Jemen, 16 mei 1996

Huis in Say'un.
Het huis van de overburen, gezien vanaf de binnenplaats van het huis van Abd ar-Rahmaan in Say’un.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 16 mei 1996 (donderdag).

Sana’a – Say’un – Tarim (Sana’a, Say’un, Tarim, Roebaat, alim, Ara­bische na­men, Koelliyat al-shariyya).
Ik besloot om niet te gaan slapen, maar rond 01.00 ben ik zo moe dat ik toch naar bed ga.
Om 03.00 moet ik Abd al-Rahmaan A. bellen. Mijn wekker loopt om 02.40 af. Ik besluit om nog even te blijven liggen. Om 03.40 schiet ik wakker, ren naar beneden en bel naar de broer van Abd al-Rahmaan.
“Die is al weg,” krijg ik te horen.
Ik neem snel een douche en ga naar beneden.
Abd al-Rahmaan is er niet. Binnen de muren van het hotel wacht ik tot 04.10 uur, voordat hij komt. Hij is onderweg door de politie gestopt en die wilde problemen maken, want Abd al-Rahmaan kon geen factuur overleggen voor al die goederen waarmee de taxi volgeladen was. (Ik had de nota’s.) Smeer­geld bespoe­digde de zaak enorm.
Luchthaven. De taxirit kost 1.000 rial. Per ongeluk geef ik de vriend van Abd al-Rahmaan 2.000 rial. Zowel hij (de taxichauffeur) als ik merken de vergis­sing onmiddellijk. Ik maak er 1.100 rial van (f. 14,30).
Op de luchthaven is het nog even spannend voor Abd al-Rahmaan. We koch­ten de tickets eergisteren op de luchthaven, direct na aankomst. Voor mij was er plaats. Voor Abd al-Rahmaan niet. Hij was de eerste op de wachtlijst.
We moeten nog een uur wachten voordat blijkt dat we samen (met onze ba­gage, want daarover waren ook problemen) kunnen reizen.
We moeten 1.400 rial voor over­gewicht betalen.
Op de luchthaven moeten we zelf zorgen dat onze spullen ingeladen wor­den. (De bagagedragers willen ook wat verdienen.)
In het vliegtuig zitten we weer achterstevoren, net zoals eergis­teren.
Abd al-Rahmaan is ziek.
Ik kijk een gesluierde dame zo lang aan dat ze naar mij wijst, als ze haar buurvrouw op mij attent maakt. Ik verminder mijn aandacht.
Na anderhalf uur in Say’un. Hamid (taxi) haalt ons op en brengt ons naar het huis van Abd al-Rahmaan. Daar word ik weer tijdelijk gelogeerd in de grote kamer.
Ik lees weer, net zoals eergisteren, in een Arabisch boek en evenals eergis­teren val ik in de benauwde kamer, (alle deuren staan open!) in slaap.
Het duurt wel een uur voordat ik de beloofde thee krijg.
Abd al-Rahmaan begint over zijn detachering te zeuren. (Ik ben moe en wil naar Tarim, naar het hotel. Hij is ziek, daarom dring ik niet aan.)
Enkele dagen geleden al zei hij dat medewerkers van buitenlandse projecten naast hun  loon ook een salaris uit het project krijgen. Ik besprak deze zaak met MN (Nederlandse Ambassade), maar die zei dat dit niet de gewoonte was, maar ik mocht wel wat geven.
Abd al-Rahmaan vertelde mij eens dat een salarisverhoging één- of twee­honderd rial per maand bedraagt. Hij zei nu dat mensen werken naar wat ze betaald krijgen. Hij steekt veel extra tijd in dit project. Hij wilde niet drei­gen, maar vond wel dat die extra tijd betaald moet worden.
Ik vraag hem hoeveel hij wil hebben en vertel hem het antwoord van MN erbij.
Hij zegt dat ik moet beslissen.
Ik bied hem 1.000 rial per week. Dat is te weinig, vindt hij en begint weer over de extra tijd die hij erin steekt. Het verhaal begint me te vervelen.
Ik vraag hem of 12.000 rial per maand (zijn loon) extra voldoende is. Hij rea­geert niet echt enthousiast.(1)
Na de middag, in het hotel in Tarim, maak ik een berekening van mijn financiële speelruimte.
Ik heb nog 4.270 dollar over. Daarvan heb ik er zelf 1.500 nodig.
Ik schat de koers: 1 dollar voor 120 rial. (Koersrisico!)
Hotel Tarim (vier weken) 48.000 rial: 400$. Geschenk aan het personeel [hotel]: 30.000 rial: 250$. Vlucht Say’un – Sana’a: 125$. Hotel Sana’a 12.000 rial: 100$. Eten in Sana’a 12.000 rial: 100$. Vijf keyboards: 125$. Boeken ko­pen in Sana’a, circa 20.000 rial: 165$. Overgewicht tijdens de vlucht naar Nederland: 235$.
Totaal 1.500$.
4.270 – 1.500 = 2.770$ over voor het project.
Ik heb al enkele weken geleden Abd al-Rahmaan 8.000 rial per week als reis­kosten toegezegd. Voor de komende vier weken is dat 32.000 rial: 265$.
Ik heb toegezegd om na mijn vertrek enkele maanden loon voor de twee nieuwe medewerkers door te betalen. Ik besluit om dit tot twee maanden beperken. Dit is 48.000 rial: 400$.
2.770 – 665 = 2.105$ over voor lopende kosten en een vergoeding voor Abd al-Rahmaan.
Nog betaald moeten worden: de timmerman en Ahmad, de elek­tricien.
Die laatste kwam bij Abd al-Rahmaan thuis, toen ik wilde slapen, zeuren over het geld dat hij had verloren door verleden week 800$ te accepteren in plaats van 100.000 rial.
Ik wees hem erop dat dit business is. Evenzo goed had hij er flink aan kunnen verdienen.
Nu wilde hij, geloof ik, nog eens 100.000 rial, om allerlei spullen nieuw te kopen, maar ik wil hebben dat hij alles gebruikt wat we meebrachten, in de container uit Nederland.
Hij wil nieuwe bedrading kopen: “… want de kabel past niet in de buis.”
(Nou, dan bevestigt hij de kabel maar op de muur of stript de mantel eraf, dan past die wel in de buis. Gereedschap daarvoor is er ook.)
Uiteindelijk krijg ik toestemming om naar Tarim te gaan. Abd al-Rahmaan blijft ziek thuis.
Ik laad het materiaal uit in de bibliotheek en krijg niet te horen wat ik in het hotel wel te horen krijg: dat er in de bibliotheek een brief voor mij is aan­gekomen. Ze hadden naar het hotel gebeld om me te waarschuwen, hoewel ze wisten dat ik naar Sana’a was.
Ik ga zwemmen.
De financiën berekenen, zoals boven weer­gegeven.
Ik gaf de cursus Engels aan Muhammad al-S. Hij is er oprecht blij mee, maar als hij later komt buurten, moet ik hem, met veel excuses, de toegang weigeren. Ik zit midden in de planning en de financiële berekeningen van het project en wil die voor donker af hebben.
Ik eet op mijn kamer brood met witte bonen in tomatensap, koud.
’s Avonds buiten zitten met Muhammad al-S. en Hussain al-A. en een vriend van Muhammad, die Salaah(2) heet en die hier in Tarim op de Koelliyat al-shar’iyya (Roebaat) studeert om ‘alim te worden. Hij komt evenals Muham­mad uit een dorp ergens bij al-Mukalla. Nadat anderen hem erop gewezen hebben dat de gebruikelijke discussie over godsdienst mij enorm stoort, blijkt hij een aardige, intelligente jonge­man te zijn.
Er is nog een andere knaap, zwart, sexy en analfabeet, ook uit dat dorp. Die zegt alleen maar lokaal dialect te kennen. Hoewel niet helemaal schoon, als illegale grensoversteker zat hij vier dagen in Saoedi-Arabië in de gevangenis, zou ik met hem wel het bed willen delen.
Iedereen zegt me dat ze me twee dagen gemist hebben en ter gelegenheid van mijn terugkomst hebben ze droge broodjes met ei en suiker gebakken. (In het vet waarin men normaal al die kippen bakt, kennelijk, want daar smaken deze broodjes naar.)
Bed: 00.30 uur.
Weer: fris in Sana’a. Smoorheet in Tarim.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 16 mei (Slachtfeest, Nieuwjaarsdag, Dag van de Eenheid).
’s Nachts komt Abd al-Rahmaan met een taxi naar mijn hotel in Sana’a. Hij is laat omdat hij onderweg door de politie is aangehouden. Hij kon geen factuur overleggen van al dat materiaal dat in de taxi lag. (De facturen had ik. Ik heb niet aan zulk een voorval gedacht.)
Na het betalen van 150 rial ‘bespoedigingskosten’ kon hij doorrijden.

