31 juli 1992

1992 – 2017: vijf­en­twin­tig jaar ge­le­den

Orient Express

Mijn eer­ste reis naar het Mid­den-Oos­ten

Dagboek 1992

(Dag 7489) Gis­te­ren­avond kwam ik aan in Deir al-Zor, een stad ge­le­gen aan de ri­vier de Eu­fraat, in het oos­ten van Sy­rië. – Van­daag ver­ken ik het cen­trum en loop langs de Eu­fraat. – Ik koop san­da­len, be­zoek een fa­mi­lie, deel sham­poo uit. Geef een gul­den (munt), word ver­liefd op een meis­je, wil zwem­men in de Eu­fraat, maar doe het niet en ik wil ook nog een jon­gen ver­sie­ren. – Een jon­ge­man be­dreigt me met een mes. – ’s Avonds word ik erns­tig ziek: voed­sel­ver­gif­ti­ging? – Ik laat mijn licht schij­nen op dat, waar­van ik denk dat er mis is in Sy­rië. – De munt­een­heid in Sy­rië is het Sy­rische Pond: (£.). De koers is: £. 1.00 = f. 0,05. (Een stui­ver.)
(Tij­dens mijn reis hield ik een reis­dag­boek bij. Na­dat ik op 18 au­gus­tus thuis was ge­ko­men, be­gon ik met het op­schrij­ven van mijn we­der­waar­dig­he­den in mijn ei­gen­lij­ke dag­boek. In de tekst hier­beneden staan af en toe te­rug­blikken op de­ze va­kan­tie, ge­daan vanaf mijn bu­reau­stoel thuis.)

MenuIndex en het einde.

ShampooVerliefdEufraatHangbrugSmokkelaars?Het mes!Restaurant De BrugZiekKarnakEen nichtje?SjouwersGewondErnstig ziekSyrië.

Vrijdag, 31 juli 1992.
Deir al-Zor.
Ik laat de ven­ti­la­tor de he­le nacht op ho­ge snel­heid draai­en. Hij blaast de warm­te in het rond. Ik zweet er ech­ter niet door, zo­veel af­koe­ling biedt hij nog wel.
Ik ben zelf wel heet. Ik wil een jon­ge­man om de lief­de mee te be­drij­ven.
Ontbijt in een win­kel / res­tau­rant. Ik be­stel Foel bi­la zayt. [Bo­nen­soep zon­der olie.] Dat is nog lek­ker ook.
In het thee­huis, waar on­der an­de­re drie mooie man­nen (mooi door hun Dja­la­biyya en Koe­fiyya) uit een jeep (Nis­san) stap­pen en een ta­fel­tje ver­der gaan zit­ten, drink ik thee. De eer­ste, daar­van roer ik de sui­ker niet op. De twee­de be­stel ik zon­der sui­ker, maar de na­smaak is heel erg bit­ter en bij de der­de be­stel ik weer sui­ker. £. 9 kos­ten de­ze drie glaas­jes thee. Twaalf cent per stuk!
Ik loop langs die ‘sloot’ die de sol­daat gis­te­ren­avond al-Foe­raat [de Eu­fraat] had ge­noemd. Ik kan me niet voor­stel­len dat dat de Eu­fraat is. Ik ga de ech­te ri­vier zoe­ken.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Shampoo.

Ik loop langs het be­waak­te Ba­’ath-par­tij­bu­reau en even la­ter word ik door een meis­je met een hel­de­re blik ge­vraagd: “What’s your name?”
Zij is mis­schien tien jaar. Ik praat met haar en haar broers.
Ik lees woord­jes voor uit een En­gels-Ara­bisch boek­je. Ik moet naar bin­nen, ze ‘sle­pen’ me mee. “Ta­fad­dal, ta­fad­dal.” [Alstu­blieft, alstu­blieft.] In een smal straat­je ont­moet ik de moe­der en drie doch­ters. In huis, in de bes­te ka­mer. De va­der er­bij, die het jon­ge meis­je naast mij weg­jaagt. Hij wil naast me zit­ten. De drie vol­was­sen doch­ters heb­ben ge­stu­deerd. Eent­je is Moe­mar­rida fi’l-moe­stash­fa [Ver­pleeg­ster in het zie­ken­huis], de an­de­re is Moe­han­di­sa [in­ge­nieur] (waar­in ook al weer?) en de der­de doch­ter, wat stu­deer­de die ook al weer? Ik weet het niet meer.
Ik krijg kof­fie (ik had lie­ver thee) en ben een beet­je ze­nuw­ach­tig met zo­veel aan­dacht. Ik heb last van mijn so­cio­fo­bie en dus tril­len­de han­den.
De doch­ters kla­gen over de sham­poo in Sy­rië. (Ma­de in Sy­rië: “Dann schmeiß es doch gleich zum Fen­ster hi­naus“. Dixit A. in An­tak­ya [Tur­kije] op 25 juli jl.) Hun haar is een puin­hoop. Of ik geen ech­te sham­poo heb?
Ze wil­len dat ik een fo­to maak. Ik heb ech­ter he­le­maal geen ca­me­ra mee op reis ge­no­men. Ster­ker nog, ik be­zit he­le­maal geen ca­me­ra. (En ik heb daar op mijn reis geen spijt van ge­had. Echt waard om te fo­to­gra­fe­ren zijn al­leen ge­weest: het 17-ja­rig en­gel­tje in de trein in Joe­go­sla­vië (zie 16 juli jl.) (maar ik zou niet ge­durfd heb­ben om haar te fo­to­gra­fe­ren) en de enor­me droog­te in Noord-Sy­rië, die ik uit het trein­raam zag, tij­dens mijn reis van van Alep­po naar Deir al-Zor, gis­te­ren en, dat be­denk ik me nu, 28 au­gus­tus 1992 [thuis], het meis­je dat ik hier, na mijn twee­de be­zoek aan de­ze fa­mi­lie, nog zou ont­moe­ten.)
Ze ver­tel­len dat er ook wel eens toe­ris­ten (uit welk land in Euro­pa ook al­weer?) slie­pen. Op hun ge­klaag voor sham­poo be­loof ik mijn sham­poo te gaan ha­len. (Een van de man­ne­lij­ke be­wo­ners geeft me een hal­ve ‘munt’ uit Sa­oedi-Ara­bië. Een aan­den­ken aan Deir al-Zor, zegt hij.
Ik loop terug naar het ho­tel. On­der­weg koop ik een paar san­da­len: £. 100. (Zon­der dat ik af­ding, voor zo’n be­drag (f. 4,00))
In het ho­tel laat ik een deel van de sham­poo in een le­ge wa­ter­fles lo­pen, zo­dat ik zelf ook nog wat heb. Ik neem een gul­den mee. Nu ga ik te­rug naar de fa­mi­lie en geef de sham­poo. De drie zus­ters gaan di­rect hun haar was­sen. De waar­de van de gul­den (£. 24,75) ver­baasd de zoon.
Ik ver­tel hem van mijn trein­reis naar van Alep­po naar Deir al-Zor, die goed­ko­per was dan twee bro­den in Ne­der­land.
De zoon, die 33 jaar oud is en er, dat geeft hij zelf toe, tien jaar ou­der uit­ziet, is al zes­tien jaar werk­loos. Hij wil over de si­tua­tie in Sy­rië spre­ken. Ik ga er niet op in want het kan­toor van de Ba­’ath-par­tij is maar en­ke­le hui­zen ver­wij­derd. Nu moet ik thee drin­ken en er wordt aan­ge­dron­gen dat ik ’s avonds kom eten. (Dat wil ik niet.)
De ge­sprek­ken gaan al­weer (het wordt een­to­nig) over vrouw (echt­ge­no­te van mij), geld en le­vens­om­stan­dig­he­den.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Verliefd.

Op straat ont­moet ik een an­der spon­taan meis­je (te­gen wie het jon­ge meis­je di­rect ver­telt dat ik 41 jaar ben.) Zij is heel open, vro­lijk, niet echt mooi (een beet­je ‘kik­ker­ogen’), maar door haar zo open blik en vro­lij­ke ge­drag, een beet­je ‘op­drin­ge­rig’, haar bor­sten voor­uit ste­kend, haar gro­te na­bij­heid, ben ik vrij­wel on­mid­del­lijk een beet­je ver­liefd. Zij wil ook sham­poo heb­ben. Ik ver­wijs haar naar haar fa­mi­lie. Dan wil ze mijn pen heb­ben. (Nu, 28 au­gus­tus, thuis, denk ik pas aan een mo­ge­lij­ke sek­sue­le bij­be­doe­ling.)

MenuBe­ginIndex en het einde.

Eufraat.

