24 november 1997

Drainagepatroon

Dit is een fo­to die ik van­uit het vlieg­tuig nam van­uit Ṣanaᶜā’ op weg naar de lucht­ha­ven van Say’ūn. Te zien is het den­dri­tisch drai­na­ge­pa­troon*(1) van het land­schap van de zo­ge­noem­de Yool.*(2) De Yool is de bo­ven­kant van de heu­vels die zo ken­mer­kend zijn voor de Ḥa­ḍra­maut.

Het Tarīm-project 1997

1997 – 2017: twin­tig jaar ge­le­den

Tarīm: Hadramaut, Jemen

Dagboek 1997

(Dag 9431) Ik ben in Sana’a, de hoofd­stad van Je­men en ik lo­geer in het Gas­mi-ho­tel. – In Lei­den, mijn woon­plaats, in het uit­gaans­cir­cuit zag ik een paar keer een mooie jon­ge vrouw, wier naam ik niet weet en daar­om ‘Enne­fea’ heb ge­noemd. Ik denk de­ze nacht een tijd­je aan haar. – Van­daag ga ik per vlieg­tuig naar Say’ūn in de Ḥaḍramaut (Zuid-Je­men) en van­daar naar mijn be­stem­ming Tarīm. De ko­men­de we­ken zal ik daar lo­ge­ren in het Gaṣr al-Goeb­ba-ho­tel (Koe­pel­pa­leis-ho­tel) en er wer­ken in de al-Aḥgāf-bi­blio­theek voor hand­schrif­ten. – Ik heb veel con­tant geld bij me. Waar ik ver­le­den jaar, met een nog veel gro­ter be­drag aan baar geld, daar zor­ge­loos ver­bleef, ben ik van­daag ui­terst be­zorgd over mijn vei­lig­heid. – Mijn ver­slag, op mijn lap­top ge­schre­ven, be­vat meer (ach­ter­grond)­in­for­ma­tie dan mijn dag­boek­ver­slag. – De munt­een­heid in Je­men is de Rial (YER). (1 rial = f. 0,015 (an­der­hal­ve cent), dus 100 rial = f. 1,50.)

MenuFo­toIndex en het eindeTrans­criptie.

 
 
 
 

Maandag, 24 november 1997.
Sana’a – Say’oen – Tariem: 6/42.
Ik sliep weer slecht. Ik fan­ta­seer­de weer over Enne­fea.
Op 5.45 uur. Met de grootste moeite sleep­te ik mijn zwa­re nieuwe kof­fer met com­pu­ter­boe­ken en UPS (voor de span­nings­ver­zor­ging van een com­pu­ter, na uit­val van het net) van de vijf­de ver­die­ping naar be­ne­den.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Taxi

De taxichauf­feur komt met zijn ve­hi­kel*(3) om 7.00 uur.
Ik betaalde 15 US$ aan Ǧasm, de Ira­kees van het ho­tel, waar­van de ta­xi­chauf­feur 10 US$ krijgt.
Eerst haalt hij op het plein ach­ter / bin­nen de Baab al-Ye­men kof­fie (boenn) in een con­ser­ven­pot­je. (Hij spreekt al­leen maar Ara­bisch.)
Naast taxichauffeur is hij ook ‘kun­ste­naar’. Hij maakt prul­la­ria, zoals hij mij laat zien. Hij ver­telt on­ge­huwd te zijn, want een vrouw kost 400.000 rial. (3.000 US$ = 6.000 gul­den.) Een nicht [als vrouw] is niet goed, zegt hij. Ik ver­geet te vra­gen waar­om een nicht niet deugt.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Say’ūn

Het passeren van de security van de lucht­haven is een fluit­je van een cent, in te­gen­stel­ling met an­dere ke­ren, toen het erg ar­beids­in­ten­sief was.
Ik moet 67 US$ over­ge­wicht be­ta­len voor de 20 kg. (In Am­ster­dam 420 US$ voor 15 kg!)
In de wacht­hal zit een sexy / knap­pe jon­ge­man. Ik meen hem er­gens van te ken­nen. Hij ziet er goed ver­zorgd uit.
We vliegen in vijf­tig mi­nu­ten naar Say’ūn. Ik zit naast / tus­sen dok­ters uit de El­zas, die naar al-Mu­kal­la moe­ten voor een klein me­disch con­gres.
Voordat we ver­trek­ken zie ik dat al­leen mijn kof­fers nog op de grond staan. Ik spreek de pur­ser er­over aan en hij stuurt iemand die mij vraagt mee naar bui­ten te ko­men. Dan wor­den mijn kof­fers in­ge­la­den. Ik vroeg of ik voor die diens­ten moest be­ta­len, maar die wees dat af. Toch stop­te de bus, die ons als pas­sa­giers naar het vlieg­tuig had ge­bracht bij de la­ders en niet aan de an­de­re zij­de, bij de trap naar het vlieg­tuig. Er bleek naast mijn kof­fer ook nog een aan­tal rug­zak­ken te lig­gen, waar­van de ei­ge­naar on­be­kend was. (Als­of de la­ders de ei­ge­naar moe­ten ken­nen.) Uit­ein­de­lijk kwam al­les in Say’ūn aan.
Ik maakte een tien­tal dia’s van de Djool [Yool] van bo­ven. Op som­mi­ge plaat­sen leek het zand zo dicht­bij dat het net was als­of je zou kun­nen uit­stap­pen en een stuk­je mee­lopen.
In Say’ūn duur­de het even voor­dat ik mijn ba­ga­ge ont­ving. On­der­tus­sen was Abd al-Raḥ­mān al bin­nen­ge­ko­men. De ont­vangst was vrien­de­lijk en aar­dig. Hij was niet ver­an­derd.
Later stond ook Ḥaimid B. naast me. Hij had op het ter­ras ge­staan en had me zien lo­pen. Ik was als laat­ste uit­ge­stapt.
Abd al-Raḥ­mān had hem deze och­tend ge­pro­beerd te be­rei­ken, maar hij was niet thuis. Nu maak ik ge­bruik van de diens­ten van een an­de­re chauf­feur: Aḥmad MB. Die na veel vij­ven en zes­sen ’s avonds uit­ein­de­lijk 4.000 rial voor zijn diens­ten durft te vra­gen.
Ik had hem via Abd al-Raḥ­mān ge­zegd dat hij het be­drag moest noe­men als ik hem zou vra­gen hoe hoog de kos­ten zijn en dat hij niet moest zeg­gen: “Jij weet wel wat mijn diens­ten waard zijn.” (Ik weet het niet.)

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Abd al-Raḥ­mān

Ik bleef een tijdje op het kantoor van Abd al-Raḥ­mān [Mu­seum Say’ūn] en pro­beer­de hem de da­ta­base uit te leg­gen.
Om met mij te kletsen stuur­de hij iemand die al­leen maar Ara­bisch sprak. Goed van hem, snel leer­de ik bij wat ik ver­ge­ten was. (Of dat al­le­maal gram­ma­ti­caal cor­rect was, weet ik niet.)
Toen we [in het ge­sprek] bij echt­ge­no­tes uit­kwa­men vroeg ik hem naar zijn kin­de­ren. Hij had er drie, twee meis­jes en een jon­gen. De oud­ste, een meis­je, heet Fayrūz.
Hij hield van de vrouwen van Ṣanaᶜā’.
Ik vroeg hem of hij van zijn vrouw hield en zij van hem. Hij ant­woord­de niet recht­streeks, maar zei dat het nu, na ze­ven jaar hu­we­lijk, wel ging tus­sen hen bei­den.
Abd al-Raḥ­mān en een hulp­je moeten het slot van een ruim­te open­bre­ken om bij mijn kist met ‘na­ge­la­ten’ spul­len (uit 1996) te ko­men. De sleu­tel [van de ruim­te] is bij Mu­ḥam­mad al-H. en die is in al-Šiḥr [al-Shihr], een paar hon­derd ki­lo­me­ter van hier.
Daarna gaan we naar het huis van Abd al-Raḥ­mān, waar ook Ḥus­sain al-A. is, de re­cep­ti­o­nist van het Gaṣr al-Goeb­ba-ho­tel. [in Tarīm: 1996.] Ik zag hem he­den­och­tend ook al op de lucht­ha­ven. Hij woont en werkt nu bij het Sa­la­ma-ho­tel in Say’ūn, waar hij het­zelf­de ver­dient, maar om­dat het ho­tel van de staat is, heeft hij meer rech­ten dan in het in pri­vé­be­zit zijn­de Gaṣr al-Goeb­ba. Bo­ven­dien heeft hij nu recht op pen­sioen.
Ook hij spreekt al­leen maar Ara­bisch.
Ik maak op dat hij nu een vier maan­den ou­de ba­by heeft, zijn der­de kind. Zijn vrouw is nog steeds on­der­wij­ze­res, maar leert nu zelf ook nog voor een di­plo­ma. (Hoe en wat, weet ik niet.)
In de afgelopen tijd over­leed zijn va­der, die ik eens in zijn huis ont­moet­te. Ḥus­sain doet er niet moei­lijk over: het was zijn tijd.
Evenals verleden jaar is het eten bij Abd al-Raḥ­mān niet lek­ker (bij Ḥus­sain thuis wel), de vrouw van Abd al-Raḥ­mān kan er nog steeds niets van, van ko­ken. (Op dins­dag hoor ik dat zijn vrouw (tij­de­lijk) niet meer bij hem woont en dat nu de vrouw van zijn broer, die in Ca­na­da woont, voor hem zorgt.)

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Tarīm

Aḥmad MB. brengt me voor 4.000 rial naar Tarīm. In het ho­tel word ik al­ler­har­te­lijkst ont­van­gen, want er zijn, hoe­wel veel nieuw per­so­neel, toch nog en­ke­le ou­de be­ken­den.
Het hotel is helemaal op­ge­knapt. (En zal dus duur­der zijn, maar ik weet niet hoe­veel mijn ka­mer kost, nog niet eens op 26-11-97.) Het is ge­schil­derd. Nieu­we bed­den en gor­dij­nen, nieuwe vloer­be­dek­king, mooi, nieuw man­ne­lijk per­so­neel, al­le­maal on­ge­veer het­zelf­de ge­kleed. Ver­le­den jaar liep ieder­een er­bij zo­als hij wil­de, on­ge­was­sen en in sme­ri­ge kle­ren, waar­in men ook sliep. Nu zijn er een paar scho­ne en sexy jon­gens, met wie ik wel eens zou wil­len ‘spe­len’, on­danks mijn ver­liefd­heid op Enne­fea.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Gevaar?