[…]

In Say’un gaan we naar het huis van Abd al-Rahmaan. Hoewel erg ziek, begint hij weer over dat extra salaris (detachering). Hij stelt dat iedere werknemer werkt naar het salaris dat hij ontvangt en niets extra’s wil ondernemen als daar niet een extra beloning aan vast zit. Hij steekt nu veel energie in het project. (Ik kan dat niet helemaal volgen, want hij wordt toch gewoon betaald om met ons samen te werken en het project tot een succes te maken. Ik zeg dat echter niet.)(3)
Abd al-Rahmaan is niet van plan minder energie in het project te steken. Hij is niet zoals de anderen, maar zou graag zien dat die extra energie beloond werd.
Ik vertel hem dat het niet tot de Nederlandse gewoonte behoort om dat te betalen, zoals MN (Nederlandse Ambassade) vertelde, maar dat ik niettemin een bedrag mag betalen.

[…]

Van het geld dat na mijn berekening overblijft kan Abd al-Rahmaan zijn detachering krijgen, maar niet meer dan 12.000 rial per maand. (f. 160,00, per maand.)
Het is bijzonder ongunstig dat Nico die resterende 4.000 dollar mee naar Nederland heeft genomen. Door de vertragingen is het nu onmogelijk ge­worden dat ik het elektriciteitsnet in de al-Ahgaaf-bibliotheek zelf aanleg, zoals in de eerste opzet het plan was. De elektriciteitsvoorziening moet nu door een elektricien gemaakt worden. Door deze extra kosten en de aan­schaf  van de nieuwe computer ontstaat er een situatie waardoor ik mis­schien niet meer aan mijn betalingsverplichtingen kan voldoen.
De vertraging komt door de late komst van de container, maar ook de week vakantie voor het Slachtfeest, de reis naar Sana’a en volgende week: Nieuwjaarsdag, de Dag van de Eenheid en het bezoek van de Nederlandse Ambassadeur aan Say’un en Tarim, waarbij  men van mij verwacht dat ik daar­bij aanwezig ben.

Dit is het einde van het verslag van 16 mei.

(1) Wat de mensen in Jemen, misschien wel de hele Arabische wereld, niet vertellen, omdat ze waarschijnlijk aannemen dat wij westerlingen in een zelfde situatie leven als zij en wat wij westerlingen niet vragen, ik dus ook niet, omdat wij aannemen dat zij in een zelfde situatie leven als wij (zij het met een lager loon), is hoe de betaling van verricht werk moet worden geregeld. “Je weet wat mijn dienst waard is”, zegt men. Nou, dat weten wij niet. Er wordt in gesprekken nogal moeilijk, versluierd, over geld gedaan.

(2) De volledige voornaam van Salaah is Salaah al-dien en wordt uitgespro­ken als Salaah ad-Dien, in een westerse taal (ook) geschreven als Saladin. Deze naam kan het beste vertaald worden met ‘Rechtschapenheid van de godsdienst, waarbij ‘de godsdienst’ staat voor ‘de islam’.

(3) Had ik dat maar wel gezegd, dan was misschien een van de grote ge­heimen van Jemen voor mij één maand eerder opgelost, dan pas tijdens mijn allerlaatste uren in Jemen!

Dit is het einde van dag 61 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Door op de twee eerste letters van een link te klikken, opent een nieuw tab­blad waarin de geo­gra­fische locatie van de plaats in Google Maps wordt getoond.
Wanneer u op de derde en volgende letters klikt komt u in een nieuw tab­blad bij Wi­ki­pe­dia­pa­gi­na terecht met informatie over deze locatie.
Bij begrippen wordt alleen Wi­ki­pe­dia geopend.

Jemen, 13 mei 1996

Say'un: Gasr al-thawra en omgeving.
De toren rechts maakt deel uit van het Gasr al-Thawra in Say’un. Op de achtergrond ligt de lucht­haven, niet zichtbaar, maar hij is er wel. Links op de voorgrond is te zien dat een van de huizen uitgebreid wordt met een be­ton­nen vleugel. Ook is duidelijk te zien dat de huizen al­le­maal een dakterras hebben. Daar kan echter maar één gezin van de vele ge­zin­nen die in zulke huizen wonen, terecht. Alle zonen gaan na hun huwelijk veelal bij de va­der inwonen. De doch­ters verhuizen naar de schoonfamilie. De gezinnen van de zonen krijgen elk een deel van het huis, met eigen kamers. De vrouwen van een gezin mogen niet ongesluierd gezien worden door de man­ne­lijke leden (van huwbare leeftijd) van het andere gezin. (Mahaarim.) Dit maakt het dus vrijwel onmogelijk dat meer dan één gezin van het dakterras gebruik maakt. De anderen zitten in huis te zweten, zeker in de zomer als de elektriciteit geregeld uitvalt. Er is alleen maar ‘s nachts elektriciteit. Koelinstallaties werken dus niet wanneer ze nodig zijn en er is ook niets fris te drinken.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 13 mei 1996 (maandag).

Tarim (Tarim, Say’un, mahaarimfoliëren).
De nieuwe jongens krijgen in­struc­ties om pagina’s te gaan controleren: of deze wel goed ge­fo­li­eerd of ge­pa­gi­neerd zijn.
Hussain al-K. reageert een beetje kwaad als Abd al-Rahmaan A. klaagt over de slordigheid waarmee alle stick­ers in de boeken zijn geplakt: schots en scheef en met de snijlijnen van balpeninkt er nog op. Hij (Hus­sain) zegt dat het belangrijkste is dat de stickers in de boeken zitten.
Ik ging laat naar de bibliotheek, want ik had helemaal geen zin.
Ik ben een beetje gepikeerd als Ali (een van de twee nieuwe me­de­wer­kers) mij bedankt voor het loon van 6.000 rial per maand. (f. 78,00 / € 35,00.) Ik wijt het aan zijn ge­brek­kige Engels dat hij niet vijf­en­vijf­tig­hon­derd rial kan zeg­gen, het bedrag dat Abd al-Rahmaan met hen bei­den, in mijn bijzijn, had af­ge­spro­ken. Als ik hem naar die zesduizend vraag, zegt hij dat hij er zes­duizend van gemaakt heeft. Ik moet dat be­ta­len.

Ik ga met Abd al-Rahmaan naar Say’un waar ik bij hem thuis de nacht zal doorbrengen. Eerst laat hij mij nog het lemen huis zien van zijn groot­moe­der, dat van binnen tra­di­tio­neel versierd is. Het is er heerlijk fris.(1)
Bij hem thuis krijg ik een kamer aan­ge­wezen, los van zijn huis en na­tuur­lijk zonder tafels of stoelen. No­ma­den eten met hun handen en le­ven op de aar­de.

