Jemen, 4 juni 1996

Mijn chauffeur op de Yool.
Impressies van de Yool. Mijn onfortuinlijke chauffeur, Hamid B. uit Say’un, voor zijn ou­de To­yota Cressida, na de eerste reparatie van de gebroken bladveer. Hij repareerde die met een oude binnenband, een stuk touw en een flinke steen).
Voor deze rit had ik hem 5.000 rial beloofd, maar na afloop van de toer voegde ik daar nog 1.000 rial aan toe (ongeveer ƒ 13,00) voor de reparatie van de veer. Later vertelde hij me dat hij een nieuwe bladveer gekocht had. Samen met montage had hem dat 1.350 rial gekost!

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 4 juni 1996 (dinsdag).

Naar het einde of de index.

Tariem.
Een paar keer achter elkaar schiet ik uit de slaap wakker. Iedere keer ver­keer ik in ademnood, na een soort verstikking. Na een poosje ga ik rechtop zitten en laat een paar flinke boeren. Daarna heb ik geen last meer van oprispingen.
Het is al na twaalven.
Rond 03.00 word ik wakker. Het is be­nauwd en ik ben nat van het zweet, terwijl ik kort ervoor ook al wakker werd van een ijskoude wind.
Ik kan niet meer slapen, zeker niet meer als ik denk dat er een tijdje aan mijn kamerdeur gerommeld wordt.
Om 04.45 uur sta ik op en maak het dag-verslag van gisteren af.
Ontbijt.
Nu 07.30 uur.

Ik ga naar de bibliotheek, maar daar is natuurlijk geen elektriciteit.
Ik zoek de GAL-verwijzingen(1) voor ‘mijn’ manuscript.
Hotel: slapen.
Na 16.30 een uurtje zwemmen.
Douche met warm water, want de buitentemperatuur is fris.
Op het dak ga ik een op­komend onweer fotograferen en ben ik ge­tuige hoe een zandstorm via de weg Tarim-Say’un de Wadi binnenkomt en hoe alles in het stof verdwijnt. Deze storm wordt gevolgd door een onweer met heftige regenval. De verkoeling is slechts van korte duur. Al gauw druppelt het zweet weer van mijn voorhoofd.

Nu 23.00 uur: het is benauwd.
Weer: zandstorm en onweer.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 4 juni.
Sjeik AB. ontving geen officiële ontheffing van zijn directeurschap en laat nu bij monde van Abd Allah al-A. weten dat hij zich nog directeur voelt. (Een directeur die niet op zijn werk verschijnt, dan.)
Abd al-Rahmaan A. zegt dat de sjeik in Sana’a is geweest en van alles op de hoogte moet zijn en dus ook moet weten hoe de vlag er bij staat.
Aan de bibliotheek hoort een ko­pieer­apparaat, dat echter al meer dan één jaar in reparatie is. Sjeik AB. laat nu weten dat de reparatie 70.000 rial kost. (Circa f. 900,00)

[…]

‘Calligraaf’ Hussain al-A. (niet de leraar Engels) levert voor de tweede keer een, naar Nederlandse maat­staven, een wanprestatie. Hij levert het aankondigingsbord om de schoe­nen uit te trekken, voordat de bezoeker de bibliotheek betreedt, voor de tweede keer af met een niet-rechte rand.
Ik zeg tegen Abd al-Rahmaan dat de siraat al-moestagiem (de rechte weg) niet slingert. De rand moet zo recht zijn als de siraat. Het blijkt echter onmogelijk om Nederlandse kwali­teit te eisen. Misschien ben ik te streng geweest. Ik laat het er maar bij.
Er staan taal- en stijlfouten op het grote bord dat buiten moet komen en waarop de Nederlandse gift wordt verklaard. Er staat dat de Republiek Jemen een cultureel ge­schenk gegeven heeft aan de re­ge­ring van het Koninkrijk der Ne­der­landen. (Dat zullen we nooit be­le­ven.) Ook dit bord moet opnieuw. Er is nog een derde bord en dat ga ik eerst maar eens bekijken, voordat het geleverd wordt.

[…]

In het zwembad vertelt Salim al-T., de leraar Engels en receptionist van het hotel, mij dat hij misschien gaat werken bij Canadian Occidental, een oliemaatschappij, die in Soena, tweeënhalf uur rijden ten zuiden van Tariem, een kantoor heeft. Daar kan hij 20.000 rial per maand verdienen. Dan moet hij veertig dagen van huis blijven, daarna heeft hij twintig dagen vakantie.
Als leraar heeft hij nu 7.850 rial en hij gaat vier dagen in de week naar Say’un, voor een vervolgopleiding, waarna hij ongeveer 250 rial per maand meer kan verdienen.
Hij begon tien jaar geleden, op 22 jarige leeftijd, als leraar te werken.
In het hotel verdient hij minder dan 5.000 rial. De anderen verdienen dat bedrag, maar die werken er langer dan hij.
Hij en zijn vrouw zien op tegen zijn lange afwezigheid, als hij bij de oliemaatschappij gaat werken, te­meer daar hij ook een zoontje heeft, maar het werk levert wel het broodnodige extra op. Hij rekent zich miljonair, na zes of zeven jaar.
Dan kan hij een tweede vrouw nemen, veronderstel ik, maar daar wil hij niets van weten. Hij houdt van zijn vrouw (echtgenote: hoerma) en wil beslist geen andere dan haar. Hij trouwde haar zes jaar geleden. Zij is geen familie van hem. Hij ontmoette haar in de klas. In de tijd van het socialisme zaten jongens en meisjes gemengd in de klas. (Waar­schijnlijk ook ongesluierd, maar dat werd me niet duidelijk.) (1.000 rial is ongeveer f. 13,00)

Dit is het einde van het verslag van 4 juni.

(1) GAL: “Geschichte der arabischen Litteratur” van Carl Brockelmann. Dit werk bevat talloze verwijzingen naar titels van Arabische manus­cripten in eveneens talloze biblio­theken en collecties.

Indexal-Ahgaaf-bibliotheek, hoer­ma, Siraat al-moestagiem.

Index van personen: Sjeik AB., Abd al-Rahmaan A., Hoesein al-A.: cal­li­graaf, Salim al-T.Nico.

Index van plaatsnamen: Say’un, Soena, Tariem, Wadi, Yool.

Dit is het einde van dag 80 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voor­komt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Neder­lands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 3 juni 1996

Aidied van de Yool af gezien.
Dit is de wijk Aidied van boven gezien, vanaf de Yool, ten noorden van de Wadi Hadra­maut. Het Gasr al-goebba-hotel ligt rechts van het midden (een wit rechthoekje), aan de rand van het groen, waar de landweg naar links afbuigt. (De landweg die langs het bijna vier­kante complex loopt, dat ook rechts ligt, iets meer op de voorgrond.) Al die huizen kan ik gemakkelijk zien vanaf het dak van het hotel. Op de achtergrond is het begin van de Wadi Masila en de weg naar Gabr Nabi Hoed. Tariem ligt achter de uitloper van de berg links en is dus niet te zien. Door de pech met Hamid’s auto zou ik Tariem niet van boven te zien krijgen.
In de groep huizen, links, ongeveer in het mid­den, woont Hussain al-A. de receptionist van het hotel. Bij hem at ik twee keer thuis.

 

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 3 juni 1996 (maandag).

Naar het einde of de index.

Tariem.
Ik voel me zwaar vermoeid als ik om 06.00 uur opsta. Vannacht al had ik problemen met de volle maan, was die nu alweer aan de hemel terwijl ik hem enkele uren ervoor al had zien ondergaan?
Ik teken wat, maar ga daarna weer slapen.
Het zakkerig gevoel blijft. Ik voel me al sinds gisteren niet lekker.
Ik zie op tegen het bezoek aan Hus­sain al-A., van de receptie, rond half acht, tenzij zijn vrouw erbij is, maar dat is ijdele hoop. Ik kijk uit naar het bezoek aan Wadi Du’an, komend weekend.
Nog meer kijk ik uit naar de lucht­haven van Schiphol over veer­tien dagen en een paar uur.
Vandaag ben ik elf weken in Jemen. Nog nooit ben ik zo lang in het bui­tenland gebleven. (Circa tien weken in 1994.)
Elf weken is wel het maximum in dit klimaat, dat alleen maar aangenaam is tussen 05.00 en 07.00 uur. In de vroege ochtend, dus!
De constant voortdurend stroom­sto­ring (vandaag al voor 05.00 uur) beperkt mijn intellectuele moge­lijk­heden. Ik kan niet werken aan de database en koeling (venti­latoren) is niet mogelijk. De lethargie slaat toe.
Een zonnepaneel, dat moet elektri­sche uitkomst brengen, de volgende keer.
Nu 08.30 uur.
Ik beschrijf het handschrift dat ik 11 mei kocht. Leuk werk.
Plotseling wordt er geklopt en dan staat Muhammad al-S. voor de deur. Hij komt afscheid nemen. Alles gaat zo snel. Ik ben er confuus van en vergeet hem binnen te vragen. Dat hij weggaat doet me ook niet veel. Onze verhoudingen waren al een beetje bemoeilijkt door die discussie over godsdienstig op 25 mei jl., al­thans, dat gevoel had ik. Het leek of hij mij meed, ’s avonds, maar ik bleef ook veel avonden boven, op mijn kamer, om te werken.
Zijn demonstratie van totale le­thargie, gisterenavond sloot voor mij het boek Muhammad al-S. Twintig jaar en dan zó lui. (Zoals de grote meer­derheid in dit land.)
Ik werkte door en vergat hem, hoe­wel hij nog gevraagd had: “Zul je me niet vergeten?”
“Nee, natuurlijk niet,” had ik gezegd.
Enkele dagen geleden nog had ik volledig vertrouwen in zijn wils­kracht om Engels te leren en had ik gepland om hem tienduizend of vijftienduizend rial te geven en vijftig tot zeventig dollar, om in Sana’a een cursus Engels te volgen in de school waar Katherine werkt.
Ik had lange tijd in gedachten bij mijn afscheid het hotel weer tienduizend rial te geven, maar na het zwemmen zie ik ook daar van af. Ik hou het geld zelf om Arabische software te kopen.
Het ‘zwarten’ zwembad ligt vol met mannelijke stukken. Ik moet moe­derziel alleen zwemmen in het bad voor ‘witten’. Zij zullen om 16.00 naar huis gejaagd worden en ik wil niet meer in mijn veel te kleine broek lopen. Ze waren al te klein toen ik hier naartoe kwam, maar ik werd hier ook nog dikker, in plaats van dunner, wat ik verwacht had.
Vanavond bij Hussain moet ik hem weer aan en dan ook nog in een moei­lijke houding op de grond zitten.
Nu 16.30 uur:

Computeren en muziek luisteren.
Rond 19.45 uur komt Hussain me ophalen met zijn motor. Hij rijdt door nachtelijk Aidied. Er is geen elektriciteit en dat zal de hele avond zo blijven.
Zijn dochtertje van zeven met de naam Djihaad ziet er beeldschoon uit. In zijn huis loopt veel vrouwvolk rond. Vrouwen van zijn broers.
Wat ik snel van de gezichten kan zien is dat het allemaal schoonheden zijn.
Het huis is niet van hem, maar van zijn vader, dus zijn broer woont er ook.
Zijn broer en een vriend eten mee. Het eten stelt niet veel voor: brood, groente en vis. Zoiets als in het hotel. Niet mijn lievelingskostje, maar niet slecht. Ik vind het een leuke, gezellige avond.
Er is geen elektriciteit en de gaslamp staat zo opgesteld dat ik de vrouwen niet kan zien, maar zij mij ver­moedelijk wel.
Tegen 22.15 uur ben ik weer thuis met een klein, maar leuk cadeautje: een bachoer-set. Mirre en wierook. Ik weet niet hoe het te gebruiken, maar ik zal Hussain morgenochtend vra­gen.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 3 juni.
Ik ben de enige gast in het hotel. Dat is al weken zo. Een enkele maal kwam een groep Fransen langs, die hier twee nachten bleef. In het verleden kwamen hier nog wel groepen om de lunch te gebruiken en / of te zwemmen, maar dat ge­beurt nu ook nog maar zelden.

[…]

’s Avonds ga ik bij Hussain al-A. (receptionist van het hotel) op bezoek. Hij had mij bij hem thuis uitgenodigd. Er komen twee fami­lieleden bij ons zitten. Een van hen is een broer (33 jaar) van Hussain en die was er de vorige keer (6 mei) ook bij. Hij is onderwijzer (moedarris) op de basisschool. De ander kende ik nog niet. Hij is een vriend en woont hier in de buurt. Hij is bouwmeester, of meester in de bouw, moe’allam, wat ik verwarde met leermeester in de bouw(1), maar hij is geen moedarris, geen onderwijzer. Deze man is 45 jaar oud en bouwt dagelijks huizen van modder / leem: tien.
Hij werkt ’s ochtends tot de salaat al-zoehoer en van na de salaat al-asr tot zonsondergang. Hij toont zijn bijna zwart verbrande armen.
De vrouw van Hussain zit ook in het onderwijs. Zij is gymnastieklerares op de meisjesschool, maar dat kwam ze mij natuurlijk niet zelf vertellen.
De broer heeft nu drie maanden vakantie. Ik vraag hem wat hij doet in die tijd.
“Niets!”, doet hij, natuurlijk.
“Ook niet wat studeren, lezen of iets dergelijks.”
“Nee, helemaal niets.”
Op straat horen we hele hordes schoolkinderen zingend langsrijden. Feest wegens het einde van het schooljaar.
“Allemaal sayyids“, zegt Hussain, terwijl hij zijn neus optrekt.
Ik zag hem in het hotel nooit bidden, toen hij nog avonddienst had, terwijl de anderen, in groepjes, voorgegaan door Muhammad al-S., die een mooie zangstem heeft, wel baden.
Desgevraagd zei Hussain dat hij thuis bad, maar Muhammad al-S. zei dat hij een ‘apart geval’ was, die ‘niet in orde was.’
(Al deze mensen zijn natuurlijk communistisch opgevoed, allen lazen ‘Das Kapital’ van Karl Marx (ook mijn samier Muhammad al-S.) en sommigen zullen zeker nog die leer aanhangen.)
De mahaarim van Hussain zitten, net als wij, ook op het dak, buiten, om de hitte in huis te vermijden, maar natuurlijk op een afgescheiden plaats. Ik zie verschillende mooie kleren langs schieten, maar het is moeilijk een gezicht waar te nemen.
Het is donker, want er was natuurlijk geen elektriciteit, alleen een gaslamp brandt en ze doen ook moeite om niet gezien te worden, hoewel ze niet gesluierd zijn.
Natuurlijk komt het geloof ter sprake en ik wijs hen er op dat bij ons godsdienstvrijheid heerst. Alle geloven zijn aanwezig.
De leraar: “Toch zeker geen joden?”
Ik: “Alle geloven zijn in ons land te vinden en het is gebruikelijk dat we niet over ons geloof praten.” Dat laatste om verder gezeur te voor­komen.
Hussain, die dat al meer gehoord heeft, zegt tegen de anderen dat het toeristen keer op keer overkomt dat als ze in contact komen met Ara­bieren, die laatsten direct over het geloof beginnen.
We gebruiken een avond­maal, ongeveer zoals in het hotel, maar dan zonder rijst. Rijst wordt alleen ’s middags gegeten. Dit een­voudig maal is ongeveer het­zelfde als het ontbijt. Het bestaat uit zelfgebakken brood. (Bruin. Ik kan in het donker niet goed zien wat het precies is.) Het is ongeveer één tot anderhalve centimeter dik. Verder is er een schaal met groente (aard­appelen, peper en nog wat ander spul, waarvan ik de naam niet goed onthouden heb, chaboer?(2)), grote hompen vis, bananen, thee en water.
De maaltijd is niet mijn stijl, maar zeker niet slecht.
De avond is gezellig.

[…]

Ik wil hier een wijdverbreid mis­verstand uit de weg ruimen.(?) Mij is op de universiteit geleerd dat in de Arabische wereld de gebeds­oproep (azaan) per cassetteband gebeurt.
Daarvan heb ik tot nu toe nog nooit iets gemerkt, bij al mijn bezoeken aan islamitische landen.
In Istanboel hoorde ik de moe’azzin hoestend en proestend zijn oproep beginnen. In Jeruzalem stikte de verkouden moe’azzin bijna in zijn oproep. Zowel in Syrië als in Jemen hoorde ik iedere dag andere stemmen of andere inleidingen voordat de oproep begon.(3) De Omayyadenmoskee in Da­mascus roept driestemmig op. (4)
Hier in Tariem hoorde ik een nog slaapdronken moe’azzin beginnen om in de loop van de oproep een steeds beter stemgeluid te produ­ceren. Of iemand die zich vergiste, stopte en even later weer verder ging.
Natuurlijk heb ik in geen enkele moskee gecontroleerd of er wel of niet een cassettespeler staat, maar het lijkt mij een ‘heidens’ karwei om al de op ‘life’ lijkende cassettes (iedere dag een andere) te maken. Daar is veel meer tijd mee gemoeid dan zelf even oproepen.
Bovendien, welke rechtgeaarde, gelo­vige moe’azzin zou zich dat laten aangaan: zich nog eens lekker omdraaien, terwijl zijn stem de anderen wakker maakt en oproept om uit bed te komen?

Dit is het einde van het verslag van 3 juni.

(1) Het verschil tussen bouwmeester en onderwijzer, is miniem: moe’allam en moe’allim. De eerste is degene die het onderwijs heeft ontvangen (en dus in het onderwezene geschoold is) en de tweede is diegene die het onderwijs geeft.
(2) Waarschijnlijk heeft men tegen mij, desgevraagd, gezegd: “Groente.” In het Arabisch is dat chadrawaat (dat ik beslist onthouden zou hebben), maar choedar kan ook.
(3) In sommige gemeenschappen worden lokale mannelijke bewoners gevraagd om moe’azzin te zijn en de gebedsoproep (azaan) te doen. Dat beschouwen ze als een grote eer.
(4) De driestemmige oproep in de Omayyadenmoskee in Damascus heb ik met eigen ogen aanschouwd.

Index: azaan, bachoer, Das Kapital, mahram / mahaarim, mirre, moe’az­zin, moe’allam, moe’allim, moedarris, salaatsamier, sayyid, tienWadi, wierook.

Index van personen: Djihaad, Hamid B., Hus­sain al-A., receptionist, Katherine, Mu­hammad al-S.

Index van plaatsnamen: Aidied, Gabr Nabi Hoed, Gasr al-goebba-hotel, Omayyaden­mos­keeSana’a, Tariem, Wadi Dhahab, Wadi Du’an, Wadi Hadramaut, Wadi Masilah, Yool.

Dit is het einde van dag 79 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voor­komt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 2 juni 1996

Wadi Dhahab van af de Yool gezien.
Impressies van de Yool. Dit is de Wadi Dha­hab, die ik met Abd ar-Rahmaan A. bezocht op 27 april. In de wadi daarachter ligt vermoede­lijk Say’un.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 2 juni 1996 (zondag).

Naar het einde of de index.

Tariem.
Deze nacht is vreselijk. Ik ver­plaatste mijn bed naar onder het afdakje wegens de regendreiging (de lucht is zwart), omdat ik dat niet vannacht in een plensbui wil doen. Het is benauwd en onder het afdakje nog veel meer, want daar komt geen wind. (Er is helemaal geen wind.) Onder het muskietennet (klamboe) kan ik niet in mijn blootje liggen want talloze stekers kunnen er wel door. Ik lig de hele nacht in het zweet.
Om 03.30 neem ik een douche als kleine verfrissing.
Om 05.00 sta ik op. Het is hier niet aangenaam meer.
Nu 07.30 uur.