’s Avonds her­in­ner­de ik me de be­rich­ten die ik van col­le­ga’s van Abd al-Raḥ­mān hoor­de. Men­sen wor­den op klaar­lich­te dag op straat (in de ste­den) over­val­len en ge­dwon­gen hun geld af te geven, aan ge­wa­pen­de ban­die­ten, die ook al iemand dood­scho­ten. Op last van Abd al-Raḥ­mān is het Mu­seum [Say’ūn] ge­slo­ten, om­dat de meest waar­de­vol­le stuk­ken op on­ver­klaar­ba­re wij­ze ge­sto­len wer­den.
Abd al-Raḥ­mān ver­stop­te de waar­de­vol­le ma­nu­scrip­ten [hand­schrif­ten] van de al-Aḥgāf-bi­blio­theek tussen de an­de­re. Hij toont al­leen fo­to’s. Hij vreest dat ge­wa­pen­de sol­da­ten de bi­blio­theek ge­wa­pen­der­hand van die stuk­ken zal ont­doen om ze voor veel geld te ver­kopen.
De bibliotheek krijgt een be­wa­ker, een on­ge­wa­pen­de. (Maar in mijn ver­slag en fax naar Ne­der­land op 26 no­vem­ber schreef ik be­wust: een ge­wa­pen­de be­wa­ker om de dra­ma­tische van het ge­heel te ver­ho­gen en de ernst van de si­tua­tie hier te be­na­druk­ken.) Wat moet een on­ge­wa­pen­de be­wa­ker tegen be­wa­pen­de sol­da­ten? (Wat moet een be­wa­pen­de be­wa­ker te­gen sol­da­ten?)
Met een nog veel gro­ter geld­be­drag sliep ik hier ver­le­den jaar 89 van de 90 nach­ten zonder angst. (Slechts een­maal, toen Ḥus­sain al-A. zei dat ik hier al ze­ven maan­den was, kregen Ali Baba’s (noor­der­lin­gen) be­lang­stel­ling voor mijn geld.) Ik sliep de laat­ste we­ken zon­der angst bui­ten.
Nu bekruipt me gro­te angst en ik wil van het geld af. Ik sluit me op in mijn ka­mer, als­of me dat zou hel­pen, ach­ter deze bord­kar­ton­nen deu­ren, die niet of nau­we­lijks ge­sloten kun­nen wor­den.
Op mijn kamer is het 28°C. Ik scha­kel de air­co niet aan, want die maakt zo­veel la­waai dat ik daar niet van sla­pen kan.
Bed 00.30 uur.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.


Computerverslag

De eerste drie we­ken van dit ver­blijf in Je­men hield ik op mijn lap­top­com­pu­ter ook een ver­slag bij, waar­in soms din­gen staan die niet in mijn dag­boek voor­komen.
Hier volgt een uit­trek­sel daar­van.

Steekpenningen?

Toen ik al lang en breed aan boord zat [vlieg­tuig] zag ik dat al­le ba­ga­ge in­ge­la­den was be­hal­ve die van mij. Om­dat ik me her­in­ner­de de Abd ar-Raḥ­mān ver­le­den jaar steek­pen­nin­gen / fooi be­taal­de aan de la­ders, vroeg ik aan de pur­ser of dat nu ook van mij ver­langd werd. Ik werd naar bui­ten ge­leid en moest mijn ba­ga­ge aan­wij­zen (er ble­ken nog en­ke­le rug­zak­ken te lig­gen). Al­les werd net­jes in­ge­la­den. De purser en an­der per­so­neel ont­ken­den dat ik moest ‘schui­ven’ dus deed ik het ook niet. (Maar dat iets der­ge­lijks toch de be­doe­ling was bleek uit het feit dat de bus die de pas­sa­giers van de ter­mi­nal naar het vlieg­tuig bracht niet bij de vlieg­tuig­trap stop­te maar naar de an­de­re kant van de ma­chi­ne reed waar de la­ders ston­den te wach­ten op de be­ta­len­de pas­sa­giers. Ik be­dacht toen al dat Nico en ik ver­le­den keer daar he­le­maal niet bij stil­ge­staan had­den en on­ze ba­ga­ge toch aan­ge­ko­men was). Uit­ein­de­lijk kwam al­le ba­ga­ge, ook de los­lig­gen­de rug­zak­ken, in Say’ūn aan.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Layla Alwi

Vijftig minuten deed de Boeing 737 er­over om van Ṣanaᶜā’ naar Say’ūn te vlie­gen. Ik maak­te een tien­tal dia’s van het land­schap on­der mij, voor­na­me­lijk van de Yool en de om­ge­ving van Say’ūn. Op som­mi­ge plaat­sen leek het zand zo dicht­bij dat ik dacht dat ik kon uit­stap­pen en een stuk­je erin lo­pen. Het was alsof je in de be­ne­den­ver­die­ping van een dub­bel­deks­trein zat.
In Say’ūn duur­de het even voor­dat ik de ba­ga­ge had. On­der­tus­sen was Abd al-Raḥ­mān, de di­rec­teur van de al-Aḥgāf-bi­blio­theek in Tarīm, al bin­nen­ge­komen. Hij was niet ver­an­derd, niet in ui­ter­lijk en niet in ge­drag. Nog al­tijd even vrien­de­lijk en aar­dig.
Evenals in Ne­der­land maak­te men ook hier veel op­mer­kin­gen over mijn ge­mil­li­me­ter­de haar. Dat is hier dus ken­ne­lijk even on­ge­woon als in Ne­der­land.
Even later stond ook Ḥaimid B. naast me. Hij had bo­ven op het ter­ras ge­staan en had me uit het vlieg­tuig zien ko­men, zo ver­tel­de hij te­gen Abd al-Raḥ­mān. Ik stond er­bij en luis­ter­de er­naar. Ik was als laat­ste uit het vlieg­tuig ge­ko­men en het was dus niet moei­lijk voor hem om mij waar te nemen.
Abd al-Raḥ­mān had hem de­ze och­tend ge­pro­beerd te be­rei­ken, maar hij was niet thuis. Nu was er een an­de­re chauf­feur: Aḥmad MB. Wat mij be­treft ga ik de­ze fa­se [van het pro­ject] in zee met deze Aḥmad. Hij be­schikt niet al­leen over een veel be­te­re au­to, een Land­cruiser (maar geen Layla Alwi*(4), om­dat dat een nieu­wer en ster­ker mo­del is), maar is ook veel rus­ti­ger en rijdt erg be­dacht­zaam, want hij wil zijn du­re au­to na­tuur­lijk niet in de prak rij­den. Ik kan hem ech­ter niet al­tijd ver­staan, niet­te­min doet hij zijn best om zich ver­staan­baar te ma­ken.
Ik beschouwde Ḥaimid B. toch al als een klein pro­bleem. Hij eis­te voor een taxi­rit van Say’ūn naar Tarīm 1.500 rial, ter­wijl het nor­ma­le ta­rief 800 rial is. Ik vroeg mij af hoe ik ver­lost kon wor­den van de­ze Ḥaimid. Dat is dus nu op­ge­lost. Hij had het na­kij­ken en keek dan ook te­leur­ge­steld.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Huwelijksgeluk

Abd al-Raḥ­mān stuur­de Sālim naar mij toe die al­leen maar Ara­bisch spreekt, om met mij te klet­sen. Wat goed van hem. Snel leer­de ik weer veel woor­den die ik ver­ge­ten was. Toen de man de vrou­wen van Ṣanaᶜā’ prees, vroeg ik hem ex­pli­ciet of hij van zijn vrouw hield en zij van hem. Hij deed een beet­je moei­lijk daar­over, maar ze wa­ren nu ze­ven jaar bij el­kaar en ze be­gon­nen wel aan el­kaar te wen­nen. Daar be­taal je dan als man een bij­na niet op te bren­gen be­drag voor, om na ze­ven jaar tot de con­clu­sie te ko­men dat je in­mid­dels wel aan el­kaar be­gint te wen­nen.
Maar het kan ook an­ders. Sālim T., die als re­cep­ti­o­nist bij het Gaṣr al-Goeb­ba-ho­tel in Tarīm werkt, ver­tel­de me de vo­ri­ge keer (1996) dat hij mis­schien bij een olie­maat­schap­pij een baan­tje zou kun­nen krij­gen. Daar werd veel be­taald. Hij re­ken­de zich bin­nen vijf jaar mil­jo­nair (in Je­me­ni rials). Toen ik hem daar­op zei dat hij dan ge­noeg geld had om een twee­de vrouw te ne­men, riep hij ver­ont­waar­digd: “Ik wil geen twee­de vrouw, ik hou van mijn vrouw!” Hij had haar op school ont­moet, want hij is le­raar En­gels. (Het baan­tje bij de olie­maat­schap­pij is niet door­ge­gaan, ver­telt hij me des­ge­vraagd en­ke­le da­gen la­ter. Daar­voor had hij een krui­wa­gen no­dig. Die had hij niet).
De Sālim van van­och­tend had drie kin­de­ren bij de vrouw waar hij niet van hield, twee meis­jes en een jon­gen. Het oud­ste kind, een meis­je heet Fay­rūz, naar die Libanese zangeres*(5), die hij zeer bewonderde.
Ook hier [Tarīm] zijn de vrou­wen duur, maar niet zo duur als in Ṣanaᶜā’, bleek mij.
Een jongeman, Abd Allāh, die in Bul­ga­rije ar­chi­tec­tuur ge­stu­deerd had wist het klap­pen van de zweep in Eu­ro­pa, nie­te­min kon hij voor­lo­pig nog niet trou­wen om­dat hij nog geen geld ge­noeg had om de mahr, de bruidsprijs, te betalen voor een vrouw van de ‘Alawī, zijn familieclan, waartoe ook Abd al-Raḥ­mān blijkt te be­ho­ren. Sāda [Say­yid’s]*(6) dus.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Gaṣr al-Goebba