Ik speel krijgertje met zijn doch­ter­tje en haar neefjes. Als zij bang voor mij zijn, duwen ze Maryam voor zich uit als bescherming. “Zij is (maar) een vrouw.”, zegt Abd al-Rahmaan. (Zonder ‘maar’.)
Arabisch lezen.
Slapen.
Heerlijke foel (bonengerecht) bij hem thuis.
Bed 22.15 uur.
Zowel het drinkwater (kraanwater) als het week en klef gebakken ei sma­ken naar stof.
Er viel in Say’un een beetje regen en het was er vochtig en stoffig.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de za­kelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen in­te­res­san­te informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 13 mei.
Als ik in de bibliotheek in de Records of the Yemen zit te lezen, wijst Hus­sain al-K. mij erop dat hij de stickers al in de boeken geplakt heeft. Ik geef daar geen antwoord op. Aan Abd al-Rahmaan, die wat later komt, laat ik de ca­ta­lo­gus van Kenderova (Sofia) zien. De sticker is daarin onder een hoek van 45 graden ge­plakt en de snijlijn van balpeninkt zit er nog duidelijk zichtbaar op, over de hele lengte van de bovenkant. Het is een schandaal!
Abd al-Rahmaan klaagt erover bij Hussain. Die weet natuurlijk niet waar het over gaat: “Het be­lang­rijk­ste is dat de sticker er in zit.”
Abd al-Rahmaan besluit dat er nieu­we stickers gemaakt moeten wor­den, die groter zijn en over de oude heen geplakt moeten worden.
Goede lijm wordt nu een probleem. Er staat nog een grote pot Bijonkit [sic.] voor het lijmen van vloer­be­dek­king. Dat is een groot gevaar. Dan is na het plakken van de nieuwe stick­ers het boek niet meer te openen, of zelfs nog maar van de tafel te ver­wij­de­ren. De stickers zitten er dan wel recht in.

[…]

Ik zal de nacht doorbrengen bij Abd al-Rahmaan thuis, want mor­gen­och­tend vertrekken we naar Sana’a. In Say’un laat hij mij het interieur van het traditionele huis van zijn groot­moeder zien. Ik heb helaas geen ca­me­ra bij me, want ik reis zo com­pact mogelijk naar Sana’a.
Bij hem thuis bespreken we het pro­gram­ma dat we in Sana’a gaan vol­gen en het eventuele programma voor de Nederlandse ambassadeur, die hier vol­gen­de week op bezoek komt, met zijn auto! Een reis van drie dagen heen en drie dagen terug. Een reis die met het vliegtuig in an­der­half uur kan! De man, Pijpers, is bang voor kleine vliegtuigen.

Dit is het einde van het verslag van 13 mei.

(1) Ik weet nog dat in het huis van de grootmoeder van Abd al-Rahmaan een kast uit Indonesië stond, want daar kwam zij van­daan, die versierd was met hout­snij­werk. Abd al-Rah­maan vertelde toen ook dat hij zijn grootmoeder slecht kon verstaan, want zij sprak eingelijk alleen maar In­do­ne­sisch en maar een beetje A­ra­bisch.

Dit is het einde van dag 58 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Door op de twee eerste letters van een link te klikken, opent een nieuw tab­blad waarin de geo­gra­fische locatie van de plaats in Google Maps wordt getoond.
Wanneer u op de derde en volgende letters klikt komt u in een nieuw tab­blad bij Wi­ki­pe­dia­pa­gi­na terecht met informatie over deze locatie.
Bij begrippen wordt alleen Wi­ki­pe­dia geopend.

Jemen, 12 mei 1996

Slagschaduw.
Gisteren, 11 mei 1996 om 12.00 uur: de zon staat nagenoeg recht boven. Het is on­draag­lijk heet. Flesje, stoel en tafel werpen nau­we­lijks meer schaduw dan hun omvang.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 12 mei 1996 (zondag).

Tarim (Tarim).
Een beetje tekenen.
Naar de bibliotheek lopen.
Thuis (hotel Gasr al-goebba) tegen 13.30 uur.
Zwemmen: er liggen enkele Fran­çai­ses in het zwembad.
FoxPro database programmeren.
Koken.
Beneden vertellen met X, een E­gyp­to­lo­ge uit Leiden. Vroeger was ze voor­zit­ter van Sheherazade: de stu­den­ten­ver­eni­ging voor allen die Ara­bi­sche, Per­zi­sche en Turkse talen en culturen studeren. In Leiden had ik een moeilijk contact met haar. Zij is niet mijn vriendin, maar toch dump ik bij haar twee li­ter whisky; an­ders moet ik die weggooien.
Onweer: niet zo spectaculair als een paar weken geleden. Ik fotografeer dat. Er vallen enkele druppels regen.
Dinsdag ga ik naar Sana’a en daar­om overnacht ik morgen bij Abd al-Rah­maan A. thuis in Say’un.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de za­­kelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen in­te­res­san­te informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 12 mei.
Abd al-Rahmaan is in de bibliotheek met een zekere Hussain. Deze man is cal­li­graaf en hij zal diverse ge­cal­li­gra­feer­de aankondigings- en naam­bor­den voor de bibliotheek ma­ken, onder andere een bord waarop het geschenk van de Nederlandse re­ge­ring wordt vermeld. De kosten be­dra­gen 37.000 rial. Desgevraagd be­taal ik 20.000 rial als voorschot.

[…]

Ahmad, de elektricien komt op be­zoek en bekijkt het werk nog even. De voor­lo­pi­ge kosten zijn 100.000 rial. Hij gaat akkoord met een be­drag van 800 dollar tegen een koers van 127 rial per dollar. Hij ont­vangt dus 800 dollar met een tegenwaarde van 101.600 rial.

(1.000 rial = f. 13,00 (€ 6,00))

Dit is het einde van het verslag van 12 mei.

Dit is het einde van dag 57 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Door op de twee eerste letters van een link te klikken, opent een nieuw tab­blad waarin de geo­gra­fische locatie van de plaats in Google Maps wordt getoond.
Wanneer u op de derde en volgende letters klikt komt u in een nieuw tab­blad bij Wi­ki­pe­dia­pa­gi­na terecht met informatie over deze locatie.
Bij begrippen wordt alleen Wi­ki­pe­dia geopend.

Jemen, 11 mei 1996

Handschrift / manuscript.
Een beeld van het vandaag gekochte hand­schrift. Links het boek rechtopstaand en rechts een de­tail van de tekst.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 11 mei 1996 (zaterdag).

Tarim (Tarim, convoluut, Ma­ghre­bijns schrift, is­la­mi­ti­sche cal­li­gra­fie).
Tekenen.
Ontbijt.
Ik ga naar Hussain al-A. (van de te­le­foon­win­kel) en bekijk het ma­nu­script dat hij helemaal bestudeerd heeft. Ik koop het document voor 350 dollar.
Het handschrift is een convoluut met vier teksten en is geschreven in een fijn Magrebijns schrift.(1)
Circa anderhalf uur werken in de bi­blio­theek.
Thuis een brief maken voor EL (hoe­wel ik niet zeker weet of ik die ver­stuur) en voor Nico.
Abd al-Rahmaan A. belt en vraagt of ik MN (van de Nederlandse Am­bas­sa­de in Sana’a) al gebeld heb.
Vanochtend probeerde ik dat, maar er was niet eens kiestoon be­schik­baar. (De lijn was dood.)
Nu zegt hij dat het vanuit Say’un wel gaat.
Ik zeg: “I am in Tarim.”
Hij: “You come to Say’un.”
Ik: “No.”
Het is even stil aan de andere kant. Hij staat wellicht perplex. Arabieren zeg­gen nooit nee. “Ja,” zeggen ze en doen het vervolgens niet.
Abd al-Rahmaan stottert: “Excuse me.”
Ik zeg: “No problem.”
Ik ga zwemmen en wat slapen.
Daarna ga ik weer naar Hussain en bel naar MN en daarna Abd al-Rah­maan.
Eten in het restaurant en buiten zit­ten van 20.30 tot 00.00 uur: Engels – Arabische les met Muhammad al-S.
Bed 01.00 uur, na douchen.