Ik ga op weg naar de Eu­fraat. Heer­lijk blauw is het wa­ter, als de zee, en zo aan­lok­ke­lijk in deze hit­te. Eerst enig schaam­te­ge­voel over mijn on­ge­bruin­de, wit­te huid doet me be­slui­ten niet aan de ver­lei­ding ge­volg te ge­ven. Pas la­ter komt het in me op dat zwem­men in de­ze schijn­baar scho­ne ri­vier wel eens mijn dood zou kun­nen be­te­ke­nen. 1.200 km lang is de Eu­fraat al in Deir al-Zor. En in dit land waar al­les en al­les zo maar op straat wordt weg­ge­gooid, is zo’n ri­vier een prach­tig ri­ool.
Er zwem­men wel men­sen in. Veel zelfs. Een jon­gen met een prach­tig bo­ven­li­chaam, ge­spierd, komt in mijn rich­ting, maar ik ben mis­schien niet uit­no­di­gend ge­noeg (ik blijf op mijn hur­ken zit­ten, in plaats van dat ik ga staan en hem uit­no­di­gend aan­kijk), want hij draait weer van mij weg. In zijn broek­je is niets te zien, want dat is een zeer ruim val­lend sport­broek­je. Al­le an­de­re zwem­mers dra­gen ruim­val­len­de sport­broek­jes, die ze, als ze uit het wa­ter ko­men, me­teen van het li­chaam los­trek­ken, zo­dat het niet aan de huid blijft plak­ken en er geen con­tou­ren, die mij zou­den kun­nen op­win­den, te zien zijn.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Hangbrug.

Ik loop over de voet­gan­gers­brug. Een lan­ge hang­brug.*(1). Een groep op­ge­scho­ten jon­gens wil dat ik met hen mee­loop. Zij gaan ech­ter in de rich­ting waar ik van­daan kom en ik wil nu juist over de Eu­fraat lo­pen. Die rich­ting wil­len zij niet uit.
Van de hoge ka­bels van de hang­brug sprin­gen jon­gens naar be­ne­den. Op een ei­land­je zon­nen en­ke­le jon­gens. Slechts één lijkt er (op deze af­stand ge­zien) een strak zwem­broek­je aan te heb­ben. Ik kijk even naar de li­cha­men. Loop naar de over­kant van de brug en daar drink ik een co­la die lek­ker koel is. Het le­ge blik mag ik weg­gooi­en waar ik wil.
Ik loop door een ver­la­ten speel­tuin, een stuk stroom­op­waarts. Ik wil naar die plaats wan­de­len waar ik meer mensen in de ri­vier zag spe­len, maar lang­za­mer­hand raak ik ver­der van de be­woon­de we­reld af (erg be­woond is de ‘be­woon­de we­reld’ ook niet) en ik vind dat ik het ge­vaar ook niet hoef te zoe­ken. Het spijt me wel, maar ik vind het on­ver­stan­dig om nog ver­der het bos­rij­ke ge­bied in te lo­pen. Ik loop een eind­je te­rug tot waar een drie­tal pij­pen de ri­vier in­dui­ken. Ver­beeld ik me dat, of wordt de ri­vier hier in­der­daad brui­ner, langs die pijpen?

MenuBe­ginIndex en het einde.

Smokkelaars?

Aan de over­kant van de ri­vier zie ik no­ma­den op het ei­land met gro­te zak­ken sle­pen. Het heeft iets weg van een film, waar­in de ‘goe­de’ per­soon eni­ge smok­ke­laars op af­stand met hun il­le­ga­le prak­tij­ken be­zig ziet. Vol­gens mijn sub­jec­tie­ve ge­voel klopt er iets niet aan hun ge­dra­gin­gen. Maar slechts de ‘at­mos­feer’ van de om­ge­ving wekt dit ge­voel bij mij op. Te veel film ge­ke­ken, zeker? (Steeds moet ik aan Huck­le­ber­ry Finn van Mark Twain den­ken, de film, be­doel ik.)

MenuBe­ginIndex en het einde.

Het mes!

Er pas­seert een zeer knap­pe jon­gen met drie knap­pe meis­jes (ge­luks­vo­gel) waar­van één met kind. Ze vra­gen mij de tijd. Ik zeg niets, maar laat hen mijn hor­lo­ge zien. Ze kij­ken me ver­baasd aan. Nog later zie ik de knap­pe jon­ge­man, die mij nu vrien­de­lijk groet, al­leen en snel naar de stad lo­pen. (Over de brug.) Waar zijn zijn vrien­din­nen?
Op de brug staan nog de op­ge­scho­ten ben­gels van toen straks. Ik hoor ze zeg­gen: “Money, money.” Als ik bij hen ben grijpt één mijn hand. Hij ziet er sme­rig uit. Hij maakt zoen-­be­we­gin­gen. (Hij be­valt me he­le­maal niet.) Hij zingt een lied­je dat ik niet kan ver­staan. De an­de­ren la­chen luid. Als ik naar het zak­mes van een van hen kijk (hij heeft het in zijn hand) maakt hij het open en houdt het me voor. Ik voel geen angst, loop door zon­der ook maar een­maal om te kij­ken. Ik blijf ech­ter niet meer staan.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Restaurant.

Bij Mat’am al-Djisr (Restaurant the Bredg) (sic) [de brug] drink ik co­la en bier. Mi­ne­raal­water heb­ben ze niet. Al­leen water uit de Eu­fraat. Ik ver­wis­sel steeds van ta­fel om uit de zon te blij­ven. Het duurt lang voor­dat ik de be­stel­de sa­la­de, friet en vis (want kip heb­ben ze niet) krijg. De vis is veel te veel. Ik krijg hem niet op, maar wei­ger hem aan de brood­ma­ge­re kat­ten te ge­ven, die in on­be­waak­te ogen­blik­ken zelfs op de ta­fel sprin­gen om mee te eten.
Een en ander kost £. 300. (f. 12.00), maar van mijn be­taalde £. 500 moet ik zelf de laat­ste £. 200 te­rug gaan ha­len.
Alle obers ren­nen voort­du­rend. Eén van hen vind ik in­te­res­sant. Ik vind hem sexy. Hij merkt wel dat ik naar hem kijk, maar hij moet ren­nen om de gas­ten te be­die­nen. Ver­der zit er een dik­ke Koe­wei­ti (?) met vier knap­pe jon­gens om zich, die al­len raki*(2) drin­ken.
Ik ga even zon­nen (bo­ven­li­chaam) langs de Eu­fraat, cir­ca tien mi­nu­ten en loop dan te­rug naar het ho­tel.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Ziek.

Circa 15.30 uur lig ik dui­ze­lig in bed. Ik ben mis­se­lijk. Van het bier?
Na winden la­ten voel ik me iets be­ter. Kon ik maar boe­ren.
Deze vrijdag 31-7-92 lijkt wel een zon­dag. Ie­der­een heeft vrij.
Ik be­taal de vol­gen­de nacht in het ho­tel.
Ik heb diar­ree en ben moe.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Karnak.

Ik vraag aan U., de sexy re­cep­tio­nist, waar het Kar­nak-bus­sta­tion is. [Kar­nak is de Sy­rische na­tio­na­le bus­maat­schap­pij.] Na enig aan­drin­gen zij­ner­zijds be­grijp ik dat hij me er naar­toe wil be­ge­lei­den. Daar ga ik mee ak­koord. Zwij­gend lo­pen we er­heen.
Ik koop voor £. 62 een bus­kaar­tje naar Tad­moer (Pal­my­ra) voor zon­dag­och­tend. Op de te­rug­weg ver­tel ik eerst een beet­je met een jon­gen op een fiets en dan met U.
Ik koop wa­ter en be­schuit voor res­pec­tie­ve­lijk £. 15 en £. 10.
Ik plan de reis voor­uit, maar al daar­mee doen­de, vraag ik me af wat ik bij die steen­ho­pen van Pal­my­ra moet, bij de­ze hit­te in het mid­den van de woes­tijn en ik loop te­rug naar het Kar­nak-bus­sta­tion en laat de be­stem­ming naar Da­mas­cus wij­zi­gen. Ik moet nog cir­ca £. 62 bij­be­ta­len. Het is in­mid­dels don­ker.
Ik voel me ziek. Het eten, maar toch voor­na­me­lijk de hit­te maakt me ka­pot. Ook het al­leen rei­zen, de ar­moe­de, het voort­du­ren­de la­waai, dat al­les heeft een ne­ga­tie­ve in­vloed op mij.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Een nichtje?

Ik loop wat langs de zij­arm van Eu­fraat, die hier door de stad loopt. Het is er een beet­je koel en er lo­pen wat men­sen. Ik blijf in een nich­te­ri­ge hou­ding staan voor een nich­te­ri­ge jon­gen die voor­bij liep, keek, blijft staan en dan in mijn rich­ting te­rug loopt om ver­vol­gens over te ste­ken. Hij loopt weg zon­der zich om te draai­en.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Sjouwers.

