18 september 1976

Rabat
Uit­zicht op Ra­bat, van­uit de stad Sa­lé ge­zien. In het mid­den staat de recht­hoe­ki­ge Has­san­mi­na­ret en links er­van (op de fo­to cir­ca 1 cm) is het wit­te ge­bouw het mau­so­leum van ko­ning Mo­ham­med V.

Dagboek 1976

(Dag 1694) Cees en ik zijn sa­men op va­kan­tie in Ma­rok­ko. We ver­blij­ven sinds en­ke­le da­gen in de hoofd­stad van dat land: Ra­bat. We be­zoeken de stad Sa­lé, die aan de over­kant van de ri­vier Bou Reg­reg ligt, naast Ra­bat. De ri­vier stroomt tus­sen bei­de ste­den door.

MenuIndex en het einde.

Zaterdag, 18 september 1976.
Op tegen 9.00 uur. Ont­bijt in het ho­tel. Ver­tel­len met een Duit­ser.
Aangezien het ont­bijt hier uit twee stuk­jes brood en een pot­je jam be­staat, heb ik gis­te­ren in de nieuwe stad kaas ge­kocht en eten we nu ont­bijt van het ho­tel plus extra brood en kaas.
Tegen 10.30 uur haal ik op het Post­kan­toor 250 Dirham (Dh) af.
Rond 12.00 uur gaan we naar Sa­lé, te voet.
Het is smoor­heet en we ver­wach­ten op de brug te zul­len smel­ten. Dat ge­beurt niet, want het is op­mer­ke­lijk koel op de brug over de Bou Reg­reg.
We lopen door een mooie Me­di­na. Ko­pen er fruit. Als Cees de tas op zijn rug heeft han­gen voelt hij iets aan de tas. Als hij zich om­draait ziet hij niets, maar als hij in de tas kijkt, is een si­naas­ap­pel weg.
We lo­pen naar het strand en gaan om de beurt zwem­men in de zou­te mon­ding van de Bou Reg­reg in de At­lan­tische oce­aan. (Om de beurt, om­dat an­ders het geld en de fo­to­spul­len on­be­heerd zijn.)
We krijgen aan­spraak van de niet le­lij­ke Idriss, die een oog mist en het oog­lid dicht heeft, waar­on­der een et­ter­rand­je staat, en zijn vriend.
Zijn vriend gaat weg en hij blijft al­leen over. Cees gaat wan­de­len en Idriss wrijft het zand van mijn li­chaam. Zo­veel man­ne­lij­ke te­der­heid!
Hij leidt ons door de stad Sa­lé in een wat hij ‘ou­de mos­kee’ noemt, maar wat waar­schijn­lijk een ou­de Ma­dras­sa is. [Entree:] 1 Dir­ham per per­soon.
Na een poos­je baal ik van hem en we ge­ven hem cir­ca 6 Dir­ham als dank voor de rond­leiding. Hij wil ons ook in Ra­bat rond­leiden, maar dat wil­len we niet, om­dat we mor­gen­vroeg wil­len ver­trek­ken.
We lo­pen te­rug naar Ra­bat en zit­ten op de rand van een muur bij de Oued [=rivier] Bou Reg­reg, schuin te­gen­over de Has­san­to­ren / Has­san­mi­na­ret, bij een ver­keers­licht.
We pra­ten met een mooie jon­gen van 18 jaar, die erg vrien­de­lijk is. Hij werkt bij een toe­ris­ten­bu­reau. Hij heet Ka­li­fa en houdt zich niet aan de Ra­ma­dan. Hij rookt hasj, drinkt wijn en eet als hij hon­ger heeft. Hij droomt ervan om naar Ki­ta­ma te gaan. (Daar wordt hasj wordt ver­bouwd.)
Tegen 19.00 uur is het ein­de van de Ra­ma­dan. De 23ste dag en in de Me­di­na be­gint dan het ge­zel­lige le­ven. In de Me­di­na spre­ken we een Ame­ri­kaans spre­ken­de Ma­rok­kaan, een an­de­re dan gis­te­ren, die ons een plaats­je toont om lek­ke­re ha­ri­ra (soep) te eten. (Twee kom­men plus brood is 1 Dh.) We ge­ven 1 Dh fooi.
Cees koopt schoent­jes (ba­bou­ches) voor 25 Dh (f. 15,00) Ik denk de he­le Ko­ran te ko­pen voor 2 Dh, maar la­ter blijkt het slechts een stuk­je te zijn.
Tegen 22.30 uur gaan we naar bed.
Weer: hele dag smoor­heet. ’s Avonds iets be­wolkt.

