Jemen, 6 juni 1996

Een nieuwe deur.
De timmerman heeft vandaag, donderdag, de nieuwe voordeur afgeleverd voor de biblio­theek. Hij zal die zaterdag plaatsen. Die deur zal de oude grijze, rechts op de foto te zien, vervangen.
De man op de foto, links, is Abd al-Rahmaan A. de directeur van de al-Ahgaaf-bibliotheek in Tariem.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 6 juni 1996 (donderdag).

Naar het einde of de index.

Tariem, Say’oen.
Enkele weken geleden deed ik de whisky in de appelsap-flessen en de jonge jenever in waterflessen. Gis­terenavond dronk ik twee jonge jenever aan­gelengd met lemontina. Ik zette de fles jonge jenever zonder na te denken in de koelkast. Toen ik later een slok water wilde hebben … ja, toen dronk ik een flinke teug jonge.
Ik was in staat tot 7.45 uur te slapen, wel met veel onderbrekingen, want het is vanaf 05.00 uur klaarlichte dag. Mijn bed (buiten) komt echter pas na achten in de volle zon te staan.
Vanavond slaap ik in Say’oen.
Nu 8.30 uur.

In de bibliotheek wacht ik tot 11.45 uur. Dan is er een kwartiertje span­ning. Ik print de fax voor Jan Just Witkam uit en laad in beide com­puters dat deel van de fihrist (catalogus) dat ik thuis overtypte, in de computer. (Thuis: september – december 1995 in Nederland.)
Nadat ik de nieuwe koers heb gevraagd (106 rial voor 1 US$) voeg ik enkele regels met de hand aan de fax toe. Ik besluit om 400 of 500 dollar te wisselen, maar de geldwisselaars zijn al vertrokken. Gelukkig, want in Say’oen, waar ik naar toe ga, krijg ik 109 rial en wissel daar vijftien­honderd dollar bij de zwager van Abd al-Rahmaan A. Die heeft een be­drijf voor reparatie van auto-uit­la­ten en kan dat bedrag in rial zonder problemen op tafel leggen.

Bij Abd al-Rahmaan thuis zie ik een prachtig mooie vrouw, slechts met hoofddoek en ik reken me al rijk: ik zag de vrouw van Abd al-Rahmaan, maar later blijkt deze schoonheid een jong buurmeisje in donker­groene jurk en grote zwarte hoofd­doek. Zonder al die stof zal ze waarschijnlijk zeer mager zijn.
’s Avond krijg ik een eenvoudige, maar goede maaltijd voorgezet.
We zitten buiten nog wat te ver­tellen en rond 23.30 ga ik naar bed.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 6 juni.
De timmerman levert de houten deur af, gemaakt van Maleis meran­ti. Ahmad, de elektricien uit Tariem, wijst me erop dat meranti niet gevrijwaard kan worden van hout­worm. Er is harder hout ibal(?) (eik?) dat onverwoestbaar is en in de winter nog harder. (Volgens Abd al-Rahmaan.) Dat hout wordt alleen in de winter gezaagd.

[…]

Gezien de omvang en het soort kleding vermoedde ik al dat het een Nederlandse was. Ze kwam in mijn richting gesjokt. Toen ze dichterbij was uitte ze een paar onverstaan­bare klanken, zodat ik niet meer wist met welke nationaliteit ik nu weer te doen had, maar mijn eerste indruk bleek toch correct en ze stelde meteen gerichte vragen, alsof zij het geschenk aan de bibliotheek gegeven had en alsof ze hier al vele malen geweest was. Vragen in de trant van: “Heeft dit nu nut? Is dit geen weggegooid geld? Kunnen die mensen wel met dit spul omgaan? Hebben ze wel enige benul wat er gebeurt? Kennen ze de waarde van dit alles wel?”
Ik vroeg haar wie ze was en wat ze kwam doen. Haar voornaam was M., ze was journalist voor een polytech­nisch tijdschrift, maar hier was ze slechts op vakantie, met Djoser.
Toen wist ik genoeg. Hun reis­begeleider, MvM, is hier al ver­schillende keren geweest en in het begin hadden Nico en ik het idee dat dit geschenk ‘paarlen voor de zwijnen’ was. In onze teleurstelling hadden we dat idee niet onder stoelen of banken gestoken en ook MvM deelgenoot gemaakt in onze verbitterde gevoelens.
Ik vertelde haar (een goede vriendin van MvM) dat het idee waarop haar vragen stoelden niet meer van toepassing was. Dat al die negatieve woorden niet meer op hun plaats waren en dat ik nu vrijwel zeker wist dat dit een groot succes zou worden, zeker nu er een nieuwe directeur is met enkele enthousiaste medewer­kers. Toen MvM later ook kwam heb ik hem apart genomen en hem mijn nieuwe opvatting verteld, maar hij bleef sceptisch.
Hij heeft een wrok tegen enkele mensen van de Nederlandse Ambas­sade. (De heer M. van de Ambassade heeft een negatief reisadvies voor Marib en omgeving afgegeven en Djoser, als lid van de ANVR, moet zich daaraan houden, terwijl alle andere reisbureaus die regio zonder problemen doorkrui­sen. M. zou, vol­gens MvM, zijn criteria niet willen toelichten.)
Om die reden blijft het voor MvM moeilijk beslissingen van de Ambas­sade (de­ze gift bijvoorbeeld) te ac­cep­­teren. MvM is ook persoonlijk betrok­ken bij de financiering van een tehuis voor geestelijk gehandicapte kinderen (in Jemen), waar­voor de Nederlandse regering geen geld over heeft. Zijn scepsis heeft daarmee te maken: waarom wel geld voor ‘oud papier’, maar niet voor gehandicapte kin­deren.
De Nederlanders, ook dezen ‘zeer geïnteresseerd’ in de islamitische cultuur, gezien hun geringe belang­stelling voor handschriften, maar wel voor mijn fax aan Jan Just Witkam, die ik op dat moment uitprintte: allemaal stonden ze die te lezen en nadat ze een deel uit dat bericht geciteerd hadden, zei ik: “U bent wel erg nieuwsgierig.”
“Daarvoor zijn we hier,” kreeg ik als antwoord.
Om computers te komen bekijken, zeker, en persoonlijke brieven hard­op mee te lezen!

