de Algemene Organisatie. Hij heeft echter 30.000 rial per maand nodig.
Ik vraag of hij qāt gebruikt. Dat doet hij twee dagen in de week, slechts op donderdag en vrijdag.
“Hoe kom ik aan 30.000 rial?” vraagt hij. (Ik vrees een verzoek tot bij­drage.)
’s Morgens werkt hij bij de Algemene Organisatie voor Archeologie, Musea en Handschriften als Public Relations Officer. In de namiddag werkt hij bij zijn oom in een meubelwinkel en krijgt daarvoor 9.000 rial. De andere 11.000 rial verdient hij door op de luchthaven de doorvoer van handelswaar te bespoedigen. (Fixer.)
Hij kent veel mensen in de handelsbranche, want zijn vader had ook een winkel (hier, naast het Taj Sheba hotel) en hij kent de wetten. Als goederen ingevoerd moeten worden blijven die soms een week bij de douane liggen. Ǧamāl kent wegen (zonder veel steekpenningen (rašwa) te betalen) om de termijn tot twee dagen te bekorten. Op­dracht­gevers betalen voor deze diensten.
Zijn vrouw is een sociologe, die nu in verwachting is van hun tweede kind. Zij verdient bij een particulier instituut 12.000 rial per maand. De overheid betaalt voor hetzelfde werk slechts 8.000 rial.
Als ik weer in het hotel ben duurt het nog een hele tijd voordat het kwartje valt. Dat gebeurt wanneer ik de woorden van Ǧamāl in de computer intik. Dan wordt plotseling ‘alles’ duidelijk voor mij.
De medewerkers van de al-Aḥqāf-bi­bliotheek, die in paniek raakten bij het woord ‘overwerk’ en zeiden dat zoiets dagen van te voren aange­vraagd moest worden, waren niet te lui om te werken. Integendeel, zij zijn harde werkers. Na de middag en in de avond moeten ze natuurlijk hard aan slag om het resterende bedrag voor hun levensonderhoud bij te verdienen.
Abd al-Qādir, bijvoorbeeld, heeft een eigen bedrijf waar hij samen met Sjeik AB. ᶜUqūd-zaken (huwelijks­con­tracten) behandelt.
Van de anderen weet ik hun neven­in­komsten niet. Ik vroeg er niet naar, want ik dacht dat ze lui waren.
De taxichauffeur die me gisteren­avond naar het hotel bracht, werkt ’s ochtends bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en ’s middags als taxichauffeur.
Sālim al-T. in het Qaṣr al-Qubba-hotel werkt ’s ochtends als leraar Engels en ’s middags en ’s avonds als receptionist.
De vrouw van Hussain al-A., de andere receptionist van het Qaṣr al-Qubba-hotel werkt als gymnastiek­lerares in de school voor meisjes.
Een verhelderende avond. Anderhalf uur voor mijn vertrek naar de luchthaven en een paar uur voordat ik Jemen verlaat, heeft Ǧamāl een groot licht laten schijnen op de aldoor omfloerste opmerkingen over geld. Nooit werd me rechtstreeks verteld hoe de vork in de steel zit, in welke geldnood men verkeert, wat men allemaal moet doen om normaal te kunnen leven.
ᶜAbd al-Raḥmān vertelde enige weken geleden dat sommige amb­tenaren niet op hun werkplek verschijnen, of slechts tweemaal per dag. ’s Ochtends om hun aanwe­zigheidshandtekening te zetten en ’s middags om te tekenen dat ze naar huis gaan. In die tussentijd doen ze andere werkzaamheden, bij andere werkgevers of als zelfstandige. Ik heb dat verhaal gehoord, maar nooit een link gelegd naar noodzaak, ik achtte dit pure diefstal waartegen niet opgetreden werd.
Ambtenaren die bij het elek­trici­teitsbedrijf werken, zo vertelde ᶜAbd al-Raḥmān, krijgen gratis elektri­ci­teit, ambtenaren bij het telefoon­bedrijf krijgen gratis telefoon, maar wat krijgen ambtenaren die in een museum werken?
“Gratis toegang,” stelde ik, tot hilariteit van ᶜAbd al-Raḥmān. (De toegangsprijs is vijf rial per persoon (f. 0,07), dat hebben ze dan toch mooi verdiend, iedere dag!)
In elk geval is duidelijk, wil het Tarīm-project volgend jaar ook slagen, dat er dan voldoende geld gereserveerd moeten worden om in­komstenderving van de medewer­kers op te vangen.

Dit is het einde van het verslag van 16 juni.