Index

Index van termen:
Index van personen:
Cees.
Index van locaties:

Me­nuBe­ginHoofd­in­dex Over­zicht 1972-1990Ma­rok­ko 1976 (over­zicht).

6 september 1977

Dagboek 1977

(Dag 2047) Mijn vriend HL. en ik zijn sinds 31 au­gus­tus jl. met on­ze cam­per Ford Tran­sit in Ma­rok­ko met va­kan­tie. We ver­blij­ven op een cam­ping in If­rane. – Ver­le­den jaar was ik ook in Ma­rok­ko en ont­moet­te er Mo­ham­mad. We be­zoe­ken hem nu thuis in Mek­nes en de fa­mi­lie wil dat we bij hen in huis sla­pen. – Ik word lang­zaam ziek. – De mun­teen­heid in Ma­rok­ko is de Dir­ham (Meer­voud: Da­raa­him). 1 Dir­ham is f. 0,55. (Gul­den.)

MenuIndex en het einde.

Dinsdag, 6 september 1977.
IfraneMeknes.
Op 9.00 uur.
Wassen
De auto wassen. (De twee­de keer sinds ik hem heb.) Een jon­gen spuit het ga­zon. We vra­gen hem on­ze au­to nat te spui­ten. We be­ta­len de jon­gen 10 Dh (f. 5,50) De­ze weet niet wat hem over­komt en weet niet hoe hij ons moet be­dan­ken. Hij be­gint nog eens ex­tra goed te wrij­ven.
We rijden circa 12.30 uur naar Mek­nes.
Als ik in Itto iets van de weg af loop, om be­te­re dia’s te ma­ken, raakt HL. in pa­niek. Hij be­gint te roe­pen en te toe­te­ren. Hard schreeu­wen kan ik niet, want ik heb keel­pijn. HL. is bang, dus on­re­de­lijk.
Hier heb ik een drie­tal mooie dia’s ge­maakt.
In Meknes tref­fen we Mo­ham­med thuis. We ge­ven hem een radio. We zijn erg wel­kom en hij is blij met de ra­dio. We leg­gen hem de wer­king uit.
Met hem en zijn erg mooie vriend Mo­rad rij­den we naar Aïn Si­di Sli­ma­ne, een be­de­vaart­soord (zo­als Banneux, met even­veel poe­ha) in de buurt van Me­knes.
We bezoeken de ver­la­ten die­ren­tuin Ban­jo.
Bij hem thuis: 18.30 uur.
We eten mee. (Het is nog steeds Ra­ma­dan, tot 16-9-77)
Na het eten gaan we op­nieuw de stad in.
HL. drinkt vier fles­sen bier op een ter­ras in Mek­nes.
Ik begin last van diar­ree te krij­gen.
Met Mohammed bezoeken we ach­ter­af een huis waar hij sa­men met vrien­den mu­ziek van Nas al-Ghi­wa­ne* maakt. Er is daar een vol­le­dig sto­ned persoon aan­we­zig en an­de­ren ge­bruik­ten kief* (Wij ons bier en zij hun hasj, een mens moet toch wat.)
Het is er gezellig en HL. maakt op trom­mels ook mu­ziek. Er zijn en­ke­le leuke en min­der leuke jon­gens.
Ik krijg steeds meer last van buik­pijn, diar­ree.
We gaan na circa een uur naar Mo­ham­med thuis.
Tegen 00.30 uur, na een af­ge­sla­gen maal­tijd (het staat me ge­woon te­gen) moe­ten we bij Mo­ham­med in huis sla­pen.
Het is er stik­be­nauwd, maar ik heb het de he­le nacht koud. Ik vraag een de­ken en leg die vier­dub­bel op en ik draag twee trui­tjes. Vaak moet ik naar de WC en hoe­wel ik ho­ge koorts heb en het dus slecht is om naar bui­ten te gaan (de WC is bui­ten) vind ik dat een ver­ade­ming, bo­ven die be­nauw­de ka­mer.
In mijn eigen auto kun­nen we niet sla­pen, omdat met ons ‘bin­nen sla­pen’ er an­de­ren moes­ten schui­ven en die sla­pen nu in on­ze au­to.
We wilden ze niet be­le­di­gen, maar we had­den toch lie­ver in on­ze ei­gen bed ge­sla­pen, wat boven­dien ook nog 10x zach­ter zou zijn ge­weest en min­der slecht voor mij.
Weer: in Ifrane fris. Mek­nes, smoor­heet.