In de bibliotheek is elektriciteit en ik print de fax voor Jan Just Witkam. Als ik het tweede en laatste blaadje uit de printer pak, komt Hussain B. langs gelopen en zegt: “Mish al-kaharba.” En inderdaad, die (elek­tri­citeit) is er niet meer en blijft weg tot de azaan van 11.45 uur. Dan kan ik nog wat tekst printen. De rest van de tijd wachtte ik, al lezend in The Encyclopaedia of Islam en The Records of the Yemen, op de nieuwe elektrische teit.(!)
In het hotel circa 12.00 uur.
Slapen op bed tot rond 14.00 uur.
Om 15.20 zwemmen.
Financiën en lezen.
Ik schrijf een brief voor de mooie Sa­laah in het Arabisch.
Koken en computer: Tariem, dage­lijks verslag.
Een uurtje beneden zitten en vertel­len met Muhammad al-S. Hij wil hier weg. Het liefst morgen al. Hij vindt dat hij te weinig verdient en dat hij voor dat weinige geld te hard moet werken. In zijn geboortedorp, waar hij heen, wil is echter geen werk voor hem. Zelf vind ik dat hij niet veel doet en ik zou hem, als ik zijn baas was, zeker aan het werk houden.
Hij wil graag Engels leren en ik gaf hem het Oxford woordenboek. Ik nam me voor hem 15.000 rial te geven en 50 tot 70 dollar om in Sa­na’a Engels te kunnen gaan leren, maar ik vroeg me al enkele dagen af of hij zoveel geld wel waard is. Ik weet het nu zeker. Ik geef hem niks. (Hij verwacht ook niets, want hij wil morgen al vertrekken.) Zoveel lui­heid is geen geld waard.
Boven, op het dak van het hotel, foto’s maken van de volle maan met bewolking. Ik maak ook een opname van het nachtelijk geluid.
Nu 00.00 uur.
Ik ben moe.
De bewolking lost langzaam op.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 2 juni.
Jan Just Witkam (de project­coör­dinator in Nederland) verzocht mij verleden week telefonisch de kaart­catalogus van de al-Ahgaaf-bi­blio­theek te kopiëren. Nu bespreek ik met Abd al-Rahmaan A. deze mo­gelijkheid. Samen met Abd Allah A. komen we tot de conclusie dat van alle kaartjes eigenlijk ook de achter­kant gekopieerd moet wor­den, want daar staan de verwij­zin­gen naar de Arabische referen­tiewerken.
Vijfduizend kaartjes maal twee. Dat betekent tienduizend kopiën à 30 rial. Dat kost 300.000 rial. Met de koers van vandaag (1 US$ = 118 rial) is dat 2.542 dollar. (Dat is de prijs van een gloednieuw kopieerappa­raat.)
Als we de enorm vertragende methode toepassen van drie kaartjes per kopie, zijn we nog altijd 850 dollar kwijt. Dat is een beetje te veel van het goede voor een niet-com­plete en slechte catalogus. Boven­dien kan ik zoveel geld niet missen.

[…]

Een man, de directeur generaal van de telecommunicatiemaatschappij in al-Mukalla, komt vertellen dat er sprake was van kortsluiting in de onlangs afgebrande telefooncen­trale. Hij zegt, desgevraagd, dat er wel foto’s zijn gemaakt, na de brand, van de container waar de telefoon­centrale in zat
Bovendien kan ik nu weer uit Tariem bellen, als ik dat wil. Er is weer één telefooncel in gebruik.
Volgende maand komt er een di­gi­tale centrale van Alcatel (Frans). Dan is de brand misschien wel een zegen geweest.
Deze man is niet erg aangenaam. Zoals veel Arabieren luistert hij niet naar wat een ander zegt, maar wil vooral zelf meedelen.
Abd al-Rahmaan is gelukkig een heel bijzondere uitzondering.

[…]

Hussain al-A. van de hotelreceptie verplaatst de bijeenkomst (het etentje bij hem thuis) van vrijdag a.s. naar morgen, maandag. Dat is een heel gunstige ontwikkeling voor mijn uitstapje naar Wadi Du’an. Ik wil hem vertellen dat ik de hem om een verplaatsing had willen vragen, maar hij is ook een Arabier. Hij luistert alleen naar zijn eigen woorden.

[…]

Mijn samier Muhammad al-S. heeft vandaag aangekondigd dat hij het hier, in het Gasr al-goebba-hotel, niet meer ziet zitten. Van het begin af aan had hij gezegd dat hij maar een paar maanden wilde blijven. Nu wil hij op korte termijn weg.
Verleden week al ging zijn vriend Ahmad naar huis. (Ahmad, met bril, staarde je altijd een beetje dom aan met een grote grijns. Ik vond dat altijd onaangenaam.)
Nu wil Muhammad weg omdat hij te hard moet werken voor te weinig geld. Hij is bediende in het res­tau­rant. Als er toeristen zijn moet hij voor 5.000 rial (ongeveer f. 70,00 per maand) de hele dag aanwezig zijn, maar niet constant werken. Nu er geen toeristen zijn heeft hij niet veel te doen. Af en toe moet hij naar Say’un, naar een ander hotel, om er te helpen. De taxikosten (80 rial) moet hij zelf betalen.
Hij doet niets anders dan het eten op tafel zetten en weer afruimen en dat alleen als er gasten zijn. Die zijn er nu niet en ligt hij veelal urenlang niets te doen.
In het begin van onze kennismaking was hij vaak bezig met het be­stu­deren van het Engels en hij schreef ook een heel studieboek in net Arabisch schrift over, voor mij. Hij deed veel moeite om Engels te leren en om mij Arabisch te leren.
Hij gaf mij ook twee boeken in het Arabisch.
Ik sprak voor hem een heel Engels studieboek in op enkele casset­te­banden en gaf hem mijn Concise Oxford English-Arabic Dicionary.
Nu is hij moe en wil hij niets meer doen in het hotel. Hij wil naar huis en zwemmen in de zee. (Hij woont aan de Golf van Aden.) De laatste tijd was hij lusteloos en kauwde al enkele keren gaat (qat).
Ik had me al voorgenomen om hem de kosten van een cursus Engels in Sana’a te betalen. Een cursus kost in de school van Katherine in Sana’a maar 50 dollar en ik had daar nog 15.000 rial levensonderhoud in Sana’a aan toe willen voegen. Samen met het geld dat hij hier verdiend had kon hij dan in Sana’a kunnen blijven om die cursus af te maken.
Ik was echter al gaan twijfelen over deze gift toen hij me de eerste keer vertelde dat hij gaat had gebruikt. (Hij had zich kennelijk verveeld, want de laatste paar dagen was ik niet naar beneden gekomen, omdat ik, nu het einde van mijn verblijf steeds meer in zicht komt, nog lang op mijn kamer bleef doorwerken, ook ’s avonds, omdat er na zons­on­dergang elektriciteit is door de generator van het hotel. Bovendien had ik het gevoel dat onze verhouding iets bekoeld was nadat ik aan de waarheid van zijn (en het, zogenaamd, mijn) geloof getwijfeld had. (Op 25 mei jl.))
Later had ik mijn twijfel over hem weggewuifd, want ik drink ook wel eens alcohol. Ik neem zelfs iedere avond (hier in dit hotel, op mijn kamer) een glaasje jonge jenever aangelengd met limonade. Waarom zou een ander dan niet wat ver­do­vend middel mogen gebruiken.
Nu toonde hij echter een grote le­thargie en wilde hij de hele dag niets doen en in de schaduw liggen.
Ik was hevig teleurgesteld door dit lusteloos gedrag en besloot hem niet te geven, geen cursusgeld voor een cursus Engels in Sana’a. (Hij verwacht ook niets.) En met hem de rest van het hotel ook niet meer. Ik had nog een tweede fooi van 10.000 rial willen geven, zoals ik al deed op 1 mei jl.

Dit is het einde van het verslag van 2 juni.

Index: al-Ahgaaf, azaan, The encyclopaedia of islam, kaharba, The records of the Yemen, rial, samier.

Index van personenAbd al-Rahmaan A., Abd Allah A., Ahmad, Hussain al-A., Katherine, Mu­ham­mad al-S., Nico, Salaah, Jan Just Witkam.

Index van plaatsnamen: Golf van Aden, Hadramaut, al-Mukalla, Sana’a, Say’un, Tariem, Wadi Dhahab, Wadi Hadramaut, Yool.

Dit is het einde van dag 78 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

De uitspraak van enkele letters en klanken in Arabische woorden.
In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voorkomt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 1 juni 1996

Traditionele deur.
De timmerman Awad B. aan het werk bij het vervaardigen van de traditionele deur voor de bibliotheek. Duidelijk is te zien wat het eind­resultaat zal worden. Een van de schaarschar­nieren ligt op zijn plaats. Op de achtergrond zit Abu Alawi, medewerker van de al-Ahgaaf-bibliotheek.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 1 juni 1996 (zaterdag).

Naar het einde of de index.

Tariem.
Volgens het oorspronkelijke plan van dit project zou 1 juni de laatste datum zijn geweest: 1 maart tot 1 juni, nu 17 maart tot 17 juni.
Het reisverslag naar de Yool in het dagboek schrijven.
Nu 09.00 uur.
Er is de hele dag elektriciteit in de bibliotheek dus ik probeer de printer met het al-Ustadh programma. Dat gaat fantastisch en snel.
Bij de timmerman fotografeer ik de deur in aanmaak. [In wording.] Hij laat zien hoe hij de gaten boort: met een soort strijkstok, met touw en een lus om de schroevendraaier, zoals de Neanderthalers.
Ik vraag nog eens naar een boorma­chine, maar hij zegt er geen te hebben. (Er staat wel een elektrische cirkelzaag.) Ik denk dat deze nadj­djaar (timmerman) een toneelstukje opvoert.
Zijn werk ziet er fantastisch mooi uit.
Onderweg informeer ik naar de prijs van de dollar. Die is nog maar 118 rial! Slechte tijden.
Met Abd al-Rahmaan A. hier op mijn kamer eten en het werk plannen.
Daarna schrijf ik een fax voor Jan Just Witkam en werk het dag-verslag uit.
Om 22.30 ben ik doodmoe, maar zie dat ik eerst nog enkele grote gaten in mijn shibaak (klamboe) moet re­pareren.
Weer: veel bewolking en regendrei­ging.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 1 juni.
Onderweg naar hotel Gasr al-goebba wijst Abd al-Rahmaan mij op het huis van Sjeik AB, die vlak bij het hotel blijkt te wonen. Hij heeft nu moeilijkheden met de regering. Hij is ook sjeik al-Oegoed (huwelijks­contracten) en overtrad in die functie de wet. Bij het huwe­lijksrecht vindt hij dingen goed, zaken die volgens hem toegestaan zijn in de islam, maar die bestreden worden door een hogere sjeik al-Oegoed. Sjeik AB ging een discussie met deze man uit de weg en botste toen ook met de regering, die constateerde dat de oplossingen van de sjeik ook volgens het burgerlijk recht verboden zijn.