Rond kwart over vier brengt de be­dacht­zaam rij­dende Aḥmad MB. mij naar Tarīm. Ik voel het als een soort thuis­komst.
De ont­vangst in het ho­tel is al­ler­har­te­lijkst, hoe­wel er veel nieuwe men­sen wer­ken, maar die zijn ook al­le­maal vrien­de­lijk, zo­als al­le Ara­bieren. Sālim, de le­raar En­gels, is er nog en de bawwāb [poortwachter], wiens naam ik niet meer weet. De di­rec­teur is er nog … al-Kāff. Hij stelt mij voor aan de ei­ge­naar. Ook een al-Kāff. Van hem zie ik la­ter een fo­to in de gang han­gen, waar­op de­ze bij een thee­ses­sie op één na naast de pre­si­dent van Je­men zit.
Aan Abd al-Raḥ­mān had ik de op­dracht ge­ge­ven te­gen Aḥmad MB., de chauf­feur die mij naar Tarīm zou brengen, te zeg­gen dat als ik vraag: “kam?” [hoe­veel?] ik niet zo­iets ho­ren wil als: “Je weet wel wat mijn diens­ten waard zijn”. Dat weet ik niet. Ik wil het be­drag ho­ren dat hij van mij wil ont­van­gen. Ik ben Ne­der­lan­der en zo gaat dat bij ons. Dat heeft no­gal wat voe­ten in de aar­de, Aḥmad wordt er ver­le­gen van, maar uit­ein­de­lijk blijkt dat hij voor zijn diens­ten aan toe­ris­ten 5.000 rial vraagt. Hij vraagt nu 4.000 rial, want hij wil graag in de toe­komst ook aan mij zijn diens­ten aan­bie­den. Ik wil wel van zijn diens­ten ge­bruik ma­ken.
In het hotel pak ik de spul­len uit de hou­ten kist uit, die ik mee­nam uit Say’ūn. Er blij­ken nog ‘ver­ras­sin­gen’ in te zit­ten, zo­als thee­doe­ken, af­was­mid­del en ver­leng­snoe­ren. Er is ook nog een ech­te gas­lamp. Die ge­bruik­ten Nico en ik ver­le­den jaar, maar na­dat Nico ver­trok­ken was kocht ik een elek­tri­sche lamp met twee TL-bui­zen en een in­ge­bouw­de ac­cu. Die lamp doet het me­teen als ik hem aan­scha­kel. Na an­der­half jaar is de ac­cu nog niet leeg.
In het res­tau­rant van het ho­tel ge­bruik ik een ‘lich­te’ maal­tijd. Brood, ge­bak­ken ei en rau­we to­maat. Er zit­ten Ne­der­lan­ders op het ter­ras die uit een reis­gids Ara­bisch le­ren. Ik maak geen con­tact. Ik ben nog niet lang ge­noeg hier om weer eens Ne­der­lands te wil­len klet­sen. Ik wil nu wel Ara­bisch pra­ten, in te­gen­stel­ling met Ṣanaᶜā’, waar ik dat niet wilde.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Veiligheid

Ik moest den­ken aan de be­rich­ten die ik van­daag hoor­de over het geweld­da­di­ge kli­maat hier in de Ḥa­ḍra­maut. Over­val­len op ar­ge­lo­ze rei­zi­gers op klaar­lich­te dag, mid­den op straat in de ste­den, die ge­wa­pen­der­hand van al hun geld wor­den ont­daan. (Abd ar-Raḥmān ver­tel­de op dins­dag 25 no­vem­ber van een do­de­lijk slacht­of­fer van zulk een over­val.) Hoe gro­ter de stil­te rond het ho­tel, hoe on­vei­li­ger ik me voel­de. Van de ge­moe­de­lij­ke rust die ik hier ver­le­den jaar voel­de was niets meer over. Ik zit hier in een ho­tel met groot geld­be­drag in con­tan­ten in een kunst­stof­fen kof­fer, met een sim­pel num­mer­slot, in een ka­mer waar­van het slot niet naar be­ho­ren werkt. De twee ach­ter­deu­ren zijn voor­zien van twee sim­pe­le schuif­jes, als ver­gren­de­ling. Die ach­ter­deu­ren zelf zijn nog net niet van bord­kar­ton.
Het bedrag is groot ge­noeg om de di­rec­teur van de bi­blio­theek meer dan ne­gen en een half jaar maan­de­lijks van zijn re­gu­lie­re sa­la­ris te voor­zien. Een me­de­wer­ker van het ho­tel kan ik met dit be­drag zelfs bijna zes­en­twin­tig jaar zijn maan­de­lijk­se sa­la­ris uit­be­ta­len, voor­op­ge­steld dat ik geen ren­te ont­vang, hij geen loons­ver­ho­ging krijgt en de koers van de dol­lar op 132 rial blijft staan.
Verleden jaar sliep ik zor­ge­loos buiten, met een nog veel gro­ter be­drag (ne­gen­en­der­tig jaar sa­la­ris voor een ho­tel­me­de­wer­ker, vijf­tien jaar voor de di­rec­teur,) in mijn kof­fer in de­zelf­de ka­mer met het­zelf­de slech­te slot, zon­der me ook maar een mo­ment on­vei­lig te voe­len. Ik wil­de dit jaar weer bui­ten sla­pen, maar dat durf­de ik plot­se­ling niet meer. Ik sloot mij op (zo­ver daar spra­ke van kon zijn in dit kaar­ten­huis) in mijn ka­mer. De gor­dij­nen stijf dicht. Ik kroop snel onder de klam­boe, als ex­tra be­vei­li­ging, tegen de zwaar be­wa­pen­de mug­gen.
Buiten slapen zou geen suc­ces zijn ge­weest. De tem­pe­ra­tuur zak­te de­ze nacht tot 18°C, zo bleek dins­dag. Niet echt koud, maar toch ook niet erg aan­ge­naam. Maar ook niet erg aan­ge­naam was de tem­pe­ra­tuur in mijn ka­mer. On­ge­veer 28°C. De air­co ge­bruik ik niet want die maakt een hels ka­baal. Dan lig ik wak­ker van het la­waai.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Noten

*(1)
Een dend­ri­tisch drai­na­ge­pa­troon ont­staat wan­neer wa­ter­stro­men in de bo­dem min­der of meer die­pe geu­len uit­slij­ten: ero­sie. Daar waar die stroomp­jes sa­men­vloei­en ont­staan bre­de­re geu­len. Uit­ein­de­lijk zul­len veel in een ge­za­men­lij­ke bed­ding te­recht ko­men. De struc­tuur van al die stroom­pjes sa­men lijkt op de tak­ken van een boom of struik. Dat heet dan den­dri­tisch en dat woord stamt uit het Grieks. Wikipedia.

Te­rug.

*(2)
al-Yool. (ﺍﻟﺟﻮﻝ) De Yool is de naam van de bo­ven­kant van de heu­vels die over de he­le Ḥaḍ­ra­maut ver­spreidt lig­gen. Het pa­troon van de­ze bo­ven­kant is het hier­bo­ven be­spro­ken den­dri­tisch drai­na­ge­pa­troon.
Wan­neer het op de Yool re­gent ont­staat een dra­ma­tische si­tu­a­tie in de da­len, zo­als hier te zien is in Wā­dī Doe­ᶜan in een (schok­ke­ri­ge, maar vooral schok­ken­de ama­teur-) vi­deo op You­Tube. Dui­de­lijk is de ver­nie­ti­gen­de kracht van het wa­ter te zien en de scha­de die het aan­richt in dit dal van de Ḥaḍ­ra­maut. Er zijn hui­zen van golf­pla­ten die vol­le­dig on­der­ge­lo­pen zijn, maar in de­ze re­gio zijn heel veel hui­zen ge­bouwd van in de zon ge­bak­ken le­men ti­chels: (Mud brick). Die con­struc­ties kun­nen zo’n zwa­re re­gen­bui nau­we­lijks aan en veel hui­zen stor­ten er dan ook (ge­deel­te­lijk) in. Wat een dra­ma! Bo­ven­dien zijn die klei­ne dorps­ge­meen­schap­pen vaak op zich­zelf aan­ge­we­zen. Bu­ren­hulp is ont­zet­tend be­lang­rijk.

Te­rug.

*(3)
Taxi’s. Zie over de taxi’s in Je­men de be­tref­fen­de bij­dra­ge over dit ver­voer­mid­del, gis­te­ren, 23 no­vem­ber.

Te­rug.

*(4)
Layla Alwi. Laila Alwi, de naar dik­ke, zeer po­pu­lai­re, Egyp­tische ac­tri­ce ver­noem­de (door het volk, niet of­fi­ci­eel) four-wheel drive van elk Ja­pans merk.

Te­rug.

*(5)
Fayrūz / Fayroez (ﻓﻴﺮﻭﺯ). Fay­roez is niet al­leen in Li­ba­non, of in de Ara­bische we­reld be­kend. Zij treed op in al­le gro­te za­len in de we­reld. Wi­ki­pe­dia: Fay­ruz.

Te­rug.

*(6)
Sayyid (meerv., meer dan twee: sā­da). Een say­yid be­hoort tot de eli­te bin­nen een is­lami­tische ge­meen­schap, want is een recht­streek­se af­stam­me­ling van de pro­feet Mu­ham­mad, via zijn doch­ter Fa­ti­ma. Say­yids trou­wen al­leen on­der el­kaar. Zo ver­wa­tert de (ver­meen­de) bloed­ver­want­schap niet.

Te­rug.


MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Meer informatie.

GM.: Google Maps. – Wi.: Wi­ki­pe­dia. – Web.: website. – F.: foto’s in Google Maps.
Wādī Doeᶜan:
:ﻭﺍﺩﻱ ﺩﻭﻋﻦ
al-Mukallā:
GM., Wi.
:ﺍﻟﻤﻜﻠﺎ
al-Šiḥr:
GM., Wi.
:ﺍﻟﺸﺤﺮ

MenuFo­toBe­ginEindeTrans­criptie.

Index

Index van ter­men:
Index van per­so­nen:
Index van lo­ca­ties:

Me­nuFo­toBe­ginHoofd­in­dex.

Trans­crip­tie van de klin­kers in Ara­bische woor­den.

A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.

Klik hier voor het over­zicht van de trans­crip­tie in Ara­bische woor­den.

