Jemen, 7 juni 1996

Wadi Du'an.
Een impressie van het landschap nabij de stad Hadjarain in de Wadi Do’an.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 7 juni 1996 (vrijdag).

Naar het einde of de index.

Say’oen, Wadi Do’an, Tariem.
Nu, 9 juni, zondag, heb ik niet veel zin meer deze dag te beschrijven. Ik maakte een verslag in mijn com­puter over onze trip naar Wadi Do’an.
Onze trip: Abd al-Rahmaan A., ik en de chauffeur van de Landcruiser: Moe­hammad.
We vertrekken rond 6.30 en wat opvalt, voorbij Shibaam, in wes­telijke richting, is dat de vrouwen daar zelf ezels berijden of ezelkarren besturen. Dat heb ik hier nog niet gezien. Hier is: ten oosten van Shibaam. (In Sana’a zag ik zelfs een vrouw achter het stuur van een auto.)
Wat ook opvalt is dat er zonder elektriciteit geen benzine beschik­baar is. Nog veel erger is dat er in Shibaam ook geen water is zonder elektriciteit.
Wat verder blijkt is dat erg weinig mensen en dus nog minder vrou­wen, op straat zijn. (Er zijn vaak niet eens straten!)
We zouden oorspronkelijk twee dagen naar de Wadi gaan en over­nachten bij een vriend van Abd al-Rahmaan, maar overstromingen maakten het zuidelijke gedeelte van de Wadi onbereikbaar. Het zuiden is niet ver van de zee en daar regent het vaak. Het water stroomt dan van de tafelbergen de rivierbedding (wadi) in.

Overdag, onderweg, komen we in een zandstorm terecht, minder dan drie meter zicht!
Ook onderweg heb ik liters kraan­water gedronken en nergens last van gehad. Wat dat betreft ben ik dus een Hadrami geworden.

We hadden als ritprijs een on­dui­delijk bedrag afgesproken (op z’n Arabisch), nu wilde Moehammad ongeveer 9.000 rial hebben en ik zegde hem dat toe. Als we terug in Tariem zijn, heb ik mijn handen vol spullen en een pakje van 10.000 rial in mijn broekzak. Ik wil daar in het aardedonker niet duizend rial gaan staan aftellen. Bovendien had hij de moeite genomen om veel met mij te vertellen over de vijftien jaar die hij in de Arabische Emiraten woonde. Ik geef hem dus die 10.000 rial. Pas op mijn kamer herinner ik me dat we hem al 2.100 rial in de loop van de dag gegeven hadden!

In het Gasr al-goebba-hotel in Tariem, op het terras, zit een jong Belgisch stel (midden dertig), dat hier kwam met een opzichtige BMW-motor, met typisch Belgische problemen.
Wat ze hier doen is me niet helemaal duidelijk, want in Tariem foto­gra­feren ze ‘tempels’.
Ze vlogen met hun BMW-motor naar Sana’a en wilden vervolgens door Saoedi-Arabië naar Jordanië rijden. In België hadden ze geen visum gekregen voor Saoedi-Arabië, maar de Belgische(!) consul in Sana’a zou wel wat kunnen regelen, werd hen verteld. Mooi niet dus.
Een rit door de woestijn eindigde op het politiebureau, want niemand (ocharm) had hen verteld dat je daarvoor toestemming van de auto­riteiten nodig hebt. Typisch Belgisch, nergens naar informeren!

Op mijn kamer ben ik nog tot 01.30 uur vruchteloos bezig om fouten uit formules van het financiële programma te halen.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 7 juni.
Om 6.00 komt de chauffeur Moe­hammad en wordt er weer over de prijs onderhandeld. De chauffeur krijgt uiteindelijk wat hij vraagt.
We gaan eerst naar Rayboen, naar de zonne- en maantempel. Abd al-Rahmaan deed hier enige tijd geleden, samen met Russen, opgra­vingen. Het landschap ziet eruit als de Yool, met de wadi in het midden.

[…]

Hadjarain is ons volgende doel. Er zijn inderdaad overstromingen ge­weest, want er staat veel water in de wadi. Het is een erg lange wadi, die tot bijna aan de zee loopt en daar valt veel regen, die noordwaarts stroomt in de richting van Hadjarain.
Onderweg stoppen we op ver­schil­lende plaatsen om gebouwen te fotograferen die Daniel van der Meulen vijfenzestig jaar geleden ook fotografeerde. Abd al-Rahmaan heeft fotokopieën van die foto’s bij zich en we proberen dezelfde positie in te nemen. Het blijkt dat er in die tijd, in dit middeleeuws landschap, toch enorm veel veranderd is. De tijd staat hier dus niet stil.
We bekijken enkele opmerkelijke hoekjes in Hadjarain en ik merk op dat ze daar eveneens talloze mooi bewerkte houten deuren hebben, nog veel indrukwekkender dan in Shibaam. Volgens Abd al-Rahmaan komen die deuren in de hele Wadi Do’an voor.
(Do’an komt van het Perzisch Do = twee en An zou Wadi betekenen. Wadi Do’an bestaat eigelijk uit twee wadi’s die elk een eigen naam hebben: al-Ayman (uitspraak: lay­man) en al-Aysar (uitspraak: laysar)).

[…]

Onderweg lunchen we daar waar we ook het ontbijt gebruikten: Mat’am al-machnag (Restaurant de Nek) we­gens de versmalling van de wadi daar. Verder is hij heel breed.
Ik koop onderweg ook een ratl bachoer (een bepaald gewicht wie­rook), dat volgens Abd al-Rahmaan goed zou zijn voor de hersenen als je het eet. Je voelt je er filosoof van worden. Ook in water opgelost, zou een glaasje per dag, goed voor de gezondheid zijn. Verder, en daar koop ik het spul voor, kun je het branden en de rook ruiken.

[…]

Onderweg naar Hurayda nemen we een sayyid mee en we zetten hem in die stad weer af. Ook daar proberen we enkele van de Van der Meulen-foto’s te reconstrueren.
De lucht wordt grijszwart en op weg naar Shibaam komen we in een zware zandstorm terecht. Het is alsof we in een zeer dichte mist rijden. Het zicht is minder dan drie meter. Fantastisch. Ik maak foto’s. De hele dag al, want mijn diafilms zijn op.

[…]

Ik laat me voorlichten over de mahr (huwelijksgift). Voor honderddui­zend rial kan je een vrouw kopen. Zij moet goud ontvangen van de aanstaande echtgenoot en ook haar vader moet het nodige goud fourneren. (1.000 rial is f. 13,00.)
Een vrouw kan ook goedkoper zijn. Hoesein al-A. van de hotelreceptie vertelde me dat hij maar 10.000 rial betaalde. Zij was zo goedkoop omdat zij zijn nicht is: bint al-chaal. (Bint: dochter, chaal: broer van de moeder, dus een oom aan moederszijde.)