Uit mijn herinneringen:
In Jemen ontving ik brieven van vrienden en vriendinnen uit Neder­land. Een van hen sprak in haar brief over de ‘Gekkekoeienziekte’. Dat speelde kennelijk in het nieuws. Ik kon aan haar verhaal geen touw vastknopen. Ik had geen idee waar ze het over had. In Jemen hoorde ik niets van wat er in de wereld gebeurde.

Nog moet ik vermelden dat ik bij bezoeken aan allerlei landen in de Arabische wereld steeds weer ont­dekte dat mensen daar niet kunnen kaartlezen. Ze waren zelfs niet in staat op de stadsplattegrond de straat aan te wijzen waarin ze zelf woonden, of een gebouw te vinden, waar we op dat moment voor stonden. In Zuid-Jemen, daarente­gen, was kaartlezen geen enkel probleem. Alle mensen die ik een landkaart of plattegrond toonde, konden daarmee overweg. Het communistisch onderwijs was dan toch nog ergens goed voor geweest.

 

Index van termen: aḏān, Algemene Organisatie, dišdāša, Fixer, Gekke­koeienziekte, Nederlandse Ambas­sade, al-Qāsmī-hotel, al-Qaṣr al-Qubba-hotel, qāt, rašwa, ṯawb, ᶜUqūd.

Index van personen: ᶜAbd al-Raḥmān A., ᶜAbd al-Qādir, Sjeik AB., Aḥmad al-Š., CR, Ǧamāl, Ḥusain al-A., Sālim al-T.

Index van locaties: Ali Abdul-Moghni Street, Ṣanaᶜā’, Say’ūn, Tarīm.

Dit is het einde van dag 92 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Transcriptie van de klinkers in Arabische woorden.

A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.

Klik hier voor het overzicht van de transcriptie in Arabische woorden.

Top

Jemen, 15 juni 1996

Wadi Do'an.
Een sfeerbeeld in Wadi Do’an.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 15 juni 1996 (zaterdag).

Naar het einde of de index.

Ṣanaᶜā’.
De hele nacht en ook ’s ochtends nog regent het pijpenstelen.
Tegen de ochtend ben ik licht ziek.
Ontbijt.

Ik loop naar de Algemene Orga­nisatie … etc., en laat me door Ǧamāl een exit-visum voorbereiden, maar dat duurt weer bureaucratisch lang en daarna zou ik ook nog naar het migratiekantoor moeten. Eerst moet dr. Yūsuf MA. dit formulier tekenen, maar die is er niet. Het heeft hard geregend en alle straten staan onder water, dus het kan nog wel eens een hele tijd duren voordat hij komt.
Mijn geduld is op en ik zeg dat ik morgen terugkom.
Ik ga naar de Nederlandse Am­bas­sade en hoor daar dat een uitreis­visum nodig is.

Ik ga naar het Yemen Computer Centre waar ik naar Arabische soft­ware en een beschrijving vraag voor de Hewlett Packard laserprinter 5P/MP. Vanavond kan ik terugko­men voor de betreffende kopieën.

In het al-Qāsmī-hotel werk ik mijn financiën bij en maak het verslag van deze dag tot nu toe, op mijn computer.

De Wādī al-Sayla staat vol water en stroomt wild. Het is volksvermaak nummer één, hier in Ṣanaᶜā’.

Tegen 16.45 is ᶜAbd al-Raḥmān A. hier en we gaan naar het Centrum voor Moderne Kunst in de oude stad. Dat is vlakbij. Er is niet erg veel bijzonders te zien. Een beroemde Jemeniet doet niets anders dan Picasso imiteren. (Ṭufayl, of zo, heet hij.) Hij schijnt er rijk van te worden. Het enige werk dat me een beetje aanspreekt is van ene Yāsīn. Zijn mooiste kost 80 dollar. Ik laat het werk hangen.
In een galerie, Gallery no 1 in de Khartoem Street, zitten de door de regering gesponsorde rijke kunste­naars hun non-werk te verkopen.
We bezoeken ook een bibliotheek van al-ᶜAfīf, waar ook schilderijen te zien zijn. De oude al-ᶜAfīf voert een oorlog tegen de qāt-gebruikers en qāt-verbouwers.

Het Yemen Computer Centre kreeg geen medewerking van Hewlett Packard om software en beschrijving te mogen kopiëren. Een vriend van de technicus heeft dezelfde printer en ᶜAbd al-Raḥmān kan over enkele dagen terugkomen om het gevraag­de gratis op te halen.