[…]

Abd al-Rahmaan brengt een deel van de middag hier door. Ik bood hem op mijn kosten een lunch aan en we bespreken de voortgang van het project.
Hij vertelt over de Wereldbank die in Jemen probeert de economie te reorganiseren.
Mensen van die organisatie waren hier verleden week donderdag in de Hadramaut en bezochten ook de al-Ahgaaf-bibliotheek. Ik zag hen niet want ik was toen al naar ‘huis’ (hotel).
De Wereldbank wilde de bibliotheek helpen met plastic zakjes: om elk blad van elk handschrift een plastic zak!
Het antwoord van Abd al-Rahmaan was, dat in het Westen, waar bi­bliotheken over veel meer geld beschikken dan deze bibliotheek, dat niet gedaan wordt.

[…]

We bespreken hoe we de bibliotheek meer onder de aandacht van de mensen kunnen krijgen. Ik stel voor om wisseltentoonstellingen te orga­niseren. (Enkele dagen later denk ik ook aan catalogiseringsworkshops of boekbinderscursussen voor scho­len.)

[…]

Abd al-Rahmaan wil graag met mij naar Wadi Du’an gaan. Ik ben hierover zeer verheugd. Hamid B. (taxichauffeur) stelde dat vrijdag voor. Ik ga zaterdag, a.s., omdat vrijdag al in beslag genomen wordt door een etentje thuis bij Hussain van de hotelreceptie.
Volgens Abd al-Rahmaan is het beter om twee dagen te gaan. We kunnen overnachten bij een vriend van hem. De avond van te voren slaap ik dan bij Abd al-Rahmaan thuis. Ik moet nu de afspraak met Hussain wijzigen. Dit buitenkansje wil ik niet voorbij laten gaan.

[…]

In het faxbericht voor Jan Just Witkam, de projectcoördinator in Nederland, meld ik het volgende.
Volgens ons heeft de Nederlandse firma die de boekbinderstafels leverde, gedacht dat Jemen ver weg is en dat ze daar (dus) nog wat oude rommel voor een goede prijs konden verkopen. De tafelbladen pasten van geen kant op de poten, hoe we die ook keerden en draaiden. Uitein­delijk heeft de vierde nieuwe mede­werker de bladen thuis zodanig bewerkt dat ze nu wel passen.

[…]

Vanochtend fotografeerde ik de timmerman op zijn werk. Hij maakt de nieuwe deur in ‘Shibaam’-stijl voor de bibliotheek. Wat een schoonheid, wat een vakmanschap. Werkelijk prachtig.

[…]

Gisteren ging een lang gekoesterde wens in vervulling en reed en liep ik over de Yool. Net zoals mijn naamgenoot eind mei, nu vijfen­zestig jaar geleden, had ik dezelfde ervaring. Ik acht mijzelf een van de weinige bewoners op deze aarde, van niet-Hadramitische oorsprong, die op de Yool zijn geweest en ben daar trots op. Het landschap maakte van beneden af al een grote indruk op mij (ik vond het mysterieus mooi) en ook vanuit het vliegtuig, toen ik naar Sana’a vloog en terug, maar er ook werkelijk staan, voelen en horen (er is werkelijk niets anders te horen dan de wind), dat is de ultieme ervaring.
Komend weekend zal ik de veel geroemde schoonheid van Wadi Du’an bezoeken.

[…]

Ik acht dit project een groot succes. Zelfs tot na het vertrek van Nico, geloofde ik dat dit geschenk van de Nederlandse overheid aan de al-Ahgaaf-bibliotheek ‘parels voor de zwijnen’ was, maar met de enthousiaste en gedreven leiding van Abd al-Rahmaan is er sprake van een geslaagde operatie. Hij staat in de hiërarchie op gelijke hoogte met Dr. AM, de directeur van het Daar al-Machtoetaat (het Museum van Handschriften) in Sana’a.
Hij heeft veel nieuwe ideeën. In de bibliotheek heeft hij zelfs de meest verstokt nietsdoener aan het werk gekregen en nieuwe medewerkers zorgen voor vruchtbare resultaten.
Er waait een frisse wind in de bibliotheek en dat is in alle hoeken te merken.

[…]

Een onzinnig lijkend, doch dringend verzoek: wil je alle rekeningen van aankopen voor dit project naar de Nederlandse Ambassade faxen. De werkgever van Abd al-Rahmaan, de Algemene Organisatie … etc. eist een gedetailleerde opsomming van de inhoud van het geschenk. Dat betekent dat ik hier alle schroeven, stopcontacten en paperclips moet gaan tellen, terwijl er geen elektriciteit is die de ventilatoren voor enige koeling kan laten draaien. Dit is een heidens karwei en ik ben de enige heiden hier.

Dit is het einde van het verslag van 1 juni.

Index: al-Ahgaaf-bibliotheek, nadj­djaar, oegoed, shi­baak.

Index van personen: Abd al-Rahmaan A., Aboe Alawi, AM (Sana’a), Awad B., Hamid B..

Index van plaatsnamen: Gasr al-goebba-hotel, Hadramaut, Jemen, Ta­riem, Sana’a, Shi­baam, Wadi Du’an, Yool.

Dit is het einde van dag 77 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

De uitspraak van enkele letters en klanken in Arabische woorden.
In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voorkomt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 31 mei 1996

Yool en vuursteen.
Duidelijk is te zien dat elke tafelberg een ei­gen individuele heuvel heeft. Ook is te zien dat de voet van de heuvel links bezaaid is met vuursteen, die alleen maar zwart is aan de buiten­kant.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 31 mei 1996 (vrijdag).

Naar het einde of de index.

Tariem.
Op 04.00 uur.
Vanochtend nam ik mijn 75e vita­minepil. Ik ben dus 75 dagen in Jemen. (En 76 dagen van huis.) Nog 17 dagen. Ik ben met aftellen begon­nen.
Het is niet zo dat ik zit te springen om naar huis te gaan, maar ik vind het wel een prettige gedachte om BQ weer eens te zien. In tegenstelling met wat ik verwachtte dat zou gebeuren, ben ik haar niet vergeten.
Om 05.15 uur sta ik, na veel gehaast, buiten, maar taxichauffeur Hamid B. is er niet. Na tien minuten begin ik te twijfelen of ik de Yool wel te zien zal krijgen, maar dan komt hij aangestoven.
We rijden een eindje vanaf de achterkant van het hotel en gaan dan langs dat, waarvan ik eerst (in het begin van mijn verblijf) dacht dat het de ingang van een mijn was. Later twijfelde ik daaraan.
Het blijkt een zwart geblakerde rots met een huis ervoor te zijn. Hier bakt men buizen van leem, volgens Hamid.
Het begin van de weg, ook het eind, als je van de andere kant komt, wordt ‘afgezekerd’ met militairen. Het is een grensoverschrijdende weg met Saoedi-Arabië en, natuurlijk, de Golfstaten.
De soldaat vindt de weg ongeschikt voor de kleine Toyota Cressida, maar Hamid denkt aan het geld dat hij kan verdienen en zet door. Een half uur later breekt links achter de bladveer. Die was al eens eerder gebroken en daarna aan elkaar geplakt. (Want dat was toch geen las te noemen.)
Even twijfel ik weer of ik wel boven zal komen en besluit dat ik, nu ik al op halve hoogte ben, in elk geval naar boven zal lopen, mocht een rit tot de onmogelijkheden behoren.
Hamid repareert met een touw, een oude autobinnenband en een dikke, stevige steen, zodat we weer verder kunnen.
Het landschap is indrukwekkend mooi. Ik zie de Wadi waar Thibi in ligt (Wadi Dhahab) nu van boven. (Een maand geleden van beneden.)
De wijk Aidied van Tariem ligt er groen bij.
Verderop zien we een militair kamp en Hamid wil daar om ijzer voor de reparatie van de bladveer vragen. Het blijkt een verlaten kamp te zijn, waar soldaten van de Socialistische partij een telecommunicatiepost hadden ingericht. Alles is Russisch, dus van povere kwaliteit. Russische hand­leidingen en boeken liggen in het puin, want wat kapot kon, was kapot geslagen.
Als Hamid al lang klaar is, loop ik nog rond om de bijzonderheden van het landschap vast te leggen op de gevoelige plaat.
We vervolgen onze weg door het maanlandschap.
Het weer is aangenaam. Er is veel bewolking en de horizon heiig.
We gaan verder. Ik stel hem na een poosje voor, dat als hij denkt dat zijn auto het niet overleeft, hij maar beter terug kan gaan.
Hij denkt dat ik terug wil, maar dat is natuurlijk niet zo. We rijden dan nog een stuk verder over kleine extra hoge bergjes, die ik als grafheuvels omschreef.
Deze zijn bezaaid met (vuur?)stenen met scherpe randen. Allemaal in vreemde vormen, sommige zien eruit alsof ze door een mensenhand tot instrument gemaakt zijn, bij­voorbeeld om graan te malen. Andere lijken op versteende boomstam­men. Veel stenen hebben een oppervlak als een koeientong(?) met veel minuscuul (kleine) lijntjes, loopgraafjes erop. Veel, maar niet allemaal, zijn (gedeeltelijk) zwart, maar alleen aan het oppervlak. (Zure regen?) Heel veel hebben scherpe randen. Dat betekent in elk geval dat ze niet rond gerold hebben, maar op hun plaats zijn blijven liggen, eeuwen lang.
Er is een beetje vegetatie, maar die ziet er dor uit. Een boom met een paar groene blaadjes en ander groen stond in het verlaten militaire kamp.
Volgens Hamid zijn sommige ‘graf­heuvels’ zonder stenen. (Boven op het dak, het vlakke oppervlak, van de tafelbergen, rond het dal van de Wadi Hadramaut liggen nog ‘extra’ heuvels, in trapeziumvorm. Van beneden af vond ik dat die eruit zagen als een heuvel die je ziet nadat een pas gedolven graf weer gevuld is met grond. Daarom noemde ik ze ‘grafheuvels’.)
De ondergrond klinkt op sommige plaatsen hol. De stenen maken een metaalachtig geluid als ze op elkaar botsen. Je zou er muziek mee kunnen maken.
Alles is zoals beschreven door Daniel van der Meulen in ‘Hadramaut, some of its mysteries unveiled’ op bladzijde 53-54 (Brill 1964, Leiden.) Hij was er (in een andere regio) eind mei 1931. Vijfenzestig jaar geleden en niets is veranderd, behalve hier en daar wat plastic en blik.
De temperatuur stijgt langzaam, maar is nog draaglijk. Het is licht bewolkt.
De stilte is enorm. Alleen de wind is hoorbaar.
Lager, op weg naar huis, hoor je ook geluid uit Tariem, het gezoem van een enkele vlieg rond mijn hoofd en het gesmak van Hamid, die ik enkele koekjes van Liga had gegeven, met vruchtenvulling.
Hij eet met zijn mond open en smakt. Dit hoor ik over een afstand van meer dan vijftig meter (ik kon het niet geloven), maar eens te meer een bewijs voor de enorme stilte.
Vooralsnog zetten we onze tocht voort, totdat ik een mooi uitzicht kreeg over de Wadi met Aidied erin. Het hotel Gasr al-goebba is goed zichtbaar. Tariem ligt achter een heuvel en zal tijdens deze rit, met kapot bladveer, daar blijven liggen. (Later kan ik haar wel zien en fotograferen, ook de Mihdaar mina­ret.)
Ik vind een steen met blaadjes of koraal (versteend) en neem die mee. Ik bied die aan Hamid aan. Die vindt dat ik hem als herinnering aan de Yool moet houden.
Als we langs de weg stilstaan, stopt iedere bedoeïen om te vragen of er hulp nodig is.
Boven zien we ook een tractor rijden, op grote afstand. Is die aan het werk?
Rond 9.00 is het avontuur ten einde. Dan zijn we in het hotel.
Ik sprak met Hamid 5.000 rial af, dat wil zeggen: dat bedrag bood ik hem. Nu geef ik nog 1.000 rial meer voor zijn auto. Hij is blij.
We maken een afspraak voor volgende week zaterdag om naar Wadi Du’an te gaan.
Ik ga slapen en daarna zwemmen.
In het hotel ontmoet ik een Duitse: Luise Müller van een nieuw reis­bureau: Studien-Kontakt-Reisen, die ‘intellectuele’ reizen wil aanbieden, maar zelf nergens van blijkt te weten. Ze haalt Perzisch en Arabisch door elkaar en wil in Tariem met toeristen een Koranschool bezoeken!
Ik moest denken aan de ‘Kennedy‘ (Canadees), Andrew R., enkele weken geleden (8 mei jl.) die hier voor de soefi’s kwam.
Mensen denken dat Tariem een pretpark is, waar je elke attractie kunt bezoeken, nadat je entree (reis) betaald hebt. Voor de Tarimi’s is dit harde werkelijkheid en deel van hun (religieuze) leven.
Op mijn terras en kamer compu­teren.
De lucht wordt zwart en er valt een stevige verkoelende bui regen, naar Nederlandse begrippen. Hier stelt het allemaal niets voor. Het water is meteen verdampt.
Even beneden op het hotelterras zitten.
Weer boven, achter de computer, val ik in slaap.
Ik ben nog een tijdje bezig met het overtypen van de fihrist. (De inven­taris van de al-Ahgaaf-biblio­theek.)
Bed 23.30 uur.
Weer: veel bewolking. ’s Avonds on­weer en regen.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 31 mei.
Op de Yool zag ik een soort hagedis, als een kleine versie van een of andere saurus, met krachtige achterpoten, waar hij op loopt. Kleine voorpoten en een grote kop. Achter zit een lange staart vast, zijn hoogte was niet meer dan een centimeter of tien. Hij keek ‘dreigend’ rond.