Ik blijf nog even staan kij­ken naar een groep man­nen die met hand­kracht een gro­te vracht­au­to vul­len met de in­houd van gro­te zak­ken. ‘Graan’, denk ik. Sjou­wers ne­men de zak van 100 ki­lo, (denk ik) op hun rug en lo­pen een stei­le plank op. Op de vracht­au­to wordt de zak open­ge­sne­den en ge­leegd. Als het werk ge­beurd is, wordt door de sjou­wers de rest, die op de grond ligt, zorg­vul­dig bij el­kaar ge­veegd en ver­za­meld.
Een van de sjouwers pro­beert een jon­ge­re sjou­wer te ver­sie­ren en ze ko­men naar mij. Ik ver­tel wat met de ou­de­re, over het zwa­re werk.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Gewond.

Als ik loop heb ik pijn aan mijn te­nen, van het leer van de san­da­len en ik moet de won­den met pa­pie­ren zak­doek­jes af­dek­ken en de langs el­kaar schu­ren­de te­nen met pa­pier uit el­kaar per­sen, want ik heb hier geen pleis­ters bij me.
Ik steek de ‘sloot’ over en sta ver­steld van de puin­hoop. De straat is op­ge­bro­ken (er wordt ook al een nieu­we brug ge­bouwd) en het ou­de as­falt ligt in gro­te brok­ken over­al ver­spreid. Aan deze zij­de is niet veel te be­le­ven en ik ga te­rug en loop daar stroom­op­waarts. Ik hoop in een meer homo-­ach­ti­ge om­ge­ving te ko­men, want ik wil met een jon­ge­man vrij­en.
Plotseling stoot ik mijn voet aan een van de over­al voor­ko­men­de on­ge­lijk­he­den en mijn lin­ker dik­ke teen is flink be­scha­digd. Het bloed stroomt er­uit. Ik moet me be­hel­pen met pa­pie­ren zak­doek­jes. Als ik daar­mee be­zig ben komt een jon­gen die de tijd wil we­ten. Als ik geen ant­woord geeft pakt hij mijn lin­ker pols en draait het hor­lo­ge naar zich toe. Ik zeg: “So­de­mie­ter op.”
Hij zegt: “Thank you.”

MenuBe­ginIndex en het einde.

Ernstig ziek.

Ik kan normaal geen bloed zien. Ook nu niet. Ik word dui­ze­lig, wil gaan lig­gen, maar dat kan toch niet in de­ze zwij­nen­zooi. Ik wil wa­ter drin­ken, maar waar haal ik dat van­daan? Ik pro­beer te lo­pen, maar dat gaat niet. Het zweet breekt me uit. Ik moet naar de WC. Mijn diar­ree komt los. Ik steek de straat over, maar zie bij­na niets.
Bij een thee­huis ga ik op de stoep­rand zit­ten. Ik kan niets meer zien. Ik ben dui­ze­lig. Ik sta op, maar zak langs een af­ras­te­ring door mijn knie­ën, be­wust, ik voel het ge­beu­ren, maar kan er niets te­gen on­der­ne­men. Wat een vreem­de ge­waar­wor­ding. Ik wil wa­ter, koel wa­ter en wil het thee­huis bin­nen­gaan. (Dat wil zeg­gen, het is een om­heind open­lucht thee­huis.)
Ik ga erheen. Iemand roept me. Hij staat in de buurt van zo’n stin­ken­de ke­bab-stal. Daar wil ik niet heen. Ik loop door, of strom­pel ik? Ik zie niets. Bij een kraan (met on­ge­twij­feld Eu­fraat-water) ga ik zit­ten. Aan de jon­ge ober vraag ik: Ya sidi, ayna al-mir­haad [Mijn­heer, waar is het toi­let?] Hij ver­staat me niet. Ik zeg waar­schijn­lijk Mir­haad. [Een an­de­re ‘ha‘, het Ara­bisch heeft er twee, nog­al ver­schil­lend.]
Ik ga op de stoep zit­ten, met het hoofd tus­sen de be­nen. Plot­se­ling zit ik mid­den in een wa­ter­stroom. Heeft hier iemand een em­mer om­ge­kiept om mij weg te krij­gen? Nou, dat helpt dan wel. Ik strom­pel te­rug naar het ho­tel, waar ik met jo­dium mijn voet ver­zorg.
Circa 22.00 ben ik in het hotel.
Dat niemand me hielp komt, zo liet ik me zon­dag 2-8 in de bus naar Da­mas­cus uit­leg­gen, om­dat de men­sen bang zijn. Sterf ik op straat, dan wordt de dichtst­bij­zijn­de per­soon van moord be­schul­digd!
Ik ga op bed lig­gen met en nat was­hand­je als kom­pres op mijn hoofd. Na een poos­je gaat het be­ter kijk ik naar de slech­te kwa­li­teit Tv-beel­den en laat mijn ka­mer­deur open, zo­dat er meer fris­se lucht in kan. [Mijn ka­mer komt uit in de lounge.]

MenuBe­ginIndex en het einde.

Syrië.

Ik twijfel er niet meer aan dat ik het Ara­bisch zal le­ren. Er is dus geen en­ke­le re­den om nog in Sy­rië te blij­ven, want de vol­gen­de maand is toch te kort, maar als ik hier een ap­par­te­ment heb met ei­gen keu­ken, dan is het niet meer zo moei­lijk om hier te blij­ven en veel te le­ren.
Ik kan in de­ze zwij­nen­stal ech­ter niet le­ven. De men­sen ma­ken van het le­ven een knoei­boel. De over­heid on­der­neemt niets om de kwa­li­teit van het le­ven te ver­be­te­ren en de be­vol­king doet als ge­volg daar­van daar ook niets aan. De af­wer­king van het ho­tel is slecht. Al­les ziet er on­ver­zorgd uit. Pij­pen die uit de muur ko­men, de ga­ten er­van wor­den ge­vuld (als ze al ge­dicht wor­den) maar de gips of ce­ment wordt niet met de muur glad­ge­stre­ken, maar co­nisch af­gewerkt, in de leng­te van de pijp.
Gescheurde broe­ken, slecht ge­naaid.
Verf: de zak­ken in de verf wor­den niet glad­ge­stre­ken. [Ook: tra­nen, zak­kers, drup­pels, of drui­pers ge­noemd. Het doet er niet toe hoe die he­ten. Ze wor­den niet weg­ge­werkt.]
Ze [de men­sen hier] zijn nog steeds no­ma­den: se­den­tai­re no­ma­den.
Ik vraag me af hoe de kwa­li­teit van het le­ven in de Golf­sta­ten en Koe­weit is?
Deze sta­tische re­li­gie is een ze­gen voor het re­gi­me. De re­ge­ring wordt niet uit­ge­daagd (als dat al mo­ge­lijk is bij de­ze on­der­druk­king), maar bij God wordt toe­vlucht ge­zocht. De men­sen zijn erg re­li­gi­eus.
De eco­no­mie is vol­gens mij zwaar ge­sub­si­di­eerd. Er is veel ver­bor­gen werk­loos­heid (Wi.) en veel kin­der­ar­beid. Van een com­mer­cië­le eco­no­mie heeft nog nooit iemand ge­hoord.
A. in Antakya was blij dat hij over vijf da­gen naar huis (in Duits­land) kon. Ik be­greep hem toen niet. Nu wel.
Ik wil weg en ik wil nooit meer al­leen rei­zen.
Bed rond 01.00 uur. Tem­pe­ra­tuur in de ka­mer: be­nauwd. Ze­ker 25°C, (mo­ge­lijk veel meer: 30°C of nog meer?)

MenuBe­ginIndex en het einde.


*(1).
Genoemde voet­gan­gers­hang­brug: (GM.: foto.)
Op 24 april 2017 ont­moet­te ik in de trein een Sy­rische vluch­te­ling die pas an­der­half jaar in Ne­der­land was en die ver­ba­zend goed Ne­der­lands sprak. Hij kwam uit Deir el-Zor en ver­tel­de mij dat die ou­de, mo­nu­men­ta­le hang­brug, to­taal ver­nie­tigd was tij­dens de bur­ger­oor­log. On­langs zag ik fo­to’s van die brug waar­uit bleek dat hij de waar­heid had ge­spro­ken.

Te­rug.

*(2).
Raki (Wi,) is een sterk al­co­ho­lische drank, van Tur­kse oor­sprong.

Te­rug.


Voor een summiere uitleg over het Arabisch: klik hier.


Meer informatie.

GM.: Google Maps. – Wi.: Wi­ki­pe­dia. – Web.: ove­rige bron­nen.
Syrië:
GM., Wi.
:ﺳﻮﺭﻳﺎ
Deir al-Zor:
GM., Wi., GM. (Fo­to’s.)
:ﺩﻳﺮ ﺍﻟﺰﻭﺭ
Eu­fraat:
GM., Wi.
:ﺍﻟﻔﺮﺍﺕ

Pal­my­ra:
GM., Wi.
:ﺗﺪﻣﺮ
Da­mas­cus:
GM., Wi.
:ﺩﻣﺸﻖ

Koe­fiy­ya:
:ﻛﻮﻓﻴﺔ
Djal­la­biyya:
:ﺟﻼﺑﻴﺔ
Ba’ath-­par­tij:
:ﺣﺰﺏ ﺍﻟﺒﻌﺚ

Index

Index van ter­men:
Index van per­so­nen:
.
Index van lo­ca­ties:
.