[…]

Ook Abd al-Rahmaan vindt dat de moe’azzin (diegene die bij een mos­kee tot het gebed oproept, middels een luidspreker) veel te veel lawaai maakt en hij is niet alleen. Hij zou willen dat het oude systeem weer terugkwam: man in de minaret. Het is echter een gevoelig onderwerp.
Hij is erg gelovig. Voorheen dacht ik dat hij in Tariem voor de vorm naar de moskee ging, maar dat is niet het geval. Overal waar hij kan bidt hij. Met Moehammad werd onderhan­deld welke moskee onderweg het best in aanmerking kwam voor het gebed.

[…]

’s Avonds koop ik in Shibaam twee diafilms. “Een niet goed lopend artikel,” zegt de winkelier, een kennis van Abd al-Rahmaan.
Een andere kennis vertelt dat er geen elektriciteit is in Shibaam. Dat betekent ook dat er geen water is. De mensen kunnen, volgens Abd al-Rahmaan niet zelf iets organiseren, want dan doet de regering er niets meer aan en zegt dat er elektriciteit genoeg is.
Geen water. Het komt voor dat men doden niet kan afleggen omdat er geen water is. Zieke mensen kunnen niet adequaat geholpen worden en gaan eerder dood.
Geen elektriciteit. Veel van die grote kasten van huizen herbergen meer­dere families. Maar één familie kan op het dak wonen. (In verband met de maharim (vrouwen), die niet door andere bewoners gezien mogen worden.) De anderen moeten in deze hitte, zonder koeling in huis doorbrengen. Dat veroorzaakt veel problemen.

[…]

Moehammad, onze chauffeur kauwt onderweg gaat. Dat wil hij niet thuis doen, want hij wil niet dat zijn vier kinderen, de oudste 12 en de jongste 1, allemaal jongens, weten dat vader gaat gebruikt. Hij lijkt verslaafd aan thee want bij iedere gelegenheid drinkt hij veel daarvan. (Misschien komt dat door de gaat.)

Onderweg naar het hotel in Tariem vertelt over zijn leven als admini­stratief militair in al-Ayn in de Emiraten. Hij is een slachtoffer van de Golfoorlog. Toen zijn contract in 1993 afliep werd dat niet verlengd en moest hij met vrouw en kinderen de Emiraten verlaten. Van een luxe leventje met overal airco, zelfs op de markt, naar het arme, hete Jemen. Zijn vrouw en kinderen lijden eronder. Zijn vrouw heeft de nationaliteit van Aboe Dhabi, maar is van Jemenitische oorsprong. Moehammad werkt eraan om nog voor de winter terug te kunnen naar het ‘paradijs op aarde’. Alle straten zijn er geasfalteerd en niet vol met gaten, zoals hier in Jemen. Vierentwintig uur per dag elektriciteit, maar zestien jaar gevangenisstraf op het gebruik van gaat, net zoals in Saoedi-Arabië. Wel in een nieuwe, moderne gevangenis. De blaadjes worden in die landen gezien als een verdovend middel, hoewel je in die landen ook drugs en alcohol kunt kopen.
(Abd al-Rahmaan vertelde eens dat een vader uit Say’oen zijn jonge, aan wijn verslaafde, zoon naar Saoedi-Arabië stuurde om zijn leven te beteren. Na twintig jaar kwam die terug. Al die tijd had hij wijn gedronken!)
Moehammad verdiende in Aboe Dhabi zoveel dat hij er deze Landcruiser aan overhield.
In 1985 bezocht hij als toerist Syrië en Jordanië.

[…]

In het hotel ontmoet ik een stel dat aansluit bij het rijtje gekken dat ik in Jemen ben tegengekomen.
Uitgerekend een Belgisch stel (de Belgen die ik gedurende al mijn reizen in het buitenland ontmoette hadden altijd wel iets van pro­blemen, voortkomende uit eigen stommiteit of niet goed ingewonnen informatie.) Deze twee, man en vrouw met een BMW-motor, kwamen hier met de bedoeling van Sana’a door Saoedi-Arabië naar Jordanië te rijden. In België hadden ze geen visum kunnen krijgen voor Saoedi-Arabië, maar de Belgische consul in Sana’a zou dat wel kunnen regelen, hadden kennissen verteld. Nou, mooi niet dus. Bovendien kwamen ze hier aan met de motor en niemand op de luchthaven had hen verteld dat ze, als ze door de woestijn wilden, toestemming van de autoriteiten nodig hadden. (In onze moderne westerse maat­schappij wordt ons alles voor­gekauwd, dan kun je een maatschappij waar je zelf alles moet uitzoeken niet meer functioneren.)
Wat die mensen hier doen is me een raadsel, deze zijn zelfs niet matig geïnteresseerd in de islamitische cultuur en weten nog minder dan al die anderen die ik in Jemen ontmoette.
Hij, heftruckmonteur, weet alles van motoren. Zij is verpleegster in een Brussels ziekenhuis. Er werken daar Arabische dokters en die hadden gezegd dat zij wel in korte mouwen door Jemen en Saoedi-Arabië kon reizen. Dat doet ze ook en begrijpt niet waarom alle mannen be­lang­stelling voor haar hebben.
Zijn motor wordt voortdurend betast door allerlei handen. Hij ergert zich eraan.
In Tariem fotograferen ze wat ‘tempels’.
Zij vindt het jammer dat je hier niet met de mensen kan communikeren. (sic.)
Hij, tegen een Tarimi: “De Ramadaan is verschrikkelijk.”
Gelukkig begrijpt de jongeman hem niet, anders was een religieuze dis­cussie onvermijdelijk geworden.

Dit is het einde van het verslag van 7 juni.

Index: bachoer, bint al-amm, bint al-chaal, gaat, Hadrami, mahr, mahram / mahaarim, mat’am al-machnag, moe­’azzin, Ramadaan, salaat, sayyid, wierook.

Index van personen: Daniel van der Meulen, Moe­hammad al-S.

Index van plaatsnamen: Aboe Dhabi, al-Ayn, Gasr al-goebba-hotel, Hadjarain, Hoeraida, Rayboen, Sana’a, Say’oen, Shibaam, Tariem, Wadi Do’an, Yool.

Dit is het einde van dag 83 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voor­komt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 6 juni 1996

Een nieuwe deur.
De timmerman heeft vandaag, donderdag, de nieuwe voordeur afgeleverd voor de biblio­theek. Hij zal die zaterdag plaatsen. Die deur zal de oude grijze, rechts op de foto te zien, vervangen.
De man op de foto, links, is Abd al-Rahmaan A. de directeur van de al-Ahgaaf-bibliotheek in Tariem.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 6 juni 1996 (donderdag).

Naar het einde of de index.

Tariem, Say’oen.
Enkele weken geleden deed ik de whisky in de appelsap-flessen en de jonge jenever in waterflessen. Gis­terenavond dronk ik twee jonge jenever aan­gelengd met lemontina. Ik zette de fles jonge jenever zonder na te denken in de koelkast. Toen ik later een slok water wilde hebben … ja, toen dronk ik een flinke teug jonge.
Ik was in staat tot 7.45 uur te slapen, wel met veel onderbrekingen, want het is vanaf 05.00 uur klaarlichte dag. Mijn bed (buiten) komt echter pas na achten in de volle zon te staan.
Vanavond slaap ik in Say’oen.
Nu 8.30 uur.