[…]

In het begin, toen ik pas in Tariem was, dacht ik dat die individuele heuvels, die boven op de tafelbergen liggen en die vanuit de Wadi, dus van beneden, ook te zien zijn, grafheuvels waren. Vandaag denk ik dat het misschien inderdaad om grafheuvels gaat, van een volk dat veel doden te begraven had, de ‘Apenkoppencultuur’. Dit omdat de afbrokkelende tafelbergen allemaal eindigen in een soort sculptuur die soms duidelijk, andere keren met enige fantasie, op een apenkop lijkt.

[…]

Hamid, mijn chauffeur, weet toch vooral de zegeningen van het communisme te prijzen. Toen was er geen corruptie en er werd hard opgetreden tegen steekpenningen en wapenbezit. Nu gebeurt daar niets meer tegen. De regering slaapt. (Zuid-Jemen was tussen 1967 en 1990 communistisch.)
Ook vertelt hij dat hij tot 1986 alle soorten alcohol regelmatig gebruik­te, niet in het openbaar, want daar zou maar geroddel van komen, maar in huis met goede vrienden.
In 1986 ging hij naar Mekka voor de Hadjdj (bedevaart) en sindsdien drinkt hij geen alcohol meer. Nu gaat hij nog geregeld naar Mekka, maar in de maand Ramadan.(1)

[…]

In het hotel ontmoet ik Luise Müller van Studien – Kontakt – Reisen uit Bonn in Duitsland. Zij wil reizen organiseren naar islamitische lan­den voor mensen die geïnteresseerd zijn in de islam. Zij wil in Tariem excursies organiseren naar een koranschool! Zij spreekt geen Arabisch en haalt Arabisch en Perzisch door elkaar.
Een bevriend echtpaar, hij Pers, zij een Nederlandse oriëntaliste, zal inleidende informatie tijdens ‘seminars’ bieden aan de personen die met haar op reis gaan.
Zij: “Hij houdt zich met Arabische poëzie bezig.”
Ik: “Misschien Perzische poëzie?”
Zij: “Ja, natuurlijk Perzische poëzie, Perzisch mystieke gedichten. De islamitische mystiek is toch enorm interessant?”
Ik: “Ik weet er niet zoveel van, maar mijn docenten aan de universiteit vertelden dat christelijke mystiek veel interessanter is.”
Zij: “Ja, natuurlijk, de christelijke mystiek is veel rijker.”
Ik wijs haar op het bestaan van Wadi Du’an en de hete bronnen voorbij Dies al-Shargiyya. Haar Jemeni­tische begeleider vertelt haar dat de toeristenbureau’s die wel kennen, maar dat in het noorden ook iets dergelijks voorkomt: Damt (?). Het voordeel daar is dat er een hotel is en in het zuiden niets te bekennen valt dat daar in de verste verte op lijkt.

Dit is het einde van het verslag van 31 mei.

(1) Hamid vertelde ook dat hij twee vrouwen had. Beide dames konden niet samen door één deur, dus had hij voor elk van hen een eigen, gescheiden, woonruimte moeten creëren in zijn huis.
Het taxibedrijf bracht dus voldoende geld op om er het levensonderhoud van twee echtgenotes van te betalen.

Index: Arabisch, Arabische poëzie, fihrist, hadjdj, mystiek, Perzisch, Perzische poëzie, Ramadan, saurus, soefisme, Zuid-Jemen: communisme.

Index van personen: Hamid B. taxichauffeur.

Index van plaatsen: Aidid, Damt, Dies al-Sharqiyya, Gasr al-goebba-hotel, Golfstaten, Mekka, Tariem, Thibi, Wadi Dhahab, Wadi Du’an, Yool.

Dit is het einde van dag 76 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

De uitspraak van enkele letters en klanken in Arabische woorden.
In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voorkomt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 30 mei 1996

Tariem, binnenstad.
De Sayla in het oude gedeelte van Tariem. Sayla betekent ‘stroom’ (rivier). Wanneer het buiten­sporig regent en het water van de om­rin­gende heuvels naar beneden gutst, vult zich de sayla tot een heuse stroom. De bewo­ners rekenen kennelijk niet op zo’n gebeurte­nis, zo te zien.
Op de achtergrond is een van de vele paleizen van madar (mudbrick) die er in Tariem zijn, te zien.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 30 mei 1996 (donderdag).

Naar het einde of de index.

Tariem, Say’un.
Ik slaap slecht. Een van de Fran­çai­ses, gisteren, maakte een grote in­druk op mij. Ik lig zowat de hele nacht aan haar te denken.
Op 05.30 uur.
Mijn indruk over die vrouw ont­stond gisteren in het donker. Van­middag in het zwembad blijkt ze het aankijken niet waard en wordt door een van de chauffeurs van de groep als djadda (oma) omschreven. Dat zal ze nog niet zijn.
Hedenochtend ben ik om 9.00 in Say’un. Ik bel met Jan Just Witkam in Nederland, daarna met de Neder­landse Ambassade in Sana’a, om te verifiëren of de gevraagde bedrag aankwam. (Ik vergat de vijfdaagse werkweek en het is dus nu de vrije donderdag.)
Ik kreeg Pieter (?) aan de telefoon. Hem was niets bekend, maar hij zou het uitzoeken. Zondag kan ik terug­bellen. Ik maak er woensdag a.s. van.
Ik bel Jan Just over het resultaat.
Ik ga naar Gasr al-Thawra en daar spreek ik met Abd al-Rahmaan A. Met Muhammad al-H. ga ik de stad in om ventilatoren te kopen.
Met Hamid B. (taxichauffeur) terug naar Tarim. Ik maak een afspraak om morgen naar de Yool te gaan.
Na de middag zwemmen en werken aan de fihrist (catalogus) van de bi­bliotheek, namelijk de bestaande lijst in mijn computer overtypen.
Ik krijg bezoek van Hussain al-A. die ik al eens eerder ontmoette. Hij komt zijn brief met taalfouten, die hij niet wil verbeteren, aanbieden om aan de Nederlandse Ambassade af te geven, zodat die spoorslags het gevraagde geld voor de privéclub (naar hem) kan sturen.
Ik was onaangenaam verrast met zijn komst en ik laat het hem ook merken. Bovendien heeft zijn actie geen zin, nog afgezien van allerlei be­perkingen ten opzichte van dit privé-initiatief (een dak voor een loods en wat kantoorbenodigdheden om analfabete kinderen (alleen jon­gens dus) iets te leren), werkt de Nederlandse regering in het zuiden van Jemen alleen in de provincie Shabwa.
Deze Hussain zit niet op feiten te wachten en wil dat ik zijn wens (namelijk geld) vervul. Ik licht hem over de feiten in, waarna hij bijna kwaad wordt. Ik zeg hem dat hij andere geldschieters moet zoeken, zoals Japan, of Saoedi-Arabië, of Egypte. In ieder geval een land dat in de Hadramaut werkt. Hij denkt dat ik hem belachelijk maak. Hij wil daar niet naar zoeken en verlangt van mij dat ik dat doe.
Ik werk hem de deur uit.
Hij is niet Hussain van de calligrafie, maar Hussain die hier enkele weken geleden (8 mei jl.) met de Canadees was. Hij is leraar Engels met vijftien jaar ‘experiance after the university’.
Verder werken aan de fihrist.
Eten in het restaurant van het hotel.
Fihrist.
Beneden even praten met de mooie Salaah.
Tussen 22.30 en 23.00 het verslag van deze dag schrijven.
Bed 23.15 uur.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 30 mei.
Ik loop, op weg naar de taxi­stand­plaats, even bij Hussein al-A. (van de telefoonwinkel) naar binnen. Hij wil nu allerlei soorten manuscripten verkopen.Ik zeg hem dat ik over een half jaar terugkom en dan wel wat bij hem zal kopen. Volgens hem is dan alles verkocht. (Good for you, denk ik.)

