Jemen, 11 juni 1996

Gasr al-goebba-hotel.
Abd al-Rahmaan A. (l) en ondergetekende op 10 juni 1996 op de trappen van het Gasr al-goebba-hotel in Tariem.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 11 juni 1996 (dinsdag).

Naar het einde of de index.

Tariem – Say’oen.
Om 01.00 uur stopt de airco. Dit komt omdat de netspanning uitvalt.
Om 01.30 gaat de ventilator weer draaien, de airco start niet meer. Dat wil zeggen dat de generator van het hotel gestart wordt. Om 6.00 wordt deze ook gestopt en zal er tot zonsondergang geen elektriciteit meer zijn.
De hele nacht was het zwaar bewolkt en dus benauwd. Er viel geen regen.
Ik sta om 5.00 uur op en pak in tot circa 8.45 uur.
Rond 9.30 uur ben ik in de biblio­theek en maak er nog wat foto’s, ook van de medewerkers.
Hoesein B. wil weten welk geloof ik heb en ik zeg hem dat hem dat niets aangaat. (“Mish shoerlak.)” Dat ver­oorzaakt een groot misverstand en het komende uur is hij, tot vervelens toe, bezig met het aanbieden van zijn excuses, hoewel Abd al-Rah­maan A. hem uitlegt dat wij over ons geloof niet praten.
Ik betaalde hedenochtend de hotel­rekening en deze was voor zeven dagen, wat niet kan, omdat ik op een woensdag arriveerde (27 maart) en ik op dinsdag vertrek. Ik wilde ech­ter niet zeuren.
De rekening van Mansoer (cafetaria) bevatte over de afgelopen twee we­ken negen bier à 130 rial, terwijl ik er maar twee dronk. Ik wil niet zeuren. Ik geef Mansoer 200 rial fooi en Hoesein al-A, van de receptie, 100 rial.
Ik heb alle bedragen altijd ruim naar boven afgerond. Soms was de fooi voor het hotel meer dan 600 rial. Maar de fooi was niet voor het hotel. Hoesein nam die altijd persoonlijk in ontvangst, zo werd me een keer duidelijk, een paar weken geleden. Ik liet het maar zo en bleef bij hem betalen, hoewel ik ook zou hebben kunnen betalen bij Salim al-T.
Toen ik uit de bibliotheek terug­kwam om mijn spullen op te halen, kreeg ik weer een rekening gepre­senteerd. De appelsappen waren geen 50 rial per stuk, maar 60 rial en ik moest ongeveer 400 rial bijlappen. Daar was ik toch teleurgesteld over. Verdient hij (Mansoer) bijna 1.000 rial (f. 13,00) door bier op de reke­ning te schrijven dat ik niet gebruik­te en gaf ik altijd ruim fooi, nu wil­len hij hier die laatste stuivers ook nog hebben!

Ik rij met Abd al-Rahmaan naar Say’oen.
Hij pakte alle levensmiddelen voor zich zelf. Ik had hem willen laten kiezen, maar hij kon alles gebruiken.
Een blik met ravioli, waar ook wijn in zat, sloeg ik op in een kist. (Houdbaar tot 1998.) De levens­mid­delen met varkensvlees had ik weggegooid, maar Abd al-Rahmaan stelde geen vragen over de inhoud. ‘Wat niet weet, dat niet deert’, zal hij gedacht hebben.
De resterende whisky (1 liter) en een beetje jonge jenever had ik sinds gis­terenavond in fases door het toilet gespoeld.
We rusten in Say’oen en ik drink het water dat naar stof smaakt, zoals het stof ruikt. Een maand geleden vond ik het niet lekker, nu vind ik het heel lekker.
We vragen naar de wisselkoers van de dollar op de markt en volgens mij zei de man: 115 rial, maar Abd al-Rahmaan brengt zijn zwager 118 rial in rekening. (Vergistte ik mij?) Ik zeg nu echter niets en wissel 600 dollar en krijg 70.800 rial.

Ik vertel Abd al-Rahmaan over mijn fout bij de chauffeur Moe­ham­mad van de Landcruiser en we gaan die al eerder op vrijdag jl. (7 juni) betaalde 2.100 rial terugvragen. Ik liet die nu aan Abd al-Rahmaan, maar Moe­ham­mad heeft het geld niet. Hij zal dat later brengen.

Zowel het middagmaal als het avondmaal bij Abd al-Rahmaan was heerlijk. Ik at verse rijpe dadels. De dadels zijn volgende week pas rijp. Deze nu al.

Ik zag het mooie kleine meisje weer: wat een schoonheid. (Zie 6 juni jl.)

We nuttigden het avondmaal op het erf, tussen de enorme kasten van huizen, in het donker, want Abd al-Rahmaan wil niet laten zien dat hij te eten heeft, omdat veel mensen hier dat niet hebben.

Ik slaap, evenals verleden week, buiten, op de binnenplaats.
Ik hoor Arabische muziek en staar naar de zwarte hemel. Dit is de laatste nacht in dit wonderlijk mooie gebied. Ik heb tranen in mijn ogen.
Het is ongeveer 00.00 uur en de dag in dit prachtige land is weer ver­schrikkelijk heet geweest.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 11 juni.
Uit de reeks feiten en feitjes, van Abd al-Rahmaan A. krijg ik te horen dat het mogelijk is dat je een groep soldaten huurt, na overleg met de betreffende commandant, om je persoonlijke problemen met iemand te beslechten, of om je persoonlijke ambities uit te werken. Als je ruzie met iemand hebt, of je wilt het huis van iemand anders bezitten en de eigenaar verjagen, kun je een le­gertje huren. Die gaan dan dreigend naar de tegenpartij en, zodra die het vuur opent, wordt er terugge­schoten. Ongelooflijk, maar waar.