(1) Ik was al een hele tijd terug in Ne­der­land toen het manuscript in de Uni­ver­si­teits­bi­blio­theek Leiden ar­ri­veer­de. Van Jan Just Wit­kam, die niet alleen de projectleider was, maar ook conservator van de Oos­ter­se Handschriften van de Uni­ver­si­teits­bi­blio­theek, kreeg ik te horen dat het handschrift viel in de ca­te­go­rie ‘Der­tien in een dozijn’ en dat ik er (dus) absurd te veel voor had be­taald.
Sindsdien heb ik me niet meer met antiek en antiquiteiten bezig ge­hou­den.

Dit is het einde van dag 56 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Door op de twee eerste letters van een link te klikken, opent een nieuw tab­blad waarin de geo­gra­fische locatie van de plaats in Google Maps wordt getoond.
Wanneer u op de derde en volgende letters klikt komt u in een nieuw tab­blad bij Wi­ki­pe­dia­pa­gi­na terecht met informatie over deze locatie.
Bij begrippen wordt alleen Wi­ki­pe­dia geopend.

Jemen, 10 mei 1996

Rode bloem.
Deze schoonheid bij het Gasr al-goebba-hotel bracht mij in verrukking. Haar naam weet ik niet.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 10 mei 1996 (vrijdag).

Tarim (Tarim).
Op 8.00 uur, na een zweterige, be­nauw­de nacht. Een uur lang was het steen­koud, tegen de ochtend on­aan­ge­naam benauwd.
Ondanks dat ik onder de klamboe lig, ben ik toch geheel gekleed. (O­ver­hemd, sa­rong en een laken over mijn voeten.) Er weten altijd mug­gen de klam­boe bin­nen te drin­gen.
Rond 8.30 klopt Hussain al-A. (de re­cep­tio­nist) op de deur. Abd al-Rah­maan A. is aan de telefoon.
Hij kan niet eerder dan voor dinsdag vlieg­tuig­stoe­len naar Sana’a re­ser­­ve­ren.(1)
Hij heeft een lang verhaal over de Nederlandse ambassadeur die wil ko­men van 20 tot 22 mei. Ik luister nauwelijks. Ik baal want MN (van de Ne­der­land­se Ambassade) wil dat ik haar bel en het hotel verlaten was het laatste wat ik wilde, vandaag.
Het leven hier begint me te vervelen. Die eindeloze hitte, die be­nauwd­heid, het voortdurende zweten, het eentonige eten, het gebrek aan mooie vrou­wen, mooie on­be­reik­ba­re(?) mannen, het stof, het werk in de bi­blio­theek dat niet opschiet. Dat alles hangt me de keel uit. Ik wil geen gezeur meer aan mijn kop, maar ik krijg er alleen maar gezeur bij.
Marianne die me wil spreken. Hus­sain al-A., niet die van de re­cep­tie van het hotel, maar die van de te­le­foon­win­kel, die me een manuscript wil verkopen, dat ik nu eerst moet onderzoeken.
Allemaal dingen die ik niet meer wil.
In de telefoonwinkel: vijf keer in bijna twee uur komt de verbinding met Sana’a tot stand. Drie keer kiest Hussain een verkeerd nummer, één keer is MN in gesprek en de laatste keer neemt ze niet op.(2)
Op het terras van het hotel zit een vijfendertig tot veertig jarige Fran­çaise die alleen reist. (Wel met een Jemenitische chauffeur.) Ik ver­tel met haar en gaandeweg raak ik door haar in staat van uiterste seksuele opwinding. Ik zou haar naar mijn bed willen loodsen, maar hoe zou dat moeten? Ik kan niets bedenken.
Wanneer ze al lang en breed weg is (ze logeert in een hotel in Say’un, circa 35 km. van hier) weet ik het plotseling wel: haar de dakterrassen (van het hotel) laten zien, met het prachtige uitzicht, dan mijn kamer met terras en dan? Een oneerbaar voorstel doen?(3)
Ze logeert dus in Say’un en zal mor­gen naar al-Mukalla gaan.
Na een uurtje ga ik zwemmen. De an­de­re krachtige knaap, die ik wel zou wil­len betasten, is er in de buurt, maar Muhammad al-S. komt en dan gaat het sexy stuk weg.
Met Muhammad, die ontzettend aar­dig is, zou ik beslist niet het bed willen delen.(4)

Namiddag FoxPro database.
Koken.
FoxPro.
Nu 20.30 uur.
Vandaag over vier weken zal ik Ta­rim verlaten hebben.

(1) Abd al-Rahmaan en ik willen in Sana’a een nieuwe, snelle computer gaan kopen en ook software die met Arabisch overweg kan.

(2) Ik begrijp nu (2016) niet meer waar­om ik op vrij­dag naar de Ne­der­land­se Am­bas­sa­de zou gaan bellen. Die was (en is) in een islamitisch land toch op don­der­dag en vrijdag gesloten, net zoals o­ver­heids­in­stel­lin­gen in die landen.

(3) Ik had die Française natuurlijk ook een glas, of meerdere glazen, ster­ke drank kunnen aanbieden, maar daar heb ik kennelijk ook niet aan gedacht, hoewel ik een koffer vol met alcoholica in mijn hotelkamer had.
Overigens weet ik nu (2016) van het hier beschreven voorval met die sexy vrouw niets meer af. Het verhaal staat in mijn dagboek, ik mag dus aan­ne­men dat een en ander zo on­ge­veer heeft plaatsgevonden, maar zo­als gezegd, ik herinner me er niets meer van.

(4) Ik weet nog wel dat Muhammad al-S. een keer vertelde dat hij een zus­ter had. Als haar vriendinnen op bezoek waren, dan ‘gierden’ de hor­mo­nen door het zijn lijf, maar hij durf­de zelfs niet door het sleutelgat naar die andere meis­jes te kijken, want als hij betrapt werd, zou hij door zijn vader dood­ge­scho­ten wor­den. Als die dat niet zou doen, zou er een zich jaren voort­sle­pen­de zaak van bloedwraak ontstaan, want dan zou er iemand uit de familie (of stam) van het begluurde meisje een willekeurig familielid of stamlid, maar bij voorkeur Muhammad, de gluurder zelf, doodschieten, om de eer van het begluurde meisje te red­den. Vervolgens zou de familie (of stam) van Mu­ham­mad, om deze moord wreken, weer iemand uit de familie van het be­gluur­de meisje moeten vermoorden. De vete zou zich dan jarenlang voort­sle­pen, tot­dat er een vergelijk kon worden ge­trof­fen. De vader van Mu­ham­mad zou zijn zoon dood­schieten om de eer van het meisje te redden en om bloedwraak te voor­komen. (Bloedwraak.)
Het is aannemelijk dat de vader voor het vermoorden van zijn zoon niet ver­volgd zou worden of dat de rech­ter­lijke macht daar nogal te­rug­hou­dend op zou reageren.

Dit is het einde van dag 55 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Door op de twee eerste letters van een link te klikken, opent een nieuw tab­blad waarin de geo­gra­fische locatie van de plaats in Google Maps wordt getoond.
Wanneer u op de derde en volgende letters klikt komt u in een nieuw tab­blad bij Wi­ki­pe­dia­pa­gi­na terecht met informatie over deze locatie.
Bij begrippen wordt alleen Wikipedia geopend.

