Tandarts Botke

T.J. Botke
Taecke J. Botke (1901-1990)

Dagboek 1974: Tandarts T.J. Botke.

Onderstaande tekst,
De slag om een huurwoning
is gebaseerd op dagboeknotities die ik in 1974 maakte.

Naar het einde.

“Ik neukte de meid toen ik veertien was,” zei hij met onverholen trots.
Ik zat in een restaurant aan een tafeltje met mijn tandarts. Hij had mij uitgenodigd voor een etentje in een chique restaurant in het cen­trum van Maastricht. Sinds kort huurde ik een kamer bij hem. Deze avond wilde hij nader ken­nis­ma­ken.

De meid! Bij hem thuis hadden ze een meid. Mis­schien wel meer meiden en vast ook knech­ten. Tegen mijn vader had hij eens verteld dat hij in zijn jeugd met een oom in een koets er­op­uit was getrokken, en dat ze de hele dag hadden gereden zonder van hun land af te ge­ra­ken. Dat land was van zijn moeder. Die stam­de uit een rijke familie. Zijn vader was slechts dominee.

Mijn vader was uit de sociale klasse van de ‘mei­den’. Zijn zusters waren vroeger meid ge­weest bij gegoede families, al noemden ze dat zelf ‘gouvernante.’ Misschien was één van hen wel door mijn latere tandarts geneukt. Nee, dat zal wel niet … mijn lieve tantes.

Mijn vader had hem voor zijn gezin gekozen als tandarts die de door het Ziekenfonds ver­plicht gestelde halfjaarlijkse controle zou uit­voeren. De tandarts had zijn praktijk in een groot, statig herenhuis in het centrum van Maastricht.

Ik zie me daar nog zitten als kind, in die grote lege wachtkamer waarin nooit andere pa­tiën­ten waren. Die wachtkamer met hele hoge ramen voorzien van een vitrage waardoor je moeilijk naar buiten kon kijken en zeker niet van buiten naar binnen. In het midden stond een goudgerand rond tafeltje waarop Frans­ta­li­ge bladen lagen, waarvan ik me alleen nog maar Paris Match herinner. Ongemakkelijke rococo stoelen met gebogen poten en ver­sie­ring­en in de rugleuning. Allerlei gipsen ornamenten aan het plafond en aan de wand.

Dan was er natuurlijk nog de angst voor de boor.
Onvermijdelijk kwam het moment waarop de tandarts je kwam halen, met zijn brede joviale lach en zijn geaffecteerde stem. Als hij de be­han­del­ka­mer binnenliep riep hij altijd luid ‘Juffrouw, hier is …!’ tegen zijn assistente, maar zo jong was ze niet meer. Hij zei ook vaak dat zij onmisbaar was en dat als haar iets zou overkomen, hij zeker zijn praktijk zou moeten sluiten. Toen zij inderdaad een keer in het ziekenhuis belandde, en zijn praktijk gewoon doorging alsof er niets gebeurd was, heeft dit niet bijgedragen aan haar genezingsproces, zo meen ik vernomen te hebben. Zij zou zelfs verbitterd zijn geworden.

Mijn vader was werknemer en de tandarts werk­gever. Voor mijn vader, socialist van de ou­de stempel, waren werkgevers verdacht en in veel gevallen ordinaire uitbuiters. De tand­arts zag dat ongetwijfeld anders. Dat bei­de mannen Friezen waren, woonachtig buiten hun provincie en het daarbij behorende vertrouwde milieu, zal voor mijn vader in be­lang­rij­ke mate meegespeeld hebben om de tandarts toch voldoende vertrouwen te schen­ken. De tandarts, bohemien als hij was, zal over die futiliteit niet nagedacht hebben; die genoot van het leven.

De tandarts wilde mij dus, na mijn militaire dienst, een kamer verhuren en ik ging op dat aanbod in. Al voordat ik in militaire dienst ging, had ik op kamers gewoond en ik wilde na dienst weer zelfstandig wonen.

Ik betrok de ruime kamer op de hoogste ver­die­ping van het herenhuis aan de Bredestraat 5 in Maastricht, medio maart 1974. Er woonde verder helemaal niemand in dat immens grote pand. De tandarts had zijn praktijk wegens ziekte al geruime tijd geleden gestopt. Een deel van het pand had hij verhuurd aan een re­cla­me­bu­reau, maar de medewerkers gingen na hun werk naar huis.