In de bibliotheek wacht ik tot 11.45 uur. Dan is er een kwartiertje span­ning. Ik print de fax voor Jan Just Witkam uit en laad in beide com­puters dat deel van de fihrist (catalogus) dat ik thuis overtypte, in de computer. (Thuis: september – december 1995 in Nederland.)
Nadat ik de nieuwe koers heb gevraagd (106 rial voor 1 US$) voeg ik enkele regels met de hand aan de fax toe. Ik besluit om 400 of 500 dollar te wisselen, maar de geldwisselaars zijn al vertrokken. Gelukkig, want in Say’oen, waar ik naar toe ga, krijg ik 109 rial en wissel daar vijftien­honderd dollar bij de zwager van Abd al-Rahmaan A. Die heeft een be­drijf voor reparatie van auto-uit­la­ten en kan dat bedrag in rial zonder problemen op tafel leggen.

Bij Abd al-Rahmaan thuis zie ik een prachtig mooie vrouw, slechts met hoofddoek en ik reken me al rijk: ik zag de vrouw van Abd al-Rahmaan, maar later blijkt deze schoonheid een jong buurmeisje in donker­groene jurk en grote zwarte hoofd­doek. Zonder al die stof zal ze waarschijnlijk zeer mager zijn.
’s Avond krijg ik een eenvoudige, maar goede maaltijd voorgezet.
We zitten buiten nog wat te ver­tellen en rond 23.30 ga ik naar bed.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 6 juni.
De timmerman levert de houten deur af, gemaakt van Maleis meran­ti. Ahmad, de elektricien uit Tariem, wijst me erop dat meranti niet gevrijwaard kan worden van hout­worm. Er is harder hout ibal(?) (eik?) dat onverwoestbaar is en in de winter nog harder. (Volgens Abd al-Rahmaan.) Dat hout wordt alleen in de winter gezaagd.

[…]

Gezien de omvang en het soort kleding vermoedde ik al dat het een Nederlandse was. Ze kwam in mijn richting gesjokt. Toen ze dichterbij was uitte ze een paar onverstaan­bare klanken, zodat ik niet meer wist met welke nationaliteit ik nu weer te doen had, maar mijn eerste indruk bleek toch correct en ze stelde meteen gerichte vragen, alsof zij het geschenk aan de bibliotheek gegeven had en alsof ze hier al vele malen geweest was. Vragen in de trant van: “Heeft dit nu nut? Is dit geen weggegooid geld? Kunnen die mensen wel met dit spul omgaan? Hebben ze wel enige benul wat er gebeurt? Kennen ze de waarde van dit alles wel?”
Ik vroeg haar wie ze was en wat ze kwam doen. Haar voornaam was M., ze was journalist voor een polytech­nisch tijdschrift, maar hier was ze slechts op vakantie, met Djoser.
Toen wist ik genoeg. Hun reis­begeleider, MvM, is hier al ver­schillende keren geweest en in het begin hadden Nico en ik het idee dat dit geschenk ‘paarlen voor de zwijnen’ was. In onze teleurstelling hadden we dat idee niet onder stoelen of banken gestoken en ook MvM deelgenoot gemaakt in onze verbitterde gevoelens.
Ik vertelde haar (een goede vriendin van MvM) dat het idee waarop haar vragen stoelden niet meer van toepassing was. Dat al die negatieve woorden niet meer op hun plaats waren en dat ik nu vrijwel zeker wist dat dit een groot succes zou worden, zeker nu er een nieuwe directeur is met enkele enthousiaste medewer­kers. Toen MvM later ook kwam heb ik hem apart genomen en hem mijn nieuwe opvatting verteld, maar hij bleef sceptisch.
Hij heeft een wrok tegen enkele mensen van de Nederlandse Ambas­sade. (De heer M. van de Ambassade heeft een negatief reisadvies voor Marib en omgeving afgegeven en Djoser, als lid van de ANVR, moet zich daaraan houden, terwijl alle andere reisbureaus die regio zonder problemen doorkrui­sen. M. zou, vol­gens MvM, zijn criteria niet willen toelichten.)
Om die reden blijft het voor MvM moeilijk beslissingen van de Ambas­sade (de­ze gift bijvoorbeeld) te ac­cep­­teren. MvM is ook persoonlijk betrok­ken bij de financiering van een tehuis voor geestelijk gehandicapte kinderen (in Jemen), waar­voor de Nederlandse regering geen geld over heeft. Zijn scepsis heeft daarmee te maken: waarom wel geld voor ‘oud papier’, maar niet voor gehandicapte kin­deren.
De Nederlanders, ook dezen ‘zeer geïnteresseerd’ in de islamitische cultuur, gezien hun geringe belang­stelling voor handschriften, maar wel voor mijn fax aan Jan Just Witkam, die ik op dat moment uitprintte: allemaal stonden ze die te lezen en nadat ze een deel uit dat bericht geciteerd hadden, zei ik: “U bent wel erg nieuwsgierig.”
“Daarvoor zijn we hier,” kreeg ik als antwoord.
Om computers te komen bekijken, zeker, en persoonlijke brieven hard­op mee te lezen!

[…]

Ik ga met Abd al-Rahmaan mee naar Say’oen. Onderweg wijst hij me op de vele witte stenen op de berghel­lingen. Die staan allemaal in grote vierkanten opgesteld. Het zijn stuk­ken land die bestemd zijn voor huizenbouw. Nu de regering niet meer toeziet op wat er in het land gebeurt, komt iedereen zomaar een stuk land claimen, eventueel met vervalste documenten.
Toen de regering nog wel toezag, gebeurde dit ook, toen claimden politici grond, niet voor henzelf maar voor de partij of de regering.
Het enige verschil met vroeger is dat het toen volgens een bepaald sys­teem gebeurde en nu in het wilde weg.
Bovendien claimt niemand meer voor een ander (de partij of rege­ring), maar wel voor zichzelf.
Taxichauffeur Hamid had me ook al op deze praktijken gewezen.
Veel mensen verlangen terug naar de socialistische tijden, hoewel dat een slechte tijd was en men van die regering verlost wilde zijn. Muham­mad al-H. citeerde ver­leden week al uit een gedicht:

Vroeger huilde men over haar, nu huilt men om haar. (De regering.)