Jemen, 9 mei 1996

Vrouwen en kameel.
Twee vrouwen geheel in het zwart lopen ach­ter een kameel langs en er zijn drie meisje in wit­te en rode jurkjes, met strikken in het haar, bij. Zo kleurrijk zullen die vrouwen ook gekleed zijn, onder hun zwarte abaya met nigaab en zwarte handschoenen.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 9 mei 1996 (donderdag).

Tarim (Tarim, abaya, nigaab).
Op 7.30 uur. Nog steeds moe.
Ik bel met Jan Just Witkam. Hij had de tweede fax nog niet ontvangen.
Ik ga naar de bibliotheek.
Abd al-Rahmaan A. komt met ie­mand (een aannemer) die de elek­triciteit zal aanleggen.(1)
Ik spreek met een groep Ne­der­land­se toeristen, waarbij een mooie (zo­als la­ter in het zwembad zal blijken) goudsmid.
De groep wil bijdragen in de kosten van de bibliotheek en stort samen het ge­wel­dige bedrag van f. 5,10. Er was zelfs iemand die zomaar, spon­taan f. 0,25 bijdroeg. De an­de­ren va­ri­eer­den tussen 50 en 100 rial. Dus bij­na nie­mand droeg bij!
Niettemin werd ik verliefd op de goud­smid. In 1995 deed ze de cur­sus Is­la­mi­tische Kunst bij TCIMO. (Talen en Culturen van het Is­la­mi­tisch Mid­den-Oos­ten.)
In het zwembad, in badpak, zag ze er sexy uit. Zij zal ongeveer van mijn leef­tijd zijn.
Boven, mijn kamer, wat aanklooien.
Nu 18.00 uur.
Vandaag licht bewolkt.

De geldzaken van het pro­ject be­han­de­len.
Koken.
Afwassen.
Van 21.00 tot 00.00 vertellen met Mu­ham­mad al-S. Hij wil graag naar het bui­ten­land. Naar Ne­der­land of veel geld verdienen. Dat willen ze al­le­maal, maar ik zou hem wel wil­len he­lpen als ik kon, maar ik kan niet.
Nu 00.30 uur.
Ik drink twee glazen Bacardi rum aan­ge­lengd met Tiem.
Ik ben zo dik geworden dat ik mijn broek bijna niet meer dicht krijg.

Een roedel wilde honden maakt de omgeving van het hotel onveilig.
In het zwembad, of in het nabije dorp, maken vrouwen muziek. Dan­sen ze? Ik hoor castagnetten.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de za­kelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige da­gen interessante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 9 mei. (RashwaRubaat.)
Jan Just Witkam (de projectleider in Nederland, die aan de telefoon mijn vragen, die ik in een fax had gesteld, beantwoordt) gaat ermee akkoord dat een e­lek­tri­cien het e­lek­tri­ci­teits­net aan­legt. Ook gaat hij akkoord met de aan­schaf van een nieuwe computer. Hij vindt het geen goed idee om een ko­pi­eer­ma­chi­ne aan te schaf­fen, wegens de sto­rings­ge­voe­lig­heid van dat ap­pa­raat.
Later hoor ik van Abd al-Rahmaan dat een mogelijke aanbieder van een ko­pi­eer­ma­chi­ne ongeveer 3.500 dol­lar vraagt. Daar zou ik nooit mee ak­koord zijn gegaan. De prijs van het ap­pa­raat wordt niet door de markt bepaald, maar door … wat het twee jaar oude apparaat nu in de winkel zou kosten. (Is dat socialistische e­co­nomie?) Ik zou de eigenaar willen aan­ra­den zijn apparaat nog tien jaar te be­wa­ren. Mis­schien kan hij er dan 15.000 dollar voor krijgen!
Ook is Jan Just tegen het weggeven van boekenrekken aan het archief in Say’un. Ik denk dat we die rekken maar niet allemaal moeten opstellen, an­ders blijft er in de bibliotheek geen plaats meer over om nog een poot te ver­zet­ten.

[…]

De aannemer die het e­lek­tri­ci­teits­net zal aanleggen, Ahmad B. uit Say’un, berekent dat hij dat kan voor 40.000 rial. Daarnaast moet on­ge­veer 100.000 rial aan de e­lek­tri­ci­teits­maat­schap­pij betaald worden voor de aan­slui­ting op het net, met een eigen meter. Daarvoor zullen we een rekening krijgen.
Verder moet er nog 20.000 rial aan de medewerkers van die maat­schap­pij betaald worden, waar­voor we geen rekening krijgen. Volgens Ahmad chaariyy al-ganoen, letterlijk: buiten de wet. (Dat betekent dus steek­pen­nin­gen, of rashwa in het Arabisch.) Er geldt: geen steek­pen­nin­gen, geen elektriciteit. [Dat staat nergens genoteerd, maar dat her­in­ner ik me nog.] (1.000 rial is f. 13,00.)
Men vertelde mij dat met de ver­eni­ging van Noord-Je­men en Zuid-Je­men in 1990, de praktijk van om­ko­pen geïmporteerd werd uit Sana’a.

[…]

Hoewel de Nederlanders, die deze bibliotheek bezochten, een be­lache­lijk laag bedrag aan de bi­blio­theek schonken, waren zij de enigen die een bij­dra­ge hebben gegeven in de tijd dat ik er was. De bi­blio­theek werd door veel groepen be­zocht, maar nie­mand had er een cent voor over.

[…]

Een van de twee nieuwe me­de­wer­kers heeft alleen maar basisschool gehad. Toch heeft hij een enorme ken­nis op het gebied van we­ten­schap. Abd al-Rah­maan is ja­loers op die ken­nis. De jongeman vergaarde deze door religieuze studies buiten het officiële schoolprogramma om. Hij volgde een opleiding aan de Ru­baat, die geen diploma verstrekt.
Beide jongemannen wijden zich se­rieus aan het aan hen opgedragen werk.

Dit is het einde van het verslag van 9 mei.

(1) In eerste instantie was het de bedoeling dat ik de elektriciteit zou aan­leg­gen. Dat zou gekund hebben als Nico er nog bij was geweest, maar nu stond ik er alleen voor. Daarom huurden we een aannemer in die dat zou doen.

Dit is het einde van dag 54 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Door op de twee eerste letters van een link te klikken, opent een nieuw tab­­blad waarin de geo­gra­fische locatie van de plaats in Google Maps wordt getoond.
Wanneer u op de derde en volgende letters klikt komt u in een nieuw tab­blad bij Wi­ki­pe­dia­pa­gi­na terecht met informatie over deze locatie.
Bij begrippen wordt alleen Wi­ki­pe­dia geopend.

Jemen, 8 mei 1996

Timmerman in Tarim.
Een lokale timmerman aan het werk. Let op de sarong (foe­tah) van de man achter de timmer­man, die op een speciale ma­nier gewikkeld is. Dit is de gecompliceerde methode. Er is ook een een­vou­di­ge methode.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 8 mei 1996 (woensdag).