Ik ga alleen eten in het restaurant van gisteren. ᶜAbd al-Raḥmān gaat terug naar zijn vrienden in Gallery no 1, in Khartoem Street.
In het restaurant is me geen rust gegund. Drie snaken nodigen me aan tafel. Een spreekt maar Engels en de conversatie loopt via hem. Als binnenkomer verwijt hij westerlin­gen koel te zijn en prijst de Arabieren om hun warmbloedige aard.
Het leven van de Arabieren is zonder problemen (…). Als wijze raad geeft deze lummel me het advies me in het vervolg onder Arabieren te men­gen en niet zo afstandelijk te zijn. Onafwendbaar begint ook weer het gezeur over hun en mijn godsdienst. Als ik zeg dat hem dat niks aangaat, is hij bijna beledigd: “Er kan toch over gepraat worden.” Enzovoorts.
Zijn vader schijnt rijk te zijn: qāt-verbouwer.
Hij wil neuken, maar er is geen geschikt lichaam beschikbaar. Hij zal waarschijnlijk met zijn nicht (bint al-ᶜamm) trouwen. Hij zag haar gezicht voor het laatst toen ze jonger dan vijftien jaar was. Hij wil haar en heeft het gevoel dat zij hem ook wil.
Hij kauwt geen qāt en zou ook niet willen dat zijn aanstaande dat zou doen. Zijn vader en jongere broer kauwen wel.

Met de taxi naar het hotel: de chauffeur werkt voor 10.000 rial per maand bij het ministerie van Binnenlandse zaken. (’s Ochtends.) Daarna rijdt hij taxi. Hij zal achter in de twintig zijn, is getrouwd en heeft een kind.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 15 juni.
In de Nederlandse Ambassade ont­moet ik CR. Zij vertelt over de qāt-sessies voor vrouwen, die zij bij­woonde. Daar zijn de vrouwen in doorzichtige kleding gekleed en spreken luid en agressief over de meest intieme details, zonder schaamte, over de omgang met hun echtgenoot. Ze zijn dan veel vrijer dan enige seksueel bevrijde Neder­landse of Nederlander, volgens CR.
CR heeft de indruk dat de vrouwen hier in Jemen zich in een minder onderworpen positie bevinden dan de vrouwen in Syrië, waar zij ook studeerde.

[…]

Op de markt koopt ᶜAbd al-Raḥmān stof voor zijn vrouw. Bijzonder is dat deze per kilo wordt verkocht.

[…]

In het al-Qāsmī-hotel betaal ik de overwerkvergoeding aan ᶜAbd al-Raḥ­mān. Een bedrag overeenkom­stig met drie maandsalarissen van zijn werkgever.

[…]

De echtgenote van de plaats­vervangend ‘Chef de Poste’ van de Nederlandse Ambassade had me gezegd dat de kunst van ᶜAbd al-Raḥmān (autodidact) niet boven de rest uitkwam, nadat ze zijn Šibām-poster had gezien. De rest van de kunstenaars stelde volgens haar niet veel voor. Ik was toen een beetje teleurgesteld over haar kwalificatie, maar op grond van wat ik nu in de kunstgalerieën zag, moet ik haar gelijk geven.

Dit is het einde van het verslag van 15 juni.

Index van termen: Algemene Organisatie, bint al-ᶜamm, Neder­landse Ambassade, al-Qāsmī-hotel, Qāt, Yemen Computer Centre.

Index van personen: ᶜAbd al-Raḥmān A., al-ᶜAfīf, CR, Ǧamāl, Ṭufayl, Yāsīn, Yūsuf MA.

Index van plaatsnamen: Khartoem Street, Šibām, Ṣanaᶜā’, Wādī al-Sayla.

Dit is het einde van dag 91 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Transcriptie van de klinkers in Arabische woorden.

A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.

Transcriptie van de medeklinkers in Arabische woorden.

Top

Jemen, 14 juni 1996

Alziend oog.
In Ḥurayḍa (Wādī ᶜAmd) fotografeerde ik dit opvallende ‘raam’ boven de toegangsdeur van een moskee. Het lijkt sterk op een symbool van de katholieke kerk. Twee bladzijden van een boek (de tien geboden?) opengeslagen, met een soort van kelk in het midden met daarboven het stralende “alziend oog” van God.
Ook de koepel boven de deur is elegant vormgegeven.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 14 juni 1996 (vrijdag).

Naar het einde of de index.

Ṣanaᶜā’.
Op 7.00 uur.
Ontbijt.
Het regent pijpenstelen.
Dagboek bijwerken.