Me­nuBe­ginHoofd­in­dex.
Over­zicht 1972-1990.
Chrono­lo­gisch over­zicht Orient Ex­press 1992.

30 juli 1992

1992 – 2017: vijf­en­twin­tig jaar ge­le­den

Orient Express

Mijn eer­ste reis naar het Mid­den-Oos­ten

Dagboek 1992

(Dag 7488) Ik ben in Alep­po in Sy­rië. Van­daag reis ik per trein naar het oos­ten van het land, naar Deir al-Zor, een stad die aan de ri­vier de Eu­fraat ligt. – De munt­een­heid in Sy­rië is het Sy­rische Pond: (£.). De koers is: £. 1.00 = f. 0,05. (Een stui­ver.)

MenuIndex en het einde.

Donderdag, 30 juli 1992.
Aleppo – Deir al-Zor.
Op 7.30 uur.
Ik heb een cri­sis. Ik wil naar huis. Al die el­len­de met die ho­tels, slecht eten, vie­ze rot­zooi, la­waai, een­zaam­heid, geen seks.
Alle gespreken gaan steeds over het­zelf­de: vrou­wen, kin­de­ren, ge­loof, geld.
Moet ik nu ver­der rei­zen naar Deir ar-Zor of Gazi­an­tep [in Tur­kije] – Istan­bul – We­nen (vlieg­tuig?) en dan naar Pa en Ma?
Ik ben ervan over­tuigd dat ik Ara­bisch wel zal le­ren als ik er maar lang ge­noeg blijf. Ik zou wel wat wil­len hui­len.
Ik zoek rust in het park.
Na ronddolen in de stad, want ik was te vroeg voor het ont­bijt (fa­toer), neem ik om 8.45 het ont­bijt.
Ik besluit om naar Deir ez-Zor te gaan.
Met J. [toeristen­gids] ga ik thee drin­ken en ver­tel hem mijn plan. Hij heeft wei­nig tijd voor mijn ge­praat. Als een spie­den­de vo­gel kijkt hij steeds naar Da­’irat al-Si­ya­ha [Toe­ris­ten­bu­reau], zijn in­ko­men. Daar­na ga ik naar ho­tel Sy­ria om af­scheid te ne­men van de jon­ge re­cep­tio­nist, die ik gis­te­ren­avond op straat ont­moet­te. Ik ga mijn ho­tel be­ta­len.

Ik betaal met een bil­jet van twin­tig dol­lar en krijg twee dol­lar terug. ($. 18 was met ont­bijt.)
In hotel Syria ga ik in de hal zit­ten, drink on­ge­wild op de kos­ten van de Rus­sen, die ik be­kijk. De re­ceptionist heeft geen tijd voor me. Ik neem rond 13.00 uur af­scheid en be­loof over veer­tien da­gen te­rug te ko­men.
Ik ga naar het station, koop een eer­ste klas bil­jet Moem­taaz [Uit­ste­kend] (hier­op is geen stu­den­ten­kor­ting mo­ge­lijk) van Alep­po naar Deir al-Zor. Dit kost £. 85. (f. 3,43.) Circa 325 km! Eer­ste klas plus air­con­di­tio­ning.
De trein zal 15.28! ver­trek­ken!
Weer: warm en veel wind, zoals ook in Tur­kije. (Pro­vin­cie Ha­tay.)
In de stationshal sta ik direct in het mid­del­punt. Veel men­sen wil­len veel we­ten. Onder an­de­re: Vrouw? Kin­de­ren? Geld en ge­loof en of mijn va­der het wel goed vond dat ik zo­ver, zo al­leen reis­de.*(1)
Zij hebben al­le­maal een Bi­ta­qa shakh­siyya [Per­soons­be­wijs / le­gi­ti­ma­tie­be­wijs] [Wij] In Ne­der­land niet. On­be­grij­pe­lijk is het voor hen dat je bin­nen een uur een pas­poort kan krij­gen en dat je on­ge­con­tro­leerd (in Eu­ro­pa) kan rei­zen. (Zon­der de po­li­tie in te lich­ten, zo­als ik hier op het sta­tion wel moet doen.)
Door de leuke con­tac­ten spijt het me dat ik Moem­taaz ge­ko­zen heb. De an­de­ren reiz­en al­le­maal Dar­dja tha­niyya [twee­de klas], want veel goed­ko­per. (Moem­taaz heet of­fi­ci­eel Dar­djat oela [eer­ste klas].)
Een jongen uit Hama geeft mij di­rect zijn adres. Hij stu­deer­de in Qa­tar en was daar in 1989 de bes­te, snel­ste zwem­mer. En der­de in Hama.
Hama, al-Shari’a moe­qa­bil mas­djid al-Imaan, dja­nib say­da­liyya al-Lail. [Hama, [wijk] al-Sha­ri’a, te­gen­over de mos­kee al-Imaan, naast de apo­theek ‘De Nacht’ (niet: de nacht­apo­theek.)]
Twee keer pas­poort­con­tro­le voor­dat ik in de trein mag.
De eerste klas blijkt vrij­wel vol te zit­ten, met de ‘be­te­re’ klas­se van de be­vol­king. Mid­den­ka­der, of iets der­ge­lijks. Hau­tain. Pas ver na al-Raqqa krijg ik enig con­tact met de men­sen.*(2) Niet veel. De mees­te pas­sa­giers in mijn om­ge­ving moe­ten naar al-Hassaka en an­de­ren (die twee­de klas rei­zen) gaan naar al-Qa­mishli.
De grote roer­gan­ger [dic­ta­tor] kan niet ver­hin­de­ren dat de trein niet oo 15.28 uur ver­trekt, maar pas ruim een half uur la­ter. On­der­weg staat hij [de trein] ook nog twee keer een half uur.
In de buurt van mij zit­ten twee knap­pe meis­jes en een knap­pe / sexy jon­gen. Al­len Sy­rische jet­set.
Er is een fa­mi­lie waar­van de opa elke vijf mi­nu­ten slijm op­hoest. (Luid­ruch­tig.)
Een van de knap­pe sol­da­ten be­taalt de mi­ni­bus voor mij. Met mijn heup sta ik in zijn kruis.
Hij helpt me een ho­tel te zoe­ken: 24 US-$. Dat is met te duur. Ho­tel al-Arabi al-Kabier [Groot Ara­bië] kost £. 100 met stro­mend wa­ter en een ven­ti­la­tor. Ik vraag aan de sol­daat (die fi­lo­so­fie stu­deer­de in Tsje­cho-Slo­wa­kije) wan­neer ik hem weer zie. Hij is bang. Sol­da­ten mo­gen geen con­tact met bui­ten­lan­ders heb­ben.
Douche.
Ik kijk Tv. Deel mee in een me­loen en spreek met het jon­get­je van de re­cep­tie. Hij heet U.
Bed 01.30 uur.
Het landschap on­der­weg: kurk­droog, le­men hut­ten, geen elek­tri­ci­teit, kleur­rijk ge­kle­de kin­de­ren die naar de trein zwaai­en. Ar­moe­de alom.
Al-Foe­raat [de Eu­fraat] is een mach­tige en mooie ri­vier, de trein ging er voor al-Raqqa over heen. Groen was het daar.
Daarna werd het snel don­ker.
Rond tien uur in Deir al-Zor.
Over: 2.210. Uit­ge­ge­ven: 445 = f. 18,00.


*(1).
Ik meen mij te her­in­ne­ren dat ik op het sta­tion in Alep­po ge­vraagd werd hoe­veel koei­en mijn va­der had, want ze ken­den Ne­der­land van­we­ge de melk. Toen ik zei dat mijn va­der geen koei­en had, maar dat er boer­de­rij­en zijn met meer dan hon­derd koei­en werd daar met on­ge­loof op ge­rea­geerd.

Te­rug.

*(2).
In mijn reis­dag­boek staat dat ik via een kind con­tact kreeg met de men­sen. Het kind kreeg in op­dracht vra­gen in het En­gels. Ik had ook con­tact met en­ke­le man­nen en met sol­da­ten. – Ik weet nog dat ik in het don­ker in Deir al-Zor ar­ri­veer­de. Het sta­tion ligt ver bui­ten de stad.

Te­rug.


Voor een summiere uitleg over het Arabisch: klik hier.


Meer informatie.