[…]

Ik vraag of er geen rassenprobleem bestaat tussen al die verschillende huidskleuren en soorten koppen: Arabieren, Indonesiërs, Chinezen, Afrikanen. Ik ben kennelijk niet duidelijk genoeg want het duurt wel een uur voordat ik, na herhaaldelijk doorvragen, begrijp dat de soort kop niet van invloed is op discriminatie. Of nu Chinees, of Indonesiër, Arabier of Afrikaan, dat maakt niets uit. Die zijn allemaal lid van een stam. Dat de vader een andere vrouw huwde dan een Arabische is niet van invloed. De discriminatie (door Abd al-Rahmaan niet zo genoemd) zit tussen de stammen onderling. Er zijn betere stammen en slechtere. Dat komt bijvoorbeeld sterk naar voren bij het huwelijk. De ene of andere van die of die stam zal nooit met iemand van een lagere stam kunnen trouwen. In een hogere stam is dan ook onmogelijk, omdat dat voor iemand uit die stam een trapje omlaag is.
Met de sayyids is nog een ander probleem, die ‘mogen’ alleen maar met andere sayyids trouwen. Zo komt er van het egalitaire karakter van de islam dus niets terecht. Alle moslims zijn gelijk, de meesten echter niet helemaal. Volgens Abd al-Rahmaan heeft dat niets met de islam te maken, maar alles met nog veel oudere tradities.

[…]

’s Avonds vertelt Abd al-Rahmaan dat er al enkele dagen een oproer gaande is in al-Moekalla. Enige tijd geleden pakte de veiligheidspolitie (de politie van Goede Zeden en Goed Gedrag) twee vrouwen op, die in een taxi zaten zonder dat er een man­nelijk familielid in de buurt was. De vrouwen werden beschuldigd van prostitutie. Hun leeftijd was 30 en 15 jaar: moeder en dochter. De officier van de politie greep zijn kans en verkrachtte het vijftienjarig meis­je. (Abd al-Rahmaan gebruikte het woord ‘fuck’, maar ik had hem dat nog nooit horen gebruiken en ik had ook niet verwacht dat hij het ooit zou gebruiken, zodat het een hele tijd duurde voordat ik wist waar hij het over had.)
Volgens Abd al-Rahmaan houden de meeste vrouwen zich na zo’n voorval stil, om geen problemen in de fa­milie te krijgen(1) en ook uit schaamte. Deze vrouwen lieten er echter geen gras over groeien en dienden een aanklacht in. Deze zaak diende voor de rechter en de chef van de verkrachter, tevens zijn ver­dediger, had de euvele moed om alle vrouwen van de Hadramaut als hoeren te beschrijven en vijftig procent van de mannen als homo­seksuelen. Nog tijdens de rechts­zitting kwam het tot ongeregeld­heden.
De dader en zijn verdediger zijn Noorderlin­gen en het slachtoffer en haar zeven(!) advocaten zijn Zuider­lingen. In deze zaak komt alle wrok tegen de overheersende Noorderlin­gen tot uiting.
Tijdens de ‘oorlog’ (van 1994) bleek plotseling dat veel winkeleigenaren, veelal Noorderlingen, over een uni­form beschikten met een militaire rang. Dat verbaasde veel Zuider­lingen, die zich verraden voelden door deze mensen. Wraak voor dat gedrag speelt een rol en gewapend optreden van de wild geworden bevolking is nu het geval in al-Moekalla.
(Een dag later vertelt Abd al-Rahmaan dat hij niet helemaal zeker is van dat wat hij een dag ervoor vertelde, want berichtgeving uit officiële kanalen is er niet. Hij weet alleen wat mensen vertellen en dat is vaak niet helemaal zuiver. Uit het verslag van The Yemen Times  van 10 juni, die ik kocht, blijkt echter dat hij niet ver naast de feiten zat.)

[…]

Een van de broers van Abd al-Rahmaan studeert computertech­nologie in de Verenigde Staten van Amerika. Toen hij na het behalen van zijn B.A. twee jaar in Jemen bij een Amerikaanse firma kwam werken, kreeg hij niet hetzelfde loon als de Amerikanen hier in Jemen, die hetzelfde werk deden. Hij verdiende een veel lager loon, volgens de Jemenitische standaard, echter in dollars uitbetaald, die de bank zonder pardon in rial uitbetaalde, tegen de officiële koers, die ruim onder de prijs op de markt lag. Zulke discriminatie bestaat dus wel.