Me­nuFo­toBe­ginHoofd­in­dex.


Jemen 1997
Jemen 1997 (be­knopt over­zicht).
Je­men 1997: de da­gen in chro­no­lo­gische volg­or­de.
Je­men 1997: al­le foto’s.


Jemen 1996
Jemen 1996 (be­knopt over­zicht).
Je­men 1996: de da­gen in chro­no­lo­gische volg­or­de.
Je­men 1996: al­le foto’s.


De au­teur de­zes kan niet ga­ran­de­ren dat al­le links naar ex­ter­ne web­si­tes (dus die van der­de par­tij­en) al­tijd zul­len blij­ven be­staan. Fo­to’s in Goog­le Maps, bij­voor­beeld, kun­nen ver­dwij­nen wan­neer de ei­ge­naar ze weg­haalt. Ook aan an­de­re links kan een ein­de ko­men, of kun­nen in on­ge­bruik ra­ken.
Wan­neer u een niet wer­ken­de link con­sta­teert kunt u dat mel­den in het re­ac­tie­veld. Bij voor­baat dank.

Jemen, 7 juni 1996

Wadi Du'an.
Een impressie van het landschap nabij de stad Hadjarain in de Wadi Do’an.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 7 juni 1996 (vrijdag).

Naar het einde of de index.

Say’oen, Wadi Do’an, Tariem.
Nu, 9 juni, zondag, heb ik niet veel zin meer deze dag te beschrijven. Ik maakte een verslag in mijn com­puter over onze trip naar Wadi Do’an.
Onze trip: Abd al-Rahmaan A., ik en de chauffeur van de Landcruiser: Moe­hammad.
We vertrekken rond 6.30 en wat opvalt, voorbij Shibaam, in wes­telijke richting, is dat de vrouwen daar zelf ezels berijden of ezelkarren besturen. Dat heb ik hier nog niet gezien. Hier is: ten oosten van Shibaam. (In Sana’a zag ik zelfs een vrouw achter het stuur van een auto.)
Wat ook opvalt is dat er zonder elektriciteit geen benzine beschik­baar is. Nog veel erger is dat er in Shibaam ook geen water is zonder elektriciteit.
Wat verder blijkt is dat erg weinig mensen en dus nog minder vrou­wen, op straat zijn. (Er zijn vaak niet eens straten!)
We zouden oorspronkelijk twee dagen naar de Wadi gaan en over­nachten bij een vriend van Abd al-Rahmaan, maar overstromingen maakten het zuidelijke gedeelte van de Wadi onbereikbaar. Het zuiden is niet ver van de zee en daar regent het vaak. Het water stroomt dan van de tafelbergen de rivierbedding (wadi) in.

Overdag, onderweg, komen we in een zandstorm terecht, minder dan drie meter zicht!
Ook onderweg heb ik liters kraan­water gedronken en nergens last van gehad. Wat dat betreft ben ik dus een Hadrami geworden.

We hadden als ritprijs een on­dui­delijk bedrag afgesproken (op z’n Arabisch), nu wilde Moehammad ongeveer 9.000 rial hebben en ik zegde hem dat toe. Als we terug in Tariem zijn, heb ik mijn handen vol spullen en een pakje van 10.000 rial in mijn broekzak. Ik wil daar in het aardedonker niet duizend rial gaan staan aftellen. Bovendien had hij de moeite genomen om veel met mij te vertellen over de vijftien jaar die hij in de Arabische Emiraten woonde. Ik geef hem dus die 10.000 rial. Pas op mijn kamer herinner ik me dat we hem al 2.100 rial in de loop van de dag gegeven hadden!

In het Gasr al-goebba-hotel in Tariem, op het terras, zit een jong Belgisch stel (midden dertig), dat hier kwam met een opzichtige BMW-motor, met typisch Belgische problemen.
Wat ze hier doen is me niet helemaal duidelijk, want in Tariem foto­gra­feren ze ‘tempels’.
Ze vlogen met hun BMW-motor naar Sana’a en wilden vervolgens door Saoedi-Arabië naar Jordanië rijden. In België hadden ze geen visum gekregen voor Saoedi-Arabië, maar de Belgische(!) consul in Sana’a zou wel wat kunnen regelen, werd hen verteld. Mooi niet dus.
Een rit door de woestijn eindigde op het politiebureau, want niemand (ocharm) had hen verteld dat je daarvoor toestemming van de auto­riteiten nodig hebt. Typisch Belgisch, nergens naar informeren!

Op mijn kamer ben ik nog tot 01.30 uur vruchteloos bezig om fouten uit formules van het financiële programma te halen.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 7 juni.
Om 6.00 komt de chauffeur Moe­hammad en wordt er weer over de prijs onderhandeld. De chauffeur krijgt uiteindelijk wat hij vraagt.
We gaan eerst naar Rayboen, naar de zonne- en maantempel. Abd al-Rahmaan deed hier enige tijd geleden, samen met Russen, opgra­vingen. Het landschap ziet eruit als de Yool, met de wadi in het midden.

[…]

Hadjarain is ons volgende doel. Er zijn inderdaad overstromingen ge­weest, want er staat veel water in de wadi. Het is een erg lange wadi, die tot bijna aan de zee loopt en daar valt veel regen, die noordwaarts stroomt in de richting van Hadjarain.
Onderweg stoppen we op ver­schil­lende plaatsen om gebouwen te fotograferen die Daniel van der Meulen vijfenzestig jaar geleden ook fotografeerde. Abd al-Rahmaan heeft fotokopieën van die foto’s bij zich en we proberen dezelfde positie in te nemen. Het blijkt dat er in die tijd, in dit middeleeuws landschap, toch enorm veel veranderd is. De tijd staat hier dus niet stil.
We bekijken enkele opmerkelijke hoekjes in Hadjarain en ik merk op dat ze daar eveneens talloze mooi bewerkte houten deuren hebben, nog veel indrukwekkender dan in Shibaam. Volgens Abd al-Rahmaan komen die deuren in de hele Wadi Do’an voor.
(Do’an komt van het Perzisch Do = twee en An zou Wadi betekenen. Wadi Do’an bestaat eigelijk uit twee wadi’s die elk een eigen naam hebben: al-Ayman (uitspraak: lay­man) en al-Aysar (uitspraak: laysar)).

[…]

Onderweg lunchen we daar waar we ook het ontbijt gebruikten: Mat’am al-machnag (Restaurant de Nek) we­gens de versmalling van de wadi daar. Verder is hij heel breed.
Ik koop onderweg ook een ratl bachoer (een bepaald gewicht wie­rook), dat volgens Abd al-Rahmaan goed zou zijn voor de hersenen als je het eet. Je voelt je er filosoof van worden. Ook in water opgelost, zou een glaasje per dag, goed voor de gezondheid zijn. Verder, en daar koop ik het spul voor, kun je het branden en de rook ruiken.

[…]

Onderweg naar Hurayda nemen we een sayyid mee en we zetten hem in die stad weer af. Ook daar proberen we enkele van de Van der Meulen-foto’s te reconstrueren.
De lucht wordt grijszwart en op weg naar Shibaam komen we in een zware zandstorm terecht. Het is alsof we in een zeer dichte mist rijden. Het zicht is minder dan drie meter. Fantastisch. Ik maak foto’s. De hele dag al, want mijn diafilms zijn op.

[…]

Ik laat me voorlichten over de mahr (huwelijksgift). Voor honderddui­zend rial kan je een vrouw kopen. Zij moet goud ontvangen van de aanstaande echtgenoot en ook haar vader moet het nodige goud fourneren. (1.000 rial is f. 13,00.)
Een vrouw kan ook goedkoper zijn. Hoesein al-A. van de hotelreceptie vertelde me dat hij maar 10.000 rial betaalde. Zij was zo goedkoop omdat zij zijn nicht is: bint al-chaal. (Bint: dochter, chaal: broer van de moeder, dus een oom aan moederszijde.)

[…]

Ook Abd al-Rahmaan vindt dat de moe’azzin (diegene die bij een mos­kee tot het gebed oproept, middels een luidspreker) veel te veel lawaai maakt en hij is niet alleen. Hij zou willen dat het oude systeem weer terugkwam: man in de minaret. Het is echter een gevoelig onderwerp.
Hij is erg gelovig. Voorheen dacht ik dat hij in Tariem voor de vorm naar de moskee ging, maar dat is niet het geval. Overal waar hij kan bidt hij. Met Moehammad werd onderhan­deld welke moskee onderweg het best in aanmerking kwam voor het gebed.

[…]

’s Avonds koop ik in Shibaam twee diafilms. “Een niet goed lopend artikel,” zegt de winkelier, een kennis van Abd al-Rahmaan.
Een andere kennis vertelt dat er geen elektriciteit is in Shibaam. Dat betekent ook dat er geen water is. De mensen kunnen, volgens Abd al-Rahmaan niet zelf iets organiseren, want dan doet de regering er niets meer aan en zegt dat er elektriciteit genoeg is.
Geen water. Het komt voor dat men doden niet kan afleggen omdat er geen water is. Zieke mensen kunnen niet adequaat geholpen worden en gaan eerder dood.
Geen elektriciteit. Veel van die grote kasten van huizen herbergen meer­dere families. Maar één familie kan op het dak wonen. (In verband met de maharim (vrouwen), die niet door andere bewoners gezien mogen worden.) De anderen moeten in deze hitte, zonder koeling in huis doorbrengen. Dat veroorzaakt veel problemen.

[…]

Moehammad, onze chauffeur kauwt onderweg gaat. Dat wil hij niet thuis doen, want hij wil niet dat zijn vier kinderen, de oudste 12 en de jongste 1, allemaal jongens, weten dat vader gaat gebruikt. Hij lijkt verslaafd aan thee want bij iedere gelegenheid drinkt hij veel daarvan. (Misschien komt dat door de gaat.)