GM.: Google Maps. – Wi.: Wi­ki­pe­dia. – Web.: ove­rige bron­nen.
Syrië:
GM., Wi.
:ﺳﻮﺭﻳﺎ
Alep­po:
GM., Wi.
:ﺣﻠﺐ
Deir al-Zor:
GM., Wi.
:ﺩﻳﺮ ﺍﻟﺰﻭﺭ
Eufraat:
GM., Wi.
:ﺍﻟﻔﺮﺍﺕ

Niet be­zocht, maar wel in de tekst ge­noemd.

al-Raqqa:
GM., Wi.
:ﺍﻟﺮﻗﺔ
al-Hasaka:
GM., Wi.
:ﺍﻟﺤﺴﻜﺔ
al-Qamishli:
GM., Wi.
:ﺍﻟﻘﺎﻣﺸﻠﻲ
Hama:
GM., Wi.
:ﺣﻤﺎﺓ
Qatar:
GM., Wi.
:ﻗﻄﺮ

Index

Index van ter­men:
Index van per­so­nen:
.
Index van lo­ca­ties:
.

Me­nuBe­ginHoofd­in­dex.
Over­zicht 1972-1990.
Chrono­lo­gisch over­zicht Orient Ex­press 1992.

29 juli 1992

Portretfoto
Por­tret­fo­to, ge­maakt op 28 juli 1992 in Alep­po. Ik zie er op de­ze fo­to zo jong uit dat ik mij­zelf bij­na niet her­ken­de.

1992 – 2017: vijf­en­twin­tig jaar ge­le­den

Orient Express

Mijn eer­ste reis naar het Mid­den-Oos­ten

Dagboek 1992

(Dag 7487) Dit wordt mijn twee­de dag in Alep­po in Sy­rië. Even­als gis­te­ren­och­tend, ver­wis­sel ik de­ze och­tend weer van ho­tel. – In de loop van de dag koop ik een nieuwe broek en maak ook ken­nis met en­ke­le aar­di­ge jon­ge­ren van Alep­po. – Ik leer dat je niet zo maar mag zeg­gen dat je iets mooi vindt, want dan is de be­zit­ter van dit goed mo­reel ver­plicht het aan jou te ge­ven. (Daar­om zijn mis­schien ook al­le vrou­wen ge­slui­erd, op­dat nie­mand kan zeg­gen: “Wat heb jij een mooie vrouw!”) – De munt­een­heid in Sy­rië is het Sy­rische Pond: (£.). De koers is: £. 1.00 = f. 0,05. (Een stui­ver.)

MenuIndex en het einde.

Woensdag, 29 juli 1992.
Aleppo.
Op 7.45 uur.
Direct op zoek naar een ander ho­tel.
Verschillende kosten 22, of 25 US$. Als ik ein­de­lijk een ho­tel vind van 18 US$ neem ik de ka­mer. Ik be­kijk hem en ga mijn spul­len uit het Sy­ria-ho­tel ha­len.
Hotel Ragh­dan, douche en air­con­di­tio­ning. Wat een prijs­ver­schil met ho­tel Sy­ria. Over het prijs­ver­schil pie­ker ik: f. 7,50 en f. 34,00 en zo­veel bij­zon­ders is de­ze ka­mer ook niet. (De ka­mer in het Kıyı-ho­tel in Is­ken­de­run (Tur­kije) (f. 22,50) was veel mooi­er en be­ter en ook nog mooi uit­zicht.) Hier heb ik een hoog, maar on­be­reik­baar raam. Ik kan niets zien.
Ik eet het ont­bijt in dit ho­tel. Ge­niet van een twee­tal sexy kna­pen en ver­tel met een Ar­me­nische Ha­la­bi. [Ha­la­bi: in­wo­ner van Ha­lab = Alep­po.]
Na een douche ga ik naar de ba­zaar. En­ke­le kor­te ge­sprek­ken met ba­za­ris en krijg een thee, maar ik koop niets.
Ik wil een broek kopen, maar dat kan al­leen maar op Sha­ri’ Baab al-Fardj. [De Fardj-poort­straat]*(1) waar ik voor £. 200 een iets ruim­val­len­de ka­toe­nen broek koop (die ik op 18-8-92 in Is­tan­bul ach­ter­laat) in een PTT-grij­ze kleur. (Dat wel weer war­mer dan een lich­te kleur is, maar min­der be­smet­te­lijk in dit stof­fi­ge, sme­ri­ge land.)
Omdat ik moeite doe Ara­bisch te spre­ken krijg ik de broek met kor­ting. (Ei­gen­lijk was hij duur­der dan £. 200.) Ik vraag er een stuk­je ga­ren bij en in het ho­tel naai ik er twee ‘ge­hei­me’ bin­nen­zak­ken in. Ik val daar in slaap, cir­ca twee uur.
Dan ga ik de stad in. Eet er mijn eer­ste fa­la­fil en ga met J. (toe­ris­ten­gids), die ik op staat ont­moet­te, naar Da’irat al-Si­ya­ha [Toe­ris­ten­bu­reau] waar ik met A. uit Buenos Aires een uur of an­der­half ver­tel over de rom­mel hier en het ‘sys­teem’ in Ar­gen­ti­nië. Hij is so­cio­lo­gie- en film­kuns­ten­stu­dent en al vier maan­den on­der­weg.
Ik heb mijn pas­fo­to’s op­ge­haald (zie gis­te­ren) en ik her­ken­de mij­zelf nau­we­lijks. Zie ik er zo jong uit? Ze zul­len wel een beet­je ge­re­tou­cheerd zijn.
Hotelkamer: douche.
Lezen over Syrië.
Eten in het res­tau­rant hier: ou­de kip. To­taal £. 185. (Ik geef £. 200.)
Hotelkamer.
Wandelen. Dezelfde weg als met S. [de Egyp­te­naar], gis­te­ren. (Mo­dern stads­deel: Sha­ri’ al-Azima.) Nu zie ik en­ke­le stuk­ken en de re­cep­tio­nist (een van de twee) van ho­tel Sy­ria. De­ze spreekt slecht En­gels, wil het wel le­ren, want gaat naar de USA, Los An­ge­les, over een maand om er te wer­ken. Hij is met twee vrien­den, waar­van één knap (met eigen zaak: shirts) en een rech­ten­stu­dent.
Als ik op het Le­nin-speld­je van de knap­pe za­ken­man wijs, biedt hij het me on­mid­del­lijk aan en kan ik het niet meer wei­ge­ren. Ik kan slechts voor­ko­men dat ik het moet op­spel­den.*(2)
We (de rech­ten­stu­dent en ik) ma­ken een af­spraak voor mor­gen­mid­dag. Hij bood me een zoe­te soort Se­ven-up aan en ik ga daar­na naar het ho­tel.
Bed rond 00.00 uur.
Over £. 2.655. Ik gaf dus 3.276 – 2.655 = £. 621 uit. (f. 25,10)


*(1).
In steden in het Mid­den-Oos­ten zijn de mark­ten ge­se­gre­geerd, zo­als dat in Ne­der­land vroe­ger ook was: Bo­ter­markt, Vis­markt, Boom­markt, Ga­ren­markt etc. Als je in een Ara­bische stad een me­loen wilt ko­pen ga je naar de groen­te­markt en zult zien dat de me­loe­nen­ver­ko­pers al­le­maal op een kluit­je bij el­kaar zit­ten, zo ook met de krui­den­ver­ko­pers, de stof­fen­han­de­la­ren, de mes­sen­slij­pers, maar ook de hand­werks­lie­den, zo­als kleer­ma­kers, zit­ten al­le­maal naast en bij el­kaar. Van enige con­cu­ren­tie kan daar­om geen spra­ke zijn. Ie­der­een blijft even arm.

Te­rug.

*(2).
Het speld­je van de za­ken­man is een por­tret van Le­nin. Als hij de be­te­ke­nis er­van kent (waar­om niet?) zal hij atheïst of com­mu­nist zijn en is een sup­por­ter van het Ba’ath-re­gime. Ba’ath is im­mers so­cia­lis­me.
Ik her­in­ner me in dit ka­der, het mo­reel ver­plicht zijn een goed te ge­ven aan die­ge­ne die dat goed prijst, ook de ou­de boer in Mes­ki in Ma­rok­ko, op 28 sep­tem­ber 1976, die mijn hor­lo­ge als ‘mooi’ prees, mo­ge­lijk om het te krij­gen.

Te­rug.


Voor een summiere uitleg over het Arabisch: klik hier.


Meer informatie.

GM.: Google Maps. – Wi.: Wi­ki­pe­dia. – Web.: ove­rige bron­nen.
Syrië:
GM., Wi.
:ﺳﻮﺭﻳﺎ
Alep­po:
GM., Wi.
:ﺣﻠﺐ

Index

Index van ter­men:
Index van per­so­nen:
.
Index van lo­ca­ties:
.

Me­nuBe­ginHoofd­in­dex.
Over­zicht 1972-1990.
Chrono­lo­gisch over­zicht Orient Ex­press 1992.