[…]

Abd al-Rahmaan kwam ongeveer negen maanden geleden terug in zijn geboortestreek.(2) Een van de (niet onbelangrijke) drijfveren om Sana’a te verlaten was de politieke strijd die er gevoerd wordt over het onrecht dat de mensen geschied in Jemen. Enkele Hadaarim met de­zelfde familienaam als Abd al-Rahmaan, die meer dan 150 jaar geleden naar een dorp in het Noorden verhuisden, zijn verwik­keld in een vete met een ander dorp. Deze familie, vrijwel allemaal met een goede maatschappelijke positie, voeren een campagne tegen de regering wegens wanbeleid.
Volgens Abd al-Rahmaan hebben veiligheidsmensen de vete met een naburig dorp veroorzaakt. Nu wor­den over en weer mensen vermoord. Een collega van Abd al-Rahmaan, een archeoloog, werd in die strijd om het leven gebracht. Hij woonde in dat dorp en werd in de week van zijn geplande vertrek (wegens de moeilijkheden, veroorzaakt door die vete) naar een van de Golfstaten, vermoord. Enkele andere leden van de familie in Sana’a werden door agenten van de veiligheidsdienst op niet al te zachtzinnige wijze aan het verstand gebracht dat ze hun verzet tegen de regering moesten stoppen.
Abd al-Rahmaan vreest een persoons­verwisseling. Hij wil zich verre houden van politiek.

[…]

Als we door Say’oen rijden komen we te spreken over de zinloze brief die Hoesein al-A. (leraar Engels) aan mij liet bezorgen om geld van de Nederlandse Ambassade te krijgen voor zijn privéclub.
Abd al-Rahmaan heeft een veel beter idee. Hij wil graag de bevolking hel­pen de uiterst belangrijke dadelteelt weer te doen opleven. Tegenwoordig vinden de mensen het werken in de dadelteelt nutteloos werk, omdat het veel energie vergt en weinig opbrengt. Hoe meer bomen ver­waarloosd worden, hoe meer zorg er aan de overgebleven moet worden besteed. Minder bomen betekent minder regenval, dus meer waterproblemen voor de andere bomen.
Vroeger bracht een boom wel 300 pond vruchten per seizoen op. Nu wordt die hoeveelheid door meer dan vijf, soms wel tien bomen ge­produceerd. In Saoedi-Arabië bren­gen de meeste bomen nog steeds 300 pond per boom op, maar die bomen zijn genetisch gemani­puleerd en ziekteresistent.
Abd al-Rahmaan kaartte een derge­lijk project aan bij de Nederlandse ambassadeur tijdens diens bezoek aan de Hadramaut. Die vroeg om een rapport, dat er nog niet is, want de deskundige die dat moet pro­duceren, is ziek.

[…]

Mijn suggestie dat Hoesein al-A. voor zijn club geld van de vele rijke Hadaarim zou kunnen vragen wordt door Abd al-Rahmaan als niet realistisch van de hand gedaan.
Rijke Hadaarim helpen geen arme Hadaarim. Rijken laten liever weer een nieuwe moskee bouwen.
Geldverspilling, vind Abd al-Rah­maan. Moskeeën van nog geen vijftig jaar oud en nog in uitstekende staat worden met de grond gelijk gemaakt om er een nieuwe neer te zetten.

[…]

Ik bewonder de omliggende huizen. Het zijn enorme kasten van huizen. Prachtig mooi en zo groot.
De huizen zijn zo groot omdat alle zonen van een gezin er hun woonkwartier hebben met vrouw en kinderen. Dochters verlaten het huis en gaan bij de familie van de echtgenoot wonen.
Abd al-Rahmaan wijst mij er echter op dat de kamers in de grote huizen erg klein zijn. Niet alleen zijn de muren meer dan een el dik (circa 70 cm), ook staan er in iedere ruimte veel en grote pilaren die veel ruimte in beslag nemen. Ik herinner me dat ook van zijn eigen huis, waar dat het geval is en ook in het huis van Hoesein al-A, de receptionist van het Gasr al-goebba-hotel in Tariem. Daar stonden ook grote en dikke pilaren in de ontvangstkamer.

[…]

Een muziekprogramma, ergens op de Tv, is een mooie afsluiting van mijn verblijf in de Hadramaut. Ik staar naar de zwarte, met stof gevulde hemel vanaf mijn matras op de binnenplaats van het huis van Abd al-Rahmaan en denk aan de mooie, maar vreselijk hete, tijd in deze prachtige landstreek en krijg bij de gedachte aan het afscheid tranen in mijn ogen.
Al in het begin van mijn verblijf hier, schreef ik in brieven naar vrienden en vriendinnen:
Als je in Tariem de auto’s, de vele motorfietsen, de sporadische verlichting en de rubberbanden onder de ezelkarren wegdenkt, waan je je in de middel­eeuwen. Afgezien van de verzengende hitte en de gesluierde vrou­wen, moet het er bij ons ook zo ongeveer hebben uitgezien, vijfhonderd jaar geleden. Tariem: time machine!
Dat is de romantiek van Tariem. Dit stadje stoot me aan de ene kant af, aan de andere kant trekt het me aan. In zekere zin ben ik verliefd geworden op deze plaats. Deze plaats en zijn ontberingen roepen een nu nog moeilijk defini­eerbare emotie in mij op
.
Deze nu nog steeds niet defini­eerbare emotie komt door de vele geheimen van dit land, volgens Abd al-Rahmaan. Geheimen dat het niet vlug zal prijsgeven. Ik ben bereid hem te geloven.

Dit is het einde van het verslag van 11 juni.