*
Kief (Wi.)
Nas al-Ghi­wane (Wi.) (YouTube.) Een zeer po­pu­lai­re Ma­rok­kaan­se mu­ziek­groep.

Te­rug.

Voor een sum­mie­re uit­leg over het Ara­bisch: klik hier.


Meer informatie.

GM.: Google Maps. – Wi.: Wi­ki­pe­dia. – Web.: ove­rige bron­nen.
Marokko:
:ﺍﻟﻤﻐﺮﺏ
Ifrane:
:ﺇﻓﺮﺍﻥ
Itto:
:ﺇﻳﻄﻮ
Mek­nes:
:ﻣﻜﻨﺎﺱ
Aïn Sidi Sli­mane:
GM?., Wi?.
:ﻋﻴﻦ ﺳﻴﺪﻱ ﺳﻠﻴﻤﺎﻥ

In de tekst ge­noemd.

Ban­neux:
GM., Wi.

Index

Index van ter­men:
Index van per­so­nen:
HL.
Index van lo­ca­ties:
.

Me­nuBe­ginHoofd­in­dex Over­zicht 1972-1990.

8 oktober 1976

Minaret
Dit is een typische Marokkaanse minaret: vierkant, massief en groen. Deze staat in Meknes.

Dagboek 1976

(Dag 1714) Cees en ik zijn sa­men op va­kan­tie in Ma­rok­ko. We zijn in de stad Tan­ger. In de och­tend wil­len we Ma­rok­ko ver­la­ten, maar we krij­gen bij­na pro­ble­men met de po­li­tie. Uit­ein­de­lijk zijn we op tijd bij de veer­boot naar Al­ge­ci­ras in Span­je. Die ver­trekt om 8.00 uur. We va­ren over de Straat van Gi­bral­tar. In Span­je ont­dek ik dat niet al­leen de Ma­rok­kaan­se jon­ge­man­nen knap en sexy zijn, maar ook de Spaan­se. – Laat in de avond be­gin­nen we aan de trein­reis huis­waarts.

MenuIndex en het einde.