[…]

Ik informeer naar de wisselkoers van de dollar en krijg te horen dat die 109 rial is. Drie meer dan in Tariem. Abd al-Rahmaan wil dat ik bij zijn zwager geld wissel tegen de geldende koers. Daar heb ik geen bezwaar tegen. We rijden een eind en stoppen bij een garage voor de reparatie van knalpijpen. (Spe­cialisme!) Daar hebben ze een prachtige poortdeur van bewerkt hout, die staat weg te rotten.
Abd al-Rahmaan zegt dat ik hier maar moet wisselen. Ik kijk hem verbaasd aan en zeg: “Ik dacht dat ik bij je zwager moest wisselen?”
“Dat is hier.”
Ik stap uit en er staat een of ander onduidelijk figuur op mij te wachten. Ik zeg tegen hem dat ik geld wil wisselen, maar hij com­mandeert me om naar binnen te gaan. Ik denk dat hij me niet begrepen heeft, maar met nog meer ongeduld zegt hij dat ik naar binnen moet gaan. Achter het bureau van het kantoor vind ik de schoonvader van Abd al-Rahmaan. (Ik zag hem op de luchthaven van Sana’a, toen we terugkeerde van ons kort bezoek aan de hoofdstad.) Tegen hem zeg ik dat ik geld wil wisselen en weer wordt er wat gecommandeerd. Dan komt een ietwat gezette jongeman achter het bureau zitten en hij blijkt de zwager te zijn. Bij hem wissel ik vijf­tienhonderd dollar voor 109 rial per dollar. Hij behoort tot de al-Kaaf familie en het blijkt voor hen geen moeite het juiste geldbedrag op tafel te leggen.
Het voorgaande vage gedoe kom ik steeds weer tegen en het blijft moei­lijk om daaraan te wennen. Telkens wordt je in het onge­wisse gelaten over prijzen. Als je iets koopt zegt de verkoper niet: “Zoveel,”, maar je moet naar de prijs vragen.
Mensen die diensten verlenen, zeggen vaak niet: “Ik krijg zoveel van je,” maar “Jij weet wel wat mijn dienst waard is.”
Ook Abd al-Rahmaan heeft moeite om concreet te zijn over geld. Iedereen ver­onderstelt maar dat je alles weet en iedereen kent.

[…]

We gaan onderhandelen met de chauffeur van de Landcruiser, die ons twee dagen lang in Wadi Do’an zal rondrijden. Ook hier weer een staaltje van vaagheid. Iemand an­ders dan de chauffeur had gezegd dat hij het wel voor 12.000 rial zou doen en Abd al-Rahmaan had mij dat als zekerheid gepresenteerd, maar de chauffeur denkt er anders over en wil 15.000 rial. Na lang gesteggel moet ik de knoop door­hakken en gaan we dus voor dat laatste bedrag.
Abd al-Rahmaan had me op weg van Tariem naar Say’oen al verteld dat hij slachtoffer was geworden van onduidelijke afspraken. Zesduizend rial had hem dat gekost. Voor me­nigeen een maandloon.

[…]

We bezoeken het ouderlijk huis te midden van een rijk gevulde planta­ge van dadelpalmen op het plat­teland, even buiten Say’oen. Hoewel het al bijna donker is kan ik zien dat het een prachtig stuk grond is. De weg erheen was al een fotoreportage waard.
Op dat land werken een aantal boeren. De opbrengst van de dadel­palmen is voor de helft voor de familie A., de andere helft voor de boeren, die niet op het land wonen. Van de helft voor de familie gaat 35% op aan de instandhouding van de plantage.
De boeren bezitten de waterpomp, maar het waterwiel is van de familie. De boeren zijn kennelijk niet hele­maal betrouwbaar, want ze doen nogal eens alsof ze niet weten hoe een en ander onderhouden moet worden, in het deel van de familie, wel te verstaan. In hun deel van de plantage komen die problemen niet voor, hoewel deze niet de slechtsten zijn. De familie bezit kennelijk meer land, want daar zitten boeren die veel problemen veroorzaken.
Verder veroorzaken ook militairen uit de naburige legerplaats proble­men. Die komen bij nacht en ontij met hun wapens en pakken wat ze te pakken kunnen krijgen. Zij richten meer schade aan dan ze wegnemen. Dit is een land zonder regering. Iedereen doet maar wat hij wil.

[…]

Abd al-Rahmaan wil van het huis dat bij de plantage hoort twee appar­temen­ten maken en die verhuren aan toeris­ten.
In een cafetaria, ongeveer Europese stijl, bespreken we zijn idee.
In ieder geval zal er constant elektriciteit en koel water beschik­baar moeten zijn. Ik wijs hem op het bestaan van de ‘veteranenziekte’, ge­volg van bacteriegroei in water­pijpen waar altijd lauw water doorheen gaat. Ook komen we tot de conclusie dat de naast het huis staande waterpomp elektrisch moet worden, want iedereen wordt gek van het getakketak van de tweetakt­motor.

[…]

Onderweg vertelde Abd al-Rahmaan over de opkomst van de Islah-partij, die steeds machtiger wordt in dit economisch steeds verder achteruit­gaande Jemen. De basis van de verbetering van de economie van het land ligt in beter onderwijs, terwijl de Islah-partij, die nu ook het onderwijs verzorgt, afziet van het onderwijzen in de westerse weten­schappen en kennis en zelfs afziet in het onderwijzen van wiskunde. Belangrijk voor hen is de gods­dienstwetenschap.
Voor Jemenitische arbeiders is er niet veel kans en hoop op verbe­tering van de arbeidsomstandighe­den. Ze zijn slecht onderwezen en niet allemaal bereidt even hard te werken. Westerse oliemaatschappij­en nemen geen Jemenieten in dienst, maar Oost-Afrikanen, omdat die Engels zouden spreken en, na­tuurlijk, eerder bereid zijn een order op te volgen, dan de socia­listisch onderwezen Zuid-Jemenieten.

[…]

Bij Abd al-Rahmaan thuis hoor ik dat sommige Jemenieten grote hoe­veelheden valiumpillen leveren in Saoedi-Arabië, tegen woekerwins­ten. Dat sluit mooi aan bij het verhaal dat ik eens in een Egyptisch damesblad las over vrouwen in de Golfstaten en omstreken. Die hebben niets zinvols te doen in hun leven. Ze kijken Tv, bellen urenlang met vriendinnen en slikken vooral veel verdovende pillen om de dag door te komen.

[…]

De chauffeur van de Landcruiser komt vertellen dat er overstromin­gen zijn in Wadi Do’an en dat hij niet zo ver kan gaan als Abd al-Rahmaan wil. We zullen nu maar één dag gaan, in plaats van twee. Weer begint natuurlijk het gesteggel over de prijs, maar daar ben ik niet bij. Dat hoor ik achteraf.

Dit is het einde van het verslag van 6 juni.

Index: fihrist, ibal, Islah-partij, VeteranenziekteZuid-Jemen: com­munisme.

Index van personen: Abd al-Rah­maan A., Hamid B. taxichauf­feur, al-Kaaf, Nico, Jan Just Witkam.

Index van plaatsen: Jemen, Marib, Sana’a, Say’oen, Tariem, Wadi Do’an.

Dit is het einde van dag 82 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

De uitspraak van enkele letters en klanken in Arabische woorden.
In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voorkomt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ق) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 16 mei 1996

Huis in Say'un.
Het huis van de overburen, gezien vanaf de binnenplaats van het huis van Abd ar-Rahmaan in Say’un.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 16 mei 1996 (donderdag).