Ik werk tot rond 14.00 aan het verslag op mijn computer.
Financiën.
Computer: spelletjes.
Tegen 16.45 uur komt ᶜAbd al-Raḥmān A. en handelen we de nog lopende financiële zaken af.
Ik geef hem een groot bedrag in dollars, bestemd om de openstaande rekeningen, veroorzaakt door het Nederlandse geschenk aan de al-Aḥqāf-bibliotheek, te betalen.
Daarna ga ik op de markt geld wisselen.
De koers is 118,5 rial. Gisteren was de koers 117 rial.
We gaan in Ḥadda Street dure winkels bekijken, want computer­win­kels zijn gesloten. Daarna eten we een pizza, ergens: lekker.
Naar mijn kamer in al-Qāsmī-hotel, circa 22.00 uur.
Financiën.
Bed 23.00 uur.
Vanmiddag op mijn kamer had ik koude voeten!
Rond het ontbijt regende het pij­pen­stelen.
Vanmiddag gaf ik ᶜAbd al-Raḥmān een geschenk van 10.000 rial (f. 130,00) uit eigen beurs, als dank voor de vriendschap. Geld is het enige dat de mensen hier in Jemen kunnen gebruiken.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 14 juni.
ᶜAbd al-Raḥmān wil graag dat Sjeik AB. in de bibliotheek terugkeert. Hij is nodig wegens zijn grote kennis van en over de bibliotheek.

[…]

ᶜAbd al-Raḥmān vertelt over de politieke richting van Sjeik AB. Veel mensen kennen hem, maar zijn niet bekend met de politieke richting die deze man aanhangt. Op dat gebied is de Sjeik een onbekende voor hen. Er zijn er die beweren dat hij tot de Wahhābiyya behoort, anderen be­weren dat hij een Ṣūfī is, weer anderen dichten hem nog een andere richting toe. Er was zelfs iemand die de Sjeik als een socialist omschreef.
Feit is dat de Sjeik, als voorzitter van al-Iṣlāḥ-partij, aan het begin van de burgeroorlog (1994) is opgepakt en twee maanden in de gevangenis heeft doorgebracht. Dat lot trof alle leiders van de socialisten onwel­ge­vallige partijen. Dus leiders van de Congrespartij en de Iṣlāḥ-partij. De leiders van de al-Rābiṭa-partij, die streefde voor een onafhankelijk zuiden en die in de communistische tijd een soort getolereerd onder­gronds bestaan leidde, werden niet opgepakt. Leden van die partij waren mensen met veel geld.
Na de oorlog liepen veel leden van de Rābiṭa-partij over naar de Congres­partij en de Iṣlāḥ-partij.
De president van Jemen wilde de Rābiṭa-partij opheffen omdat die te weinig leden zou hebben. Die partij publiceerde toen in een grote lan­delijke krant de namen van alle leden. Een van die mensen was Sjeik AB.
De Sjeik beweerde toen dat het iemand anders moest zijn, maar het probleem is dat er in Jemen niet veel mensen met zo’n naam zijn. In het Noorden zeker niet, want in Ṣanaᶜā’ en omgeving wordt zijn tweede voornaam (feitelijk de voornaam van zijn vader) alleen door joden gebruikt. In het Zuiden is dat niet het geval.

[…]

Sprekend over Sjeik Aḥmad Zakī al-Yamānī komt de terrorist Carlos ter sprake. Die zou jarenlang in Zuid-Jemen gewoond hebben en een rood paspoort hebben gehad: een diplo­matenpaspoort. Voor de gewone Jemeniet is er alleen het zwarte paspoort, waarmee die voortdurend moeilijkheden ontmoet, als hij ermee reist.
Het Noorden verstrekte toentertijd vrij eenvoudig blauwe (nationale) paspoorten aan mensen die het Zuiden verlieten. Hiermee lagen de wereldgrenzen open. Een dergelijke opstelling bevorderde de unificatie, toen die aan de orde was.
De unificatie kwam omdat veel mensen genoeg hadden van het socialistisch systeeem en de regering vreesde in een soort burgeroorlog weggeveegd te worden. Met de be­lofte van het Noorden dat de zittende president mocht blijven zitten (liefde voor het pluche?) ging het Zuiden akkoord met de unificatie. Daarna ontstond er in het Zuiden onenigheid over de te volgen lijn en wilden de zuiderlingen weer aan de macht. Dat veroorzaakte instabiliteit, wat leidde tot de burgeroorlog van 1994.