(1) Problemen voor vrouwen in de familie na een verkrachting. Wat speelt is dan dat de verkrachte vrouw geen maagd meer is en zij vaak door de familie uit huis wordt gezet. Wat rest is dan een leven als bedelaarster (mutasawwila).
Wat in deze zaak nog veel ernstiger is, is dat, als zij toegeeft dat zij verkracht is, zij seks buiten het huwelijk heeft gehad (zina). Dan zijn er geen getuigen meer nodig om dat te bewijzen, want ze bekent immers zelf. Wanneer ze ongehuwd is komt ze er met een afranseling van af, maar als ze wel gehuwd is of is geweest, volgt steniging. (Over deze aberratie in de islamitische wet verschijnen vaker publicaties in westerse media.)

(2) Er staat: Abd al-Rahmaan keerde terug naar zijn geboortestreek, maar dat slaat op de ‘roots’ van de familie, die in de Hadramaut liggen. Zelf werd hij in Djedda, in Saoedi-Arabië, geboren.

Indexal-Ahgaaf-bibliotheek, muta­sawwila.

Index van personen: Abd al-Rahmaan A., Hoesein al-A.: leraar EngelsHoesein al-A.: hotel, Moehammad: Landcruiser, Salim al-T.

Index van plaatsnamen: Djedda, Gasr al-goebba-hotel, Hadramaut, al-MoekallaSay’oen, Tariem, Wadi.

Dit is het einde van dag 87 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voor­komt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Neder­lands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 10 juni 1996

Vader met dochter en zoon.
Het zevenjarig meisje Djihaad en haar vier­jarig broertje Moedjaahid. Hun vader is Hoe­sein al-A., een van de twee receptionisten van het Gasr al-goebba-hotel. Bij hem thuis werd ik twee keer ten eten uitgenodigd.
Deze dia is op 10 juni 1996 gemaakt op het ter­ras van mijn hotelkamer.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 10 juni 1996 (maandag).

Naar het einde of de index.

De laatste volledige dag in Tariem.
Rond 9.30 komt Abd al-Rahmaan A. om me op te halen. Ik zat toen al drie kwartier buiten naar de zwemmers te kijken. Er zijn niet veel mooie mannen bij. Veel zijn erg mager.
Ik ga niet mee naar de bibliotheek, want het geld overhandigen kan Abd al-Rahmaan ook. Daar hoef ik niet bij te zijn.
Ik ga anderhalf uur in het zwembad liggen.
Ik fotografeer nog de mensen van het hotel. Sommigen ken ik alleen van gezicht.
Sommigen zien het, geloof ik, als een plicht, terwijl anderen het prach­tig vinden, zoals Mansoer van de cafetaria en Hoesein al-A. van de receptie, die na de middag zelfs zijn dochtertje Djihaad (7 jaar) en zoontje Moedjahid (4 jaar) brengt om te fo­tograferen.
Een van de twee stevige, sterke mannen wil niet op de foto. De ander is er niet. Moehammad al-S., mijn samier, ging verleden week al terug naar zijn dorp, ten oosten van Shihr.
Na de middag ga nog anderhalf uur in het zwembad liggen.
Als na het avondeten een zandstorm opsteekt controleer ik of de airco het doet. Dat is het geval, dus trek ik met terug op mijn kamer, in een koele en nu zelfs koude ruimte.
Ik ruim mijn bagage in. De kamer wordt er een puinhoop door. Mor­gen­ochtend kan ik de boel definitief opruimen.
Nu 21.30 uur.
Weer: een zandstorm, maar niet gevolgd door regen.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 10 juni.
Elektriciteit van het openbare net was er vannacht alleen tussen 00.00 en 04.30 uur. Gisterennacht alleen tussen 03.00 en 05.30 uur, ongeveer. Vanaf zonsondergang tot het in­scha­kelen van de net-elektriciteit is er in het hotel elektriciteit van de hotelgenerator, maar die heeft een erg laag vermogen, net genoeg voor een paar lampjes.

[…]

Vandaag blijf ik in het hotel om mijn vertrek voor te bereiden. Ik maak van de rest van de medewerkers van het hotel foto’s en ga zwemmen.

[…]

Abd al-Rahmaan A. vertelde mij eens dat Sjeik Zaki al-Yamani(1) ook tot zijn kennissenkring behoort en dat hij enkele notabelen kent die ook zeer goed bevriend zijn met de sjeik. Deze zou in al-Moekalla de particuliere universiteit sponsoren, waar op dit moment nog Hoesein al-H. werkt. (De toekomstige nieuwe medewerker in de bibliotheek.)

Dit is het einde van het verslag van 10 juni.

(1) Sjeik Zaki al-Yamani is ook de oprichter van de al-Foerqaan-stich­ting in Londen, waar ik, en op diens kosten, een zesweekse cursus volgde om het catalogiseren van Arabische handschriften te leren. Sjeik al-Yamani was de olieminister van Saoedi-Arabië in de jaren zestig en zeventig.
Hij werd mede bekend omdat hij in 1975 in Wenen gegijzeld werd door de beruchte terrorist Carlos.

Index: djihaad, al-Foerqaan-stichting, moedjaahid, samier.

Index van personen: Abd al-Rah­maan A., Carlos, Djihaad, Hoesein al-A: hotel, Hoesein al-H.: biblio­theek, Mansoer: hotel, Moedjaahid, Yamani, Zaki al-.

Index van plaatsnamen: al-Moe­kalla, Shihr, Tariem.

