Jemen, 3 juni 1996

Aidied van de Yool af gezien.
Dit is de wijk Aidied van boven gezien, vanaf de Yool, ten noorden van de Wadi Hadra­maut. Het Gasr al-goebba-hotel ligt rechts van het midden (een wit rechthoekje), aan de rand van het groen, waar de landweg naar links afbuigt. (De landweg die langs het bijna vier­kante complex loopt, dat ook rechts ligt, iets meer op de voorgrond.) Al die huizen kan ik gemakkelijk zien vanaf het dak van het hotel. Op de achtergrond is het begin van de Wadi Masila en de weg naar Gabr Nabi Hoed. Tariem ligt achter de uitloper van de berg links en is dus niet te zien. Door de pech met Hamid’s auto zou ik Tariem niet van boven te zien krijgen.
In de groep huizen, links, ongeveer in het mid­den, woont Hussain al-A. de receptionist van het hotel. Bij hem at ik twee keer thuis.

 

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 3 juni 1996 (maandag).

Naar het einde of de index.

Tariem.
Ik voel me zwaar vermoeid als ik om 06.00 uur opsta. Vannacht al had ik problemen met de volle maan, was die nu alweer aan de hemel terwijl ik hem enkele uren ervoor al had zien ondergaan?
Ik teken wat, maar ga daarna weer slapen.
Het zakkerig gevoel blijft. Ik voel me al sinds gisteren niet lekker.
Ik zie op tegen het bezoek aan Hus­sain al-A., van de receptie, rond half acht, tenzij zijn vrouw erbij is, maar dat is ijdele hoop. Ik kijk uit naar het bezoek aan Wadi Du’an, komend weekend.
Nog meer kijk ik uit naar de lucht­haven van Schiphol over veer­tien dagen en een paar uur.
Vandaag ben ik elf weken in Jemen. Nog nooit ben ik zo lang in het bui­tenland gebleven. (Circa tien weken in 1994.)
Elf weken is wel het maximum in dit klimaat, dat alleen maar aangenaam is tussen 05.00 en 07.00 uur. In de vroege ochtend, dus!
De constant voortdurend stroom­sto­ring (vandaag al voor 05.00 uur) beperkt mijn intellectuele moge­lijk­heden. Ik kan niet werken aan de database en koeling (venti­latoren) is niet mogelijk. De lethargie slaat toe.
Een zonnepaneel, dat moet elektri­sche uitkomst brengen, de volgende keer.
Nu 08.30 uur.
Ik beschrijf het handschrift dat ik 11 mei kocht. Leuk werk.
Plotseling wordt er geklopt en dan staat Muhammad al-S. voor de deur. Hij komt afscheid nemen. Alles gaat zo snel. Ik ben er confuus van en vergeet hem binnen te vragen. Dat hij weggaat doet me ook niet veel. Onze verhoudingen waren al een beetje bemoeilijkt door die discussie over godsdienstig op 25 mei jl., al­thans, dat gevoel had ik. Het leek of hij mij meed, ’s avonds, maar ik bleef ook veel avonden boven, op mijn kamer, om te werken.
Zijn demonstratie van totale le­thargie, gisterenavond sloot voor mij het boek Muhammad al-S. Twintig jaar en dan zó lui. (Zoals de grote meer­derheid in dit land.)
Ik werkte door en vergat hem, hoe­wel hij nog gevraagd had: “Zul je me niet vergeten?”
“Nee, natuurlijk niet,” had ik gezegd.
Enkele dagen geleden nog had ik volledig vertrouwen in zijn wils­kracht om Engels te leren en had ik gepland om hem tienduizend of vijftienduizend rial te geven en vijftig tot zeventig dollar, om in Sana’a een cursus Engels te volgen in de school waar Katherine werkt.
Ik had lange tijd in gedachten bij mijn afscheid het hotel weer tienduizend rial te geven, maar na het zwemmen zie ik ook daar van af. Ik hou het geld zelf om Arabische software te kopen.
Het ‘zwarten’ zwembad ligt vol met mannelijke stukken. Ik moet moe­derziel alleen zwemmen in het bad voor ‘witten’. Zij zullen om 16.00 naar huis gejaagd worden en ik wil niet meer in mijn veel te kleine broek lopen. Ze waren al te klein toen ik hier naartoe kwam, maar ik werd hier ook nog dikker, in plaats van dunner, wat ik verwacht had.
Vanavond bij Hussain moet ik hem weer aan en dan ook nog in een moei­lijke houding op de grond zitten.
Nu 16.30 uur:

Computeren en muziek luisteren.
Rond 19.45 uur komt Hussain me ophalen met zijn motor. Hij rijdt door nachtelijk Aidied. Er is geen elektriciteit en dat zal de hele avond zo blijven.
Zijn dochtertje van zeven met de naam Djihaad ziet er beeldschoon uit. In zijn huis loopt veel vrouwvolk rond. Vrouwen van zijn broers.
Wat ik snel van de gezichten kan zien is dat het allemaal schoonheden zijn.
Het huis is niet van hem, maar van zijn vader, dus zijn broer woont er ook.
Zijn broer en een vriend eten mee. Het eten stelt niet veel voor: brood, groente en vis. Zoiets als in het hotel. Niet mijn lievelingskostje, maar niet slecht. Ik vind het een leuke, gezellige avond.
Er is geen elektriciteit en de gaslamp staat zo opgesteld dat ik de vrouwen niet kan zien, maar zij mij ver­moedelijk wel.
Tegen 22.15 uur ben ik weer thuis met een klein, maar leuk cadeautje: een bachoer-set. Mirre en wierook. Ik weet niet hoe het te gebruiken, maar ik zal Hussain morgenochtend vra­gen.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 3 juni.
Ik ben de enige gast in het hotel. Dat is al weken zo. Een enkele maal kwam een groep Fransen langs, die hier twee nachten bleef. In het verleden kwamen hier nog wel groepen om de lunch te gebruiken en / of te zwemmen, maar dat ge­beurt nu ook nog maar zelden.

[…]

’s Avonds ga ik bij Hussain al-A. (receptionist van het hotel) op bezoek. Hij had mij bij hem thuis uitgenodigd. Er komen twee fami­lieleden bij ons zitten. Een van hen is een broer (33 jaar) van Hussain en die was er de vorige keer (6 mei) ook bij. Hij is onderwijzer (moedarris) op de basisschool. De ander kende ik nog niet. Hij is een vriend en woont hier in de buurt. Hij is bouwmeester, of meester in de bouw, moe’allam, wat ik verwarde met leermeester in de bouw(1), maar hij is geen moedarris, geen onderwijzer. Deze man is 45 jaar oud en bouwt dagelijks huizen van modder / leem: tien.
Hij werkt ’s ochtends tot de salaat al-zoehoer en van na de salaat al-asr tot zonsondergang. Hij toont zijn bijna zwart verbrande armen.
De vrouw van Hussain zit ook in het onderwijs. Zij is gymnastieklerares op de meisjesschool, maar dat kwam ze mij natuurlijk niet zelf vertellen.
De broer heeft nu drie maanden vakantie. Ik vraag hem wat hij doet in die tijd.
“Niets!”, doet hij, natuurlijk.
“Ook niet wat studeren, lezen of iets dergelijks.”
“Nee, helemaal niets.”
Op straat horen we hele hordes schoolkinderen zingend langsrijden. Feest wegens het einde van het schooljaar.
“Allemaal sayyids“, zegt Hussain, terwijl hij zijn neus optrekt.
Ik zag hem in het hotel nooit bidden, toen hij nog avonddienst had, terwijl de anderen, in groepjes, voorgegaan door Muhammad al-S., die een mooie zangstem heeft, wel baden.
Desgevraagd zei Hussain dat hij thuis bad, maar Muhammad al-S. zei dat hij een ‘apart geval’ was, die ‘niet in orde was.’
(Al deze mensen zijn natuurlijk communistisch opgevoed, allen lazen ‘Das Kapital’ van Karl Marx (ook mijn samier Muhammad al-S.) en sommigen zullen zeker nog die leer aanhangen.)
De mahaarim van Hussain zitten, net als wij, ook op het dak, buiten, om de hitte in huis te vermijden, maar natuurlijk op een afgescheiden plaats. Ik zie verschillende mooie kleren langs schieten, maar het is moeilijk een gezicht waar te nemen.
Het is donker, want er was natuurlijk geen elektriciteit, alleen een gaslamp brandt en ze doen ook moeite om niet gezien te worden, hoewel ze niet gesluierd zijn.
Natuurlijk komt het geloof ter sprake en ik wijs hen er op dat bij ons godsdienstvrijheid heerst. Alle geloven zijn aanwezig.
De leraar: “Toch zeker geen joden?”
Ik: “Alle geloven zijn in ons land te vinden en het is gebruikelijk dat we niet over ons geloof praten.” Dat laatste om verder gezeur te voor­komen.
Hussain, die dat al meer gehoord heeft, zegt tegen de anderen dat het toeristen keer op keer overkomt dat als ze in contact komen met Ara­bieren, die laatsten direct over het geloof beginnen.
We gebruiken een avond­maal, ongeveer zoals in het hotel, maar dan zonder rijst. Rijst wordt alleen ’s middags gegeten. Dit een­voudig maal is ongeveer het­zelfde als het ontbijt. Het bestaat uit zelfgebakken brood. (Bruin. Ik kan in het donker niet goed zien wat het precies is.) Het is ongeveer één tot anderhalve centimeter dik. Verder is er een schaal met groente (aard­appelen, peper en nog wat ander spul, waarvan ik de naam niet goed onthouden heb, chaboer?(2)), grote hompen vis, bananen, thee en water.
De maaltijd is niet mijn stijl, maar zeker niet slecht.
De avond is gezellig.