Vrijdag, 8 oktober 1976.
Adieu Ma­roc a pro­chaine an­nee sha’al­lah.*
Slecht ge­sla­pen.
Op 6.00 uur. Eten op de ka­mer.
We betalen het ho­tel. Dat is 37 Dir­ham (Dh), in­clu­sief het ont­bijt. We heb­ben geen ont­bijt gehad en kun­nen dat niet voor acht uur krij­gen. Op dat tijd­stip ver­trekt de veer­boot.
Cees wil niet meer be­ta­len dan 30 Dh en ik ben het met hem eens, maar de ei­ge­naar dreigt de po­li­tie er­bij te ha­len en dat kun­nen we op de­ze laat­ste dag niet ge­brui­ken. Ik zeg te­gen Cees dat hij moet be­ta­len, maar Cees wil weg­lo­pen. De man is hem ech­ter te snel af en sluit de deur. Cees neemt een dreig­hou­ding aan als­of hij wil slaan.
Ik zeg: “Cees, schei uit en betaal die 7 Dh.”
De man dreigt nog­maals met de po­li­tie en als ik zeg dat hij be­ter kan be­ta­len, doet hij dat en gaan we weg.
We lopen naar de ha­ven. We heb­ben nog 0,95 Dh over.
Tij­dens de over­steek zijn er en­ke­le aar­dige boys aan boord.
We ont­bij­ten aan boord, met de laat­ste Ma­rok­kaan­se qah­wa ha­lib [kof­fie ver­keerd]. Ik heb geen zin om fo­to’s van Tan­ger te maken. Ik voel me niet goed wor­den. [Zee­ziek?]
Ik ben blij weer op vas­te bo­dem te staan in Al­ge­ci­ras en hoe­wel we bang zijn voor de dou­ane, ben ik al­leen maar de­ge­ne die zijn rug­zak open moet maken, het kist­je met films er­uit moet ha­len, ope­nen en weer in­pak­ken. Cees kan zo door­lo­pen, die had zijn rug­zak nog om en ik had hem af­ge­daan.
Met de ta­xi naar het sta­tion, waar we rond 12.00 uur zijn. De trein ver­trekt pas om 21.15 uur. We le­ve­ren de ba­ga­ge in bij een de­pot voor 60 Pe­se­ta (60x f. 0,04 = f. 2,40)
We gaan in een ca­fé kof­fie drin­ken en nu het niet meer hoeft wil Cees Frans le­ren en komt voor me zit­ten en be­neemt me het uit­zicht op een mooie jon­gen van cir­ca ze­ven­tien jaar. Ik zeg hem dat Frans le­ren nu geen zin meer heeft en dat hij moet schui­ven, want ik zie wat moois en juist nu gaat hij voor me zit­ten. Hij draait zich om en zegt: “Die bus?” Een kort hoofd­knik­je van mij en hij be­grijpt wat ik be­doel en hij schuift.
In mijn zak­dag­boek­je schrijf ik ’s avonds: We gaan naar een ca­fé kof­fie drin­ken. Ik zie veel mooie Spaan­se boys. Eén draagt een licht­blau­we strak­ke spij­ker­broek om zijn mooi kont­je. Aan de voor­kant, tus­sen zijn be­nen […!] Hij zit wijd­beens. Het ziet er heer­lijk uit en lek­ker zacht. (Hij draagt die spij­ker­broek waar­schijn­lijk op zijn naak­te huid.) Ik moet heel de ver­de­re dag en avond aan hem den­ken.
We lo­pen door Al­ge­ci­ras, de stad, die over­loopt van de mooie en sexy stuk­ken en ook zijn er veel blon­de Span­jaar­den. We lo­pen tot in de ha­ven en zit­ten bij een fon­tein in de zon.
Ik geniet er­van dat Cees een half uur lang niets zegt en ik ge­niet van de ve­le mooie Span­jaar­den. He­laas be­trekt de he­mel en dan ver­dwijnt ook bij mij mijn zon­ni­ge stem­ming. Hoe meer de tijd vor­dert, hoe meer ge­span­nen ik word, tot gro­te er­ger­nis van Cees, die in een vro­lij­ke bui is.
Ik sliep af­ge­lo­pen nacht slecht, ik ben nog steeds on­der de in­druk van die knap­pe jon­ge­man van van­mid­dag en nu ver­dwijnt de zon ook nog. Daar word ik on­ge­luk­kig van.
In een fo­to­au­to­maat laat ik vier ‘drie-mi­nu­ten-pas­fo­to’s’ ma­ken voor 50 Pe­se­ta en ik koop uit die ma­chi­ne ook een sleu­tel­han­ger waar­in die fo­to’s op­ge­bor­gen kun­nen wor­den, voor 10 Pe­se­ta.
We eten in een res­tau­rant, geen hond kent er Frans, zelfs niet de ober, die zegt het te ken­nen. Ik be­stel zon­der vlees huevos met frie­ten. Dat blij­ken twee we­ke spie­gel­ei­e­ren te zijn met een beet­je friet.
Cees heeft (waar­schijn­lijk) inkt­vis met ge­bak­ken aard­ap­pel­tjes.
We drinken voor de zo­veel­ste keer kof­fie en gaan naar het sta­tion.
Cees maakt een ommetje (rond 19.00 uur) en ik maak no­ti­ties in het zak­dag­boek­je.
Weer: lekker, af en toe fris. In Tan­ger was het ook be­wolkt en fris.
Tegen 21.15 uur ver­trekt de trein.
We zitten in één cou­pé: drie Ma­rok­ka­nen: Si­mon, Chou­a­ki, een ou­de­re man wiens naam ik niet weet, drie Zweed­se meis­jes: Cor­ne­lia, Ann, Ann en twee Ne­der­lan­ders: Cees en ik.
Simon is Ber­ber, stamt uit Be­ni Mel­lal, zijn ouders wo­nen nu in Khou­rib­ga, waar zijn va­der in een fos­faat­mijn werkt.
Simon stu­deert in Ra­bat me­di­cij­nen, is der­de­jaars en gaat nu in Pa­rijs met va­kan­tie. Hij is ou­der dan 23 want hij reist niet op In­ter­rail. Hij zegt zelf ook dat hij daar te oud voor is. Zijn vriend Chou­a­ki is ook stu­dent(?) en reist wel op In­ter­rail. Die is pas 21 jaar. Met Si­mon kan ik snel goed op­schie­ten.
Hij doet als een ech­te Ma­rok­kaan en houdt ge­re­geld zijn hand op mijn be­nen en ook hou­den wij een keer onze han­den vast. (We de­len in hun zoe­te koek en bier en zij in onze me­loen.)