Dit is het einde van dag 86 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voor­komt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Neder­lands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 9 juni 1996

Nieuwe houten deur voor de  al-Ahgaaf-bibliotheek.
Een detailopname van de deur. In de boven­balk staat rechts de datum van de aanmaak en links de naam van de timmerman. Respectievelijk: shahr moeharram sana 1417 hidjriyya (Maand Moe­har­ram van het jaar 1417 AH.) en amal ‘iwad mahfoez balghaith (Het werk van Iwad Mahfoez Balghaith).
Let op de “schaarvormige” quasischarnieren.
(Ik heb de dia in 2016 elektronisch iets be­werkt om de tekst en de abstracte figuren in het hout duidelijker te laten uitkomen. Bij een diaprojector levert de projectielamp vol­doen­de licht om alles goed te zien, maar de lamp van de diascanner is niet krachtig genoeg om dat effect te be­reiken.)

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 9 juni 1996 (zondag).

Naar het einde of de index.

Tariem.
Op 7.00 uur.
Van 10.00 tot 13.00 in de bibliotheek.
Hotel: financiën afhandelen en ik ga daarna naar het zwembad.
Verder deze elektriciteit-loze tijd vul­len met niets doen. Het schijnt dat de algemene elektriciteit pas van­nacht om 03.00 kwam. Dat moet toch een verschrikking zijn voor mensen die afhankelijk zijn, voor koeling en water, van de stroom­voor­ziening.
Nu is het rond 18.00 uur. De ge­ne­rator van het hotel draait.

Weer: de laatste twee of tweeënhalve week is er veel bewolking. Soms is het erg benauwd.

Ik probeer het programma waarmee ik mijn financiën bereken bij te stellen. Volgens mijn berekening verloor ik alleen al gedurende de laatste zes weken 560 dollar door koersverschillen.

Abd al-Rahmaan A. gaf me verleden week, als dank voor mijn bijdrage aan zijn keuken, met levens­mid­delen die ik niet op krijg voor de uiterste houdbaarheidsdatum (als die voor mei 1997 ligt), een kom dadels, van verleden jaar, maar nog goed.
Ik merk dat ik er diarree van krijg, maar zeg, voor de goede orde, dat ze zo lekker zijn dat ik er nauwelijks van af kan blijven. Vandaag kreeg ik er nog een pot bij. Nog meer om weg te gooien!

De autan-stick tegen de muggen werkt fantastisch.

Nu 21.00 uur.
Weer: een lucht vol stof.
Vandaag ontmoette ik een toe­ris­tengids die Italiaans sprak tegen twee Italianen, die met hem reisden. Tegen hem sprak ik Arabisch en hij vertaalde dat naar Italiaans.
Hij komt oorspronkelijk uit Somalië. Hij vertelt dat hij twee nichten heeft die in Nederland (Utrecht) wonen. Hij geeft me van één van hen de naam en het telefoonnummer.
Hij heet Abd al-Gaadir A. en woont in Sana’a.
Ik zal haar op zijn verzoek eens bellen.

Ik sliep, zolang de airco het deed, binnen. Tegen 03.00 houdt alles op en ga ik buiten slapen. Later loopt de hotelgenerator.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 9 juni.
In de bibliotheek is er, zoals ge­woon­lijk, alleen spanning rond de salaat al-zoehoer.

[…]

Abd al-Rahmaan A. stelt voor om geen handschriften tentoon te stel­len, maar slechts fotokopiën. Hij vreest, evenals de Nederlandse Ambassadeur, enige weken geleden, dat er op een gegeven ogenblik een aantal soldaten met wapens de bibliotheek zal betreden om het tentoongestelde werk te stelen. Daar is niets tegen te ondernemen, want dit land, Jemen, is een land zonder regering: een chaos.

[…]

De timmerman dient zijn rekening in, mondeling. Ik betaal nu 50.000 rial. Hij kreeg al eerder 40.000 rial van Nico. Het inhangen van de deur kostte 4.000 rial. (1.000 rial is f. 13,00)

[…]

Ik maakte foto’s van de meeste me­de­werkers van het Gasr al-goebba-hotel. Ik krijg ook een lijst met hun volledige namen.

Dit is het einde van het verslag van 9 juni.

Index: autan, Islamitische kalender, salaat.

Index van personen: Abd al-Gaadir A., Abd al-Rahmaan A., Iwad Mah­foez Balghaith: timmerman

Index van plaatsnamen: Gasr al-goebba-hotel, Sana’a, Tariem.

Dit is het einde van dag 85 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voor­komt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 8 juni 1996

Een nieuwe traditionele deur.
Dit is de nieuwe deur van de al-Ahgaaf-bi­blio­theek, die vandaag werd geplaatst. Deze is ge­maakt naar traditioneel voorbeeld. Helaas is het hout is niet van lokale oor­sprong, maar Ma­leis Meranti.
De timmerman en metselaar hebben alles erg netjes afgewerkt.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 8 juni 1996 (zaterdag).

Naar het einde of de index.

Tariem.
Ik ga pas rond 10.00 naar de bibliotheek. De timmerman heeft de deur dan al staan en een metselaar is bezig met het afwerken van het meesterwerk. Morgen zal ik de details fotograferen.
Na de middag kommunikeer (zie gisteren) ik met de Belgen in het zwembad.
Voor de rest ben ik vooral bezig met slaap inhalen, want ik sliep de afge­lopen dagen weinig.
Ook met de computeradministratie in de weer. Ik pas de foute formules aan.
Bed 23.00 uur.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 8 juni.
De timmerman is om 10.00 uur, als ik bij de bibliotheek kom, al zover dat de deur in het kozijn zit. Ik maak enkele dia’s van zijn werk. Morgen zal ik de deur in zijn geheel foto­graferen.