[…]

Ik ga met Abd al-Rahmaan mee naar Say’oen. Onderweg wijst hij me op de vele witte stenen op de berghel­lingen. Die staan allemaal in grote vierkanten opgesteld. Het zijn stuk­ken land die bestemd zijn voor huizenbouw. Nu de regering niet meer toeziet op wat er in het land gebeurt, komt iedereen zomaar een stuk land claimen, eventueel met vervalste documenten.
Toen de regering nog wel toezag, gebeurde dit ook, toen claimden politici grond, niet voor henzelf maar voor de partij of de regering.
Het enige verschil met vroeger is dat het toen volgens een bepaald sys­teem gebeurde en nu in het wilde weg.
Bovendien claimt niemand meer voor een ander (de partij of rege­ring), maar wel voor zichzelf.
Taxichauffeur Hamid had me ook al op deze praktijken gewezen.
Veel mensen verlangen terug naar de socialistische tijden, hoewel dat een slechte tijd was en men van die regering verlost wilde zijn. Muham­mad al-H. citeerde ver­leden week al uit een gedicht:

Vroeger huilde men over haar, nu huilt men om haar. (De regering.)

[…]

Ik informeer naar de wisselkoers van de dollar en krijg te horen dat die 109 rial is. Drie meer dan in Tariem. Abd al-Rahmaan wil dat ik bij zijn zwager geld wissel tegen de geldende koers. Daar heb ik geen bezwaar tegen. We rijden een eind en stoppen bij een garage voor de reparatie van knalpijpen. (Spe­cialisme!) Daar hebben ze een prachtige poortdeur van bewerkt hout, die staat weg te rotten.
Abd al-Rahmaan zegt dat ik hier maar moet wisselen. Ik kijk hem verbaasd aan en zeg: “Ik dacht dat ik bij je zwager moest wisselen?”
“Dat is hier.”
Ik stap uit en er staat een of ander onduidelijk figuur op mij te wachten. Ik zeg tegen hem dat ik geld wil wisselen, maar hij com­mandeert me om naar binnen te gaan. Ik denk dat hij me niet begrepen heeft, maar met nog meer ongeduld zegt hij dat ik naar binnen moet gaan. Achter het bureau van het kantoor vind ik de schoonvader van Abd al-Rahmaan. (Ik zag hem op de luchthaven van Sana’a, toen we terugkeerde van ons kort bezoek aan de hoofdstad.) Tegen hem zeg ik dat ik geld wil wisselen en weer wordt er wat gecommandeerd. Dan komt een ietwat gezette jongeman achter het bureau zitten en hij blijkt de zwager te zijn. Bij hem wissel ik vijf­tienhonderd dollar voor 109 rial per dollar. Hij behoort tot de al-Kaaf familie en het blijkt voor hen geen moeite het juiste geldbedrag op tafel te leggen.
Het voorgaande vage gedoe kom ik steeds weer tegen en het blijft moei­lijk om daaraan te wennen. Telkens wordt je in het onge­wisse gelaten over prijzen. Als je iets koopt zegt de verkoper niet: “Zoveel,”, maar je moet naar de prijs vragen.
Mensen die diensten verlenen, zeggen vaak niet: “Ik krijg zoveel van je,” maar “Jij weet wel wat mijn dienst waard is.”
Ook Abd al-Rahmaan heeft moeite om concreet te zijn over geld. Iedereen ver­onderstelt maar dat je alles weet en iedereen kent.