[…]

Voordat Nico en ik uit Nederland vertrokken had hij (Nico), die Jemen al eens eerder bezocht, me verteld dat er in Jemen bijna geen cri­mi­naliteit voorkwam en dat gevan­genissen leeg stonden.
Bij alle stoplichten in Ṣanaᶜā’ verkopen kinderen stuursloten voor auto’s. Ik vond dat vreemd, en alle Jemenieten die ik erover sprak vonden het vreemd dat ik dat vreemd vond. Nu las ik in The Yemen Times dat de gevangenis van al-Mukallā uitpuilde en, zo werd me verteld, dat was met alle gevan­genissen het geval.
Verder is er nog een vorm van officiële criminaliteit, waarbij de geheime dienst tegenstanders van het regime intimideert en daarbij geweld en moord niet schuwt.

Dit is het einde van het verslag van 14 juni.

Indexal-Aḥqāf-bibliotheek, Con­gres-partij, al-Iṣlāḥ-partij, Joden, al-Qāsmī-hotelal-Rābiṭa-partij, Ṣūfī, WahhābiyyaThe Yemen Times.

Index van personen: Sjeik AB., ᶜAbd al-Raḥmān A., Carlos, Nico, Aḥmad Zakī al-Yamānī.

Index van plaatsnamen: Ḥadda Street, Ḥurayḍa, al-Mukallā, Ṣanaᶜā’, Wādī ᶜAmd.

Dit is het einde van dag 90 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Transcriptie van de klinkers in Arabische woorden

A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘ie’ in ‘mie’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.

Transcriptie van de medeklinkers in Arabische woorden

Top

Jemen, 13 juni 1996

Wadi Do'an.
Een impressie uit Wadi Do’an, die ik op 7 juni jl. bezocht. Daniël van der Meulen fotogra­feerde (in de jaren dertig) onderweg diverse gebouwen. Abd al-Rahmaan heeft fotokopieën van die foto’s. Wij foto­graferen dat wat Van der Meulen ook al fotografeerde. Het blijkt dat er sindsdien nogal wat veranderd is. Een enorm kasteel (toentertijd) was nu ‘ineenge­schrompeld’ tot de afmetingen van een nor­maal Zuid-Jemenitisch huis. Alle gebouwen zijn van mudbrick (madar) gebouwd. Links op de voorgrond liggen nog enkele bouwstenen op gestapeld

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 13 juni 1996 (donderdag).

Naar het einde of de index.

Sana’a.
Gewekt door de salaat al-fadjr.
Op 05.45 uur.
Dagboek bijwerken.
Nu 7.30 uur.

Na het ontbijt ga ik naar het moderne telefoonkantoor, waar ik op 15 mei ook was tussen Zubayri street en Qasr street (Straat nr. 36?) om daar weer op een ‘ouderwetse’ manier (met telefoonkaarten) te bellen. Telecommunicatie en Jemen, dat gaat niet goed samen. Het moderne systeem, waar ik een maand geleden versteld van stond en waar iedereen bij stond te glunderen, werkt niet meer: “Fout in de software,” heet het, ‘maar je kunt me nog meer vertellen, dat geloof ik niet,’ denk ik.
Ik bel met Jan Just Witkam en met Pa en Ma. Alles ik o.k.

Ik koop The Yemen Times en lees in een kantoor van de Algemene Organisatie van Archeologie, Musea en Handschriften, waar ik nog voor Abd al-Rahmaan A. arriveer, alles over de achtergrond van het nog steeds voortdurende oproer in al-Moekalla. Een politieofficier van het bureau Zeden en Openbaar Goed Gedrag verkrachtte daar een vijf­tienjarig meisje en zijn baas en verdediger beschreef alle vrouwen van de Hadramaut als hoeren. De man is een Noorderling en wekte met zijn uitspraak de ressenti­menten van de zuiderlingen op, waarna de vlam in de pan sloeg, met als gevolg een nu al ongeveer één week durend oproer.