[…]

Vorige week stelde Abd al-Gaadir voor om een afdakje te maken boven de deur om die tegen direct zonlicht te beschermen. Dit idee werd door Abd al-Rahmaan A. op kunstzinnige wijze uitgewerkt. Volgend jaar moet dat er komen.

[…]

Hoesein al-K. (60 jaar) vertelt dat hij afstamt van Sayyid Aboe Bakr al-K. Al eerder vertelde hij dat hij zijn jeugd doorbracht in het koepel­pa­leis, dat paleis dat tegenwoordig het Gasr al-goebba-hotel is. Al zijn ooms en andere familieleden, ook zijn vrouw, behoren tot die familie. Zijn vrouw is een nicht van va­derszijde. (Bint al-amm.)

[…]

Hoesein al-K. zegt dat Aboe Alawi een stamlid is die in de wijk Dam­moen woont. Die stam eet voor­na­melijk dadels. Die hebben geen beschaving, zoals hij, Hoesein, die in de stad, vlakbij de Mihdaar-moskee woont. Die stam bezit ook wapens en gebruikte die in de begindagen van de revolutie. Zij hebben toen, gezien in het huidige licht van de geschiedenis geen glorieuze rol gespeeld. Gezien in het rood licht van de geschiedenis (so­cia­lisme) natuurlijk wel. Ik begrijp het verhaal van Hoesein niet helemaal, maar ik geloof dat die stam meehielp met het verdrijven van de landeigenaren.
(Abd al-Rahmaan spreekt dit later tegen. Aboe Alawi is ook een sayyid. Zijn vader was gadi in Say’oen.)
Volgens Hoesein spreekt de stam van Aboe Alawi een dialect dat sterk afwijkt van het dialect dat in Tariem wordt gesproken. Ik vraag aan Hoesein (voor de grap) of hij Aboe Alawi wel kan verstaan. Dat is het geval.

[…]

Ik constateer dat de printer intern begint te jammeren. (Piepen.) Hij staat wel onder een stofkap, maar dat helpt niet. Het stof gaat overal doorheen. Ik vrees het ergste voor al die elektronische apparatuur. Hitte en stof verrichten hun vernietigende werk al, nog voordat ik weg ben.
Ook mijn Toshiba draagbare com­pu­ter vertoond stofkuren. Veel toetsen weigeren naar beneden te gaan als ik erop druk. Extra kracht is dan nodig. Waarschijnlijk zit het hele toet­sen­bord vol met stof.

Dit is het einde van het verslag van 8 juni.

Index: bint al-amm, bint al-chaalgadi, Mihdaar-moskeesayyid, stofZuid-Jemen: socialisme.

Index van personen: Abd al-Gaadir, Abd al-Rahmaan A., Aboe Alawi, Hoesein al-K..

Index van plaatsnamen: Dammoen, Gasr al-goebba-hotel, Say’oen, Ta­riem.

Dit is het einde van dag 84 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voor­komt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 7 juni 1996

Wadi Du'an.
Een impressie van het landschap nabij de stad Hadjarain in de Wadi Do’an.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 7 juni 1996 (vrijdag).

Naar het einde of de index.

Say’oen, Wadi Do’an, Tariem.
Nu, 9 juni, zondag, heb ik niet veel zin meer deze dag te beschrijven. Ik maakte een verslag in mijn com­puter over onze trip naar Wadi Do’an.
Onze trip: Abd al-Rahmaan A., ik en de chauffeur van de Landcruiser: Moe­hammad.
We vertrekken rond 6.30 en wat opvalt, voorbij Shibaam, in wes­telijke richting, is dat de vrouwen daar zelf ezels berijden of ezelkarren besturen. Dat heb ik hier nog niet gezien. Hier is: ten oosten van Shibaam. (In Sana’a zag ik zelfs een vrouw achter het stuur van een auto.)
Wat ook opvalt is dat er zonder elektriciteit geen benzine beschik­baar is. Nog veel erger is dat er in Shibaam ook geen water is zonder elektriciteit.
Wat verder blijkt is dat erg weinig mensen en dus nog minder vrou­wen, op straat zijn. (Er zijn vaak niet eens straten!)
We zouden oorspronkelijk twee dagen naar de Wadi gaan en over­nachten bij een vriend van Abd al-Rahmaan, maar overstromingen maakten het zuidelijke gedeelte van de Wadi onbereikbaar. Het zuiden is niet ver van de zee en daar regent het vaak. Het water stroomt dan van de tafelbergen de rivierbedding (wadi) in.

Overdag, onderweg, komen we in een zandstorm terecht, minder dan drie meter zicht!
Ook onderweg heb ik liters kraan­water gedronken en nergens last van gehad. Wat dat betreft ben ik dus een Hadrami geworden.

We hadden als ritprijs een on­dui­delijk bedrag afgesproken (op z’n Arabisch), nu wilde Moehammad ongeveer 9.000 rial hebben en ik zegde hem dat toe. Als we terug in Tariem zijn, heb ik mijn handen vol spullen en een pakje van 10.000 rial in mijn broekzak. Ik wil daar in het aardedonker niet duizend rial gaan staan aftellen. Bovendien had hij de moeite genomen om veel met mij te vertellen over de vijftien jaar die hij in de Arabische Emiraten woonde. Ik geef hem dus die 10.000 rial. Pas op mijn kamer herinner ik me dat we hem al 2.100 rial in de loop van de dag gegeven hadden!