Onderweg naar het hotel in Tariem vertelt over zijn leven als admini­stratief militair in al-Ayn in de Emiraten. Hij is een slachtoffer van de Golfoorlog. Toen zijn contract in 1993 afliep werd dat niet verlengd en moest hij met vrouw en kinderen de Emiraten verlaten. Van een luxe leventje met overal airco, zelfs op de markt, naar het arme, hete Jemen. Zijn vrouw en kinderen lijden eronder. Zijn vrouw heeft de nationaliteit van Aboe Dhabi, maar is van Jemenitische oorsprong. Moehammad werkt eraan om nog voor de winter terug te kunnen naar het ‘paradijs op aarde’. Alle straten zijn er geasfalteerd en niet vol met gaten, zoals hier in Jemen. Vierentwintig uur per dag elektriciteit, maar zestien jaar gevangenisstraf op het gebruik van gaat, net zoals in Saoedi-Arabië. Wel in een nieuwe, moderne gevangenis. De blaadjes worden in die landen gezien als een verdovend middel, hoewel je in die landen ook drugs en alcohol kunt kopen.
(Abd al-Rahmaan vertelde eens dat een vader uit Say’oen zijn jonge, aan wijn verslaafde, zoon naar Saoedi-Arabië stuurde om zijn leven te beteren. Na twintig jaar kwam die terug. Al die tijd had hij wijn gedronken!)
Moehammad verdiende in Aboe Dhabi zoveel dat hij er deze Landcruiser aan overhield.
In 1985 bezocht hij als toerist Syrië en Jordanië.

[…]

In het hotel ontmoet ik een stel dat aansluit bij het rijtje gekken dat ik in Jemen ben tegengekomen.
Uitgerekend een Belgisch stel (de Belgen die ik gedurende al mijn reizen in het buitenland ontmoette hadden altijd wel iets van pro­blemen, voortkomende uit eigen stommiteit of niet goed ingewonnen informatie.) Deze twee, man en vrouw met een BMW-motor, kwamen hier met de bedoeling van Sana’a door Saoedi-Arabië naar Jordanië te rijden. In België hadden ze geen visum kunnen krijgen voor Saoedi-Arabië, maar de Belgische consul in Sana’a zou dat wel kunnen regelen, hadden kennissen verteld. Nou, mooi niet dus. Bovendien kwamen ze hier aan met de motor en niemand op de luchthaven had hen verteld dat ze, als ze door de woestijn wilden, toestemming van de autoriteiten nodig hadden. (In onze moderne westerse maat­schappij wordt ons alles voor­gekauwd, dan kun je een maatschappij waar je zelf alles moet uitzoeken niet meer functioneren.)
Wat die mensen hier doen is me een raadsel, deze zijn zelfs niet matig geïnteresseerd in de islamitische cultuur en weten nog minder dan al die anderen die ik in Jemen ontmoette.
Hij, heftruckmonteur, weet alles van motoren. Zij is verpleegster in een Brussels ziekenhuis. Er werken daar Arabische dokters en die hadden gezegd dat zij wel in korte mouwen door Jemen en Saoedi-Arabië kon reizen. Dat doet ze ook en begrijpt niet waarom alle mannen be­lang­stelling voor haar hebben.
Zijn motor wordt voortdurend betast door allerlei handen. Hij ergert zich eraan.
In Tariem fotograferen ze wat ‘tempels’.
Zij vindt het jammer dat je hier niet met de mensen kan communikeren. (sic.)
Hij, tegen een Tarimi: “De Ramadaan is verschrikkelijk.”
Gelukkig begrijpt de jongeman hem niet, anders was een religieuze dis­cussie onvermijdelijk geworden.

Dit is het einde van het verslag van 7 juni.

Index: bachoer, bint al-amm, bint al-chaal, gaat, Hadrami, mahr, mahram / mahaarim, mat’am al-machnag, moe­’azzin, Ramadaan, salaat, sayyid, wierook.

Index van personen: Daniel van der Meulen, Moe­hammad al-S.

Index van plaatsnamen: Aboe Dhabi, al-Ayn, Gasr al-goebba-hotel, Hadjarain, Hoeraida, Rayboen, Sana’a, Say’oen, Shibaam, Tariem, Wadi Do’an, Yool.

Dit is het einde van dag 83 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voor­komt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 6 juni 1996

Een nieuwe deur.
De timmerman heeft vandaag, donderdag, de nieuwe voordeur afgeleverd voor de biblio­theek. Hij zal die zaterdag plaatsen. Die deur zal de oude grijze, rechts op de foto te zien, vervangen.
De man op de foto, links, is Abd al-Rahmaan A. de directeur van de al-Ahgaaf-bibliotheek in Tariem.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 6 juni 1996 (donderdag).

Naar het einde of de index.

Tariem, Say’oen.
Enkele weken geleden deed ik de whisky in de appelsap-flessen en de jonge jenever in waterflessen. Gis­terenavond dronk ik twee jonge jenever aan­gelengd met lemontina. Ik zette de fles jonge jenever zonder na te denken in de koelkast. Toen ik later een slok water wilde hebben … ja, toen dronk ik een flinke teug jonge.
Ik was in staat tot 7.45 uur te slapen, wel met veel onderbrekingen, want het is vanaf 05.00 uur klaarlichte dag. Mijn bed (buiten) komt echter pas na achten in de volle zon te staan.
Vanavond slaap ik in Say’oen.
Nu 8.30 uur.

In de bibliotheek wacht ik tot 11.45 uur. Dan is er een kwartiertje span­ning. Ik print de fax voor Jan Just Witkam uit en laad in beide com­puters dat deel van de fihrist (catalogus) dat ik thuis overtypte, in de computer. (Thuis: september – december 1995 in Nederland.)
Nadat ik de nieuwe koers heb gevraagd (106 rial voor 1 US$) voeg ik enkele regels met de hand aan de fax toe. Ik besluit om 400 of 500 dollar te wisselen, maar de geldwisselaars zijn al vertrokken. Gelukkig, want in Say’oen, waar ik naar toe ga, krijg ik 109 rial en wissel daar vijftien­honderd dollar bij de zwager van Abd al-Rahmaan A. Die heeft een be­drijf voor reparatie van auto-uit­la­ten en kan dat bedrag in rial zonder problemen op tafel leggen.

Bij Abd al-Rahmaan thuis zie ik een prachtig mooie vrouw, slechts met hoofddoek en ik reken me al rijk: ik zag de vrouw van Abd al-Rahmaan, maar later blijkt deze schoonheid een jong buurmeisje in donker­groene jurk en grote zwarte hoofd­doek. Zonder al die stof zal ze waarschijnlijk zeer mager zijn.
’s Avond krijg ik een eenvoudige, maar goede maaltijd voorgezet.
We zitten buiten nog wat te ver­tellen en rond 23.30 ga ik naar bed.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 6 juni.
De timmerman levert de houten deur af, gemaakt van Maleis meran­ti. Ahmad, de elektricien uit Tariem, wijst me erop dat meranti niet gevrijwaard kan worden van hout­worm. Er is harder hout ibal(?) (eik?) dat onverwoestbaar is en in de winter nog harder. (Volgens Abd al-Rahmaan.) Dat hout wordt alleen in de winter gezaagd.

[…]

Gezien de omvang en het soort kleding vermoedde ik al dat het een Nederlandse was. Ze kwam in mijn richting gesjokt. Toen ze dichterbij was uitte ze een paar onverstaan­bare klanken, zodat ik niet meer wist met welke nationaliteit ik nu weer te doen had, maar mijn eerste indruk bleek toch correct en ze stelde meteen gerichte vragen, alsof zij het geschenk aan de bibliotheek gegeven had en alsof ze hier al vele malen geweest was. Vragen in de trant van: “Heeft dit nu nut? Is dit geen weggegooid geld? Kunnen die mensen wel met dit spul omgaan? Hebben ze wel enige benul wat er gebeurt? Kennen ze de waarde van dit alles wel?”
Ik vroeg haar wie ze was en wat ze kwam doen. Haar voornaam was M., ze was journalist voor een polytech­nisch tijdschrift, maar hier was ze slechts op vakantie, met Djoser.
Toen wist ik genoeg. Hun reis­begeleider, MvM, is hier al ver­schillende keren geweest en in het begin hadden Nico en ik het idee dat dit geschenk ‘paarlen voor de zwijnen’ was. In onze teleurstelling hadden we dat idee niet onder stoelen of banken gestoken en ook MvM deelgenoot gemaakt in onze verbitterde gevoelens.
Ik vertelde haar (een goede vriendin van MvM) dat het idee waarop haar vragen stoelden niet meer van toepassing was. Dat al die negatieve woorden niet meer op hun plaats waren en dat ik nu vrijwel zeker wist dat dit een groot succes zou worden, zeker nu er een nieuwe directeur is met enkele enthousiaste medewer­kers. Toen MvM later ook kwam heb ik hem apart genomen en hem mijn nieuwe opvatting verteld, maar hij bleef sceptisch.
Hij heeft een wrok tegen enkele mensen van de Nederlandse Ambas­sade. (De heer M. van de Ambassade heeft een negatief reisadvies voor Marib en omgeving afgegeven en Djoser, als lid van de ANVR, moet zich daaraan houden, terwijl alle andere reisbureaus die regio zonder problemen doorkrui­sen. M. zou, vol­gens MvM, zijn criteria niet willen toelichten.)
Om die reden blijft het voor MvM moeilijk beslissingen van de Ambas­sade (de­ze gift bijvoorbeeld) te ac­cep­­teren. MvM is ook persoonlijk betrok­ken bij de financiering van een tehuis voor geestelijk gehandicapte kinderen (in Jemen), waar­voor de Nederlandse regering geen geld over heeft. Zijn scepsis heeft daarmee te maken: waarom wel geld voor ‘oud papier’, maar niet voor gehandicapte kin­deren.
De Nederlanders, ook dezen ‘zeer geïnteresseerd’ in de islamitische cultuur, gezien hun geringe belang­stelling voor handschriften, maar wel voor mijn fax aan Jan Just Witkam, die ik op dat moment uitprintte: allemaal stonden ze die te lezen en nadat ze een deel uit dat bericht geciteerd hadden, zei ik: “U bent wel erg nieuwsgierig.”
“Daarvoor zijn we hier,” kreeg ik als antwoord.
Om computers te komen bekijken, zeker, en persoonlijke brieven hard­op mee te lezen!