Sana’a – Say’un – Tarim (Sana’a, Say’un, Tarim, Roebaat, alim, Ara­bische na­men, Koelliyat al-shariyya).
Ik besloot om niet te gaan slapen, maar rond 01.00 ben ik zo moe dat ik toch naar bed ga.
Om 03.00 moet ik Abd al-Rahmaan A. bellen. Mijn wekker loopt om 02.40 af. Ik besluit om nog even te blijven liggen. Om 03.40 schiet ik wakker, ren naar beneden en bel naar de broer van Abd al-Rahmaan.
“Die is al weg,” krijg ik te horen.
Ik neem snel een douche en ga naar beneden.
Abd al-Rahmaan is er niet. Binnen de muren van het hotel wacht ik tot 04.10 uur, voordat hij komt. Hij is onderweg door de politie gestopt en die wilde problemen maken, want Abd al-Rahmaan kon geen factuur overleggen voor al die goederen waarmee de taxi volgeladen was. (Ik had de nota’s.) Smeer­geld bespoe­digde de zaak enorm.
Luchthaven. De taxirit kost 1.000 rial. Per ongeluk geef ik de vriend van Abd al-Rahmaan 2.000 rial. Zowel hij (de taxichauffeur) als ik merken de vergis­sing onmiddellijk. Ik maak er 1.100 rial van (f. 14,30).
Op de luchthaven is het nog even spannend voor Abd al-Rahmaan. We koch­ten de tickets eergisteren op de luchthaven, direct na aankomst. Voor mij was er plaats. Voor Abd al-Rahmaan niet. Hij was de eerste op de wachtlijst.
We moeten nog een uur wachten voordat blijkt dat we samen (met onze ba­gage, want daarover waren ook problemen) kunnen reizen.
We moeten 1.400 rial voor over­gewicht betalen.
Op de luchthaven moeten we zelf zorgen dat onze spullen ingeladen wor­den. (De bagagedragers willen ook wat verdienen.)
In het vliegtuig zitten we weer achterstevoren, net zoals eergis­teren.
Abd al-Rahmaan is ziek.
Ik kijk een gesluierde dame zo lang aan dat ze naar mij wijst, als ze haar buurvrouw op mij attent maakt. Ik verminder mijn aandacht.
Na anderhalf uur in Say’un. Hamid (taxi) haalt ons op en brengt ons naar het huis van Abd al-Rahmaan. Daar word ik weer tijdelijk gelogeerd in de grote kamer.
Ik lees weer, net zoals eergisteren, in een Arabisch boek en evenals eergis­teren val ik in de benauwde kamer, (alle deuren staan open!) in slaap.
Het duurt wel een uur voordat ik de beloofde thee krijg.
Abd al-Rahmaan begint over zijn detachering te zeuren. (Ik ben moe en wil naar Tarim, naar het hotel. Hij is ziek, daarom dring ik niet aan.)
Enkele dagen geleden al zei hij dat medewerkers van buitenlandse projecten naast hun  loon ook een salaris uit het project krijgen. Ik besprak deze zaak met MN (Nederlandse Ambassade), maar die zei dat dit niet de gewoonte was, maar ik mocht wel wat geven.
Abd al-Rahmaan vertelde mij eens dat een salarisverhoging één- of twee­honderd rial per maand bedraagt. Hij zei nu dat mensen werken naar wat ze betaald krijgen. Hij steekt veel extra tijd in dit project. Hij wilde niet drei­gen, maar vond wel dat die extra tijd betaald moet worden.
Ik vraag hem hoeveel hij wil hebben en vertel hem het antwoord van MN erbij.
Hij zegt dat ik moet beslissen.
Ik bied hem 1.000 rial per week. Dat is te weinig, vindt hij en begint weer over de extra tijd die hij erin steekt. Het verhaal begint me te vervelen.
Ik vraag hem of 12.000 rial per maand (zijn loon) extra voldoende is. Hij rea­geert niet echt enthousiast.(1)
Na de middag, in het hotel in Tarim, maak ik een berekening van mijn financiële speelruimte.
Ik heb nog 4.270 dollar over. Daarvan heb ik er zelf 1.500 nodig.
Ik schat de koers: 1 dollar voor 120 rial. (Koersrisico!)
Hotel Tarim (vier weken) 48.000 rial: 400$. Geschenk aan het personeel [hotel]: 30.000 rial: 250$. Vlucht Say’un – Sana’a: 125$. Hotel Sana’a 12.000 rial: 100$. Eten in Sana’a 12.000 rial: 100$. Vijf keyboards: 125$. Boeken ko­pen in Sana’a, circa 20.000 rial: 165$. Overgewicht tijdens de vlucht naar Nederland: 235$.
Totaal 1.500$.
4.270 – 1.500 = 2.770$ over voor het project.
Ik heb al enkele weken geleden Abd al-Rahmaan 8.000 rial per week als reis­kosten toegezegd. Voor de komende vier weken is dat 32.000 rial: 265$.
Ik heb toegezegd om na mijn vertrek enkele maanden loon voor de twee nieuwe medewerkers door te betalen. Ik besluit om dit tot twee maanden beperken. Dit is 48.000 rial: 400$.
2.770 – 665 = 2.105$ over voor lopende kosten en een vergoeding voor Abd al-Rahmaan.
Nog betaald moeten worden: de timmerman en Ahmad, de elek­tricien.
Die laatste kwam bij Abd al-Rahmaan thuis, toen ik wilde slapen, zeuren over het geld dat hij had verloren door verleden week 800$ te accepteren in plaats van 100.000 rial.
Ik wees hem erop dat dit business is. Evenzo goed had hij er flink aan kunnen verdienen.
Nu wilde hij, geloof ik, nog eens 100.000 rial, om allerlei spullen nieuw te kopen, maar ik wil hebben dat hij alles gebruikt wat we meebrachten, in de container uit Nederland.
Hij wil nieuwe bedrading kopen: “… want de kabel past niet in de buis.”
(Nou, dan bevestigt hij de kabel maar op de muur of stript de mantel eraf, dan past die wel in de buis. Gereedschap daarvoor is er ook.)
Uiteindelijk krijg ik toestemming om naar Tarim te gaan. Abd al-Rahmaan blijft ziek thuis.
Ik laad het materiaal uit in de bibliotheek en krijg niet te horen wat ik in het hotel wel te horen krijg: dat er in de bibliotheek een brief voor mij is aan­gekomen. Ze hadden naar het hotel gebeld om me te waarschuwen, hoewel ze wisten dat ik naar Sana’a was.
Ik ga zwemmen.
De financiën berekenen, zoals boven weer­gegeven.
Ik gaf de cursus Engels aan Muhammad al-S. Hij is er oprecht blij mee, maar als hij later komt buurten, moet ik hem, met veel excuses, de toegang weigeren. Ik zit midden in de planning en de financiële berekeningen van het project en wil die voor donker af hebben.
Ik eet op mijn kamer brood met witte bonen in tomatensap, koud.
’s Avonds buiten zitten met Muhammad al-S. en Hussain al-A. en een vriend van Muhammad, die Salaah(2) heet en die hier in Tarim op de Koelliyat al-shar’iyya (Roebaat) studeert om ‘alim te worden. Hij komt evenals Muham­mad uit een dorp ergens bij al-Mukalla. Nadat anderen hem erop gewezen hebben dat de gebruikelijke discussie over godsdienst mij enorm stoort, blijkt hij een aardige, intelligente jonge­man te zijn.
Er is nog een andere knaap, zwart, sexy en analfabeet, ook uit dat dorp. Die zegt alleen maar lokaal dialect te kennen. Hoewel niet helemaal schoon, als illegale grensoversteker zat hij vier dagen in Saoedi-Arabië in de gevangenis, zou ik met hem wel het bed willen delen.
Iedereen zegt me dat ze me twee dagen gemist hebben en ter gelegenheid van mijn terugkomst hebben ze droge broodjes met ei en suiker gebakken. (In het vet waarin men normaal al die kippen bakt, kennelijk, want daar smaken deze broodjes naar.)
Bed: 00.30 uur.
Weer: fris in Sana’a. Smoorheet in Tarim.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 16 mei (Slachtfeest, Nieuwjaarsdag, Dag van de Eenheid).
’s Nachts komt Abd al-Rahmaan met een taxi naar mijn hotel in Sana’a. Hij is laat omdat hij onderweg door de politie is aangehouden. Hij kon geen factuur overleggen van al dat materiaal dat in de taxi lag. (De facturen had ik. Ik heb niet aan zulk een voorval gedacht.)
Na het betalen van 150 rial ‘bespoedigingskosten’ kon hij doorrijden.