In het Gasr al-goebba-hotel in Tariem, op het terras, zit een jong Belgisch stel (midden dertig), dat hier kwam met een opzichtige BMW-motor, met typisch Belgische problemen.
Wat ze hier doen is me niet helemaal duidelijk, want in Tariem foto­gra­feren ze ‘tempels’.
Ze vlogen met hun BMW-motor naar Sana’a en wilden vervolgens door Saoedi-Arabië naar Jordanië rijden. In België hadden ze geen visum gekregen voor Saoedi-Arabië, maar de Belgische(!) consul in Sana’a zou wel wat kunnen regelen, werd hen verteld. Mooi niet dus.
Een rit door de woestijn eindigde op het politiebureau, want niemand (ocharm) had hen verteld dat je daarvoor toestemming van de auto­riteiten nodig hebt. Typisch Belgisch, nergens naar informeren!

Op mijn kamer ben ik nog tot 01.30 uur vruchteloos bezig om fouten uit formules van het financiële programma te halen.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 7 juni.
Om 6.00 komt de chauffeur Moe­hammad en wordt er weer over de prijs onderhandeld. De chauffeur krijgt uiteindelijk wat hij vraagt.
We gaan eerst naar Rayboen, naar de zonne- en maantempel. Abd al-Rahmaan deed hier enige tijd geleden, samen met Russen, opgra­vingen. Het landschap ziet eruit als de Yool, met de wadi in het midden.

[…]

Hadjarain is ons volgende doel. Er zijn inderdaad overstromingen ge­weest, want er staat veel water in de wadi. Het is een erg lange wadi, die tot bijna aan de zee loopt en daar valt veel regen, die noordwaarts stroomt in de richting van Hadjarain.
Onderweg stoppen we op ver­schil­lende plaatsen om gebouwen te fotograferen die Daniel van der Meulen vijfenzestig jaar geleden ook fotografeerde. Abd al-Rahmaan heeft fotokopieën van die foto’s bij zich en we proberen dezelfde positie in te nemen. Het blijkt dat er in die tijd, in dit middeleeuws landschap, toch enorm veel veranderd is. De tijd staat hier dus niet stil.
We bekijken enkele opmerkelijke hoekjes in Hadjarain en ik merk op dat ze daar eveneens talloze mooi bewerkte houten deuren hebben, nog veel indrukwekkender dan in Shibaam. Volgens Abd al-Rahmaan komen die deuren in de hele Wadi Do’an voor.
(Do’an komt van het Perzisch Do = twee en An zou Wadi betekenen. Wadi Do’an bestaat eigelijk uit twee wadi’s die elk een eigen naam hebben: al-Ayman (uitspraak: lay­man) en al-Aysar (uitspraak: laysar)).

[…]

Onderweg lunchen we daar waar we ook het ontbijt gebruikten: Mat’am al-machnag (Restaurant de Nek) we­gens de versmalling van de wadi daar. Verder is hij heel breed.
Ik koop onderweg ook een ratl bachoer (een bepaald gewicht wie­rook), dat volgens Abd al-Rahmaan goed zou zijn voor de hersenen als je het eet. Je voelt je er filosoof van worden. Ook in water opgelost, zou een glaasje per dag, goed voor de gezondheid zijn. Verder, en daar koop ik het spul voor, kun je het branden en de rook ruiken.

[…]

Onderweg naar Hurayda nemen we een sayyid mee en we zetten hem in die stad weer af. Ook daar proberen we enkele van de Van der Meulen-foto’s te reconstrueren.
De lucht wordt grijszwart en op weg naar Shibaam komen we in een zware zandstorm terecht. Het is alsof we in een zeer dichte mist rijden. Het zicht is minder dan drie meter. Fantastisch. Ik maak foto’s. De hele dag al, want mijn diafilms zijn op.

[…]

Ik laat me voorlichten over de mahr (huwelijksgift). Voor honderddui­zend rial kan je een vrouw kopen. Zij moet goud ontvangen van de aanstaande echtgenoot en ook haar vader moet het nodige goud fourneren. (1.000 rial is f. 13,00.)
Een vrouw kan ook goedkoper zijn. Hoesein al-A. van de hotelreceptie vertelde me dat hij maar 10.000 rial betaalde. Zij was zo goedkoop omdat zij zijn nicht is: bint al-chaal. (Bint: dochter, chaal: broer van de moeder, dus een oom aan moederszijde.)

[…]

Ook Abd al-Rahmaan vindt dat de moe’azzin (diegene die bij een mos­kee tot het gebed oproept, middels een luidspreker) veel te veel lawaai maakt en hij is niet alleen. Hij zou willen dat het oude systeem weer terugkwam: man in de minaret. Het is echter een gevoelig onderwerp.
Hij is erg gelovig. Voorheen dacht ik dat hij in Tariem voor de vorm naar de moskee ging, maar dat is niet het geval. Overal waar hij kan bidt hij. Met Moehammad werd onderhan­deld welke moskee onderweg het best in aanmerking kwam voor het gebed.