[…]

Om 9.00 ben ik in Say’un en bel met Jan Just Witkam. (De project­coördinator in Nederland.) Hij wil dat de kaartcatalogus van de al-Ah­gaaf-bibliotheek in Tariem gefoto­kopieerd wordt.

[…]

Met Muhammad al-H., een onder­geschikte van Abd al-Rahmaan A., ga ik op zoek naar een winkel waar tafelventilatoren verkocht worden. We besluiten één staande ventilator, drie wand- en twee tafelmodellen te kopen. Dat is wat Abd al-Rahmaan wil. Zaterdag zal hij die ophalen. Ik betaal daarvoor 39.300 rial, nadat we 300 rial korting kregen. (1.000 rial = f. 13,00.)

[…]

Ik wissel 500 dollar voor 61.000 rial (wisselkoers 122 rial). Hiervan betaal ik de ventilatoren en van de rest moet ik 20.000 rial aan Ahmad, de elektricien uit Say’un, geven, die hiermee de rashwa (steekpenningen) aan het elektriciteitsbedrijf gaat betalen.

[…]

Ik verneem dat juli de heetste maand in Tariem is. Dan blijft het zelfs ’s nachts gloeiend heet en ook de Hadaarim hebben er last van. Die hitte duurt ongeveer veertig dagen en die periode wordt daarom de al-arba’iniyya (de veertig (dagen)) of ook wel al-Samoem genoemd.

[…]

Over de Koelliyyat al-sharia (de Faculteit van het islamitisch recht) hoor ik dat die dit jaar startte en ongeveer 75 leerlingen heeft. Deze faculteit zit in een gebouw van de Aal Kaaf-familie. Het is een groot wit gebouw, niet ver van de pas geleden afgebrande telefooncentrale.
De leerlingen hebben in de maanden augustus en september vrij. Verder studeren ze zes dagen per week.
Een studiedag begint om vijf uur, na de Salaat al-fadjr. Er volgen vier colleges van elk ander­half uur. Om 6.30 is er pauze voor het ontbijt. Om 7.30 begint het tweede college, dat tot 9.00 duurt. Er volgt dan een pauze van tien mi­nuten. Het daaropvolgende college duurt tot twintig voor elf. Er volgen nogmaals tien mi­nuten pauze en het laatste college loopt tot 12.20 uur.
Dan is het lunchtijd en na de middag wordt er gestudeerd.
Om 10.00 is het bedtijd, maar veel leerlingen blijven nog een paar uur studeren.
Er wordt een beetje aan sport gedaan: volleybal.
Er zijn zes onderwerpen die be­studeerd worden.
Figh (jurisprudentie) is belangrijkste en komt op de eerste plaats. In het eerste jaar bestudeert men alleen de Shafa’itische (al-Shafa’i) richting van de vier Soennitische Rechtsscholen (madhab). Daarna vergelijkend de vier richtingen (madha­hib). Naast figh bestudeert men de figh-wetenschap­pen (Oeloem al-figh), de grammatica (al-nahw), de hadith (handelingen van de profeet Mu­hammad), Hadith-wetenschappen (Oeloem al-hadith) en de soennat al-nabi (de levensweg van de profeet). Er wordt geen aandacht besteed aan logica of algebra / wiskunde. Ook filosofie komt niet aan bod.

Mijn informant, Salaah, bestudeerde de Griekse filosofie op de mid­delbare school, alsmede de socia­listische filosofie en hij trekt er zijn neus bij op.
Op school had Salaah geen be­langstelling voor Engels, nu hij deze belangstelling wel heeft, wordt die niet onderwezen. Op de Koelliyyat zal hij alleen in het vierde jaar passieve kennis van het Engels leren.
Hij kent vrijwel geen enkel woord Engels, wat natuurlijk veel van mijn inlevingsvermogen eist. Hij spreekt bovendien erg snel. Goed om veel te leren.

[…]

Salaah wil echt leren zwemmen. (Veel Arabieren zwemmen als honden, Salaah kan echter alleen maar onder water vooruit komen.) Mijn kennis van het Arabisch is te beperkt om hem allerlei nood­zakelijke lichaamsbewe­gingen uit te leggen. Ik maak tekeningen waarop ik aangeef wat hij moet doen om boven te blijven. Hij is heel erg dankbaar voor mijn werk.

[…]

Vanmiddag kreeg ik bezoek van de leraar Engels Hussain al-A. Ik ben niet op zijn bezoek gesteld en behandel hem ietwat ruw. Te ruw voor de gevoelige Arabische ziel.
Dit sujet is echter niet in mij geïnteresseerd, maar wel in het geld dat ik te bieden zou hebben. Ge­lukkig niet voor hemzelf. Niet direct, althans, maar als hij erin zou slagen geld van de Neder­landse overheid voor zijn vrijetijdsclub los te krijgen zal zijn ster in het dorp Taribah zeker rijzen.
Enkele weken geleden vroeg hij om een bijdrage uit het Tariem-project voor een dak boven loods van zijn sportclub. Om een en ander een cultureel cachet te geven spreekt hij van de inrichting van een bi­bliotheek voor de analfabeten, ten einde hen te onderwijzen. Ik stelde hem voor een brief te schrijven en die aan diverse ambassades te richten. Ook de Nederlandse.
Nu staat hij daar met een kort briefje, na vijftien jaar ‘experiance’ in het Engels, met verschillende taalfouten, onder meer ‘itmes’. Als ik hem erop wijs, wil hij dat niet meer verbeteren, want hij maakte de brief op een computer en dat is veel werk, bovendien zal ‘itmes’ niet tot verwarring leiden.
(Abd al-Rahmaan vroeg om Nederlandse assistentie voor het archief in Say’un en MN van de Nederlandse Ambassade vertelde me enkele weken geleden dat dit verzoek weinig kans maakte omdat Nederland in Jemen maar twee regio’s ondersteunt (een in het Noorden en Shabwa in het zuiden) en daar hoort de Hadramaut niet bij.)
Ik zeg dus tegen meneer Hussain dat zijn verzoek aan de Nederlandse Ambassade geen zin heeft en dat hij andere ambassades moet proberen. Een fluitje van een cent, de brief is immers op de computer gemaakt. Als hij ‘Dutch’ vervangt door ‘Saoedi’ heeft hij al een heel nieuw en rijk land bij de kladden. Hij wordt kwaad en denkt dat ik hem bespot. (Hij heeft gelijk.) Hij denkt dat ik hem laat vallen, alsof ik over de bijdrage moet beslissen. Kwaad zegt hij dat hij niet wil uitzoeken welke andere regeringen de Hadramaut bij de hand hebben genomen en verlangt van mij dat ik hem daarover inlicht.
Zij ongewenste bezoek had me boos gemaakt en met zijn opmerkingen word ik niet vriendelijker.
Wat denken ze wel, hier. Ze vragen een bijdrage voor een dak en wat kantoormateriaal. Er zijn hier rijke families genoeg die wel een paar stuivers kunnen missen. Hun rijke broer in het geloof, Saoedi-Arabië, heeft meer te makken. Waarom moet alles bij die mensen wegkomen die ziek zijn omdat ze varkens eten, die maar niet willen deugen omdat ze het ware geloof niet willen aanvaarden, waar overspel en wilde seksuele lust hoogtij viert, waar Aids een zegenrijke straf van God is om de bandeloosheid te beteugelen, maar ondertussen wel de hand ophouden bij dat vervloekte volk!

Dit is het einde van het verslag van 30 mei.

Index: Aal Kaaf, Ahgaaf, al-, Arba’i­niyya, al-, djadda, Figh, fihrist, Hadaarim, Hadith, Koelliyyat al-sharia, madar, madhab / madhahib, mudbrick, nahw, al-, Oeloem al-figh, Oeloem al-hadith, rashwa, salaat, Sa­moem, al-, Sayla, Shafa’i, al-, Soen­nat al-Nabi, Soennitisch, zonsteen.

Index van personen: Ahmad (elek­tri­cien), Abd al-Rahmaan A., Hamid B., Hussain al-A. (telefoon­winkel), Hussain al-A. (leraar Engels), Mu­ham­mad al-H.,  Salaah, Witkam, Jan Just.

Index van plaatsnamen: Gasr al-thawra, Hadramaut, Say’un, Shabwa, Taribah, Tariem, Yool.

Dit is het einde van dag 75 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

De uitspraak van enkele letters en klanken in Arabische woorden.
In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voorkomt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 29 mei 1996

al-Ahgaaf-bibliotheek.
Een overzicht van de ruimte van de al-Ahgaaf-bibliotheek. Deze dia is met een groothoek­lens genomen en geeft daarom een vertekend beeld van de grootte van de ruimte.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 29 mei 1996 (woensdag).

Naar het einde of de index.