In diverse andere kantoren de Algemene Organisatie maak ik kennis met het als bureaucratisch (…) omschreven systeem van de Organisatie.
Veel geld zou gespendeerd worden aan administratie, terwijl er voor onderzoek niets overblijft.
Volgens mij echter, wordt er ook vrijwel niets aan administratie uitgegeven, maar slechts aan lonen, gezien de talloze volkomen lege bureaus waarachter enkele mensen zitten te thee lurken en te kletsen. De directeur van het hoofdkantoor is zelfs voor niemand aanspreekbaar, hoewel talloze mensen dat doen, al dan niet tegelijkertijd en over wisselende onderwerpen.
De directeur zit voortdurend te glimlachen, kijkt wazig rond, moet zich bij iedere vraag vermannen en antwoord met een afwezige glim­lach. Hij heeft wel wat op zijn bureau liggen, netjes opgestapeld, alsof er maandenlang niemand meer aan is geweest.
We, Abd al-Rahmaan en ik, wachten op een gesprek met het hoofd van de Organisatie, dr. Yoesoef A., die echter voorlopig geen tijd voor ons heeft en vele gasten ontvangt, onder andere dr. Hans-Caspar Graf von Bothmer van de Universiteit van Tübingen, die onderzoek doet naar illuminaties (verluchtingen) in hand­schriften in het Daar al-Mach­toetaat (het Museum van Hand­schriften), zo vertelt dr. AM. (de directeur van dat museum) mij, naast wie ik op de bank zit en met wie ik pas binnengekomen hand­schriften bekijk.
Eerst nog even naar het kantoor van al-oestaaz Moehammad al-S, die naast ons ook nog twee of drie anderen ontvangt, waar hij zich mee bezighoudt. Dit is natuurlijk de reden dat hier absoluut niets gebeurt, niet alleen hier, maar overal in de Arabische wereld. Nog voordat je uitgesproken bent met de ene, ben je, vaak zonder adempauze, al weer in gesprek met een ander, over een totaal verschillend onderwerp, die nauwelijks zijn zaak aangekaart heeft, alweer overstemd wordt door een derde. Enzovoorts. Er is geen gelegenheid om over dingen na te denken en wellicht wil men dat ook niet, gewoon lekker kletsen en verder niets.

Dr. Yoesoef A, uiteindelijk, wil details van de inhoud van de gift, maar gesterkt door de fax van Jan Just Witkam, zeg ik nogal brutaal tegen hem, dat hij blij moet zijn met het cadeau en als hij details wil hebben moet hij maar zelf gaan tellen.
Hij is in zijn wiek geschoten, maar wil niet weten welke boutjes en schroeven er zijn, alleen welke boe­ken er zijn en welk meubilair. Daar heeft Abd al-Rahmaan lijsten van.
Dr. Yoesoef blijft goed gehumeurd en wil me zaterdag of zondag voor de lunch uitnodigen, maar ik zeg dat ik al een afspraak heb. (Ik wil nu vooral afkicken van het zware, vermoeiende leven in de Hadramaut en geen gekrakeel en geklets aan mijn oren.)
Hij wil weten wat ik in de namiddag doe en ik zeg hem dat Abd al-Rahmaan en ik naar een rustige plaats gaan (zonder voortdurende storende personen) om het pro­gramma voor de nabije toekomst uit te werken.
Desgevraagd zeg ik hem dat er voor deze fase van het project geen geld meer over is.
Dat is waar en niet waar. Mijn beurs zit vol dollars, maar dat geld moet nog gedeeltelijk betaald worden aan mensen voor geleverde diensten en de rest is bestemd voor nood­zakelijke vervolgoperaties om het geleverde te kunnen gebruiken.
Abd al-Rahmaan en ik nemen een ‘zakenlunch’ (zo boek ik die) in een Palestijns restaurant al-Bostani, wat een mooi restaurant is en niet duur.
De hele verdere middag werken we aan de evaluatie van het project op korte termijn.
We vragen de koers van de dollar en trekken er één rial vanaf, wegens het koersverschil in Say’oen en komen aldus op een koers van 116 rial per dollar.

’s Avonds eet ik alleen: een vieze kip, maar wellicht kwam dat omdat ik bachoer (wierook) had gegeten. (Dat zou goed zijn voor het denk­vermogen.) De smaak was nog in mijn mond.
Hotel om 22.00 uur.
Financiën tot 00.30 uur.
Bed 01.00 uur.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 13 juni.
Bij de Algemene Organisatie van Archeologie, Musea en Hand­schriften schijnt enig tijd geleden ophef te zijn ontstaan door een voormalig medewerkster van die organisatie, die al langer weg wilde en nu een positie bij het Institut du Monde Arabe in Parijs aangeboden heeft gekregen. Zij klaagt in het interview over het feit dat bij de Organisatie de geldstroom voor­namelijk in de richting van de adminstratie vloeit en niet naar het onderzoek. (Volgens Abd al-Rahmaan is dat ook een klacht van dr. Yoesoef A.)
Ik denk echter dat er niets naar de adminstratie vloeit, maar slechts naar de salarissen. Administratie wordt er volgens mij niet bedreven, gezien de vele lege bureaus.