Overdag werkte ik en als ik ‘s avonds thuis kwam, was er geen mens meer in huis. Wel trof ik sporen van ‘bewoning’ aan, vooral in de keuken: vieze en plakkerige etensborden en niet schoon gespoelde koffiekopjes.

Het huis hing vol met mooie schilderijen. De tandarts was mecenas van de schilder Pyke Koch. Overal hingen doeken van die schilder. Een schilderij als ‘De oogst / de boomgaard’ heb ik van zeer dichtbij kunnen bekijken en ik kon het zelfs aanraken als ik dat gewild zou hebben. Ik liep dagelijks langs allerlei andere schilderijen van Pyke Koch, die overal hingen, tot in het trappenhuis toe. Ik meen mij enkele schilderijen uit de serie ‘De vier jaargetijden’ te herinneren.

De tandarts woonde zelf midden in het Lim­bur­gse heuvelland. Ook daar mocht ik lo­ge­ren, maar dat is maar één keer gebeurd. Na de a­vond­maal­tijd bij hem thuis probeerde hij uit­voerig en aanhoudend mij zijn bed in te praten. Ik was een jongeman van 23 jaar en hij was meer dan vijftig jaar ouder. Hoewel ik niet per definitie afkerig was en ben van de he­ren­lief­de, was dit grote leeftijdsverschil me toch te gortig. Daarom wilde ik niet met hem in de sauna, laat staan in bed. Daarna werd ik nooit meer uitgenodigd.

Aan alles komt een eind. Toen het re­cla­me­bu­reau anderhalve maand nadat ik in mijn kamer getrokken was, de huur opzegde, zegde de tand­arts, via zijn secretaresse, mondeling, ook mijn huur op. Hij wilde het pand verkopen. Vrij­wel direct werden de schilderijen en an­de­re kostbaarheden weggehaald.

De tandarts wilde van de verkoop snel werk ma­ken en nog in diezelfde week waren er al be­lang­stel­len­den voor de koop in het pand. Dat merkte ik, toen ik ‘s avonds van mijn werk thuis kwam en er een stel vreemde mannen zag rondlopen, zonder enige begeleiding van de zijde van de eigenaar.

Ik wendde mij tot het Gemeentelijk Huis­ves­tings­bu­reau van Maastricht in de hoop en de verwachting dat ik, nu ik inwoner van Maas­tricht was en nadat mij de huur was opgezegd, recht had op een huurflat in een van de vele wijken van de stad. In dat idee werd ik gesterkt door de ambtenaren van dat bureau, maar, zo zei men, ik moest eerst een huuropzegging van de huisbaas krijgen per aangetekende brief en dan zouden ze me snel aan een huurwoning kun­nen helpen. Hierover belde ik de tandarts, die mij vervolgens via zijn secretaressen een enveloppe, geadresseerd aan mij, en een huur­op­zeg­ging op een receptje liet overhandigen. Hier­op stond, handgeschreven, dat hij ‘tot zijn grote spijt’ mij de huur had opgezegd. Ik stuur­de de enveloppe aangetekend naar mij­zelf en had daarmee de ‘aangetekende huur­op­zeg­ging’, waarmee ik naar het Huis­ves­tings­bu­reau ging.

Helaas, alleen aangetekend was niet vol­doen­de. De wet schrijft voor wat in een huur­op­zeg­ging moet staan. Ik kreeg een brochure: ‘Be­scher­ming van huurders van woonruimte in ge­li­be­ra­li­seerd gebied’ en stuurde die met een be­ge­lei­den­de brief naar de huisbaas, met het verzoek voor mij een huuropzegging op te stellen in overeenstemming met de voorschriften. De vriendendienst die de tandarts aan mijn vader had verleend door aan mij een kamer te verhuren, zou hem nog flink bezuren, want ik schreef in de brief onder andere het volgende.
‘Ook blijkt dat, wanneer u niet aan bo­ven­staande bepalingen voldoet, u mij nooit uit het huis kunt krijgen, zelfs niet wanneer u het verkoopt. […] Een aan mij gerichte officiële huur­op­zeg­ging voorkomt voor u en voor mij veel problemen en geeft mij kans op een goede woning.’