Tarim (Tarim, soefisme, sarong).
Op 6.15 uur.
Rond 7.15 ga ik de stad in om in rust enkele sta­len deuren te fotograferen. Als ik in de (ach­ter­lijke) binnenstad een moskee in de ‘loop’ neem, belagen kinderen me met stenen. Ze zijn wel bang: als ik in hun richting stap dein­zen ze ach­ter­uit.
In de bibliotheek: het opzetten van een stalen rek met de medewerkers. Op de kop, ach­ter­ste­vo­ren, schuin, scheef en verbogen. Het maakt allemaal niets uit. Zij weten hoe het moet, want zij zijn ‘moehandis bidoen shihada‘ (in­ge­nieur zonder diploma), dat is het verwijt aan mijn adres, als ik een paar keer moet zeggen dat ik het niet weet of een vergissing maak.(1)
Ik probeer een fax te versturen, maar dat lukt weer niet. (Eergisteren(?) ook al niet.)
De bibliotheek neemt twee nieuwe medewerkers aan. Twee jonge jongens die hun werk meteen serieus aanpakken.
Er van uitgaande dat Abd al-Rahmaan A. met zijn auto hier is en me dus met zijn auto naar het hotel kan brengen, werk ik langer door, maar hij blijkt met de taxi te zijn gekomen en ik moet dus lopen.(2) Onderweg komen we Hus­sain (leraar Engels) tegen. Hij heeft al vijftien jaar experiance als leraar Engels, schrijft hij ach­ter zijn adres. Hij vertelde wel tien keer dat hij een vriend van Abd al-Rahmaan is.
Hij begeleidt een vage Canadees: Andrew R., die naar Tarim reisde omdat ie­mand hem in Ca­na­da, in een winkel, vertelde dat in Tarim soefi-ordes zijn. Zonder enige achtergrond­ken­nis, zonder één woord Arabisch te spreken, kwam hij naar hier. Hij geeft me twee visitekaartjes, want hij is directeur in twee be­drij­ven. Dat wat ik hem vertel is het niveau van een VWO-er, of HAVO-er. Ik bedoel: dat had hij zelf ook kunnen uitvinden. Hij zuigt deze basisinformatie op als een schooljongen. Ik leer hem het beginsel van wijsheid: bibliotheek­bezoek. (In zijn vaderland.)
Overal kom ik hem tegen. (Hij was enkele dagen geleden al in de al-Ahgaaf-bi­blio­theek.) In het zwem­bad, in het restaurant, op het terras.
(Ik at in het restaurant: patat en kip.)
In het zwembad is een Arabische familie. Dertien kinderen. De vader is een vriend van Hussain al-A. (van het hotel), zijn vrouw, met een klein kind in de arm en alweer een dikke buik(?) heeft een doorzichtige sluier. De twee (of drie?) grote dochters een ondoorzichtige sluier. Hij heeft een mooie zoon en beeld­scho­ne jonge dochters, nog ongesluierd.
Ik drink een glaasje met Tiem (Seven-up) ver­dun­de rum en stort, doodmoe, in.
Bed 22.30 uur.
Benauwd, wegens bewolking.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de za­­kelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige da­gen interessante informatie, die niet in mijn dag­boek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 8 mei.(Islah-partij, imama, koefiyya, Taarbih.)
Abd al-Rahmaan heeft telefonisch contact gehad met zijn chef in Sana’a. Hij vroeg hem voor Sjeik AB een goede baan te reserveren, maar zijn baas liet weten dat hij de zaken zou regelen zoals hij dat wilde en dat Abd al-Rahmaan zich daar maar beter niet mee kon bemoeien. Op een dergelijke wijze zal ook de vi­ce­gou­ver­neur van al-Mukalla aangepakt worden, die de benoeming van Abd al-Rah­maan tegenwerkt. Abd al-Rahmaan zou zelf het liefste in Say’un werken, in het museum. Hoewel hij geschiedenis in Aden studeerde, werk­te hij meer dan tien jaar als archeoloog en daar ligt ook zijn hart. Niettemin heeft hij er veel voor over om het bibliotheekproject tot een suc­ces te maken, zelfs het verhuizen naar Tarim, hoe­wel zijn vrouw er niet wil wonen.

[…]

Vandaag werden twee jongemannen in de bi­blio­theek aangenomen die zich se­rieus willen inzetten voor het werk. Eentje met een baard, dus religieus, maar geen extremist van de ‘Islah‘-partij. Hij heet Hussain HB.
Ik leer dat er verschil is tussen baard en baard, maar ik weet nog niet waar dat verschil aan te zien is.
Later hoor ik van Abd al-Rahmaan dat dit ver­schil te zien is aan de wijze waarop hij zijn ‘i­ma­ma‘ (tulband) draagt. Als je oudere mannen met een tulband op een bepaalde manier gewonden ziet, betekent dat niets. Als je jongeren zo ziet, betekent dat heel veel, vooral op godsdienstig gebied.
Ik raad hem aan hier een kort artikel over te schrijven. Voor die kennis is in het westen wel belangstelling, denk ik. (Wat wij ‘koefiyya‘ noe­men, heet in de Hadramaut o­ve­ri­gens ook ‘i­ma­ma‘.)

[…]

Hussain HB werd in werd in de eerste helft van de jaren zeventig in Tarim ge­boren en heeft drie jaar in een (kantoor)boekhandel gewerkt.
De andere, zonder baard, met bril, werkte een maand met de computer. Hij voer­de in Mekka een telefoongids in de computer in en moest die gegevens ook uitprinten. Dat betekent toch wat: in deze stofhoop is er een persoon die al eens met een computer gewerkt heeft. Hij heet Ali ZB en werd eveneens in de eerste helft van de jaren zeventig geboren, ook in Tarim.
Ik laat Abd al-Rahmaan aan hem uitleggen dat wij een spreekwoord hebben: ‘In het land der blin­den is eenoog koning.’
Zolang ze nog niet in vaste dienst benoemd zijn, moet ik voor de sa­la­ris­be­taling zorgdragen.
Ze kunnen meteen aan het werk.
Ik laat ze de kaartcatalogus opnieuw al­fa­be­ti­se­ren. Een enorme massa hand­schrif­ten is op­ge­bor­gen onder het lemma ‘risala‘ (brief). Ik vind dat dit anders moet. Als het woord ‘risala‘ geen deel uitmaakt van de titel, moeten de kaartjes opgeborgen worden onder de naam van het ma­nus­cript.
Nog diezelfde dag vinden ze verschillende fou­ten in de kaartcatalogus.

[…]

De schilder van de houten scheidingswand in de bibliotheek komt zijn loon ophalen: 1.650 rial. (21,45 gulden!)

[…]

In de stad ontmoet ik een zekere Hussain die leraar Engels is. Hij is met een ‘Ken­nedy’ (Ca­na­dees) onderweg.
Hij gaat met mee naar het hotel, want hij wil met me praten.
Hij wil meubels uit het project hebben, niet voor hemzelf, maar voor de club waarvan hij voor­zit­ter is, in het dorp Taarbih. Die club verzorgt ac­ti­vi­tei­ten voor de dorpelingen en zit in een loods zon­der dak.
Kennelijk om zijn verzoek meer gewicht te ge­ven vertelt hij me dat zijn club graag een bi­blio­theek wil inrichten, in die oude loods, om kin­de­ren het lezen en schrijven bij te brengen. Bovendien willen ze graag een dak uit Ne­der­land heb­ben.
‘Als Nederland geld over heeft voor die oude pa­pie­rhoop’, zal hij gedacht heb­ben, ‘dan hebben ze zeker geld over voor nieuw papier.’
Ik zeg hem dat hij nergens op hoeft te rekenen. Ik kan hem nog geen rial geven. Ik adviseer hem wat meer geld van de leden te vragen en met ei­gen mankracht de loods van een dak te voorzien. Hij blijft echter doorzeuren. Dan adviseer ik hem een verzoekschrift te richten aan meerdere am­bas­sa­des.

Dit is het einde van het verslag van 8 mei.

(1) In de Arabische wereld dient de ingenieur of de leraar altijd het antwoord te weten. (Dat weet ik dus ook uit eigen ervaring.) Wanneer een do­cent of on­der­wij­zer zou zeggen: “Dat weet ik niet, dat moet ik opzoeken.”, tekent hij of zij zijn / haar eigen ‘doodvonnis’.
Toegeven dat je iets niet weet of kunt is het ul­tieme bewijs van zwakte, van domheid. Dat be­te­kent dat een vader /moeder, docent, een chef of een minister, altijd een antwoord heeft op welke vraag dan ook. Dat antwoord wordt dan ter plekke verzonnen als de betreffende persoon het even niet weet. Vaak leidt dat (uiteraard) tot de meest absurde verklaringen, maar een ant­woord is er altijd.