[…]

In Say’un gaan we naar het huis van Abd al-Rahmaan. Hoewel erg ziek, begint hij weer over dat extra salaris (detachering). Hij stelt dat iedere werknemer werkt naar het salaris dat hij ontvangt en niets extra’s wil ondernemen als daar niet een extra beloning aan vast zit. Hij steekt nu veel energie in het project. (Ik kan dat niet helemaal volgen, want hij wordt toch gewoon betaald om met ons samen te werken en het project tot een succes te maken. Ik zeg dat echter niet.)(3)
Abd al-Rahmaan is niet van plan minder energie in het project te steken. Hij is niet zoals de anderen, maar zou graag zien dat die extra energie beloond werd.
Ik vertel hem dat het niet tot de Nederlandse gewoonte behoort om dat te betalen, zoals MN (Nederlandse Ambassade) vertelde, maar dat ik niettemin een bedrag mag betalen.

[…]

Van het geld dat na mijn berekening overblijft kan Abd al-Rahmaan zijn detachering krijgen, maar niet meer dan 12.000 rial per maand. (f. 160,00, per maand.)
Het is bijzonder ongunstig dat Nico die resterende 4.000 dollar mee naar Nederland heeft genomen. Door de vertragingen is het nu onmogelijk ge­worden dat ik het elektriciteitsnet in de al-Ahgaaf-bibliotheek zelf aanleg, zoals in de eerste opzet het plan was. De elektriciteitsvoorziening moet nu door een elektricien gemaakt worden. Door deze extra kosten en de aan­schaf  van de nieuwe computer ontstaat er een situatie waardoor ik mis­schien niet meer aan mijn betalingsverplichtingen kan voldoen.
De vertraging komt door de late komst van de container, maar ook de week vakantie voor het Slachtfeest, de reis naar Sana’a en volgende week: Nieuwjaarsdag, de Dag van de Eenheid en het bezoek van de Nederlandse Ambassadeur aan Say’un en Tarim, waarbij  men van mij verwacht dat ik daar­bij aanwezig ben.

Dit is het einde van het verslag van 16 mei.

(1) Wat de mensen in Jemen, misschien wel de hele Arabische wereld, niet vertellen, omdat ze waarschijnlijk aannemen dat wij westerlingen in een zelfde situatie leven als zij en wat wij westerlingen niet vragen, ik dus ook niet, omdat wij aannemen dat zij in een zelfde situatie leven als wij (zij het met een lager loon), is hoe de betaling van verricht werk moet worden geregeld. “Je weet wat mijn dienst waard is”, zegt men. Nou, dat weten wij niet. Er wordt in gesprekken nogal moeilijk, versluierd, over geld gedaan.

(2) De volledige voornaam van Salaah is Salaah al-dien en wordt uitgespro­ken als Salaah ad-Dien, in een westerse taal (ook) geschreven als Saladin. Deze naam kan het beste vertaald worden met ‘Rechtschapenheid van de godsdienst, waarbij ‘de godsdienst’ staat voor ‘de islam’.

(3) Had ik dat maar wel gezegd, dan was misschien een van de grote ge­heimen van Jemen voor mij één maand eerder opgelost, dan pas tijdens mijn allerlaatste uren in Jemen!

Dit is het einde van dag 61 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Door op de twee eerste letters van een link te klikken, opent een nieuw tab­blad waarin de geo­gra­fische locatie van de plaats in Google Maps wordt getoond.
Wanneer u op de derde en volgende letters klikt komt u in een nieuw tab­blad bij Wi­ki­pe­dia­pa­gi­na terecht met informatie over deze locatie.
Bij begrippen wordt alleen Wi­ki­pe­dia geopend.

Jemen, 14 mei 1996

Sana'a, Jemen.
Een huis in de oude stad van Sana’a, de hoofd­stad van Jemen.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 14 mei 1996 (dinsdag).

