Jemen, 31 mei 1996

Yool en vuursteen.
Duidelijk is te zien dat elke tafelberg een ei­gen individuele heuvel heeft. Ook is te zien dat de voet van de heuvel links bezaaid is met vuursteen, die alleen maar zwart is aan de buiten­kant.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 31 mei 1996 (vrijdag).

Naar het einde of de index.

Tariem.
Op 04.00 uur.
Vanochtend nam ik mijn 75e vita­minepil. Ik ben dus 75 dagen in Jemen. (En 76 dagen van huis.) Nog 17 dagen. Ik ben met aftellen begon­nen.
Het is niet zo dat ik zit te springen om naar huis te gaan, maar ik vind het wel een prettige gedachte om BQ weer eens te zien. In tegenstelling met wat ik verwachtte dat zou gebeuren, ben ik haar niet vergeten.
Om 05.15 uur sta ik, na veel gehaast, buiten, maar taxichauffeur Hamid B. is er niet. Na tien minuten begin ik te twijfelen of ik de Yool wel te zien zal krijgen, maar dan komt hij aangestoven.
We rijden een eindje vanaf de achterkant van het hotel en gaan dan langs dat, waarvan ik eerst (in het begin van mijn verblijf) dacht dat het de ingang van een mijn was. Later twijfelde ik daaraan.
Het blijkt een zwart geblakerde rots met een huis ervoor te zijn. Hier bakt men buizen van leem, volgens Hamid.
Het begin van de weg, ook het eind, als je van de andere kant komt, wordt ‘afgezekerd’ met militairen. Het is een grensoverschrijdende weg met Saoedi-Arabië en, natuurlijk, de Golfstaten.
De soldaat vindt de weg ongeschikt voor de kleine Toyota Cressida, maar Hamid denkt aan het geld dat hij kan verdienen en zet door. Een half uur later breekt links achter de bladveer. Die was al eens eerder gebroken en daarna aan elkaar geplakt. (Want dat was toch geen las te noemen.)
Even twijfel ik weer of ik wel boven zal komen en besluit dat ik, nu ik al op halve hoogte ben, in elk geval naar boven zal lopen, mocht een rit tot de onmogelijkheden behoren.
Hamid repareert met een touw, een oude autobinnenband en een dikke, stevige steen, zodat we weer verder kunnen.
Het landschap is indrukwekkend mooi. Ik zie de Wadi waar Thibi in ligt (Wadi Dhahab) nu van boven. (Een maand geleden van beneden.)
De wijk Aidied van Tariem ligt er groen bij.
Verderop zien we een militair kamp en Hamid wil daar om ijzer voor de reparatie van de bladveer vragen. Het blijkt een verlaten kamp te zijn, waar soldaten van de Socialistische partij een telecommunicatiepost hadden ingericht. Alles is Russisch, dus van povere kwaliteit. Russische hand­leidingen en boeken liggen in het puin, want wat kapot kon, was kapot geslagen.
Als Hamid al lang klaar is, loop ik nog rond om de bijzonderheden van het landschap vast te leggen op de gevoelige plaat.
We vervolgen onze weg door het maanlandschap.
Het weer is aangenaam. Er is veel bewolking en de horizon heiig.
We gaan verder. Ik stel hem na een poosje voor, dat als hij denkt dat zijn auto het niet overleeft, hij maar beter terug kan gaan.
Hij denkt dat ik terug wil, maar dat is natuurlijk niet zo. We rijden dan nog een stuk verder over kleine extra hoge bergjes, die ik als grafheuvels omschreef.
Deze zijn bezaaid met (vuur?)stenen met scherpe randen. Allemaal in vreemde vormen, sommige zien eruit alsof ze door een mensenhand tot instrument gemaakt zijn, bij­voorbeeld om graan te malen. Andere lijken op versteende boomstam­men. Veel stenen hebben een oppervlak als een koeientong(?) met veel minuscuul (kleine) lijntjes, loopgraafjes erop. Veel, maar niet allemaal, zijn (gedeeltelijk) zwart, maar alleen aan het oppervlak. (Zure regen?) Heel veel hebben scherpe randen. Dat betekent in elk geval dat ze niet rond gerold hebben, maar op hun plaats zijn blijven liggen, eeuwen lang.