Tariem.
Vandaag ben ik negen weken hier, in Tariem.
Abd al-Rahmaan A. hield me van­daag lang bezig in de bibliotheek, tot 15.30 uur. Hij wil een inventarislijst in het Engels hebben van het spul dat met de container uit Nederland kwam. Ik had niet veel zin in dat werk. Er is geen elektriciteit, dus werken de ventilatoren niet. Er is alleen elektriciteit rond gebedstijd: van 11.45 tot 12.00 en 15.00 tot 15.15 uur. (Van wisselend voltage.) De generator van de moskee zorgt er voor. Ik sprak de hoop uit dat mos­lims (voortaan) vijftig keer per dag moeten gaan bidden.
Hotel: een uurtje zwemmen en nog wat werken.
Beneden is geen kip, behalve enkele Franse toeristen, waarvan ik alle vrou­wen interessant vind, maar ik wil niet met ze praten.
FoxPro database.
Nu circa 23.00 uur.
Ik kreeg een kaart van LW en een brief van AD, met wat wereldnieuws.
Volgens AD zou Nico (die hier was van 17 maart tot 24 april), thuis in Nederland gezegd hebben dat het project mislukt is. Tot zijn vertrek had ik ook het idee dat alles paarlen voor de zwijnen is, maar nu, met de energieke en gedreven Abd al-Rah­maan geloof ik in het welslagen van het project. De religieuze Islah-partij is met Sjeik AB. uit de bibliotheek verdwenen en er zijn enthousiaste en integere harde werkers aangeno­men die een begin hebben gemaakt met het catalogi­seren, dat wil zeggen, met die werkzaamheden die de basis van een catalogus vormen.
Het project is een succes en moet zeker verder geholpen worden.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 29 mei.
Alleen rond gebedstijd is er span­ning in de bibliotheek, ongeveer een kwartier, maar van slechte kwaliteit, met veel schommelingen in de span­ning. Ik bespreek de aanschaf van een generator, want de nieuwe elektriciteitscentrale in al-Mukalla wordt pas over twee jaar opgeleverd. Tegen die tijd is de nieuwe appa­ratuur (computer en printer) al vergaan door ongebruik en stof.
Een generator moet dan op het dak geplaatst worden en er moet iemand komen die dat ding onderhoud, of Aboe Alawi, medewerker van de bi­bliotheek, moet dat doen.

[…]

Uit de brief van AD. die ik vandaag ontving, blijkt dat Nico in Leiden heeft gezegd dat het project mislukt is. Ik ben echter die mening niet (meer) toegedaan. Ik spreek nu van een zeer geslaagd project en wil ook bijdragen aan de verdere uitbouw ervan. Begin april beschouwde ik alle moeite als paarlen voor de zwijnen, nu, met de energieke en inspirerende leiding van Abd al-Rahmaan is er een mooie toekomst voor de bibliotheek weggelegd.
Sjeik AB en daarmee de Islah-partij is de deur uitgewerkt. Alleen zijn compagnon, Abd al-Gaadir is er nog, maar zijn buiten-bibliotheekse werk­zaamheden zijn nu beperkt tot de contractzaken (oegoed). Abd al-Rahmaan ontvangt veel mensen die hem komen gelukwensen met zijn nieuwe functie. De partijgangers komen niet meer in de bibliotheek.

[…]

Er zijn nu vier nieuwe mensen aangenomen, hoewel niet zeker is of de laatste, over wie ik eergisteren schreef, een functie binnen de bi­bliotheek krijgt. Vermoedelijk wordt een werkloze ambtenaar aangeno­men, eentje die in het boekwezen bekend is. Een begin met het catalogiseren is gemaakt.

[…]

Abd al-Rahmaan wil alle materiaal in de bibliotheek inventariseren, want ‘Sanaa’ wil een lijst. Ik moet eerst de Engelse maken, vindt hij. Ik heb daar weinig zin in.
We werken tot ongeveer 15.00 uur in een energieloze bibliotheek. Alleen rond de salaat al-asr is er elektri­citeit.

[…]

Abd al-Rahmaan liet me een publicatie zien waarin zijn vader nieuwe poëzie publiceerde die hij in 1942 schreef. (De vader van Abd al-Rahmaan overleed tien jaar gele­den.)
Ook gaf hij mij een exemplaar van de krant al-Ahgaaf van 23 mei, waarin het bibliotheekproject besproken wordt en de minister vragen erover beant­woordt.

[…]

Is de elektricien Ahmad uit Tariem wel een echte elektricien? Hij was niet in staat, zonder mijn hulp, een kabel recht op de muur te beves­tigen.
Hij wil een airco aansluiten met drie draden. Twee aan de ‘fase-‘ en één aan de ‘nulgeleider’.
“Dit om meer stroom naar het apparaat te laten gaan”, zegt hij. Kent hij de Wet van Ohm en de eerste twee Wetten van Kirchhoff niet? Serieus verde­digde onzin. Wat een ‘vakmensen’!

[…]

Ik vroeg aan Abd al-Rahmaan hoe het zat met slavernij in Jemen. Hij vertelt over een dorpje Masilat al-Abied, waar allemaal zwarten wo­nen. Totaal wereldvreemd. Vermoe­delijk vroegere slaven. Masilat al-Abied is drie uur rijden voorbij Gabr Nabi Hoed in de Wadi al-Masila, zoals de Wadi ten oosten van Tariem heet.(1)

Dit is het einde van het verslag van 29 mei.

(1) Slavernij werd in Jemen pas (of­ficieel) afgeschaft in 1962, maar bestaat in werkelijkheid nog steeds.

Index: Abd / Abied, al-Ahgaaf-bibliotheekIslah-partij, agd / oegoed, poëzie, salaat, slavernij, Wadi, Wet van Ohm, Wetten van Kirchhoff.

Index van personen: Sjeik AB, Abd al-GaadirAbd al-Rahmaan A. Aboe Alawi, Ahmad, elektricien (Tariem), Nico.

Index van plaatsnamen: Gabr Nabi Hoed, al-Mukalla, Tariem, Wadi Masila.

Dit is het einde van dag 74 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

De uitspraak van enkele letters en klanken in Arabische woorden.
In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voorkomt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 28 mei 1996

Traditionele minaret.
Dit is de derde moskee die ik op mijn weg naar de bibliotheek moest passeren. Deze moskee lag een paar honderd meter van het plein waar Sjeik AB woont (De vorige direc­teur van de al-Ah­gaaf-bibliotheek). Tussen dit plein, waar ook een moskee staat, en deze moskee staat er nog een. (In Tariem zouden 365 moskeeën staan, zo wordt be­weerd.) De minaret op deze dia heeft een tra­ditionele Hadramitische vorm.
De jongeman op de fiets draagt een broek. Dat is de dracht van scholieren, die zijn verplicht een broek te dragen. De lera­ren niet.
Vrijwel de gehele mannelijke bevolking van Tariem draagt een sarong, als ze niet naar school hoeven te gaan, tenminste.
Deze dia is ‘s ochtends rond half acht geno­men. Ik ging toen vroeg op weg om onge­stoord in de binnenstad stalen deuren te fotograferen.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 28 mei 1996 (dinsdag).

Naar het einde of de index.

Tariem.
Op 7.00 uur.
Ik ga niet naar de bibliotheek. Hier, in het hotel, is elektriciteit en het dus mogelijk te werken voor de bi­bliotheek, hoewel, op het moment dat de com­puter veel energie nodig heeft, de elektriciteit uitvalt.
Nu 14.00 uur.
Ik ga zwemmen en blijf meer dan twee uur in het water. Ik ben hele­maal al­leen. Morgen komt een groep toeristen.
In het zwembad zwem ik, zoals ge­woonlijk, niet veel. Ik zit vaak on­der wa­ter, met alleen mijn neus boven de waterlijn of ik loop rond en red insecten die in het water liggen, door ze met mijn vinger ze uit het bad te schieten. Dat laatste is mijn hoofdbezigheid sinds ik hier ben.
Salim, van de receptie, zit nu zonder telefoon na de brand van zaterdag jl. en heeft niets meer te doen. Hij komt me een paar keer bezighou­den. Onder andere vervelen over Aids en overspel en het straffen voor overspel (zina) op vrijdag na de Salaat al-zoehoer (het middagge­bed) voor de moskee met de almania, want daar komt die knuppel van­daan: uit (Oost-) Duitsland. Drie maan­den geleden nog werden en­kele mannen afgeranseld bij de deur van het politiebureau, op het plein voor de moskee.
Onze seksuele vrijheid is voor Ara­bieren een frustratie, dus Aids is een straf van God. De profeet had het al aangekondigd. (Helaas vergat die de belan­grijke details te noemen.)
Op mijn terras kook ik een spinazie­schotel uit een pakje, uit Nederland. Niet vies, maar ook niet echt lekker.
Verder werk ik tot circa 00.30 aan de de catalogus (fihrist) van de biblio­theek, evenals vanochtend, om hem presentabel te maken voor het com­puter­scherm.
Bed rond 00.45 uur.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 28 mei.
Salim, (de receptionist van het hotel en leraar Engels) heeft vandaag niet veel te doen, omdat ik, zoals zo vaak de laatste tijd, de enige gast in het hotel ben. Er komen door de brand in de telefooncentrale ook geen tele­foontjes binnen.
Van hem hoor ik vandaag voor de zoveelste keer dat Aids een straf van God is, tegen overspel, voornamelijk in het Westen. (De westerse seksuele vrij­heid is een enorme frustratie, hier. Als er dan een ziekte komt, kan men zeggen: “Zie je wel, het is toch niet goed, al die vrijheid.”) Men heeft jaren­lang met afgunst naar het Wes­ten gekeken en misschien gehoopt daar ook nog eens van te profiteren.

Volgens Salim wisselen mannen en vrouwen in het Westen van partner zoals mensen van oude kleren wisselen. Overspel en zelfs seks op straat, dat is het algemeen heersend beeld dat ze hier over het Westen hebben.

Hij vertelde ook dat voor de eenwording van Noord en Zuid-Je­men, in het Zuiden jongens en meis­jes in dezelfde klas van de school zaten. Een andere moder­niteit, hier in het zuiden is, dat scholieren (jongens) verplicht zijn een broek te dragen. De docent is vrij in zijn kledingkeuze.

Dit is het einde van het verslag van 28 mei.

Index: Almania, fihristProfeet, salaatzina.

Index van locaties: Tariem.