28 juli 1992

1992 – 2017: vijf­en­twin­tig jaar ge­le­den

Orient Express

Mijn eer­ste reis naar het Mid­den-Oos­ten

Dagboek 1992

(Dag 7486) Af­ge­lo­pen nacht sliep voor de eer­ste keer in mijn le­ven in Sy­rië. Ik ben in Alep­po. – In Ne­der­land stu­deer ik Ara­bisch en wil in Sy­rië prak­tijk­er­va­ring op­doen met die taal. – Ik spreek met veel ver­schil­len­de man­nen, waar­van één me con­fron­teert met het, in Sy­rië, veel­vul­dig voor­ko­men­de vi­ru­lent anti­se­mi­tis­me. – Een gek­ke Egyp­te­naar ver­telt me in de­tail over zijn re­la­tie­pe­ri­ke­len. – De munt­een­heid in Sy­rië is het Sy­rische Pond: (£.). De koers is: £. 1.00 = f. 0,05. (Een stui­ver.)

MenuIndex en het einde.

Dinsdag, 28 juli 1992.
Aleppo. In het Ara­bisch: Halab.
Op 7.00 uur.
Mezelf een beetje was­sen, zo­ver mo­ge­lijk is.
Ik ga daarna naar Hotel Sy­ria in de Ma­’ari-straat Sha­ri’ al-Ma­’ari, waar ik de ka­mer van AI. over­neem. Mijn ka­mer in ho­tel al-Ham­ra al-Dja­died vond ik niet schoon, om­dat er in het ho­tel geen douche was. Ik had niet ge­vraagd, maar nam dat aan om­dat ik er geen vond en om­dat ik een moe­der haar kind op de gang zag was­sen. Na­dat ik de £. 75 goed­ko­pe­re ka­mer in Ho­tel Sy­ria (prijs: £. 150) had over­ge­no­men vond ik de ka­mer in al-Ham­ra al-Dja­died heel schoon.
Deze was heel sme­rig, geen bed­den­goed ver­schoond en een stin­ken­de vie­ze ma­tras, die ik er­van ver­dacht vol beest­jes te zit­ten en weer geen douche. De­ze ka­mer was goed­koper, maar veel vie­zer. Het per­so­neel was ech­ter wel heel vrien­de­lijk en de re­cep­tio­nist sprak per­fect En­gels.
In een thee­huis in Sha­ri’ al-Ma­’ari drink ik twee thee en be­kijk al­ler­lei man­nen met Koe­fiy­ya + Iqaal + Dja­la­biy­ya.
Koefiyya in rood of wit. Dit is de Ara­bische we­reld!
In een ander re­stau­rant laat ik me Foel als ont­bijt aan­pra­ten. War­me ge­kook­te tuin­bo­nen in een soort yog­hurt met olie. Zwaar op de vroe­ge och­tend en niet erg lek­ker, maar wel voed­zaam.
Met het oog op het ver­len­gen van het vi­sum laat ik zes pas­fo­to’s ma­ken. £. 50. (f. 2,00) (Zes klei­ne en één grote.)
Ik ga naar Da­’irat al-Si­ya­ha (Toe­ris­ten­bu­reau) en ont­moet er J. (toe­ris­ten­gids) en A. uit Am­ster­dam. Kof­fie drin­ken met z’n drieën en J. ver­telt over de hu­we­lijks­pro­ble­ma­tiek. Hij, 33 jaar, on­ge­huwd, om­dat zijn fa­mi­lie niet goed be­grijpt wat hij voor een vrouw wil heb­ben. Zij bren­gen hem steeds de ver­keer­de. Hij wil een vrouw met brains. Een ge­stu­deer­de vrouw kost wel 20.000 dol­lar als bruids­schat en als twee­de prijs (bij schei­ding) nog eens 20.000 US-dol­lar. (Bo­ven­dien moet ze een vol­le­dig in­ge­richt huis heb­ben.) A. en ik ver­tel­len ook over Ne­der­land.
J. vertelt dat de ge­nea­lo­gie be­lang­rijk is en dat een zoon de­ze lijn kan voort­zet­ten. De va­der be­moeit zich niet met de op­voe­ding van de kin­de­ren. Dat is voor de moe­der. Dat staat ook in de ko­ran.
Als A. vertelt dat in Ne­der­land de man soms de op­voe­ding ter hand neemt, als de vrouw een be­te­re baan heeft rea­geert hij ver­baasd en zegt (tot on­ze hi­la­ri­teit): “Die man moet een pro­bleem heb­ben.”
A. en ik spre­ken af om ’s avonds er­gens te gaan eten. J. staat er­bij en voelt zich mee uit­ge­no­digd.
A. en ik spre­ken dus la­ter er­gens an­ders af.
Ik ga naar het park en heb al snel con­tact met een prach­ti­ge knap­pe jon­gen. (Dat wil zeg­gen: hij sprak mij aan.) Het park is al-Ha­di­qa al-‘Aamma. (Het Open­ba­re park.) Hij spreekt ge­bro­ken En­gels en ik ge­bro­ken Ara­bisch. Hij is zeer goed ge­kleed en van goe­de kom­af. (Zijn va­der is le­raar Ara­bisch.)
Later spreek ik met twee man­nen. Eén van hen geeft me een ma­cron en spreekt met me in al-Fus­ha [stan­daard Ara­bisch] en ver­taalt mijn ant­woor­den voor de an­der in al-‘aammiyya [dia­lect].
Weer een ander, die ik niet kan ver­staan, pro­beert me te ver­sie­ren, met ge­ba­ren. Hij be­valt me niet, dus ga ik er niet op in.
Een man met wil­de baard­groei wil al­les over mijn fi­nan­ciële toe­stand we­ten. Ik ver­tel hem dat mijn va­der de­ze reis be­taalt. Hij heeft vier of vijf zo­nen. Hij zegt: Az­baab in plaats van ‘zo­nen’. [Pe­nis­sen. Het en­kel­voud is: zibb, meer dan twee pe­nis­sen is: az­baab.]
En ik spreek nog met twee an­de­ren. On­der­tus­sen wan­de­len en­ke­le stuk­ken langs. Een jon­gen stu­deert Adab [li­te­ra­tuur], maar blijkt later toch ge­woon zes da­gen per week in een fa­briek (naai­ate­lier) te wer­ken voor £. 700: f. 28,30 per week. (f. 4,70 per dag.) (£. 150 voor een ho­tel­kamer vindt hij duur. Hij niet al­leen, veel an­de­ren ook, want meer dan een dag­loon.)
Zijn vader is sla­ger en werk­te in ver­schil­len­de Ara­bische bui­ten­landen.
Ik word bijna kwaad en spreek ver­der in het En­gels met hem, als hij me ver­telt dat Hit­ler een goede vent was, een krach­tig figuur, die ten­min­ste de jo­den om zeep hielp.* Als ik vraag waar­om de jo­den dood moe­ten zegt hij dat de jo­den on­schul­di­ge Pa­les­tij­nen ver­moor­den. Hij weet niet dat de Pa­les­tij­nen ook on­schul­di­ge jo­den ver­moor­den. Hij weet wel dat Ne­der­land pro-Is­raël is. Ik ver­tel hem dat de we­reld niet zwart-wit is. Slech­te en goe­de jo­den zijn er zo­als slech­te en goe­de Pa­les­tij­nen. Ik ver­tel hem dat er in Ne­der­land ook groe­pe­rin­gen zijn die de Pa­les­tij­nen hel­pen. Niet met wa­pens, maar op het hu­ma­ni­tai­re vlak. En ik ver­tel hem ook wat over on­ze rechts­staat en on­ze vrij­heid en over on­ze po­li­tie. (Sy­rië is een po­li­tie­staat.) Als het tij­dens ons ge­sprek achter mij rit­selt, kijk ik ver­schrikt om.
“Wat is er?” vraagt hij.
“Is het hier niet ge­vaar­lijk om over po­li­tiek te pra­ten?” vraag ik hem.
Hij: “Ja.”
Over twee dingen zijn ze zeer ver­baasd: als ik op­sta om af­val in de prul­len­bak te gaan gooi­en, vra­gen ze mij waar­om ik dat doe.
Ook als ik op­sta als ik ie­mand be­groet (of af­scheid neem) bij het han­den schud­den wekt ver­ba­zing, maar ik merk­te als spoe­dig dat die Ha­la­bis als eni­gen blij­ven zit­ten. In de rest van Sy­rië staat ie­der­een bij het han­den schud­den op. [Halabi: inwoner van Halab = Aleppo.]
Tegen half zeven wil ik naar mijn af­spraak met A., maar weet de weg niet meer uit het park. Hij moet de­zelf­de rich­ting uit en zal me wel bren­gen. Dat is / wordt een dra­maa­tje. Want, hoe­wel hij be­weert de zelf­de kant uit te moe­ten, weet hij de weg niet en slechts met veel lo­pen (slen­te­ren, want ik er­ger me aan zijn la­ge tem­po) en twee keer vra­gen be­reik ik cir­ca 19.05 het ho­tel. (Ho­tel Toe­rist), waar A. ge­luk­kig nog staat te wach­ten.
Ik bedank mijn (slech­te) gids en stel A. voor om J. toch maar mee te ne­men, an­ders is het toch een beet­je sneu ten op­zich­te van hem, want hij is een vrien­de­lij­ke gast.
We eten op het dak­ter­ras van het Al-Anda­lus / Id­lib. Ik eet ook kip. Shish­taw? (Kip­stuk­jes op een spies.) Het eten kost £. 150.
Om 21.00 uur sta ik al­leen op straat. Wat moet ik nu? Ik word weer aan­ge­spro­ken. Ik spreek Ara­bisch met een le­raar En­gels uit Cai­ro. Hij heet S. Als ik hem vraag of het mo­ge­lijk is voor een Ne­der­land­se stu­den­te (ik denk aan NB.) om in Egyp­te bij een fa­mi­lie te wo­nen, ter­wijl ze Ara­bisch stu­deert, biedt hij zich aan als toe­ver­laat en hu­we­lijks­part­ner. Hij is 46 jaar (NB. is 21 jaar en ver­loofd.) Dat ze ge­bon­den is, hoort hij niet. Adres uit­wis­se­len. Ik moet zijn hu­we­lijk or­ga­ni­se­ren. (Zijn adres heb ik niet meer.)
Hij nodigt me uit wat te gaan drin­ken en ver­telt me in de­tail zijn mis­luk­te re­la­tie met een in Egyp­te in geld­nood ge­raak­te Ve­ne­zo­laan­se. Hij wil­de haar fi­nan­cieel hel­pen, dan moest zij hem hu­wen. Tot in de de­tails van het hu­we­lijks­con­tract ver­telt hij er­over. Zijn ge­zeur ir­ri­teert me ma­te­loos, maar voor goed fat­soen kan ik niet weg. Hij heeft (in re­la­ties) een dik­ke is­la­mi­tische plank voor zijn kop. Met hem hier­over pra­ten heeft geen zin. Hij luis­tert al­leen naar wat hij ho­ren wil.
Tot 23.00 uur duurt zijn ge­zeur.
Hotel rond 00.00 in bed: vies, het stinkt.
Al twee dagen niet meer ge­doucht. Ik wil weg. Het is smoor­heet in de ka­mer.
Over: £. 3.276.
£. 4.175 – 3.276 = £. 899 op­ge­maakt. (([ge­deeld door] 24,75) = f. 36,30)