*
Adieu Ma­roc, à l’an­née pro­chai­ne, ‘in sha’a llah’.
Tot ziens, Ma­rok­ko, tot vol­gend jaar, als Al­lah het wil.
Vaag meen ik mij nog te her­in­ne­ren dat we on­der­weg dol­fij­nen ge­zien heb­ben. In 2011 be­ves­tig­de Cees dat, maar hij wist niet meer, even­min als ik, of dat nu op de heen­weg (14 sep­tem­ber jl.) naar Marokko was ge­beurd of op de te­rug­weg uit Tan­ger. (De­ze dag.) Ik heb dit heug­lijke feit ner­gens op­ge­schre­ven.

Index

In­dex van ter­men:
In­dex van per­so­nen:
Cees.
In­dex van lo­ca­ties:

Me­nuBe­ginHoofd­in­dex Over­zicht 1972-1990Ma­rok­ko 1976 (over­zicht).

7 oktober 1976

Tanger
Ge­zicht op de ha­ven van Tan­ger en de Straat van Gi­bral­tar, van­uit het Mas­si­lia-ho­tel. Aan de ho­ri­zon ligt het vas­te­land van Span­je. – Op de fo­to is ook het sta­tion van Tan­ger te zien; rechts lig­gen de spo­ren, waar­op goe­de­ren­wa­gons staan.

Dagboek 1976

(Dag 1713) Cees en ik zijn sa­men op va­kan­tie in Ma­rok­ko. We zijn in de stad Mek­nes. We gaan van­daag naar Tan­ger, met de trein. (Mo­ham­med R. is de per­soon die we eer­gis­te­ren in Mek­nes ont­moet­ten.)

MenuIndex en het einde.