[…]

Ik ga met Abd al-Rahmaan mee naar Say’oen. Onderweg wijst hij me op de vele witte stenen op de berghel­lingen. Die staan allemaal in grote vierkanten opgesteld. Het zijn stuk­ken land die bestemd zijn voor huizenbouw. Nu de regering niet meer toeziet op wat er in het land gebeurt, komt iedereen zomaar een stuk land claimen, eventueel met vervalste documenten.
Toen de regering nog wel toezag, gebeurde dit ook, toen claimden politici grond, niet voor henzelf maar voor de partij of de regering.
Het enige verschil met vroeger is dat het toen volgens een bepaald sys­teem gebeurde en nu in het wilde weg.
Bovendien claimt niemand meer voor een ander (de partij of rege­ring), maar wel voor zichzelf.
Taxichauffeur Hamid had me ook al op deze praktijken gewezen.
Veel mensen verlangen terug naar de socialistische tijden, hoewel dat een slechte tijd was en men van die regering verlost wilde zijn. Muham­mad al-H. citeerde ver­leden week al uit een gedicht:

Vroeger huilde men over haar, nu huilt men om haar. (De regering.)

[…]

Ik informeer naar de wisselkoers van de dollar en krijg te horen dat die 109 rial is. Drie meer dan in Tariem. Abd al-Rahmaan wil dat ik bij zijn zwager geld wissel tegen de geldende koers. Daar heb ik geen bezwaar tegen. We rijden een eind en stoppen bij een garage voor de reparatie van knalpijpen. (Spe­cialisme!) Daar hebben ze een prachtige poortdeur van bewerkt hout, die staat weg te rotten.
Abd al-Rahmaan zegt dat ik hier maar moet wisselen. Ik kijk hem verbaasd aan en zeg: “Ik dacht dat ik bij je zwager moest wisselen?”
“Dat is hier.”
Ik stap uit en er staat een of ander onduidelijk figuur op mij te wachten. Ik zeg tegen hem dat ik geld wil wisselen, maar hij com­mandeert me om naar binnen te gaan. Ik denk dat hij me niet begrepen heeft, maar met nog meer ongeduld zegt hij dat ik naar binnen moet gaan. Achter het bureau van het kantoor vind ik de schoonvader van Abd al-Rahmaan. (Ik zag hem op de luchthaven van Sana’a, toen we terugkeerde van ons kort bezoek aan de hoofdstad.) Tegen hem zeg ik dat ik geld wil wisselen en weer wordt er wat gecommandeerd. Dan komt een ietwat gezette jongeman achter het bureau zitten en hij blijkt de zwager te zijn. Bij hem wissel ik vijf­tienhonderd dollar voor 109 rial per dollar. Hij behoort tot de al-Kaaf familie en het blijkt voor hen geen moeite het juiste geldbedrag op tafel te leggen.
Het voorgaande vage gedoe kom ik steeds weer tegen en het blijft moei­lijk om daaraan te wennen. Telkens wordt je in het onge­wisse gelaten over prijzen. Als je iets koopt zegt de verkoper niet: “Zoveel,”, maar je moet naar de prijs vragen.
Mensen die diensten verlenen, zeggen vaak niet: “Ik krijg zoveel van je,” maar “Jij weet wel wat mijn dienst waard is.”
Ook Abd al-Rahmaan heeft moeite om concreet te zijn over geld. Iedereen ver­onderstelt maar dat je alles weet en iedereen kent.

[…]

We gaan onderhandelen met de chauffeur van de Landcruiser, die ons twee dagen lang in Wadi Do’an zal rondrijden. Ook hier weer een staaltje van vaagheid. Iemand an­ders dan de chauffeur had gezegd dat hij het wel voor 12.000 rial zou doen en Abd al-Rahmaan had mij dat als zekerheid gepresenteerd, maar de chauffeur denkt er anders over en wil 15.000 rial. Na lang gesteggel moet ik de knoop door­hakken en gaan we dus voor dat laatste bedrag.
Abd al-Rahmaan had me op weg van Tariem naar Say’oen al verteld dat hij slachtoffer was geworden van onduidelijke afspraken. Zesduizend rial had hem dat gekost. Voor me­nigeen een maandloon.

[…]

We bezoeken het ouderlijk huis te midden van een rijk gevulde planta­ge van dadelpalmen op het plat­teland, even buiten Say’oen. Hoewel het al bijna donker is kan ik zien dat het een prachtig stuk grond is. De weg erheen was al een fotoreportage waard.
Op dat land werken een aantal boeren. De opbrengst van de dadel­palmen is voor de helft voor de familie A., de andere helft voor de boeren, die niet op het land wonen. Van de helft voor de familie gaat 35% op aan de instandhouding van de plantage.
De boeren bezitten de waterpomp, maar het waterwiel is van de familie. De boeren zijn kennelijk niet hele­maal betrouwbaar, want ze doen nogal eens alsof ze niet weten hoe een en ander onderhouden moet worden, in het deel van de familie, wel te verstaan. In hun deel van de plantage komen die problemen niet voor, hoewel deze niet de slechtsten zijn. De familie bezit kennelijk meer land, want daar zitten boeren die veel problemen veroorzaken.
Verder veroorzaken ook militairen uit de naburige legerplaats proble­men. Die komen bij nacht en ontij met hun wapens en pakken wat ze te pakken kunnen krijgen. Zij richten meer schade aan dan ze wegnemen. Dit is een land zonder regering. Iedereen doet maar wat hij wil.

[…]

Abd al-Rahmaan wil van het huis dat bij de plantage hoort twee appar­temen­ten maken en die verhuren aan toeris­ten.
In een cafetaria, ongeveer Europese stijl, bespreken we zijn idee.
In ieder geval zal er constant elektriciteit en koel water beschik­baar moeten zijn. Ik wijs hem op het bestaan van de ‘veteranenziekte’, ge­volg van bacteriegroei in water­pijpen waar altijd lauw water doorheen gaat. Ook komen we tot de conclusie dat de naast het huis staande waterpomp elektrisch moet worden, want iedereen wordt gek van het getakketak van de tweetakt­motor.

[…]

Onderweg vertelde Abd al-Rahmaan over de opkomst van de Islah-partij, die steeds machtiger wordt in dit economisch steeds verder achteruit­gaande Jemen. De basis van de verbetering van de economie van het land ligt in beter onderwijs, terwijl de Islah-partij, die nu ook het onderwijs verzorgt, afziet van het onderwijzen in de westerse weten­schappen en kennis en zelfs afziet in het onderwijzen van wiskunde. Belangrijk voor hen is de gods­dienstwetenschap.
Voor Jemenitische arbeiders is er niet veel kans en hoop op verbe­tering van de arbeidsomstandighe­den. Ze zijn slecht onderwezen en niet allemaal bereidt even hard te werken. Westerse oliemaatschappij­en nemen geen Jemenieten in dienst, maar Oost-Afrikanen, omdat die Engels zouden spreken en, na­tuurlijk, eerder bereid zijn een order op te volgen, dan de socia­listisch onderwezen Zuid-Jemenieten.

[…]

Bij Abd al-Rahmaan thuis hoor ik dat sommige Jemenieten grote hoe­veelheden valiumpillen leveren in Saoedi-Arabië, tegen woekerwins­ten. Dat sluit mooi aan bij het verhaal dat ik eens in een Egyptisch damesblad las over vrouwen in de Golfstaten en omstreken. Die hebben niets zinvols te doen in hun leven. Ze kijken Tv, bellen urenlang met vriendinnen en slikken vooral veel verdovende pillen om de dag door te komen.

[…]

De chauffeur van de Landcruiser komt vertellen dat er overstromin­gen zijn in Wadi Do’an en dat hij niet zo ver kan gaan als Abd al-Rahmaan wil. We zullen nu maar één dag gaan, in plaats van twee. Weer begint natuurlijk het gesteggel over de prijs, maar daar ben ik niet bij. Dat hoor ik achteraf.

Dit is het einde van het verslag van 6 juni.

Index: fihrist, ibal, Islah-partij, VeteranenziekteZuid-Jemen: com­munisme.

Index van personen: Abd al-Rah­maan A., Hamid B. taxichauf­feur, al-Kaaf, Nico, Jan Just Witkam.

Index van plaatsen: Jemen, Marib, Sana’a, Say’oen, Tariem, Wadi Do’an.

Dit is het einde van dag 82 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

De uitspraak van enkele letters en klanken in Arabische woorden.
In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voorkomt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ق) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 16 mei 1996

Huis in Say'un.
Het huis van de overburen, gezien vanaf de binnenplaats van het huis van Abd ar-Rahmaan in Say’un.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 16 mei 1996 (donderdag).