*
Dat anti­se­mi­tis­me een ge­me­ne uit­was is in vrij­wel de ge­he­le is­la­mi­tische we­reld is een be­kend ge­ge­ven. Maar als je in een dic­ta­tuur woont met ge­lijk­ge­scha­kel­de pers en an­de­re me­dia en je het land niet uit mag, is er geen en­ke­le ma­nier om ook van an­de­re op­vat­tin­gen ken­nis te ne­men. Dan moet je toch wel over een zeer sterk ka­rak­ter en per­soon­lijk­heid be­schik­ken, wil je je ont­rek­ken aan de al­ge­meen gang­ba­re op­vat­ting die je da­ge­lijks, van­af je ge­boor­te, hoort, ook op school en uni­ver­si­teit.
Ik maakte in Sy­rië va­ker mee dat de jo­den de schuld krij­gen als er iets mis gaat: valt de elek­tri­ci­teit (voor de zo­veel­ste keer de­ze week) uit: dat komt door de jo­den!
Is er voor het ver­bou­wen van jouw huis geen ce­ment, of kun je de ko­men­de maan­den geen bak­ste­nen ko­pen: dat is de schuld van de jo­den.
Etcetera.

Te­rug.


Voor een summiere uitleg over het Arabisch: klik hier.


Meer informatie.

GM.: Google Maps. – Wi.: Wi­ki­pe­dia. – Web.: ove­rige bron­nen.
Syrië:
GM., Wi.
:ﺳﻮﺭﻳﺎ
Alep­po:
GM., Wi.
:ﺣﻠﺐ

Koe­fiy­ya:
:ﻛﻮﻓﻴﺔ
‘Iqaal:
:ﻋﻘﺎﻝ
‘Djallabiyya:
:ﺟﻼﺑﻴﺔ

Index

Index van ter­men:
Index van per­so­nen:
.
Index van lo­ca­ties:
.

Me­nuBe­ginHoofd­in­dex.
Over­zicht 1972-1990.
Chrono­lo­gisch over­zicht Orient Ex­press 1992.

27 juli 1992

1992 – 2017: vijf­en­twin­tig jaar ge­le­den

Orient Express

Mijn eer­ste reis naar het Mid­den-Oos­ten

Dagboek 1992

(Dag 7485) Ik ben in An­tak­ya (An­tiochië / Ha­tay) in Turkije. Toe­ris­ten­gids SK. heeft me de af­ge­lo­pen da­gen rond­ge­leid. Van­daag neem ik af­scheid van hem en pas­seer een paar uur la­ter de Sy­rische grens. – Ik kom in Alep­po aan en word daar on­der de hoe­de ge­no­men van een an­de­re toe­ris­ten­gids: J. – De munt­een­heid in Tur­kije is de Turk­se Lira: (TL.). De koers is TL. 1.000 = f. 0,25, een kwart­je dus. – De munt­een­heid in Sy­rië is het Sy­rische Pond: (£.). De koers is: £. 1.00 = f. 0,05. (Een stui­ver.)

MenuIndex en het einde.