Say’un, Sana’a (Say’un, Sana’a, Dash 7, diskette).
Ik droom dat de vrouw van Abd al-Rahmaan A. met slechts een bad­hand­doek omgeslagen langsloopt op weg naar de badkamer. Even later komt ze eruit. Ik zie de welving van haar borsten door de handdoek heen.
Op 5.45 uur. Ik sliep uitstekend, on­danks dat ik gisterenavond sterke kof­fie dronk.
Hamid B., de taxichauffeur in Say’un, komt pas om 7.00 uur in plaats van 6.30 uur. Hij had ver­tra­ging opgelopen bij zijn vorige klant.
Op de luchthaven geniet ik van de mysterieus mooie ogen van enkele ge­sluier­de vrouwen en van een enkel strak en sexy jongenslichaam.
In het vliegtuig is een sexy ste­wardess gewoon westers gekleed. Is zij een Je­me­nitische, zoals Abd al-Rahmaan zegt, of een Syrische, zoals ik later in Tar­im hoor? Alle ste­wardessen zouden Syrisch zijn.
Ik zit in de omgekeerde richting in het vliegtuig een Havilland Dash 7, met de rug naar de piloot! Helemaal voorin, dus kan ik al die zwarte doe­ken en prachtige mannenkoppen goed zien.
In het vliegtuig vroeg Abd al-Rah­maan naar mijn werk- en slaap­tij­den. Toen ik zei dat ik hier vaak al om 6.00 uur opsta, vroeg hij of ik dan al aan het werk ging. Heel dom zei ik toen dat ik dan ga tekenen. (Om niet als een work alcoholic over te komen.)
“Om nog meer bevriend te raken,” zei hij, wilde hij mijn tekeningen zien. Ik werd rood, bloosde. Al die por­no­gra­fie, die ik teken!
“Niet mogelijk,” zei ik, maar hij bleef aandringen.
Toen ik zei dat het al­le­maal li­cha­men en lichaamsdelen wa­ren, was zijn belangstelling ge­luk­kig voor­bij.
Rond 10.30 uur zijn we in Sana’a.
De taxichauffeur doet veel moeite om de Mogadishustraat te vinden, maar wei­nig mensen hebben daar­van gehoord. De enkeling die het wel zegt te we­ten, legt om­stan­dig uit hoe de chauffeur moet rijden en zegt ter afsluiting: “Daar is de Nouak­chott­straat.”(!)
Volgens Abd al-Rahmaan is onze ta­xi­chauffeur een rijk man. De grond van de luchthaven was van hem en hij werd voor een groot bedrag ont­eigend. Het is hem niet aan te zien en zijn auto valt bijna uit elkaar.(1)
We zoeken een computerwinkel en de taxichauffeur zet ons uiteindelijk af voor een zaak in de Mo­ga­di­shu­straat. Ik weet dat dit niet de zaak is waar Nico en ik onze keyboards koch­ten, enige tijd geleden, maar we zouden hier ook kunnen kijken.
Het is meteen raak: een mooie vrouw die goed Engels spreekt. Zij heet Roe­may­la Shaahir en is Man­doeb taswieq: Marketing officer. Zij verkoopt twee merken computers. Packard Bell (thuis heb ik ook dit merk) en AST. De Packard Bell com­pu­ters zijn multi­media­com­pu­ters. Voor ons doel is de AST vol­doen­de. (Tekstverwerking.)
We besluiten de AST Advantage Pen­tium 75 MHz te kopen. Die kost 1.995 US dollar. Die is morgen gereed, met Arabische software.
We gaan naar de Nederlandse Am­bas­sade, maar MN heeft com­pu­ter­cur­sus.
British Council: ik informeer naar een cursus Engels op cassettes. (Die wil ik kopen voor Muhammad al-S., als cadeau.) Zoiets hebben ze niet.
Abd al-Rahmaan wil op bezoek gaan bij familie, in plaats van nood­za­ke­lijke spullen te gaan kopen. Ik ga naar het al-Gasmi-hotel. Ik logeerde daar tij­dens de eerste week van mijn verblijf in Jemen, in de tweede helft van maart.
Circa één uur slapen.
Abd al-Rahmaan heeft van 18.00 tot 19.00 uur cursus in tekstverwerken met het programma al-Ustadh. Een leuke jongen geeft uitleg.
Rond 19.00 uur, volgens telefonische afspraak, bij MN thuis.
We bespreken het programma van de reis van de Nederlandse am­bas­sa­deur die op 21 en 22 mei naar de Ha­dramaut komt, met zijn auto, drie da­gen rij­den, in plaats van an­der­half uur vliegen.
MN is moe en wil niet over financiën spreken, maar niet zo moe om de nu erg zieke (rillend en koorts) Abd al-Rahmaan een oordeel te laten vellen over oude kistjes die ze wil ko­pen: echt of niet echt.
MN heeft een zwarte bediende, Abd al-Kariem, met wie ik zo zou willen knuf­felen. Hij is een stevige ne­gro­ïde jon­ge­man.
Van 21.00 tot 21.30 uur eten in het Taj Sheba Hotel.
Met de taxi terug. Als ik de chauffeur 200 rial (f. 2,60 / € 1,20) geef, mom­pelt die: “Wa-llaahi!” (Mijn god: wer­ke­lijk?)
Na de middag en ’s avonds veel re­gen en fris.
Ik hoorde van Abd al-Rahmaan dat een ambtenaar in het Noorden voor de Golfoorlog 1.500 dollar verdiende, maar nu nog maar 200 dollar.
Een ambtenaar in het Zuiden ver­dient 7.000 rial. (Zoals de meesten in de bibliotheek.)
Abd al-Rahmaan verdient 12.000 rial per maand. (1.000 rial: f. 13,00.)

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de za­kelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen in­te­res­san­te informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 14 mei.
Op de luchthaven van Say’un zegt Abd al-Rahmaan dat tus­sen­per­so­nen, zoals hij, bij andere (bui­ten­land­se) projecten betaald worden uit het project door de (geld-) ver­strek­ken­de instantie. Dit naast het re­gu­lie­re salaris dat ze ontvangen van hun lokale werkgever.
Ik heb daar nog nooit van gehoord. Dit is immers mijn eerste project. Ik be­loof een en ander met MN in Sana’a te bespreken.

[…]

De AST Advantage met Pentium pro­ces­sor en een snelheid van 75 MHz, met 8 MB werkgeheugen en 850 MB harde schijf is een ge­schik­te com­pu­ter voor een redelijke prijs: 1.995 USD (Naar de betaalde koers in maart 1996 van f. 1,68 is dat f. 3.350) Geïnstalleerd is Windows 95 en Win­dows 3.1 met A­ra­bische soft­ware. We kunnen gratis Mi­cro­soft Office met Arabische software, zoals Word 6, krijgen. Als goede tekst­ver­wer­ker kan ook al-Ustadh(2) van Sachr dienen. Dat programma kost 265 USD.
Ik besluit zowel de computer als het al-Ustadh programma te kopen. Ik wil niet lang zeuren over de prijs of op zoek gaan naar een goedkopere firma, om daar te constateren dat het prijsverschil slechts in de tientjes loopt. We hebben bovendien een vol programma in Sana’a af te wer­ken, waarbij tijdverlies niet gewenst is.
Vanavond, om 18.00 uur kan Abd al-Rahmaan een korte introductie in al-Ustadh krijgen.

[…]

Rond 17.30 uur komt Abd al-Rah­maan. Hij blijkt ernstig ziek. Het frisse kli­maat in Sana’a lijkt voor hem fataal. Het wordt er niet beter op als het ’s avonds ook nog hard gaat regenen.
We gaan samen naar The Yemen Computer Centre in de Mo­ga­di­shu­straat. Er is een probleempje. (Waarom ook niet?) De al-Ustadh-software is niet beschikbaar. Pas volgende week, maar Roemayla Shaahir kan de software die op een demonstratie PC staat, de-in­stal­le­ren en ons de diskettes mee­geven. Dat is de beveiliging van Sachr. Eenmaal geïnstalleerd kan de soft­ware niet nog eens op een andere computer geïnstalleerd worden. Pas als die gede-ïnstalleerd is, kan die weer ergens anders geïnstalleerd wor­den.
Oecht Roemayla (zus Roemayla) zal kijken wat ze kan doen. (Alle man­nen worden aangesproken met Ach: broer!)
Abd al-Rahmaan, werkpaard, maakt van de demonstratiegelegenheid ge­bruik om op de Arabische tekst­ver­wer­ker de aankondiging voor het bezoek van de Nederlandse am­bas­sa­deur in Say’un om de Van der Meu­len-ten­toon­stel­ling te openen, gedeeltelijk zelf en gedeeltelijk door anderen te laten typen en uit­prin­ten.

[…]

MN, van de Nederlandse ambassade, zegt dat een cursus Engels voor Abd al-Rahmaan niet op bezwaar stuit. Ze is uitgeput en wil niet meer over geld­za­ken, die ons werk betreffen, spreken.

Dit is het einde van het verslag van 14 mei.

(Sadaqa.)
(1) Het verhaal over die straatarme ‘miljonair’ kende ik al van mijn va­kan­ties in Turkije. Daar werd mij verteld dat veel bedelaars in wer­ke­lijk­heid heel rijk zijn, maar te gie­rig om geld uit te geven. Dat is na­tuur­lijk mogelijk, maar het lijkt mij eer­der een fabel, een excuus om niet de, in de islam min of meer ver­plich­te, aalmoes (sadaqa) te hoe­ven geven.