Sana’a – Say’un – Tarim (Sana’a, Say’un, Tarim, Roebaat, alim, Ara­bische na­men, Koelliyat al-shariyya).
Ik besloot om niet te gaan slapen, maar rond 01.00 ben ik zo moe dat ik toch naar bed ga.
Om 03.00 moet ik Abd al-Rahmaan A. bellen. Mijn wekker loopt om 02.40 af. Ik besluit om nog even te blijven liggen. Om 03.40 schiet ik wakker, ren naar beneden en bel naar de broer van Abd al-Rahmaan.
“Die is al weg,” krijg ik te horen.
Ik neem snel een douche en ga naar beneden.
Abd al-Rahmaan is er niet. Binnen de muren van het hotel wacht ik tot 04.10 uur, voordat hij komt. Hij is onderweg door de politie gestopt en die wilde problemen maken, want Abd al-Rahmaan kon geen factuur overleggen voor al die goederen waarmee de taxi volgeladen was. (Ik had de nota’s.) Smeer­geld bespoe­digde de zaak enorm.
Luchthaven. De taxirit kost 1.000 rial. Per ongeluk geef ik de vriend van Abd al-Rahmaan 2.000 rial. Zowel hij (de taxichauffeur) als ik merken de vergis­sing onmiddellijk. Ik maak er 1.100 rial van (f. 14,30).
Op de luchthaven is het nog even spannend voor Abd al-Rahmaan. We koch­ten de tickets eergisteren op de luchthaven, direct na aankomst. Voor mij was er plaats. Voor Abd al-Rahmaan niet. Hij was de eerste op de wachtlijst.
We moeten nog een uur wachten voordat blijkt dat we samen (met onze ba­gage, want daarover waren ook problemen) kunnen reizen.
We moeten 1.400 rial voor over­gewicht betalen.
Op de luchthaven moeten we zelf zorgen dat onze spullen ingeladen wor­den. (De bagagedragers willen ook wat verdienen.)
In het vliegtuig zitten we weer achterstevoren, net zoals eergis­teren.
Abd al-Rahmaan is ziek.
Ik kijk een gesluierde dame zo lang aan dat ze naar mij wijst, als ze haar buurvrouw op mij attent maakt. Ik verminder mijn aandacht.
Na anderhalf uur in Say’un. Hamid (taxi) haalt ons op en brengt ons naar het huis van Abd al-Rahmaan. Daar word ik weer tijdelijk gelogeerd in de grote kamer.
Ik lees weer, net zoals eergisteren, in een Arabisch boek en evenals eergis­teren val ik in de benauwde kamer, (alle deuren staan open!) in slaap.
Het duurt wel een uur voordat ik de beloofde thee krijg.
Abd al-Rahmaan begint over zijn detachering te zeuren. (Ik ben moe en wil naar Tarim, naar het hotel. Hij is ziek, daarom dring ik niet aan.)
Enkele dagen geleden al zei hij dat medewerkers van buitenlandse projecten naast hun  loon ook een salaris uit het project krijgen. Ik besprak deze zaak met MN (Nederlandse Ambassade), maar die zei dat dit niet de gewoonte was, maar ik mocht wel wat geven.
Abd al-Rahmaan vertelde mij eens dat een salarisverhoging één- of twee­honderd rial per maand bedraagt. Hij zei nu dat mensen werken naar wat ze betaald krijgen. Hij steekt veel extra tijd in dit project. Hij wilde niet drei­gen, maar vond wel dat die extra tijd betaald moet worden.
Ik vraag hem hoeveel hij wil hebben en vertel hem het antwoord van MN erbij.
Hij zegt dat ik moet beslissen.
Ik bied hem 1.000 rial per week. Dat is te weinig, vindt hij en begint weer over de extra tijd die hij erin steekt. Het verhaal begint me te vervelen.
Ik vraag hem of 12.000 rial per maand (zijn loon) extra voldoende is. Hij rea­geert niet echt enthousiast.(1)
Na de middag, in het hotel in Tarim, maak ik een berekening van mijn financiële speelruimte.
Ik heb nog 4.270 dollar over. Daarvan heb ik er zelf 1.500 nodig.
Ik schat de koers: 1 dollar voor 120 rial. (Koersrisico!)
Hotel Tarim (vier weken) 48.000 rial: 400$. Geschenk aan het personeel [hotel]: 30.000 rial: 250$. Vlucht Say’un – Sana’a: 125$. Hotel Sana’a 12.000 rial: 100$. Eten in Sana’a 12.000 rial: 100$. Vijf keyboards: 125$. Boeken ko­pen in Sana’a, circa 20.000 rial: 165$. Overgewicht tijdens de vlucht naar Nederland: 235$.
Totaal 1.500$.
4.270 – 1.500 = 2.770$ over voor het project.
Ik heb al enkele weken geleden Abd al-Rahmaan 8.000 rial per week als reis­kosten toegezegd. Voor de komende vier weken is dat 32.000 rial: 265$.
Ik heb toegezegd om na mijn vertrek enkele maanden loon voor de twee nieuwe medewerkers door te betalen. Ik besluit om dit tot twee maanden beperken. Dit is 48.000 rial: 400$.
2.770 – 665 = 2.105$ over voor lopende kosten en een vergoeding voor Abd al-Rahmaan.
Nog betaald moeten worden: de timmerman en Ahmad, de elek­tricien.
Die laatste kwam bij Abd al-Rahmaan thuis, toen ik wilde slapen, zeuren over het geld dat hij had verloren door verleden week 800$ te accepteren in plaats van 100.000 rial.
Ik wees hem erop dat dit business is. Evenzo goed had hij er flink aan kunnen verdienen.
Nu wilde hij, geloof ik, nog eens 100.000 rial, om allerlei spullen nieuw te kopen, maar ik wil hebben dat hij alles gebruikt wat we meebrachten, in de container uit Nederland.
Hij wil nieuwe bedrading kopen: “… want de kabel past niet in de buis.”
(Nou, dan bevestigt hij de kabel maar op de muur of stript de mantel eraf, dan past die wel in de buis. Gereedschap daarvoor is er ook.)
Uiteindelijk krijg ik toestemming om naar Tarim te gaan. Abd al-Rahmaan blijft ziek thuis.
Ik laad het materiaal uit in de bibliotheek en krijg niet te horen wat ik in het hotel wel te horen krijg: dat er in de bibliotheek een brief voor mij is aan­gekomen. Ze hadden naar het hotel gebeld om me te waarschuwen, hoewel ze wisten dat ik naar Sana’a was.
Ik ga zwemmen.
De financiën berekenen, zoals boven weer­gegeven.
Ik gaf de cursus Engels aan Muhammad al-S. Hij is er oprecht blij mee, maar als hij later komt buurten, moet ik hem, met veel excuses, de toegang weigeren. Ik zit midden in de planning en de financiële berekeningen van het project en wil die voor donker af hebben.
Ik eet op mijn kamer brood met witte bonen in tomatensap, koud.
’s Avonds buiten zitten met Muhammad al-S. en Hussain al-A. en een vriend van Muhammad, die Salaah(2) heet en die hier in Tarim op de Koelliyat al-shar’iyya (Roebaat) studeert om ‘alim te worden. Hij komt evenals Muham­mad uit een dorp ergens bij al-Mukalla. Nadat anderen hem erop gewezen hebben dat de gebruikelijke discussie over godsdienst mij enorm stoort, blijkt hij een aardige, intelligente jonge­man te zijn.
Er is nog een andere knaap, zwart, sexy en analfabeet, ook uit dat dorp. Die zegt alleen maar lokaal dialect te kennen. Hoewel niet helemaal schoon, als illegale grensoversteker zat hij vier dagen in Saoedi-Arabië in de gevangenis, zou ik met hem wel het bed willen delen.
Iedereen zegt me dat ze me twee dagen gemist hebben en ter gelegenheid van mijn terugkomst hebben ze droge broodjes met ei en suiker gebakken. (In het vet waarin men normaal al die kippen bakt, kennelijk, want daar smaken deze broodjes naar.)
Bed: 00.30 uur.
Weer: fris in Sana’a. Smoorheet in Tarim.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 16 mei (Slachtfeest, Nieuwjaarsdag, Dag van de Eenheid).
’s Nachts komt Abd al-Rahmaan met een taxi naar mijn hotel in Sana’a. Hij is laat omdat hij onderweg door de politie is aangehouden. Hij kon geen factuur overleggen van al dat materiaal dat in de taxi lag. (De facturen had ik. Ik heb niet aan zulk een voorval gedacht.)
Na het betalen van 150 rial ‘bespoedigingskosten’ kon hij doorrijden.

[…]

In Say’un gaan we naar het huis van Abd al-Rahmaan. Hoewel erg ziek, begint hij weer over dat extra salaris (detachering). Hij stelt dat iedere werknemer werkt naar het salaris dat hij ontvangt en niets extra’s wil ondernemen als daar niet een extra beloning aan vast zit. Hij steekt nu veel energie in het project. (Ik kan dat niet helemaal volgen, want hij wordt toch gewoon betaald om met ons samen te werken en het project tot een succes te maken. Ik zeg dat echter niet.)(3)
Abd al-Rahmaan is niet van plan minder energie in het project te steken. Hij is niet zoals de anderen, maar zou graag zien dat die extra energie beloond werd.
Ik vertel hem dat het niet tot de Nederlandse gewoonte behoort om dat te betalen, zoals MN (Nederlandse Ambassade) vertelde, maar dat ik niettemin een bedrag mag betalen.

[…]

Van het geld dat na mijn berekening overblijft kan Abd al-Rahmaan zijn detachering krijgen, maar niet meer dan 12.000 rial per maand. (f. 160,00, per maand.)
Het is bijzonder ongunstig dat Nico die resterende 4.000 dollar mee naar Nederland heeft genomen. Door de vertragingen is het nu onmogelijk ge­worden dat ik het elektriciteitsnet in de al-Ahgaaf-bibliotheek zelf aanleg, zoals in de eerste opzet het plan was. De elektriciteitsvoorziening moet nu door een elektricien gemaakt worden. Door deze extra kosten en de aan­schaf  van de nieuwe computer ontstaat er een situatie waardoor ik mis­schien niet meer aan mijn betalingsverplichtingen kan voldoen.
De vertraging komt door de late komst van de container, maar ook de week vakantie voor het Slachtfeest, de reis naar Sana’a en volgende week: Nieuwjaarsdag, de Dag van de Eenheid en het bezoek van de Nederlandse Ambassadeur aan Say’un en Tarim, waarbij  men van mij verwacht dat ik daar­bij aanwezig ben.

Dit is het einde van het verslag van 16 mei.

(1) Wat de mensen in Jemen, misschien wel de hele Arabische wereld, niet vertellen, omdat ze waarschijnlijk aannemen dat wij westerlingen in een zelfde situatie leven als zij en wat wij westerlingen niet vragen, ik dus ook niet, omdat wij aannemen dat zij in een zelfde situatie leven als wij (zij het met een lager loon), is hoe de betaling van verricht werk moet worden geregeld. “Je weet wat mijn dienst waard is”, zegt men. Nou, dat weten wij niet. Er wordt in gesprekken nogal moeilijk, versluierd, over geld gedaan.

(2) De volledige voornaam van Salaah is Salaah al-dien en wordt uitgespro­ken als Salaah ad-Dien, in een westerse taal (ook) geschreven als Saladin. Deze naam kan het beste vertaald worden met ‘Rechtschapenheid van de godsdienst, waarbij ‘de godsdienst’ staat voor ‘de islam’.

(3) Had ik dat maar wel gezegd, dan was misschien een van de grote ge­heimen van Jemen voor mij één maand eerder opgelost, dan pas tijdens mijn allerlaatste uren in Jemen!

Dit is het einde van dag 61 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Door op de twee eerste letters van een link te klikken, opent een nieuw tab­blad waarin de geo­gra­fische locatie van de plaats in Google Maps wordt getoond.
Wanneer u op de derde en volgende letters klikt komt u in een nieuw tab­blad bij Wi­ki­pe­dia­pa­gi­na terecht met informatie over deze locatie.
Bij begrippen wordt alleen Wi­ki­pe­dia geopend.