Donderdag, 7 oktober 1976.
Op 6.00 uur.
Eten.
In­pak­ken en be­ta­len.
Mo­ham­med R. loopt met ons om 7.40 uur naar het sta­tion, dat vlak­bij is. We spre­ken wei­nig. Om 7.55 uur neemt hij af­scheid. Zijn school be­gint om 8.00 uur. Hij loopt weg zon­der om te kij­ken.
Twee trein­kaart­jes naar Tan­ger, 2e klas: 43,60 Dir­ham (Dh).
De trein moet om 8.25 uur ver­trek­ken; te­gen 8.35 uur rij­den we uit het sta­tion van Mek­nes.
In de trein ko­men we aan de praat met een stu­dent die in Tan­ger op het Ame­ri­kaans In­sti­tuut En­gels leert. Hij spreekt het niet slecht, doch met een vreemd ac­cent. Hij zegt ‘fah­mous‘ in plaats van ‘fee­mous‘ als we ‘fa­mous‘ be­doe­len.
In Si­di Sli­ma­ne stap­pen we over in een vol­le trein en vin­den toch nog plaats. Ik neem fo­to’s.
Tegen 14.00 uur zijn we in Tan­ger.
We lopen naar Ho­tel Mas­si­lia (waar we de vo­ri­ge keer ver­ble­ven).
Er werkt nu een mooie re­cep­ti­o­nist. Hier­na gaan we naar de ‘Al­ge­me­ne Bank Ma­rok­ko’, waar ze bij­na geen Ne­der­lands geld heb­ben, al­leen brief­jes van hon­derd gul­den! En dat op een de­pen­dan­ce van de ‘Al­ge­me­ne Bank Ne­der­land.’
De Medina be­valt ons nu be­ter dan de vo­ri­ge keer. We ko­men in an­de­re straat­jes en ook nu zijn het de ‘hasj­ver­ko­pers’ die je het ple­zier be­der­ven. (Ik maak en­ke­le fo­to’s.)
We ko­pen wat we bij­na ver­ge­ten wa­ren: een sou­ve­nir voor J de K., want die heeft on­ze plan­ten ver­zorgd: een wol­len muts­je en ik koop een kan­ten muts­je voor Jan G.
We gaan de stad in en eten in een res­tau­rant dat men ons bij Mas­si­lia de vo­ri­ge keer had aan­ge­we­zen (Zan­zi­bar?) We eten erg goed (ve­ge­ta­risch) en lek­ker. Er is li­ve mu­ziek met goed aan­ge­kle­de buik­dan­se­res­sen, die hun werk doen om­dat het blijk­baar moet, want er kan geen lach­je van af.
Eén vraagt aan mij of ik wil dan­sen, dat wil ik niet. Na een poos­je komt een gro­te schaal aan: voor de mu­ziek. Er ligt een brief­je van 10 Dh op. Twee an­de­re gas­ten leg­gen er sa­men 15 Dh op. Dat wordt mij on­der de neus ge­duwd. Ik keer mijn beurs om, met al­le­maal los­se mun­ten. Eén Dir­ham en nog een. Een beetje rood word ik wel, maar ik leg er toch nog een hal­ve bij. Nou ja, voor­uit, ik maak er drie Dir­ham van en stop mijn beurs weg. Als de griet weg is, moet ik toch wel la­chen.
Als we klaar zijn vra­gen we de re­ke­ning: 44 Dh. “Zon­der ser­vi­ce”, wordt er uit­druk­ke­lijk bij ge­zegd. We heb­ben goed ge­ge­ten en lek­ker. We leg­gen vijf brief­jes van 10 Dh neer en vier los­se mun­ten van 1 Dirham. (54 Dh dus!)
De ober komt en telt. Grof wijst zijn vin­ger op het re­ke­ning­re­sul­taat en laat hem er hard op dansen. Als hij vrij bru­taal zegt (hij was eerst zeer voor­ko­mend en vrien­de­lijk en lach­te veel): “Dit is zon­der ser­vi­ce, me­neer, zon­der ser­vi­ce. De­ze prijs is zon­der ser­vi­ce!”, pak ik kalm vier brief­jes van 10 Dh op en laat er één en de mun­ten lig­gen. De ober weet niet hoe snel hij zijn ex­cu­ses moet aan­bie­den en be­gint weer te la­chen en vrien­de­lijk te doen.
Erg kwa­lijk neem ik het hem niet, want ta­len …, ta­len, daar zijn die Ma­rok­ka­nen goed in, maar re­ke­nen …, re­ke­nen, daar heb­ben ze nooit van ge­hoord. Ook als het maar een beet­je optellen is, dan dat duurt dan bij­na tien mi­nu­ten.
Stuk voor stuk. Ze kun­nen niet re­ke­nen. Ze zit­ten vaak te pie­ke­ren als ze wat moe­ten op­tel­len. Ze pie­ke­ren zich suf en dan schrij­ven ze wat op en be­gin­nen te tel­len en ja hoor, na en­ke­le mi­nu­ten weet je dan dat je 1,35 Dh moet be­ta­len.
We wil­len kaas ko­pen, maar heb­ben waar­schijn­lijk geen geld ge­noeg en gaan naar het ho­tel om te tel­len. We ko­men tot 6,70 Dh. Eén ki­lo kaas kost 13 Dh en die man had in de win­kel een stuk van pre­cies één kilo lig­gen.
Ik zeg: “Dat is ris­kant, want stel dat hij zich vergist en meer dan een hal­ve ki­lo af­snijdt, dan heb­ben we geld te kort.”
“Nou, dan ne­men we de an­de­re helft”, zegt Cees heel nuch­ter. Daar had ik niet aan ge­dacht en we moe­ten er hard om la­chen.
Maar de man snijdt goed en telt zich daarna mis­se­lijk op on­ze hand­vol klei­ne munt­jes. (Een re­ken­won­der is hij ook niet, want hal­ver­we­ge be­gint hij op­nieuw.) Als punt­je bij paalt­je komt (we heb­ben een paar ‘stui­vers’ te veel ge­ge­ven) krij­gen we 0,05 Dir­ham (5 Franc) te veel te­rug. Dat mer­ken we als we in het ho­tel zijn.
Rug­zak in­pak­ken.
Douche.
Tegen 23.00 uur op bed.
Weer: vol­op zo­mers, smoor­heet.

Index

In­dex van ter­men:
In­dex van per­so­nen:
In­dex van lo­ca­ties:

Me­nuBe­ginHoofd­in­dex Over­zicht 1972-1990Ma­rok­ko 1976 (over­zicht).

6 oktober 1976

Personen
Cees (links), die op dit mo­ment al ziek is, en on­der­ge­te­ken­de op 6 ok­to­ber in onze ho­tel­ka­mer in Mek­nes. De­ze fo­to is ge­no­men door Mo­ham­med R., een jon­ge­man die we gis­te­ren in de­ze stad ont­moet heb­ben.