[…]

’s Avonds koop ik in Shibaam twee diafilms. “Een niet goed lopend artikel,” zegt de winkelier, een kennis van Abd al-Rahmaan.
Een andere kennis vertelt dat er geen elektriciteit is in Shibaam. Dat betekent ook dat er geen water is. De mensen kunnen, volgens Abd al-Rahmaan niet zelf iets organiseren, want dan doet de regering er niets meer aan en zegt dat er elektriciteit genoeg is.
Geen water. Het komt voor dat men doden niet kan afleggen omdat er geen water is. Zieke mensen kunnen niet adequaat geholpen worden en gaan eerder dood.
Geen elektriciteit. Veel van die grote kasten van huizen herbergen meer­dere families. Maar één familie kan op het dak wonen. (In verband met de maharim (vrouwen), die niet door andere bewoners gezien mogen worden.) De anderen moeten in deze hitte, zonder koeling in huis doorbrengen. Dat veroorzaakt veel problemen.

[…]

Moehammad, onze chauffeur kauwt onderweg gaat. Dat wil hij niet thuis doen, want hij wil niet dat zijn vier kinderen, de oudste 12 en de jongste 1, allemaal jongens, weten dat vader gaat gebruikt. Hij lijkt verslaafd aan thee want bij iedere gelegenheid drinkt hij veel daarvan. (Misschien komt dat door de gaat.)

Onderweg naar het hotel in Tariem vertelt over zijn leven als admini­stratief militair in al-Ayn in de Emiraten. Hij is een slachtoffer van de Golfoorlog. Toen zijn contract in 1993 afliep werd dat niet verlengd en moest hij met vrouw en kinderen de Emiraten verlaten. Van een luxe leventje met overal airco, zelfs op de markt, naar het arme, hete Jemen. Zijn vrouw en kinderen lijden eronder. Zijn vrouw heeft de nationaliteit van Aboe Dhabi, maar is van Jemenitische oorsprong. Moehammad werkt eraan om nog voor de winter terug te kunnen naar het ‘paradijs op aarde’. Alle straten zijn er geasfalteerd en niet vol met gaten, zoals hier in Jemen. Vierentwintig uur per dag elektriciteit, maar zestien jaar gevangenisstraf op het gebruik van gaat, net zoals in Saoedi-Arabië. Wel in een nieuwe, moderne gevangenis. De blaadjes worden in die landen gezien als een verdovend middel, hoewel je in die landen ook drugs en alcohol kunt kopen.
(Abd al-Rahmaan vertelde eens dat een vader uit Say’oen zijn jonge, aan wijn verslaafde, zoon naar Saoedi-Arabië stuurde om zijn leven te beteren. Na twintig jaar kwam die terug. Al die tijd had hij wijn gedronken!)
Moehammad verdiende in Aboe Dhabi zoveel dat hij er deze Landcruiser aan overhield.
In 1985 bezocht hij als toerist Syrië en Jordanië.

[…]

In het hotel ontmoet ik een stel dat aansluit bij het rijtje gekken dat ik in Jemen ben tegengekomen.
Uitgerekend een Belgisch stel (de Belgen die ik gedurende al mijn reizen in het buitenland ontmoette hadden altijd wel iets van pro­blemen, voortkomende uit eigen stommiteit of niet goed ingewonnen informatie.) Deze twee, man en vrouw met een BMW-motor, kwamen hier met de bedoeling van Sana’a door Saoedi-Arabië naar Jordanië te rijden. In België hadden ze geen visum kunnen krijgen voor Saoedi-Arabië, maar de Belgische consul in Sana’a zou dat wel kunnen regelen, hadden kennissen verteld. Nou, mooi niet dus. Bovendien kwamen ze hier aan met de motor en niemand op de luchthaven had hen verteld dat ze, als ze door de woestijn wilden, toestemming van de autoriteiten nodig hadden. (In onze moderne westerse maat­schappij wordt ons alles voor­gekauwd, dan kun je een maatschappij waar je zelf alles moet uitzoeken niet meer functioneren.)
Wat die mensen hier doen is me een raadsel, deze zijn zelfs niet matig geïnteresseerd in de islamitische cultuur en weten nog minder dan al die anderen die ik in Jemen ontmoette.
Hij, heftruckmonteur, weet alles van motoren. Zij is verpleegster in een Brussels ziekenhuis. Er werken daar Arabische dokters en die hadden gezegd dat zij wel in korte mouwen door Jemen en Saoedi-Arabië kon reizen. Dat doet ze ook en begrijpt niet waarom alle mannen be­lang­stelling voor haar hebben.
Zijn motor wordt voortdurend betast door allerlei handen. Hij ergert zich eraan.
In Tariem fotograferen ze wat ‘tempels’.
Zij vindt het jammer dat je hier niet met de mensen kan communikeren. (sic.)
Hij, tegen een Tarimi: “De Ramadaan is verschrikkelijk.”
Gelukkig begrijpt de jongeman hem niet, anders was een religieuze dis­cussie onvermijdelijk geworden.

Dit is het einde van het verslag van 7 juni.

Index: bachoer, bint al-amm, bint al-chaal, gaat, Hadrami, mahr, mahram / mahaarim, mat’am al-machnag, moe­’azzin, Ramadaan, salaat, sayyid, wierook.

Index van personen: Daniel van der Meulen, Moe­hammad al-S.

Index van plaatsnamen: Aboe Dhabi, al-Ayn, Gasr al-goebba-hotel, Hadjarain, Hoeraida, Rayboen, Sana’a, Say’oen, Shibaam, Tariem, Wadi Do’an, Yool.

Dit is het einde van dag 83 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voor­komt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.