Jemen, 14 mei 1996

Sana'a, Jemen.
Een huis in de oude stad van Sana’a, de hoofd­stad van Jemen.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 14 mei 1996 (dinsdag).

Say’un, Sana’a (Say’un, Sana’a, Dash 7, diskette).
Ik droom dat de vrouw van Abd al-Rahmaan A. met slechts een bad­hand­doek omgeslagen langsloopt op weg naar de badkamer. Even later komt ze eruit. Ik zie de welving van haar borsten door de handdoek heen.
Op 5.45 uur. Ik sliep uitstekend, on­danks dat ik gisterenavond sterke kof­fie dronk.
Hamid B., de taxichauffeur in Say’un, komt pas om 7.00 uur in plaats van 6.30 uur. Hij had ver­tra­ging opgelopen bij zijn vorige klant.
Op de luchthaven geniet ik van de mysterieus mooie ogen van enkele ge­sluier­de vrouwen en van een enkel strak en sexy jongenslichaam.
In het vliegtuig is een sexy ste­wardess gewoon westers gekleed. Is zij een Je­me­nitische, zoals Abd al-Rahmaan zegt, of een Syrische, zoals ik later in Tar­im hoor? Alle ste­wardessen zouden Syrisch zijn.
Ik zit in de omgekeerde richting in het vliegtuig een Havilland Dash 7, met de rug naar de piloot! Helemaal voorin, dus kan ik al die zwarte doe­ken en prachtige mannenkoppen goed zien.
In het vliegtuig vroeg Abd al-Rah­maan naar mijn werk- en slaap­tij­den. Toen ik zei dat ik hier vaak al om 6.00 uur opsta, vroeg hij of ik dan al aan het werk ging. Heel dom zei ik toen dat ik dan ga tekenen. (Om niet als een work alcoholic over te komen.)
“Om nog meer bevriend te raken,” zei hij, wilde hij mijn tekeningen zien. Ik werd rood, bloosde. Al die por­no­gra­fie, die ik teken!
“Niet mogelijk,” zei ik, maar hij bleef aandringen.
Toen ik zei dat het al­le­maal li­cha­men en lichaamsdelen wa­ren, was zijn belangstelling ge­luk­kig voor­bij.
Rond 10.30 uur zijn we in Sana’a.
De taxichauffeur doet veel moeite om de Mogadishustraat te vinden, maar wei­nig mensen hebben daar­van gehoord. De enkeling die het wel zegt te we­ten, legt om­stan­dig uit hoe de chauffeur moet rijden en zegt ter afsluiting: “Daar is de Nouak­chott­straat.”(!)
Volgens Abd al-Rahmaan is onze ta­xi­chauffeur een rijk man. De grond van de luchthaven was van hem en hij werd voor een groot bedrag ont­eigend. Het is hem niet aan te zien en zijn auto valt bijna uit elkaar.(1)
We zoeken een computerwinkel en de taxichauffeur zet ons uiteindelijk af voor een zaak in de Mo­ga­di­shu­straat. Ik weet dat dit niet de zaak is waar Nico en ik onze keyboards koch­ten, enige tijd geleden, maar we zouden hier ook kunnen kijken.
Het is meteen raak: een mooie vrouw die goed Engels spreekt. Zij heet Roe­may­la Shaahir en is Man­doeb taswieq: Marketing officer. Zij verkoopt twee merken computers. Packard Bell (thuis heb ik ook dit merk) en AST. De Packard Bell com­pu­ters zijn multi­media­com­pu­ters. Voor ons doel is de AST vol­doen­de. (Tekstverwerking.)
We besluiten de AST Advantage Pen­tium 75 MHz te kopen. Die kost 1.995 US dollar. Die is morgen gereed, met Arabische software.
We gaan naar de Nederlandse Am­bas­sade, maar MN heeft com­pu­ter­cur­sus.
British Council: ik informeer naar een cursus Engels op cassettes. (Die wil ik kopen voor Muhammad al-S., als cadeau.) Zoiets hebben ze niet.
Abd al-Rahmaan wil op bezoek gaan bij familie, in plaats van nood­za­ke­lijke spullen te gaan kopen. Ik ga naar het al-Gasmi-hotel. Ik logeerde daar tij­dens de eerste week van mijn verblijf in Jemen, in de tweede helft van maart.
Circa één uur slapen.
Abd al-Rahmaan heeft van 18.00 tot 19.00 uur cursus in tekstverwerken met het programma al-Ustadh. Een leuke jongen geeft uitleg.
Rond 19.00 uur, volgens telefonische afspraak, bij MN thuis.
We bespreken het programma van de reis van de Nederlandse am­bas­sa­deur die op 21 en 22 mei naar de Ha­dramaut komt, met zijn auto, drie da­gen rij­den, in plaats van an­der­half uur vliegen.
MN is moe en wil niet over financiën spreken, maar niet zo moe om de nu erg zieke (rillend en koorts) Abd al-Rahmaan een oordeel te laten vellen over oude kistjes die ze wil ko­pen: echt of niet echt.
MN heeft een zwarte bediende, Abd al-Kariem, met wie ik zo zou willen knuf­felen. Hij is een stevige ne­gro­ïde jon­ge­man.
Van 21.00 tot 21.30 uur eten in het Taj Sheba Hotel.
Met de taxi terug. Als ik de chauffeur 200 rial (f. 2,60 / € 1,20) geef, mom­pelt die: “Wa-llaahi!” (Mijn god: wer­ke­lijk?)
Na de middag en ’s avonds veel re­gen en fris.
Ik hoorde van Abd al-Rahmaan dat een ambtenaar in het Noorden voor de Golfoorlog 1.500 dollar verdiende, maar nu nog maar 200 dollar.
Een ambtenaar in het Zuiden ver­dient 7.000 rial. (Zoals de meesten in de bibliotheek.)
Abd al-Rahmaan verdient 12.000 rial per maand. (1.000 rial: f. 13,00.)

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de za­kelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen in­te­res­san­te informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 14 mei.
Op de luchthaven van Say’un zegt Abd al-Rahmaan dat tus­sen­per­so­nen, zoals hij, bij andere (bui­ten­land­se) projecten betaald worden uit het project door de (geld-) ver­strek­ken­de instantie. Dit naast het re­gu­lie­re salaris dat ze ontvangen van hun lokale werkgever.
Ik heb daar nog nooit van gehoord. Dit is immers mijn eerste project. Ik be­loof een en ander met MN in Sana’a te bespreken.

[…]

De AST Advantage met Pentium pro­ces­sor en een snelheid van 75 MHz, met 8 MB werkgeheugen en 850 MB harde schijf is een ge­schik­te com­pu­ter voor een redelijke prijs: 1.995 USD (Naar de betaalde koers in maart 1996 van f. 1,68 is dat f. 3.350) Geïnstalleerd is Windows 95 en Win­dows 3.1 met A­ra­bische soft­ware. We kunnen gratis Mi­cro­soft Office met Arabische software, zoals Word 6, krijgen. Als goede tekst­ver­wer­ker kan ook al-Ustadh(2) van Sachr dienen. Dat programma kost 265 USD.
Ik besluit zowel de computer als het al-Ustadh programma te kopen. Ik wil niet lang zeuren over de prijs of op zoek gaan naar een goedkopere firma, om daar te constateren dat het prijsverschil slechts in de tientjes loopt. We hebben bovendien een vol programma in Sana’a af te wer­ken, waarbij tijdverlies niet gewenst is.
Vanavond, om 18.00 uur kan Abd al-Rahmaan een korte introductie in al-Ustadh krijgen.

[…]

Rond 17.30 uur komt Abd al-Rah­maan. Hij blijkt ernstig ziek. Het frisse kli­maat in Sana’a lijkt voor hem fataal. Het wordt er niet beter op als het ’s avonds ook nog hard gaat regenen.
We gaan samen naar The Yemen Computer Centre in de Mo­ga­di­shu­straat. Er is een probleempje. (Waarom ook niet?) De al-Ustadh-software is niet beschikbaar. Pas volgende week, maar Roemayla Shaahir kan de software die op een demonstratie PC staat, de-in­stal­le­ren en ons de diskettes mee­geven. Dat is de beveiliging van Sachr. Eenmaal geïnstalleerd kan de soft­ware niet nog eens op een andere computer geïnstalleerd worden. Pas als die gede-ïnstalleerd is, kan die weer ergens anders geïnstalleerd wor­den.
Oecht Roemayla (zus Roemayla) zal kijken wat ze kan doen. (Alle man­nen worden aangesproken met Ach: broer!)
Abd al-Rahmaan, werkpaard, maakt van de demonstratiegelegenheid ge­bruik om op de Arabische tekst­ver­wer­ker de aankondiging voor het bezoek van de Nederlandse am­bas­sa­deur in Say’un om de Van der Meu­len-ten­toon­stel­ling te openen, gedeeltelijk zelf en gedeeltelijk door anderen te laten typen en uit­prin­ten.

[…]

MN, van de Nederlandse ambassade, zegt dat een cursus Engels voor Abd al-Rahmaan niet op bezwaar stuit. Ze is uitgeput en wil niet meer over geld­za­ken, die ons werk betreffen, spreken.

Dit is het einde van het verslag van 14 mei.

(Sadaqa.)
(1) Het verhaal over die straatarme ‘miljonair’ kende ik al van mijn va­kan­ties in Turkije. Daar werd mij verteld dat veel bedelaars in wer­ke­lijk­heid heel rijk zijn, maar te gie­rig om geld uit te geven. Dat is na­tuur­lijk mogelijk, maar het lijkt mij eer­der een fabel, een excuus om niet de, in de islam min of meer ver­plich­te, aalmoes (sadaqa) te hoe­ven geven.

(2) Ustadh betekent: leraar, on­der­wij­zer, pro­fes­sor.

Dit is het einde van dag 59 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Door op de twee eerste letters van een link te klikken, opent een nieuw tab­blad waarin de geo­gra­fische locatie van de plaats in Google Maps wordt getoond.
Wanneer u op de derde en volgende letters klikt komt u in een nieuw tab­blad bij Wi­ki­pe­dia­pa­gi­na terecht met informatie over deze locatie.
Bij begrippen wordt alleen Wi­ki­pe­dia geopend.