De tandarts, van wie werd gezegd dat hij in het herenhuis vroeger vaak ‘wilde feesten en bac­cha­na­len’ organiseerde, was wars van alle au­to­ri­teit en weigerde mee te werken aan bu­reau­cra­tie.

Niet veel later ontving ik een brief met de huur­op­zeg­ging van een advocatenbureau, met daarin als laatste zin: ‘Ik wijs u erop dat u zich binnen zes weken na deze opzegging kunt wen­den tot de Kantonrechter te Maastricht teneinde verlenging van de huurovereenkomst te ver­zoe­ken.’
Gedurende mijn militaire dienst had ik voort­du­rend tegen autoriteit aangeschopt en had voor elke onrechtvaardigheid (in mijn ogen) mijn recht gezocht en ook even zoveel keren ge­kre­gen in beklagprocedures over en tegen su­pe­ri­eur­en en hun gedrag. Iets wat overigens toen elke dienstplichtige militair moest doen, vond en vind ik.

Ik was nu nog maar drie en een halve maand uit dienst en leefde nog geheel in die sfeer van rücksichtslos recht zoeken en recht krijgen, zo­dat ik onverwijld naar het Kantongerecht stapte. De ambtenaren van het Gemeentelijk Huis­ves­tings­bureau stimuleerden mij daarin.

Drie maanden later, het was inmiddels half sep­tem­ber, vond de rechter dat ik er maar eens op uit moest trekken om vervangende woon­ruim­te te zoeken en hij vond ook dat het be­lang van de tandarts zwaarder woog dan mijn belang. Ik moest per 1 december de woning verlaten hebben.

Niet lang na deze uitspraak, op een za­ter­dag­och­tend, kwam de tandarts onverwachts bin­nen, toen ik net in de keuken zat te eten.
“Wanneer ga je? Je hebt je zaak verloren. Vind je dat nu mooi, je kost me geld. Ik heb een ad­vo­caat moeten nemen. Je had allang een kamer of flatje kunnen hebben.”
Hij was niet voor mijn rede vatbaar, en ik vlucht­te het huis uit.
Het Gemeentelijk Huisvestingsbureau hield me nog even aan het lijntje en beloofde me een wo­ning: “Waarschijnlijk voor 1 december.”
Op 12 december, toen ik nog steeds in die ka­mer woonde, kreeg ik via een kennis van de tand­arts te horen dat die binnen anderhalve week een Kort Geding zou aanspannen waar­van ik de kosten zou moeten betalen. De dag daarna kreeg ik van het Huis­ves­tings­bu­reau te horen dat ik geen recht had op een huur­woning omdat ik nog te kort in Maas­tricht woonde. Ik moest zelf woonruimte gaan zoe­ken.
“Ja, dat hadden we eerder kunnen vertellen. Een menselijke fout.” Punt. Uit.

In het voorjaar was ik lid geworden van de PvdA en op deze dag stapte ik naar Piet C, om­buds­man Huur- en Huisvestingszaken van die partij.
“Juridisch is er niets meer aan te doen,” zei Piet, “maar misschien is er nog de politieke weg.”

Beide PvdA wethouders Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting wilden hun vingers echter niet branden. Maar PvdA-Piet bleek van on­schat­ba­re waarde: via hem kwam ik binnen één dag aan een andere kamer, aan de Ta­fel­straat, zeer tegen de wil van mijn moeder, want die was blijkbaar de drijvende kracht acht­er het ‘op stand’ gaan wonen.

Mijn rigide opstelling ten opzichte van de tand­arts, waaraan ik me nu erger, heeft de goede verhouding met hem voorgoed ver­stoord. Vreemd genoeg heeft mijn vader daar nooit wat van gezegd, of mij proberen te rem­men in mijn strijd tegen de ‘kapitalist’, althans mijn dagboek vermeldt er niets over.

Achteraf kan ik alleen maar zeggen dat ik e­norm geboft heb met deze gang van zaken, want de kamer die ik aan de Tafelstraat te Maas­tricht huurde, zou voor mijn ont­wik­ke­ling van groot belang blijken.
In dat pand woonden kunstenaars die aan de Toneelacademie en aan het Conservatorium te Maastricht studeerden en er woonde zelfs een zilversmid. Daar zat ik als arbeiderszoon tus­sen en met verschillende van hen ging ik in­ten­sief om.


MenuBeginTerug naar T.J. Botke Overzicht 1972-1990.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s