[…]

We gaan onderhandelen met de chauffeur van de Landcruiser, die ons twee dagen lang in Wadi Do’an zal rondrijden. Ook hier weer een staaltje van vaagheid. Iemand an­ders dan de chauffeur had gezegd dat hij het wel voor 12.000 rial zou doen en Abd al-Rahmaan had mij dat als zekerheid gepresenteerd, maar de chauffeur denkt er anders over en wil 15.000 rial. Na lang gesteggel moet ik de knoop door­hakken en gaan we dus voor dat laatste bedrag.
Abd al-Rahmaan had me op weg van Tariem naar Say’oen al verteld dat hij slachtoffer was geworden van onduidelijke afspraken. Zesduizend rial had hem dat gekost. Voor me­nigeen een maandloon.

[…]

We bezoeken het ouderlijk huis te midden van een rijk gevulde planta­ge van dadelpalmen op het plat­teland, even buiten Say’oen. Hoewel het al bijna donker is kan ik zien dat het een prachtig stuk grond is. De weg erheen was al een fotoreportage waard.
Op dat land werken een aantal boeren. De opbrengst van de dadel­palmen is voor de helft voor de familie A., de andere helft voor de boeren, die niet op het land wonen. Van de helft voor de familie gaat 35% op aan de instandhouding van de plantage.
De boeren bezitten de waterpomp, maar het waterwiel is van de familie. De boeren zijn kennelijk niet hele­maal betrouwbaar, want ze doen nogal eens alsof ze niet weten hoe een en ander onderhouden moet worden, in het deel van de familie, wel te verstaan. In hun deel van de plantage komen die problemen niet voor, hoewel deze niet de slechtsten zijn. De familie bezit kennelijk meer land, want daar zitten boeren die veel problemen veroorzaken.
Verder veroorzaken ook militairen uit de naburige legerplaats proble­men. Die komen bij nacht en ontij met hun wapens en pakken wat ze te pakken kunnen krijgen. Zij richten meer schade aan dan ze wegnemen. Dit is een land zonder regering. Iedereen doet maar wat hij wil.

[…]

Abd al-Rahmaan wil van het huis dat bij de plantage hoort twee appar­temen­ten maken en die verhuren aan toeris­ten.
In een cafetaria, ongeveer Europese stijl, bespreken we zijn idee.
In ieder geval zal er constant elektriciteit en koel water beschik­baar moeten zijn. Ik wijs hem op het bestaan van de ‘veteranenziekte’, ge­volg van bacteriegroei in water­pijpen waar altijd lauw water doorheen gaat. Ook komen we tot de conclusie dat de naast het huis staande waterpomp elektrisch moet worden, want iedereen wordt gek van het getakketak van de tweetakt­motor.

[…]

Onderweg vertelde Abd al-Rahmaan over de opkomst van de Islah-partij, die steeds machtiger wordt in dit economisch steeds verder achteruit­gaande Jemen. De basis van de verbetering van de economie van het land ligt in beter onderwijs, terwijl de Islah-partij, die nu ook het onderwijs verzorgt, afziet van het onderwijzen in de westerse weten­schappen en kennis en zelfs afziet in het onderwijzen van wiskunde. Belangrijk voor hen is de gods­dienstwetenschap.
Voor Jemenitische arbeiders is er niet veel kans en hoop op verbe­tering van de arbeidsomstandighe­den. Ze zijn slecht onderwezen en niet allemaal bereidt even hard te werken. Westerse oliemaatschappij­en nemen geen Jemenieten in dienst, maar Oost-Afrikanen, omdat die Engels zouden spreken en, na­tuurlijk, eerder bereid zijn een order op te volgen, dan de socia­listisch onderwezen Zuid-Jemenieten.

[…]

Bij Abd al-Rahmaan thuis hoor ik dat sommige Jemenieten grote hoe­veelheden valiumpillen leveren in Saoedi-Arabië, tegen woekerwins­ten. Dat sluit mooi aan bij het verhaal dat ik eens in een Egyptisch damesblad las over vrouwen in de Golfstaten en omstreken. Die hebben niets zinvols te doen in hun leven. Ze kijken Tv, bellen urenlang met vriendinnen en slikken vooral veel verdovende pillen om de dag door te komen.

[…]

De chauffeur van de Landcruiser komt vertellen dat er overstromin­gen zijn in Wadi Do’an en dat hij niet zo ver kan gaan als Abd al-Rahmaan wil. We zullen nu maar één dag gaan, in plaats van twee. Weer begint natuurlijk het gesteggel over de prijs, maar daar ben ik niet bij. Dat hoor ik achteraf.

Dit is het einde van het verslag van 6 juni.

Index: fihrist, ibal, Islah-partij, VeteranenziekteZuid-Jemen: com­munisme.

Index van personen: Abd al-Rah­maan A., Hamid B. taxichauf­feur, al-Kaaf, Nico, Jan Just Witkam.

Index van plaatsen: Jemen, Marib, Sana’a, Say’oen, Tariem, Wadi Do’an.

Dit is het einde van dag 82 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

De uitspraak van enkele letters en klanken in Arabische woorden.
In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voorkomt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ق) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s