Er is een beetje vegetatie, maar die ziet er dor uit. Een boom met een paar groene blaadjes en ander groen stond in het verlaten militaire kamp.
Volgens Hamid zijn sommige ‘graf­heuvels’ zonder stenen. (Boven op het dak, het vlakke oppervlak, van de tafelbergen, rond het dal van de Wadi Hadramaut liggen nog ‘extra’ heuvels, in trapeziumvorm. Van beneden af vond ik dat die eruit zagen als een heuvel die je ziet nadat een pas gedolven graf weer gevuld is met grond. Daarom noemde ik ze ‘grafheuvels’.)
De ondergrond klinkt op sommige plaatsen hol. De stenen maken een metaalachtig geluid als ze op elkaar botsen. Je zou er muziek mee kunnen maken.
Alles is zoals beschreven door Daniel van der Meulen in ‘Hadramaut, some of its mysteries unveiled’ op bladzijde 53-54 (Brill 1964, Leiden.) Hij was er (in een andere regio) eind mei 1931. Vijfenzestig jaar geleden en niets is veranderd, behalve hier en daar wat plastic en blik.
De temperatuur stijgt langzaam, maar is nog draaglijk. Het is licht bewolkt.
De stilte is enorm. Alleen de wind is hoorbaar.
Lager, op weg naar huis, hoor je ook geluid uit Tariem, het gezoem van een enkele vlieg rond mijn hoofd en het gesmak van Hamid, die ik enkele koekjes van Liga had gegeven, met vruchtenvulling.
Hij eet met zijn mond open en smakt. Dit hoor ik over een afstand van meer dan vijftig meter (ik kon het niet geloven), maar eens te meer een bewijs voor de enorme stilte.
Vooralsnog zetten we onze tocht voort, totdat ik een mooi uitzicht kreeg over de Wadi met Aidied erin. Het hotel Gasr al-goebba is goed zichtbaar. Tariem ligt achter een heuvel en zal tijdens deze rit, met kapot bladveer, daar blijven liggen. (Later kan ik haar wel zien en fotograferen, ook de Mihdaar mina­ret.)
Ik vind een steen met blaadjes of koraal (versteend) en neem die mee. Ik bied die aan Hamid aan. Die vindt dat ik hem als herinnering aan de Yool moet houden.
Als we langs de weg stilstaan, stopt iedere bedoeïen om te vragen of er hulp nodig is.
Boven zien we ook een tractor rijden, op grote afstand. Is die aan het werk?
Rond 9.00 is het avontuur ten einde. Dan zijn we in het hotel.
Ik sprak met Hamid 5.000 rial af, dat wil zeggen: dat bedrag bood ik hem. Nu geef ik nog 1.000 rial meer voor zijn auto. Hij is blij.
We maken een afspraak voor volgende week zaterdag om naar Wadi Du’an te gaan.
Ik ga slapen en daarna zwemmen.
In het hotel ontmoet ik een Duitse: Luise Müller van een nieuw reis­bureau: Studien-Kontakt-Reisen, die ‘intellectuele’ reizen wil aanbieden, maar zelf nergens van blijkt te weten. Ze haalt Perzisch en Arabisch door elkaar en wil in Tariem met toeristen een Koranschool bezoeken!
Ik moest denken aan de ‘Kennedy‘ (Canadees), Andrew R., enkele weken geleden (8 mei jl.) die hier voor de soefi’s kwam.
Mensen denken dat Tariem een pretpark is, waar je elke attractie kunt bezoeken, nadat je entree (reis) betaald hebt. Voor de Tarimi’s is dit harde werkelijkheid en deel van hun (religieuze) leven.
Op mijn terras en kamer compu­teren.
De lucht wordt zwart en er valt een stevige verkoelende bui regen, naar Nederlandse begrippen. Hier stelt het allemaal niets voor. Het water is meteen verdampt.
Even beneden op het hotelterras zitten.
Weer boven, achter de computer, val ik in slaap.
Ik ben nog een tijdje bezig met het overtypen van de fihrist. (De inven­taris van de al-Ahgaaf-biblio­theek.)
Bed 23.30 uur.
Weer: veel bewolking. ’s Avonds on­weer en regen.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 31 mei.
Op de Yool zag ik een soort hagedis, als een kleine versie van een of andere saurus, met krachtige achterpoten, waar hij op loopt. Kleine voorpoten en een grote kop. Achter zit een lange staart vast, zijn hoogte was niet meer dan een centimeter of tien. Hij keek ‘dreigend’ rond.