(2) Langer doorwerken betekende dat er dan geen taxi’s meer beschikbaar wa­ren tegen de tijd dat je stopte met werken. Dan moest ik de hele weg naar het hotel lopen. ’s Ochtends was dat tot begin mei nog te doen, maar na de middag helemaal niet meer. Dan is het smoorheet. Het water in het plastic flesje uit de koelkast van de bibliotheek, was lauw als ik bij het hotel aankwam, na circa twintig of vijfentwintig minuten lopen.

Dit is het einde van dag 53 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Door op de twee eerste letters van een link te klik­ken, opent een nieuw tab­­blad waarin de geo­gra­fische locatie van de plaats in Google Maps wordt getoond.
Wanneer u op de derde en volgende letters klikt komt u in een nieuw tab­­blad bij Wi­ki­pe­dia­pa­gi­na terecht met informatie over deze locatie.
Bij begrippen wordt alleen Wikipedia geopend.

Jemen, 7 mei 1996

De weg naar het werk.
Rond het hotel. Deze foto maakte ik vanaf het dak van het Gasr al-goebba-hotel. Dit is een ge­deelte van de wijk `Aidid. Tarim is niet te zien. Het stadje ligt achter de heuvel die van links de dia ‘in­loopt.’ De weg links op de voorgrond is de weg die naar Tarim leidt. Die heb ik vele malen ge­lo­pen, in de richting van Tarim. Terug nam ik meestal een taxi, omdat het rond het middag­uur veel te heet was om te lopen. Ook ‘s ochtends was het vanaf half mei te warm, maar vanaf het hotel was het erg moeilijk een taxi te vinden. Ik heb geen afspraak gemaakt met een taxi­chauf­feur, omdat ik iedere dag op een ander tijdstip van ‘huis’ ging.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 7 mei 1996 (dinsdag).

Tarim (Tarim, notebook).
Tekenen vanaf 6.30 tot 8.00 uur. Het lukt niet goed.
Dollars tellen. Ik heb nog achtduizend acht­hon­derd­vier­en­twin­tig.
Ik ga naar de bibliotheek.
Mijn notebook kan sneller printen dan die twee oude beestjes, die met de con­tai­ner uit Ne­der­land kwamen.
Notebook: vier minuten per A4. De oude com­pu­ters: twintig minuten per pa­gi­na.
In het hotel om 12.30 uur.
Er zijn leuke vrouwen in het zwembad.
FoxPro database programmeren.
Kamer: koken.
Een faxbericht voor Jan Just Witkam (de pro­ject­lei­der in Nederland) voor­be­rei­den.
Beneden op het terras zitten.
Anderhalf uur in het zwembad vertellen met Muhammad al-S.(1)
Financiën: boekhouden en het verslag schrijven.
Nu 00.15 uur.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de za­kelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige da­gen interessante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 7 mei.
(Wahhaabi, bid’a, haraam, Arabische Singaporezen, Arabische Indonesiërs, alim/ulama’, sharia, figh, Koelliyat al-shariyya, YouTube: dans met stokken.)
Hussain al-K. (van de al-Ahgaaf-bibliotheek) en zijn kleinzoon Ahmad (veertien jaar oud) ver­tel­len over het leven in en om Tarim in het Ara­bisch en Engels. (Hussain kent een paar Engelse woorden. In zijn jeugd leerde hij Engels, maar: “Mijn vrouw, al mijn vrienden en alle mensen hier spreken alleen maar Ara­bisch.”)
De tendens in Tarim is dat de extremisten (Wahhaabi) steeds verder gaan in hun afwijzing van dingen. Vrijwel alles wat het leven ver­aan­ge­naamd is bid’a. (Een verboden ver­nieu­wing.) Alle vreugde wordt tot haraam verklaard. Zingt een man met zijn vrouw in huis, dan is dat haraam. De traditionele dans van man­nen, met stokken op hun schou­ders, is haraam. (Haraam: dat wat verboden is.)
Hussain bevestigt het verhaal van Abd al-Rah­maan over de al-Hadad-moskee van de in Sin­ga­po­re en Saoedi-Arabië met vervaardiging van a­lu­mi­nium rijk ge­worden Hadrami, die zijn mos­kee door een Marokkaan liet versieren en nu pro­ble­men ondervindt met de extremisten, die de decoratie tot haraam ver­­klaar­­den. (Zie 27 april. jl.)
Alles wat de profeet niet had, of niet deed, is haraam. Ik vraag of die extremisten geen auto heb­ben. Dat hebben ze wel, maar voor henzelf geldt geen haraam, al­leen voor anderen.

[…]

Sinds dit jaar is er gratis onderwijs voor jongens die alim willen worden.
Hiervoor is in Tarim de Koelliyat al-shariyy’a op­ge­richt en ook veel bezocht door jongeren uit het Verre Oosten, van oorsprong Hadarim. (Sharia: islamitische wet, koelliyat: faculteit.)
De ulama’ in spe ondergaan een jaar lang een spar­taans regime. Vier uur slaap per dag is vol­doen­de. (Oelama’ is het meervoud van alim: een geleerde op re­li­gieus gebied.)
Iedere dag een uur sport: judo, tafeltennis en scha­ken. Behalve de tijd voor bid­den en eten is de rest van de dag bedoeld voor studie.
Iemand die dik naar binnen gaat, komt er brood­mager, maar zeer geleerd uit. De jongeren leren Arabisch, maar geen Engels of andere mo­der­ne taal. De op­lei­ding wordt als zeer belanrijk en ook als zeer zwaar ervaren.
Enkele dagen later spreek ik studenten van deze opleiding. Dan blijkt dat er wel hard gestudeerd moet worden, maar dat het regime niet zo spar­taans is als Hus­sain en zijn kleinzoon mij voor­ge­spie­geld hebben.
Weer later hoor ik van Abd al-Rahmaan dat het de bedoeling is een vol­waardige universiteit in Tarim op te richten en dat deze faculteit slechts het begin is. In Tarim zijn alle docenten aan­we­zig die bedreven zijn in de figh en het lag daar­om voor de hand eerst met deze faculteit te be­gin­nen.

Dit is het einde van het verslag van 7 mei.

(1) ’s Avonds, wanneer er geen toeristen waren, mochten de medewerkers van het hotel ook in het zwembad voor westerlingen. Dat vond ik wel aangenaam, want daar kon ik ook Arabisch in de praktijk oefenen. Ik weet nog dat er een grote spraakverwarring was tussen Muhammad al-S, die geen Engels kende, en ik, omdat ik sprak over iets dat ‘op de wereld’ was, en gebruikte daarvoor ‘ala al-‘aalam, zoals wij dat gebruiken, maar in het Arabisch blijkt dat fi al-‘aalam te moeten zijn: ‘in de wereld.’ Pas toen deze kwestie geklaard was, konden we onze conversatie voortzetten.

Dit is het einde van dag 52 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Door op de twee eerste letters van een link te klikken, opent een nieuw tabblad waarin de geo­gra­fische locatie van de plaats in Google Maps wordt getoond.
Wanneer u op de derde en volgende letters klikt komt u in een nieuw tabblad bij Wi­ki­pe­dia­pa­gi­na terecht met informatie over deze locatie.
Bij begrippen wordt alleen Wikipedia geopend.

Jemen, 6 mei 1996

Tarim: huizenbouw.
Traditionele huizenbouw met ‘moderne’ hulpmiddelen: au­to­ban­den die de bogen van de toe­kom­sti­ge ramen onder­steu­nen.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 6 mei 1996 (maandag).