(2) Ustadh betekent: leraar, on­der­wij­zer, pro­fes­sor.

Dit is het einde van dag 59 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Door op de twee eerste letters van een link te klikken, opent een nieuw tab­blad waarin de geo­gra­fische locatie van de plaats in Google Maps wordt getoond.
Wanneer u op de derde en volgende letters klikt komt u in een nieuw tab­blad bij Wi­ki­pe­dia­pa­gi­na terecht met informatie over deze locatie.
Bij begrippen wordt alleen Wi­ki­pe­dia geopend.

Jemen, 13 mei 1996

Say'un: Gasr al-thawra en omgeving.
De toren rechts maakt deel uit van het Gasr al-Thawra in Say’un. Op de achtergrond ligt de lucht­haven, niet zichtbaar, maar hij is er wel. Links op de voorgrond is te zien dat een van de huizen uitgebreid wordt met een be­ton­nen vleugel. Ook is duidelijk te zien dat de huizen al­le­maal een dakterras hebben. Daar kan echter maar één gezin van de vele ge­zin­nen die in zulke huizen wonen, terecht. Alle zonen gaan na hun huwelijk veelal bij de va­der inwonen. De doch­ters verhuizen naar de schoonfamilie. De gezinnen van de zonen krijgen elk een deel van het huis, met eigen kamers. De vrouwen van een gezin mogen niet ongesluierd gezien worden door de man­ne­lijke leden (van huwbare leeftijd) van het andere gezin. (Mahaarim.) Dit maakt het dus vrijwel onmogelijk dat meer dan één gezin van het dakterras gebruik maakt. De anderen zitten in huis te zweten, zeker in de zomer als de elektriciteit geregeld uitvalt. Er is alleen maar ‘s nachts elektriciteit. Koelinstallaties werken dus niet wanneer ze nodig zijn en er is ook niets fris te drinken.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 13 mei 1996 (maandag).

Tarim (Tarim, Say’un, mahaarimfoliëren).
De nieuwe jongens krijgen in­struc­ties om pagina’s te gaan controleren: of deze wel goed ge­fo­li­eerd of ge­pa­gi­neerd zijn.
Hussain al-K. reageert een beetje kwaad als Abd al-Rahmaan A. klaagt over de slordigheid waarmee alle stick­ers in de boeken zijn geplakt: schots en scheef en met de snijlijnen van balpeninkt er nog op. Hij (Hus­sain) zegt dat het belangrijkste is dat de stickers in de boeken zitten.
Ik ging laat naar de bibliotheek, want ik had helemaal geen zin.
Ik ben een beetje gepikeerd als Ali (een van de twee nieuwe me­de­wer­kers) mij bedankt voor het loon van 6.000 rial per maand. (f. 78,00 / € 35,00.) Ik wijt het aan zijn ge­brek­kige Engels dat hij niet vijf­en­vijf­tig­hon­derd rial kan zeg­gen, het bedrag dat Abd al-Rahmaan met hen bei­den, in mijn bijzijn, had af­ge­spro­ken. Als ik hem naar die zesduizend vraag, zegt hij dat hij er zes­duizend van gemaakt heeft. Ik moet dat be­ta­len.

Ik ga met Abd al-Rahmaan naar Say’un waar ik bij hem thuis de nacht zal doorbrengen. Eerst laat hij mij nog het lemen huis zien van zijn groot­moe­der, dat van binnen tra­di­tio­neel versierd is. Het is er heerlijk fris.(1)
Bij hem thuis krijg ik een kamer aan­ge­wezen, los van zijn huis en na­tuur­lijk zonder tafels of stoelen. No­ma­den eten met hun handen en le­ven op de aar­de.

Ik speel krijgertje met zijn doch­ter­tje en haar neefjes. Als zij bang voor mij zijn, duwen ze Maryam voor zich uit als bescherming. “Zij is (maar) een vrouw.”, zegt Abd al-Rahmaan. (Zonder ‘maar’.)
Arabisch lezen.
Slapen.
Heerlijke foel (bonengerecht) bij hem thuis.
Bed 22.15 uur.
Zowel het drinkwater (kraanwater) als het week en klef gebakken ei sma­ken naar stof.
Er viel in Say’un een beetje regen en het was er vochtig en stoffig.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de za­kelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen in­te­res­san­te informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 13 mei.
Als ik in de bibliotheek in de Records of the Yemen zit te lezen, wijst Hus­sain al-K. mij erop dat hij de stickers al in de boeken geplakt heeft. Ik geef daar geen antwoord op. Aan Abd al-Rahmaan, die wat later komt, laat ik de ca­ta­lo­gus van Kenderova (Sofia) zien. De sticker is daarin onder een hoek van 45 graden ge­plakt en de snijlijn van balpeninkt zit er nog duidelijk zichtbaar op, over de hele lengte van de bovenkant. Het is een schandaal!
Abd al-Rahmaan klaagt erover bij Hussain. Die weet natuurlijk niet waar het over gaat: “Het be­lang­rijk­ste is dat de sticker er in zit.”
Abd al-Rahmaan besluit dat er nieu­we stickers gemaakt moeten wor­den, die groter zijn en over de oude heen geplakt moeten worden.
Goede lijm wordt nu een probleem. Er staat nog een grote pot Bijonkit [sic.] voor het lijmen van vloer­be­dek­king. Dat is een groot gevaar. Dan is na het plakken van de nieuwe stick­ers het boek niet meer te openen, of zelfs nog maar van de tafel te ver­wij­de­ren. De stickers zitten er dan wel recht in.

[…]

Ik zal de nacht doorbrengen bij Abd al-Rahmaan thuis, want mor­gen­och­tend vertrekken we naar Sana’a. In Say’un laat hij mij het interieur van het traditionele huis van zijn groot­moeder zien. Ik heb helaas geen ca­me­ra bij me, want ik reis zo com­pact mogelijk naar Sana’a.
Bij hem thuis bespreken we het pro­gram­ma dat we in Sana’a gaan vol­gen en het eventuele programma voor de Nederlandse ambassadeur, die hier vol­gen­de week op bezoek komt, met zijn auto! Een reis van drie dagen heen en drie dagen terug. Een reis die met het vliegtuig in an­der­half uur kan! De man, Pijpers, is bang voor kleine vliegtuigen.

Dit is het einde van het verslag van 13 mei.

(1) Ik weet nog dat in het huis van de grootmoeder van Abd al-Rahmaan een kast uit Indonesië stond, want daar kwam zij van­daan, die versierd was met hout­snij­werk. Abd al-Rah­maan vertelde toen ook dat hij zijn grootmoeder slecht kon verstaan, want zij sprak eingelijk alleen maar In­do­ne­sisch en maar een beetje A­ra­bisch.

Dit is het einde van dag 58 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Door op de twee eerste letters van een link te klikken, opent een nieuw tab­blad waarin de geo­gra­fische locatie van de plaats in Google Maps wordt getoond.
Wanneer u op de derde en volgende letters klikt komt u in een nieuw tab­blad bij Wi­ki­pe­dia­pa­gi­na terecht met informatie over deze locatie.
Bij begrippen wordt alleen Wi­ki­pe­dia geopend.