Maandag, 27 juli 1992.
Antakya – Aleppo.
Op 8.00 uur.
Ontbijt in een winkel. (Toast met kaas: warm en thee. TL. 3.500.)
Rond 9.30 is SK. in het ho­tel. Hij ver­telt me dat M. [uit Ant­wer­pen] zijn ho­tel ’s mor­gens om 06.00 uur ver­la­ten heeft. SK. be­grijpt het niet.
“Om het geld”, veronderstel ik. M. voel­de mis­schien een fi­nan­cieel comp­lot tus­sen SK. en mij om hem (M.) te be­ro­ven.(?)
Samen met H. [uit Bar­ne­veld] en SK. naar het Bus­sta­tion, na TL. 135.000 in het ho­tel be­taald te heb­ben. Drie nach­ten à TL. 40.000 en TL. 15.000 voor mijn was. (Ge­stre­ken en ge­vou­wen en na­tuur­lijk ge­was­sen.)
Op SK.’s aanbeveling kies ik de ‘HAS‘-maat­schap­pij. (Ook al geen suc­ces.) TL. 75.000 (Geen ISC-kor­ting mo­ge­lijk.) [ISC: In­ter­na­tio­nal Stu­dent Card.]
Wat kletsen met H. SK. wordt ir­ri­tant met zijn ge-com­man­deer.
Om 11.00 vertrekt de bus. Tot de Tur­kse grens ben ik de eni­ge pas­sa­gier. Dan ko­men er en­ke­le Sy­riërs bij.
De reis tot de grens (50 km) duurt an­der­half uur. De bus heeft pro­ble­men met de mo­tor en rijdt erg lang­zaam. Er is ook een zin­lo­ze stop van cir­ca tien mi­nu­ten.
Op weg naar de grens rij­den we door droog land­schap en zie ik veel jon­ge kin­de­ren als vee­hoe­ders. Ook man­nen met koefiyya en ‘iqaal.
De Turkse grens is zo ge­pas­seerd. De Sy­rische grens [Bab al-Ha­wa] le­vert pro­ble­men. Het duurt lang voor­dat de grens­po­li­tie mijn pas­poort onder han­den neemt en ook de con­tro­le van de ba­ga­ge duurt lang.
De eerste controle bij ons stelt niets voor (bij an­de­ren wordt uit­voe­rig ge­con­tro­leerd), maar als de bus op weg naar Sy­rië is, wordt hij, voor­dat hij het grens­sta­tion ver­laat, te­gen­ge­hou­den en moet ach­ter­uit rij­den, waar­na we on­ze ba­ga­ge weer moe­ten uit­pak­ken. Hier­bij spreek ik mijn eerste woord­jes Ara­bisch op Sy­risch grond­ge­bied.
Een van de medepassagiers heeft zijn han­den zwart ge­maakt en ik geef hem een pa­pie­ren zak­doek­je. Na een poos­je vraag ik aan hem Akh­ar? [Nog een?], wat niet no­dig is, maar het ijs is ge­bro­ken en met be­hulp van een beet­je Engels en Ara­bisch kun­nen we wat ver­tel­len.
De tweede douane­con­tro­le stelt nog min­der voor. On­ge­con­tro­leerd kun­nen we al­les weer in­la­den. Als de Sy­rische grens voor­bij is haalt ie­der­een op­ge­lucht adem en ste­ken ve­len, ook de chauf­feur, een si­ga­ret op. Ken­ne­lijk is het een heel moei­lij­ke hin­der­nis.
Het Arabisch klet­sen gaat nog maar moei­lijk voor mij.
Ook nu kruipt de bus naar Alep­po, vijf­tig ki­lo­me­ter in an­der­half uur.
Twee Halabis [men­sen uit Alep­po: de Ara­bische naam voor Alep­po is Ha­lab] hel­pen me bij het zoe­ken van een ho­tel. Zij kun­nen al­leen maar twin­tig dol­lar-ho­tels vin­den en dat wil ik niet be­ta­len. Na een ho­tel of vijf, waar­bij ik ie­de­re keer ver­geefs naar bo­ven moet sjou­wen (want de re­cep­tie ligt op de eer­ste of twee­de ver­die­ping, bo­ven een an­de­re zaak) ge­ven M. en H. de moed op. Zij ge­ven mij hun te­le­foon­num­mer en druk­ken me op het hart be­slist met hen te bel­len, zo­dra ik een ho­tel ge­von­den heb. Dat be­loof ik. (Maar weet al dat ik dat niet zal doen, want ik heb geen be­ge­lei­der no­dig.)
J. is toe­ris­ten­gids, die zich bij ons ge­voegd had en die mij nu helpt aan een goed­koop ho­tel.
Al-Hamra Hotel Newo (sic)
Aleppo Pab alfarag (sic)
Arabisch: Funduq al-Ham­ra’ al-Dja­did – Ha­leb – Baab al-Fa­radj.
Kamer 14. Die kost £. 250. [Sy­risch pond] per nacht. Een twee­per­soons­ka­mer met stro­mend wa­ter en een ven­ti­la­tor, die ik de he­le tijd op ho­ge snel­heid laat draai­en. Ka­mers zijn moei­lijk te krij­gen om­dat Alep­po vol zit met Rus­sen, Geor­giërs en Ar­me­niërs die hier han­del­drij­ven / in­ko­pen doen.
J. wisselt US$ 100 van mij voor £. 4.175. Meer had hij niet. (Of­fi­ciële koers: $ 1 = £. 42. (f. 1,00 = £. 24,75.) (£. 1 = f. 0,0404. Ik zal al­les door 20 delen, wat mak­ke­lij­ker re­ke­nen is. £. 1 is dan f. 0,05 voor mij.)
Omdat ik zeg wel een maand in Alep­po te wil­len blij­ven stelt J. voor een ap­par­te­ment te hu­ren. Dat wil ik wel. Hij heeft een oom die een ap­par­te­ment voor £. 6.000 ver­huurt (f. 300,00 per maand.)
’s Avonds ga ik kij­ken. Het is een aar­dig ap­par­te­ment bij vrien­de­lij­ke men­sen. Zij zul­len met mij ver­tel­len en voor me ko­ken. Ik zal er­over na­den­ken, zeg ik, want ik vind het toch wat duur. Mis­schien wil ik toch wel door Sy­rië rei­zen.
Voordat ik met J. bij zijn oom en vrien­de­lij­ke neef was gaan kij­ken, maak­te ik ken­nis met de Ca­na­dees AI., met wie J. drie da­gen door Sy­rië reis­de. Met hen be­zoek ik een deel van Alep­po en tij­dens hun ge­sprek­ken be­sluit ik ook an­de­re de­len van Sy­rië te be­zoe­ken.
Mijn oorspronkelijke reis­plan was zo­veel mo­ge­lijk met de men­sen pra­ten. His­to­rische be­ziens­waar­dig­he­den heb­ben niet mijn in­te­res­se. Pra­ten, dat moet mijn va­kan­tie wor­den. Al is het één maand in één plaats. Maar nu ik in Sy­rië ben, moet ik toch maar wat van het land zien, denk ik dus later en be­sluit daar­om het ap­par­te­ment maar niet te ne­men. Me­de om­dat het no­gal ver bui­ten het cen­trum in een volks­buurt ligt. (Hoe­wel dit laat­ste mis­schien meer een voor­deel dan een na­deel is.) De neef van J. bracht mij ook bij een broer met een par­fu­me­rie­zaak. Trots ver­tel­de hij me dat al­le pro­duc­ten uit Sy­rië ko­men. (‘Schmeiß es doch gleich zum Fen­ster hin­aus‘ dacht ik.) [Di­xit A. op 25 juli jl. in An­tak­ya.]
Na het bezoek aan het ap­par­te­ment gaan we naar het Ba­ron-ho­tel in de Ba­ron street waar ik op het ter­ras een Ar­cheo­lo­gie­stu­dent uit Lei­den te­gen­kom. Met hem had ik nog nooit ge­spro­ken, maar we groet­ten el­kaar wel. Hij heet P. en spreekt heel snel. Ik heb moei­te om hem te vol­gen. We ver­tel­len wat.
Als AI. komt gaan we met z’n drie­ën eten, J. AI. en ik. P. wil niet mee. We eten tot cir­ca 01.00 uur en be­ta­len to­taal £. 375. Ik be­taal £. 100.
Ook AI. heeft moeite met het na­ïef gods­ge­loof van de mos­lims, blijkt als J. even weg is.
Opmerkelijk is dat J., die in de ar­chi­tec­tuur be­zig is en daar­voor zelfs drie maan­den in Ita­lië (on­langs) door­bracht, toch veel waar­de hecht aan het le­zen van (kin­der-) boek­jes over het le­ven van al­ler­lei Bij­bel­se en Ko­ra­nische pro­fe­ten en ons met vol­le ernst die zo­juist ge­koch­te boek­jes toont en se­rieus ver­telt dat het zeer be­lang­rijk is de­ze ver­ha­len goed te ken­nen.*
Voor zijn rondleiding in de stad (sa­men met AI.) geef ik J. en­ke­le pon­den (Sy­rische Li­ra’s), maar rea­li­seer me dat dat slechts een schijn­tje is, een paar cen­ten. Ik be­loof hem meer, wat ik hem la­ter tij­dens mijn ver­blijf ook geef.
Bed 01.30 uur. Smerig bed. Het ho­tel heeft geen douche, denk ik.
AI. koopt op mijn aan­ra­den het woor­den­boek van Hans Wehr, 3e druk. Ik leg hem wat uit over de ver­voe­ging van het Ara­bische werk­woord. J. kan het niet vol­gen. Hij snapt het niet.


*
J, de toe­ris­ten­gids: ik weet niet ze­ker of ik goed op de hoogte ben, maar de func­tie van J. is om mij in de ga­ten te hou­den. Hij is een ver­te­gen­woor­di­ger van de re­ge­ring, de ge­hei­me dienst, want in Syrië mag je als toe­rist niet on­be­waakt over straat. Ook die twee an­de­ren, M. en H., die mij hiel­pen bij het zoe­ken van een ho­tel, zul­len zulk een func­tie heb­ben. Ook ie­de­re Sy­riër wordt in de ga­ten ge­hou­den. Ik hoor­de la­ter wel ver­tel­len dat er in Sy­rië ze­ven (!) ge­hei­me diens­ten zijn, die ook el­kaar moe­ten be­spio­ne­ren, en al­le le­den van de Sy­rische sa­men­le­ving.

Te­rug.

Profeten: binnen de islam geldt het als blas­fe­mie / gods­las­ter­lijk wan­neer je geen waar­de hecht aan de ver­ha­len over de pro­fe­ten. Het ken­nen van het le­ven van de pro­fe­ten is een be­lang­rijk deel van de is­lam. On­der de is­la­mi­tische wet, de Sha­ria staat op blas­fe­mie de dood­straf, dus als je de ver­ha­len over de pro­fe­ten weg­wuift, heb je een le­vens­groot / le­vens­ge­vaar­lijk pro­bleem.
Nu geldt in Sy­rië de Sharia niet, maar Sy­rië is natuurlijk wel een is­la­mi­tisch land, zij het met een se­cu­lier re­gi­me: Ba’ath.
Bovendien heeft ieder­een ge­lo­vi­ge fa­mi­lie­le­den, waar­mee ook moei­lijk­he­den kun­nen ont­staan, als je je niet aan de gods­diens­ti­ge re­gels houdt. Daar­naast is er nog de so­cia­le con­tro­le in de wijk waar je woont.

Te­rug.


Voor een summiere uitleg over het Arabisch: klik hier.


Meer informatie.

GM.: Google Maps. – Wi.: Wi­ki­pe­dia. – Web.: ove­rige bron­nen.
Tur­kije:
GM., Wi.
An­tak­ya:
GM., Wi.
Baab al-Ha­wa:
GM., Wi.
:ﺑﺎﺏ ﺍﻟﻬﻮﻯ
Syrië:
GM., Wi.
:ﺳﻮﺭﻳﺎ
Alep­po:
GM., Wi.
:ﺣﻠﺐ
Ba­ron Ho­tel:
GM., Wi.
Baab al-Fa­radj:
GM., Wi.
:ﺑﺎﺏ ﺍﻟﻔﺮﺝ

Koe­fiy­ya:
:ﻛﻮﻓﻴﺔ
‘Iqaal:
:ﻋﻘﺎﻝ

Index

Index van ter­men:
Index van per­so­nen:
.
Index van lo­ca­ties:
.

Me­nuBe­ginHoofd­in­dex.
Over­zicht 1972-1990.
Chrono­lo­gisch over­zicht Orient Ex­press 1992.