[…]

In het begin, toen ik pas in Tariem was, dacht ik dat die individuele heuvels, die boven op de tafelbergen liggen en die vanuit de Wadi, dus van beneden, ook te zien zijn, grafheuvels waren. Vandaag denk ik dat het misschien inderdaad om grafheuvels gaat, van een volk dat veel doden te begraven had, de ‘Apenkoppencultuur’. Dit omdat de afbrokkelende tafelbergen allemaal eindigen in een soort sculptuur die soms duidelijk, andere keren met enige fantasie, op een apenkop lijkt.

[…]

Hamid, mijn chauffeur, weet toch vooral de zegeningen van het communisme te prijzen. Toen was er geen corruptie en er werd hard opgetreden tegen steekpenningen en wapenbezit. Nu gebeurt daar niets meer tegen. De regering slaapt. (Zuid-Jemen was tussen 1967 en 1990 communistisch.)
Ook vertelt hij dat hij tot 1986 alle soorten alcohol regelmatig gebruik­te, niet in het openbaar, want daar zou maar geroddel van komen, maar in huis met goede vrienden.
In 1986 ging hij naar Mekka voor de Hadjdj (bedevaart) en sindsdien drinkt hij geen alcohol meer. Nu gaat hij nog geregeld naar Mekka, maar in de maand Ramadan.(1)

[…]

In het hotel ontmoet ik Luise Müller van Studien – Kontakt – Reisen uit Bonn in Duitsland. Zij wil reizen organiseren naar islamitische lan­den voor mensen die geïnteresseerd zijn in de islam. Zij wil in Tariem excursies organiseren naar een koranschool! Zij spreekt geen Arabisch en haalt Arabisch en Perzisch door elkaar.
Een bevriend echtpaar, hij Pers, zij een Nederlandse oriëntaliste, zal inleidende informatie tijdens ‘seminars’ bieden aan de personen die met haar op reis gaan.
Zij: “Hij houdt zich met Arabische poëzie bezig.”
Ik: “Misschien Perzische poëzie?”
Zij: “Ja, natuurlijk Perzische poëzie, Perzisch mystieke gedichten. De islamitische mystiek is toch enorm interessant?”
Ik: “Ik weet er niet zoveel van, maar mijn docenten aan de universiteit vertelden dat christelijke mystiek veel interessanter is.”
Zij: “Ja, natuurlijk, de christelijke mystiek is veel rijker.”
Ik wijs haar op het bestaan van Wadi Du’an en de hete bronnen voorbij Dies al-Shargiyya. Haar Jemeni­tische begeleider vertelt haar dat de toeristenbureau’s die wel kennen, maar dat in het noorden ook iets dergelijks voorkomt: Damt (?). Het voordeel daar is dat er een hotel is en in het zuiden niets te bekennen valt dat daar in de verste verte op lijkt.

Dit is het einde van het verslag van 31 mei.

(1) Hamid vertelde ook dat hij twee vrouwen had. Beide dames konden niet samen door één deur, dus had hij voor elk van hen een eigen, gescheiden, woonruimte moeten creëren in zijn huis.
Het taxibedrijf bracht dus voldoende geld op om er het levensonderhoud van twee echtgenotes van te betalen.

Index: Arabisch, Arabische poëzie, fihrist, hadjdj, mystiek, Perzisch, Perzische poëzie, Ramadan, saurus, soefisme, Zuid-Jemen: communisme.

Index van personen: Hamid B. taxichauffeur.

Index van plaatsen: Aidid, Damt, Dies al-Sharqiyya, Gasr al-goebba-hotel, Golfstaten, Mekka, Tariem, Thibi, Wadi Dhahab, Wadi Du’an, Yool.

Dit is het einde van dag 76 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

De uitspraak van enkele letters en klanken in Arabische woorden.
In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voorkomt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.