[…]

Dr. Yoesoef vertelt ook dat Sjeik AB. bij de minister-president ging pro­testeren omdat hij zijn functie in de al-Ahgaaf-bibliotheek in Tariem zou verliezen. Hij zou strijden tegen de ‘seperatisten’.
Abd al-Rahmaan vertelt later dat de minister-president dr. Yoesoef ver­weet een probleem te creëren. Dr. Yoesoef zou geantwoord hebben dat slechts het belang van de bibliotheek in Tariem in het geding was en dat de minister-president met Sjeik AB. kon doen wat hij wilde.
Een zelfde soort gesprek vond plaats met de vicegouverneur in al-Moe­kalla, die met dr. Ahmad al-Sh. sprak, na diens bezoek aan de Ha­dramaut tijdens het verblijf van de Nederlandse Ambassadeur, medio mei jl.,
Deze vicegouverneur, lid van de al-Islah-partij (waar ook sjeik AB. lid van is) wilde dr. Ahmad onder vier ogen spreken over de directie­wisseling bij de al-Ahgaaf-biblio­theek in Tariem. Hij wilde weten wat er achter deze wisseling zat en waarom juist Abd al-Rahmaan gekozen was, terwijl er zoveel belangrijke mensen in Tariem waren. Ook dr. Ahmad wees op het belang van de bibliotheek en de capaciteiten van Abd al-Rahmaan op dit gebied.


Dit is het einde van het verslag van 13 juni.

Indexal-Islah-partij, al-Ahgaaf-bibliotheek, Institut du Monde Arabe, salaat.

Index van personen: Sjeik AB., Abd al-Rahmaan A., Hans-Caspar Graf von Bothmer, Daniel van der Meulen.

Index van plaatsnamen: Sana’a, Tariem, al-Moekalla, Sana’a.

Dit is het einde van dag 89 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voor­komt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Neder­lands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 12 juni 1996

Paleis in Tariem.
Uitzicht uit het Aal Kaaf-paleis. Het naburige paleis. Wat een kolos, helemaal van mudbrick, van modder / leem.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 12 juni 1996 (woensdag).

Naar het einde of de index.

Say’oen – Sana’a.
Ik lig nog rustig te lezen in “They dare to speak out” van Paul Findley, als Abd al-Rahmaan A. me komt vertellen dat het 6.10 uur is. Op mijn wekker is het nog geen vijf uur.
Ik kleed me snel aan en we laden onze spullen in de auto van Hamid B., die nu weer op tijd was.
Uit het Gasr al-goebba-hotel in Tariem kwam een telefonisch bericht (hoe is dat mogelijk? Er is immers geen telefooncentrale) dat ik de sleutel vergat in te leveren. Hamid zal hem terugbrengen. Ik betaal hem 2.000 rial hiervoor.
We vliegen weer met de Havilland Dash 7, maar ik kan slechts wazige foto’s van de Yool maken, omdat het bewolkt is.(1)
In het vliegtuig begint Abd al-Rahmaan weer over het voorval met Hoesein B., gisteren en ik vertel hem dat ik ongelovig ben. Geheel volgens het boekje (maar dat had ik niet verwacht) valt dat bij hem ook niet goed. Hij is zeer gelovig, maar geen fanaticus.
In Sana’a ga ik eerst naar het al-Gasmi-hotel in de wijk al-Gasmi van de oude stad (ik was er twee keer eerder) en dan naar de Nederlandse Ambassade, waar ik bijna driedui­zend dollar contant uitbetaald krijg en waar CR van schoonheid staat te schitteren.
“Wat zie je er goed uit,” zeg ik. Ze was een weekje in Indonesië ge­weest.
Ze had een poging ondernomen om naar Tariem te gaan, maar de tocht was op de dag van het vertrek afgezegd.
Ik kijk naar haar mooie figuur en maak een afspraak voor zaterdag in de Ambassade en zondagavond in het Taj Sheba-restaurant.
Abd al-Rahmaan en ik worden door Ambassadeur Pijpers ontvangen. We evolueren het bezoek aan de Hadra­maut en bespreken de lethargie van de Jemenitische autoriteiten bij het oplossen van de elektriciteitsproble­men.
Ik word verliefd op CR en kan urenlang niet anders dan aan haar denken.
Er is een fax van Jan Just Witkam voor mij.
Ik heb het gevoel: de directeur achter zijn bureau in een koele kamer beslist wat vijfduizend kilometer verderop moet gebeuren.
Hotel: financiën en slapen.
Ik wissel 200 dollar voor 117 rial per dollar.
Eten in het Taj Sheba hotel. Anders was ik in een half uur klaar, nu neem ik de tijd en doe een uur over de maaltijd.
Hotel rond 21.30 uur.
Spoedig daarna (circa 22.30) naar bed. Ik ben nog steeds verliefd op CR.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 12 juni.
Abd al-Rahmaan A. vertelt dat minder dan 1% van de vrouwen zou willen scheiden, als ze de kans zouden krijgen. Ik vraag hem of hij vrouwen ondervraagd heeft. Dat heeft hij niet.
Misschien willen inderdaad minder dan 1% scheiden, omdat de kans dat ooit nog een echtgenoot vinden, niet erg groot is. Vrouwen vinden hun lot (gisma) moeten dragen als ze niet gelukkig zijn. (Een dochter van Hamid B., de taxichauffeur in Say’oen, scheidde en hij nam haar terug in huis. Haar echtgenoot behandelde haar slecht.)
Voor in het huwelijk ongelukkige mannen ligt het lot toch anders. Als ze het zich kunnen veroorloven nemen ze een tweede vrouw, maar Salim al-T. van de receptie van het Gasr al-goebba-hotel in Tariem, was zeer gelukkig en wilde beslist geen andere, laat staan, een tweede. Ook Abd al-Rahmaan zegt dat hij gelukkig is met zijn echtgenote.