Dit is het einde van dag 73 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

De uitspraak van enkele letters en klanken in Arabische woorden.
In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voorkomt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 27 mei 1996

Minaretten.
Twee minaretten en dus twee moskeeën op zo een korte afstand in Bawr (Boor), dit piepklei­ne dorp, dat in betere tijden de hoofdstad van de Hadramaut was. De minaret op de voor­grond is een traditioneel Jemenitische, de mi­naret op de achtergrond is er een met Malei­sische invloed. Alle bouwwerken op deze foto zijn van ‘modder’ gemaakt. (Mudbrick.)

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 27 mei 1996 (maandag).

Naar het einde of de index.

Tariem.
Vandaag over drie weken ga ik naar huis.
Op 7.00 uur.
Op weg naar de bibliotheek zegt een jongetje dat mij ziet, tegen zijn vriendje, die mij niet ziet: Adoew (een vijand) en het knaapje springt opzij.
Tegen 8.00 in de bibliotheek. Er is geen spanning tot 11.45 uur, als de azaan begint. Voor het gebed is elek­triciteit nodig: luidsprekers en koe­ling. (Ven­tilatoren.)
Ik print nog snel wat en ga rond 13.30 uur met Abd al-Rahmaan A. naar het hotel. Hij daarna gaat naar huis.
Ik doe de administratie en maak shakshoeka: een gebakken gerecht van ui, tomaat en geklopte eieren.
Na de middag zwemmen.
FoxPro database
Tekenen.
Avondeten: brood, yoghurt en ba­naan.
De administratie verfijnen.
Nu 21.00 uur.
Even tekenen.
Muhammad al-S. kauwde gisteren gaat (qat). Daar blijf je lang wakker van. Hij is nu dus erg moe.
Bed 23.00 uur.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 27 mei.
De hiërarchie binnen de organi­saties in Jemen, die zich met Cultuur bezig houden.
Minister van Cultuur en Toerisme.
De directeur van de Algemene Or­ga­nisatie van Archeologie, Hand­schrif­ten en Musea.
De vicedirecteur van deze organi­sa­tie.
De administratieve directeur.
De algemene directeuren, (daar zijn er 28(!) van), onder andere Ahmad al-Gh., die goed Frans spreekt.
Laatstgenoemde heeft twee assis­tenten, beide met de titel Algemeen vice­directeur.
Een van die assistenten is AM, de directeur van het Museum voor Handschriften in Sana’a, die Nico en ik ontmoetten op 25 maart jl. en Abd al-Rahmaan A, de directeur van de al-Ahgaaf-bibliotheek te Tariem.
Het museum dat in het Gasr al-Thawra in Say’un gevestigd is valt ook onder deze organisatie en Abd al-Rahmaan is daar ook de ‘baas’, daarom zal hij twee dagen in de week in Say’un werken en vier dagen in Tariem. Hij zoekt vervangende woongelegenheid in Tariem, maar dat is erg duur. Dat kost circa 7.000 tot 9.000 rial per maand. (1.000 rial is f. 13,00)

[…]

Vandaag werd weer een nieuwe kracht in de bibliotheek aangesteld: Mu­hammad Alawi Sh. Hij is moe­handis (ingenieur). Hij zegt ook boek­binder te zijn, maar heeft nog nooit een boek gebonden. Zo komen we van de regen in de drup.
Ik vroeg hem waar hij boekbinden geleerd heeft en hij antwoordt: “Hier.” Hij was toen net een half uur binnen.
“Welke opleiding?”
“Ervaring,” zei hij en vond dat belangrijker dan opleiding.
Ik heb geen hoge pet van hem op. Hij zal zich moeten bewijzen voor­dat ik wegga. Misschien ben ik bevooroordeeld. Deze is in zekere zin luidruchtig, de andere drie zijn meer ingetogen.
Die drie zijn:
Hoessein al-H., boekdrukker en in­formatiedeskundige, die in Kiev stu­deerde. De Jemenitische regering beschouwt zijn diploma als een BA, om­dat hij maar vijf jaar studeerde en daarvan één voor taalverwerving. In de Oekraïne geldt zijn diploma als een MA.
Hoessein HB., met een mooie tul­band en baardje, maar daarom nog geen extremist.
Ali ZB., met bril. Hij werkte een maand in Mekka met een computer.

[…]

Vandaag probeerde we de boek­binderstafels op te zetten. Die kwamen met de container uit Nederland. De onderdelen schijnen niet bij elkaar te horen. Die passen van geen kant. Het is zwaar staal en het wordt nog een hele klus er wat van te maken.

[…]

Hoessein al-K. vertelt dat er vandaag een inspecteur van de telefoon­maatschappij uit al-Mukalla zou komen om de mensen hier te ondervragen naar de oorzaak van de brand in de nieuwe telefooncentrale, eergisteren.
Hij is een vriend (…?) van de dochter van Hoessein en zal daarom bij hem logeren.
Later vertelt die man dat hij niet de vriend van die dochter is, maar de echtgenoot.
Hoessein heeft maar twee kinderen. De oudste is een zoon, Ibrahiem, die in Algerije (niet Algiers) zeven jaar lang medicijnen studeerde en nu in Tariem als arts werkt. Die heeft drie kinderen, waarvan Ahmad, veertien jaar, de oudste is.

[…]

Abd al-Rahmaan vertelt dat, als we de volgende keer naar Tariem komen, we een huis kunnen huren in het centrum. Dat zal ongeveer 10.000 rial per maand kosten, wat 3,5 keer goedkoper is dan het Gasr al-goebba-hotel. (Een nadeel zou kun­nen zijn dat er geen zwembad direct voorhanden is en dat we minder landgenoten ontmoeten. (Is dag een nadeel?) Het (grote) voordeel is dat we vlak bij het werk zitten en meer kans hebben om mensen (mannen) uit de stad te leren kennen en ook kunnen uitnodigen.)

Het ontmoeten van landgenoten heb ik niet altijd als een overdeeld ge­noegen ervaren. Zeker in het zwembad gedragen ze zich als apen. Altijd moeten ze het grootste woord hebben, maken het meeste lawaai en eisen alle ruimte en aandacht.
Vrouwelijke Duitse toeristen zijn soms ook vervelend. Die zijn haast altijd van mening dat het zwembad van hen is, voor vrouwen alleen. Als je gaat zwemmen roepen ze je toe, met een lichte ondertoon van paniek, dat dit het bad voor vrouwen is en dat mannen het zwem­genoegen maar in het andere bad moeten zoeken. Er is altijd enige overtuigingskracht nodig om hen erop te wijzen dat ze het bij het verkeerde eind hebben.

[…]

Abd al-Rahmaan is ook begonnen met het noteren van de afschriftdata van de handschriften. De catalogus komt in zicht, aan de horizon.

Dit is het einde van het verslag van 27 mei.

Index: adoew, azaan, BA, gaat (qat)MA, minaret, moehandis, mudbrickshakshoeka, zonsteen.

Index van plaatsnamenBawr, Gasr al-goebba-hotel, Gasr al-Thawra, Hadra­maut, Tariem.

Dit is het einde van dag 72 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

De uitspraak van enkele letters en klanken in Arabische woorden.
In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voorkomt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 26 mei 1996

Tariem.
Uitzicht vanaf het Aal Kaaf-paleis in Tariem, in oostelijke richting. Vanuit de Wadi Hadra­maut de blik gericht op de Wadi Masila.
Tariem, wat ben je mooi.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 26 mei 1996 (zondag).

Naar het einde of de index.

Tariem.
Op 05.30 uur.
Tekenen.
Circa 8.20 uur in de bibliotheek, om ruimte te maken voor de elektricien, die niet komt opdagen.
Ik schiet vier fotorolletjes vol voor medestudent DO met foto’s van twee handschriften van al-Soeyoeti. (Djalaal al-Dien al-Soeyoeti.)
Ik ben circa 10.00 uur terug in het hotel. Er was geen elektriciteit in de bibliotheek, dus de ventilatoren draaiden niet en ik deed niet anders dan zweten, hoewel ik bijna niets gedronken had.
Nu 10.30 uur.
Gelukkig kan ik in het hotel wel een koude douche nemen. Twee dagen geleden liet ik een grote wasteil vol­lopen met water. Dat is nu heerlijk koud.

Ik ben vandaag erg geil en teken daarom veel jongens- en vrouwen­lijven.
Ik denk daarbij veel aan BQ en ook aan (het lichaam van) AS.
Werken aan de FoxPro database.
Koken.
FoxPro.
Ik ga maar een kwartier naar be­neden, naar het terras voor het hotel.
FoxPro.
Nu 23.45 uur.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 26 mei.
In de bibliotheek is geen elektriciteit en het is er bijna niet vol te houden van de hitte en het lawaai.
Door de hitte gutst het zweet langs mijn hoofd wanneer ik de hand­schrif­ten fotografeer en na iedere drie of vier foto’s moet ik stoppen om mijn hoofd af te drogen, om te voorkomen dat de bladzijden van de documenten kletsnat worden.
Het lawaai komt van buiten, want het personeel van de bibliotheek zet­te de ramen open om de hitte de baas te kunnen blijven. Achter de bibliotheek is een winkel waar reli­gieuze muziek en preken op casset­tes verkocht worden. Voor de deur van die zaak staat een generator luid brullend elektriciteit te produceren. Het religieus geluid moet hier nog bovenuit schreeuwen. Ik word er gek van en vlucht spoedig naar het hotel.

[…]

Hoewel ik verliefd ben op Tariem, krijg ik langzaam maar zeker ge­noeg van mijn verblijf hier. Die vrese­lijke hitte is daar schuld aan. Ik sta met gemengde gevoelens tegen­over mijn vertrek. Aan de ene kant ben ik blij dat er nog maar drie weken over zijn, soms is me dat nog te lang. Aan de andere kant vind ik het jammer om te gaan, want het is hier erg mooi en ik heb een aantal aardige vrienden. Ik kom graag terug in een minder warm seizoen.

[…]

In de bibliotheek wil men geen gene­rator, als die niet sterk genoeg is om de hele bibliotheek van stroom te voorzien. Dat kost meer dan onze begroting kan dragen. Voor een kleine generator is geen plaats en die maakt ook teveel lawaai.

Dit is het einde van het verslag van 26 mei.

Index van personen: al-Soeyoeti.

Index van locaties: Tariem.

Dit is het einde van dag 71 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

De uitspraak van enkele letters en klanken in Arabische woorden.
In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voorkomt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch‘ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.