Dagboek 1976

(Dag 1712) Cees en ik zijn sa­men op va­kan­tie in Ma­rok­ko. We zijn in de stad Mek­nes. We gaan van­avond met Mo­ham­med R., die we gis­te­ren ont­moet­ten, op stap en le­ren iets over de Ma­rok­kaan­se cul­tuur en om­gangs­vor­men.

Naar de index en het einde.

Woensdag, 6 oktober 1976.
Op 7.30 uur.
We zien Mo­ham­med R. en hij ons. Hij gaat naar school.
Ont­bijt in het ho­tel.
De stad in en we fo­to­gra­feren de nieuw­bouw van de Ban­que Com­mer­ci­al du Ma­roc.
In de ou­de stad di­ver­se fo­to’s ge­no­men. De­ze stad is niet zo mooi als Fez.
Thee, kof­fie en li­mo­na­de drin­ken.
We zijn moe en zien niet veel. (Toch veel fo­to’s ge­maakt.)
Tegen 16.15 uur bij het ho­tel. We eten cous­cous zon­der vlees in het ho­tel en gaan in on­ze ka­mer op bed lig­gen.
Om 18.00 uur is Mo­ham­med bij het ho­tel en we gaan naar de­zelf­de zaak als gis­te­ren. Hij, Mo­ham­med, zegt dat deze zaak een sou­ve­nir voor hem is, want als hij hier komt zal hij met ple­zier aan ons te­rug den­ken.
We drin­ken kof­fie en ho­ren dat het een Ma­rok­kaan­se ge­woon­te is om soms slechts één kop kof­fie, sa­men met een glas wa­ter, op een avond te drin­ken en al­leen maar naar de mu­ziek te luis­te­ren. Wij, Cees en ik, drin­ken nog een kop kof­fie en Mo­ham­med zegt dat hij het drin­ken zal be­ta­len. Daar wil ik niets van we­ten, want ik heb werk.
Hij slurpt de kof­fie op. (Dat is in Ma­rok­ko gewoonte en hij zingt als er niets ge­zegd wordt, dat is ook ge­woon­te, hebben we ge­merkt. Wij zou­den dat in Ne­der­land niet zo ac­cep­te­ren, want je denkt al gauw dat ie­mand zich ver­veelt en weg wil.)
Als we hem vra­gen iets fris te drin­ken zegt hij dat hij dat niet kan ac­cep­te­ren, want een ech­te vriend drinkt niet op kos­ten van zijn vrien­den. (We had­den hem gis­te­ren al ge­zegd hem als een vriend te be­schou­wen, want me­nig­een loopt met je mee: “Vriend hier, vriend daar” en ach­ter­af wil die dan geld heb­ben. Wij, zo zei­den wij, von­den het fijn dat hij dat niet deed.)
Bij het bes­tel­len van Oran­gi­na [si­naas­ap­pel­li­mo­na­de], kij­ken wij hem zo­da­nig aan dat hij van twee djoez [stuks] toch tletta [drie] maakt en dus zelf mee­drinkt.
Zo lang als hij over de kof­fie doet, zo snel heeft hij de Oran­gi­na op (ook gis­te­ren, de coke.)
We ne­men hem mee naar het ho­tel. On­der­weg komt hij een goe­de be­ken­de te­gen en die kust hem op bei­de wan­gen.
Hij loopt het ho­tel bin­nen zon­der te vra­gen en de ei­ge­naar, die al­leen iets kan le­zen als hij het pa­pier te­gen zijn neus houdt, zegt niets.
Op on­ze ka­mer ma­ken we een ze­ven­tal fo­to’s. Van hem, van hem en een van ons en hij met de te­le­foon­hoorn aan zijn oor.
We ver­tel­len nog wat. Dan klaagt Cees over buik­pijn.
Ik be­ge­leid Mo­ham­med naar bui­ten en mor­gen zal hij bij het ho­tel zijn om ons uit­ge­lei­de te doen: “en ver­geet als­je­blieft niet de fo­to’s.”
Bed tegen 21.30 uur.
Weer: smoor­heet, te­gen de 40°C.

Index

In­dex van ter­men:
.
In­dex van per­so­nen:
Cees.
In­dex van lo­ca­ties:

Me­nuBe­ginHoofd­index Over­zicht 1972-1990Ma­rok­ko 1976 (over­zicht).