[…]

Ik wil hier een wijdverbreid mis­verstand uit de weg ruimen.(?) Mij is op de universiteit geleerd dat in de Arabische wereld de gebeds­oproep (azaan) per cassetteband gebeurt.
Daarvan heb ik tot nu toe nog nooit iets gemerkt, bij al mijn bezoeken aan islamitische landen.
In Istanboel hoorde ik de moe’azzin hoestend en proestend zijn oproep beginnen. In Jeruzalem stikte de verkouden moe’azzin bijna in zijn oproep. Zowel in Syrië als in Jemen hoorde ik iedere dag andere stemmen of andere inleidingen voordat de oproep begon.(3) De Omayyadenmoskee in Da­mascus roept driestemmig op. (4)
Hier in Tariem hoorde ik een nog slaapdronken moe’azzin beginnen om in de loop van de oproep een steeds beter stemgeluid te produ­ceren. Of iemand die zich vergiste, stopte en even later weer verder ging.
Natuurlijk heb ik in geen enkele moskee gecontroleerd of er wel of niet een cassettespeler staat, maar het lijkt mij een ‘heidens’ karwei om al de op ‘life’ lijkende cassettes (iedere dag een andere) te maken. Daar is veel meer tijd mee gemoeid dan zelf even oproepen.
Bovendien, welke rechtgeaarde, gelo­vige moe’azzin zou zich dat laten aangaan: zich nog eens lekker omdraaien, terwijl zijn stem de anderen wakker maakt en oproept om uit bed te komen?

Dit is het einde van het verslag van 3 juni.

(1) Het verschil tussen bouwmeester en onderwijzer, is miniem: moe’allam en moe’allim. De eerste is degene die het onderwijs heeft ontvangen (en dus in het onderwezene geschoold is) en de tweede is diegene die het onderwijs geeft.
(2) Waarschijnlijk heeft men tegen mij, desgevraagd, gezegd: “Groente.” In het Arabisch is dat chadrawaat (dat ik beslist onthouden zou hebben), maar choedar kan ook.
(3) In sommige gemeenschappen worden lokale mannelijke bewoners gevraagd om moe’azzin te zijn en de gebedsoproep (azaan) te doen. Dat beschouwen ze als een grote eer.
(4) De driestemmige oproep in de Omayyadenmoskee in Damascus heb ik met eigen ogen aanschouwd.

Index: azaan, bachoer, Das Kapital, mahram / mahaarim, mirre, moe’az­zin, moe’allam, moe’allim, moedarris, salaatsamier, sayyid, tienWadi, wierook.

Index van personen: Djihaad, Hamid B., Hus­sain al-A., receptionist, Katherine, Mu­hammad al-S.

Index van plaatsnamen: Aidied, Gabr Nabi Hoed, Gasr al-goebba-hotel, Omayyaden­mos­keeSana’a, Tariem, Wadi Dhahab, Wadi Du’an, Wadi Hadramaut, Wadi Masilah, Yool.

Dit is het einde van dag 79 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voor­komt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.