[…]

In de Hadramaut wordt veel werk, vooral op agrarisch vlak, door vrouwen gedaan.(2) Als de vrouwen niet zouden werken, zouden veel mannen van de honger omkomen. Mannen zitten vaak in grote drommen de hele dag bij elkaar te kletsen. Maar het zijn niet alleen de vrouwen die werken. Veel zwaar werk wordt door mannen gedaan. Het bouwen van huizen, bijvoor­beeld, is natuurlijk mannenwerk. Zij werken de hele ochtend tot de salaat al-zoehoer. Na de salaat al-asr gaat hun werk tot zonsondergang door.

[…]

’s Ochtends na onze aankomst in Sana’a gaat Abd al-Rahmaan mee naar hotel al-Gasmi. Onderweg zien we een troep geiten op een vuilnisbelt staan smullen. Verleden week, toen we in Wadi Do’an waren begon chauffeur Moehammad er­over dat wij varkens eten. Ik zei toen dat dat gezond vlees is, want zie de Chinezen, die eten allemaal var­kensvlees en er zijn meer dan een miljard Chinezen.
Abd al-Rahmaan zei toen dat een varken alles eet, ook afval. Nu, in Sana’a, wijs ik hem op de vuilnisbelt, vol met geiten. De geit als varken van het Midden-Oosten.
Hij zegt dat hij nooit geitenvlees eet. Een non-antwoord.
Ik nam me voor om, als een gastheer me ooit geitenvlees voorzet dat te weigeren en hem erop te wijzen dat een geit een onrein dier is, omdat dit dier zich te goed doet aan allerlei soorten afval.

[…]

Jan Just Witkam schrijft in zijn fax, die ik op de Nederlandse Ambassade ontvang, dat ik niet altijd het koersrisico van een lage dollar moet dragen, maar dat mensen ook maar dollars moeten accepteren. Dat blijft natuurlijk hetzelfde en verandert niets. Als iemand met een rekening bij mij komt wil hij geld. Als dat dollars zijn, moet dat volgens de koers van de dag. Dan maakt het niets uit of ik die dollars nu wissel, of de indiener van de rekening. Het bedrag in rial moet overeenkomen met de waarde van de dollar op de dag van betaling.(3)

Dit is het einde van het verslag van 12 juni.

(1) In het vliegtuig bleek een stoelleuning los te zitten. Een man die met de rug naar de piloot zat, pakte die op en deed alsof het een mitrailleur was, waarmee hij de andere passagiers doodschoot. Abd al-Rahmaan zei toen dat Jemenieten alleen maar aan wapens kunnen denken.
(2) Een van de nieuwe medewerkers van de bibliotheek vertelde mij dat vrouwen niet werken. Ik wees hem erop dat ik iedere ochtend, wanneer ik naar de bibliotheek loop, gepasseerd word door een kar met veel vrouwen erop en dat ik die even verder op het land zie werken, waarop hij, met minachting in zijn stem, zei: “Boerinnen!”
(3) Ik deed dat één keer, zoals Jan Just Witkam in zijn fax voorstelt, namelijk op 12 mei jl. toen ik in dollars uitbetaalde en dat leidde alleen maar tot een hoop gezeur, toen de ontvanger, elektricien Ahmad uit Say’oen, daar veel geld mee verloor en wilde dat ik zijn verlies vergoedde.

IndexHavilland, mudbrick, gisma, salaat.

Index van personen: Abd al-Rahmaan A., Paul Findley, Hamid B., Hoesein B., Jan Just Witkam.

Index van plaatsnamen: al-Gasmi-wijk, Sana’a, Say’oen, Tariem, Yool.

Dit is het einde van dag 88 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voor­komt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Neder­lands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.