Tarim (Tarim, Djihaad, Moedjaahid).
Op 6.00 uur.
Dagboek bijwerken en nog wat tekenen.
Van circa 9.00 tot 13.00 in de bibliotheek. De faxwinkel is gesloten. Ik vraag aan Abd al-Rah­maan A. of hij niet zou willen faxen, vanuit Say’un, vanavond of mor­gen­och­tend.
Eergisteren gaf ik Hussain A., de receptionist van het hotel, Chinese groene thee uit mijn ‘win­kel’ (etensvoorraad). Toen nodigde hij me uit om bij hem te komen eten. Vanmiddag is het zover. Gelukkig mag Abd al-Rahmaan ook mee, want ik zag er tegenop, bij al die Arabieren te eten, ter­wijl ik nog steeds moeite heb met een goed gesprek in het Arabisch.
Even zag ik zijn vrouw, die snel, ongesluierd, nieuwsgierig om een hoek dook om wat te pak­ken, zogenaamd. Ik was niet alert genoeg, niet snel genoeg om te kijken. Volgens Katherine (gisteren), die haar bezocht, is ze erg mooi.
Zij hebben een mooie dochter van zeven jaar. Haar naam is Djihaad en haar broertje van vier heet Moe­djaa­hid.(1)
De mannen zitten op de grond en eten met hun rech­terhand rechtstreeks van de ge­meen­schap­pe­lijke schotel. Ze zijn erg gulzig en deze manier van eten vind ik niet altijd appetijtelijk uit zien, maar zijn vrouw, sportlerares op de meis­jes­school, kan heerlijk koken.(2)
Daarna gaan we (Abd al-Rahmaan en ik) naar het hotel en we bespreken de toe­stand in de bi­blio­theek en van alles over het doen en laten van Sjeik AB. (Sjeik AB is directeur die ge­dwon­gen afgelost zal worden door Abd al-Rah­maan.)
Ik krijg van Abd al-Rahmaan een koelkast en een tapijt te leen. Met beide ben ik erg tevreden. Een schoon tapijt is al heel wat op de smerige ta­pij­ten van het ho­tel.
Hij bood me aan gebruik te maken van de kluis van de Organisatie in Say’un, maar niet voor de ‘flessen’, zei hij, nadat ik dat als grap had voor­ge­steld. Ik wijs het aanbod vriendelijk af.
’s Avonds kom in een situatie waarin ik graag van zijn aanbod gebruik had ge­maakt.
Rond 18.00 in het zwembad. Ik ben geil. Er stapt een slanke jongeman in het zwembad. Ik heb be­lang­stel­ling voor zijn lichaam, maar zijn ruime en lange zwembroek verhult veel van zijn, door mij veronderstelde, fysieke schoonheid.
Natuurlijk merkt hij mijn belangstelling, maar ik onderneem niets, want er zijn nog twee Fran­sen in het bad.
Voor Muhammad Sa’d al-S. neem ik 153 on­re­gel­ma­tige werkwoorden Engels op en breng hem het cassettebandje. De jongen uit het zwembad hangt meteen om me heen. Als Muhammad gaat werken komt hij direct bij me zitten.
Ik ben van zo veel belangstelling niet gediend. Het wordt nog erger als zijn vriend of collega, die me niet aanstaat, erbij komt zitten.
Hussain al-A. (van de receptie) vertelt hen dat ik in het totaal zeven maanden in Jemen zal blij­ven, waarvan drie in de Hadramaut. De engerd heeft meteen be­lang­stel­ling voor mijn ver­diens­ten in dollars. Hij is vasthoudend, ondanks dat ik zei: Dat gaat je niets aan.
De zwembad boy wil wat weten over mijn hu­we­lijkse staat. Ik vertel hem on­­ge­­huwd samen te wo­nen.
Dan komt de potentiële verkrachter van Kathe­ri­ne, gis­te­re­na­vond, en begint over zijn su­pe­ri­eu­re godsdienst te preken. Ik zeg hem dat ieder land zijn eigen cultuur heeft en dat ik over gods­dienst niet wil praten. Als ze dan alle drie begin­nen, loop ik weg. Praat maar onder elkaar over godsdienst.
De engerd komt na een poosje en probeert weer een gesprek. Ik zeg tegen hem: “Geen gepraat over godsdienst”, maar hij begint al weer. Ik rea­geer niet meer.
Kamer om 22.00 uur.
Ik doe de boekhouding en maak het verslag van deze dag en schrijf ook mijn dagboek. Daarbij drink ik het laatste glas Drambuie.
Nu 00.15 uur.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de za­kelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 6 mei. (Communisme, Islah-partij, Moefti, Sayyid.)
Hussain al A. van de receptie van het hotel, nodigde mij ten eten. Gelukkig gaat Abd al-Rahmaan mee, anders zou de conversatie toch wel wat eenzijdig en een­to­nig worden.
Ook bij hem wordt natuurlijk op nomadische wijze gegeten: op de grond en met de hand. Ik kan daar maar moeilijk aan wennen. Het eten was uitstekend, kip met groente en rijst.
Hij heeft een dochter van zeven met de naam Djihaad en een zoon van vier die Moedjaahid heet. Zijn communistische achtergrond zal hier wel van invloed zijn. Hij was in ieder geval lid van de Partij in de dagen van het socialisme en om die reden wordt hij nog steeds als ambtenaar betaald, hoewel hij in het par­ti­cu­liere Gasr al-goeb­ba hotel werkt. Hij is altijd zeker van inkomen, hoewel niet veel: 5.000 rial per maand.
Ik heb hem nooit zien bidden in het hotel, ter­wijl anderen dat wel doen. Hij zegt dat hij thuis bidt.
Zijn vrouw werkt als gymnastieklerares op de meisjesschool. Van de meeste Ta­ri­mi’s zit de vrouw thuis.
Een broer van Hussain vertelt dat er op de Yool [de woestijn, boven op de heu­vels ten noorden van Tarim] ook nog water gevonden kan wor­den. In berg­klo­ven ligt diep, vers water. Vroeger waren er ook tijgers, maar de laatste is e­ni­ge ja­ren ge­le­den doodgeschoten.

[…]

Sjeik AB (de directeur van de al-Ahgaaf-bi­blio­theek) heeft belangrijke functies in de stad Tarim. Hij gebruikt de bibliotheek als ver­ga­der­plaats voor religieuze uitleg en als partijbureau van de Islah-partij. Volgens Abd al-Rahmaan zijn er mensen die, ten onrechte, de bibliotheek niet meer willen bezoeken omdat ze zich niet wil­len compromitteren door de indruk te wek­ken dat ze iets met de Islah-partij te maken heb­ben.

[…]

Samen met Abd al-Gaadir houdt Sjeik AB ook zit­tin­gen in de bibliotheek waar­bij hij uitleg geeft over legale kwesties. De Sjeik heeft de au­to­ri­teit van een soort moefti. Beide heren ma­ken ook huwelijkscontracten: ‘oegoed.
Verder werkt de Sjeik voor het bureau van de Miraath, dat bureau dat er­fe­nis­kwes­ties regelt. Hiervoor ontvangt hij 1% van de te behandelen geld­waarde.
Al deze activiteiten worden uitgevoerd in de tijd van de baas van beide heren. Zij maken ’s och­tends in bibliotheek de brieven en contracten, die ze dan ’s mid­dags, in eigen tijd, profijtelijk aan de man brengen. De Sjeik wordt daarover niet lastiggevallen, omdat hij over ‘connecties’ beschikt op regeringsniveau.

[…]

Abd al-Rahmaan vertelt dat zijn opleiding ge­du­ren­de de socialistische tijd bemoeilijkt werd om­dat hij tot de aristocratie behoort en ook nog sayyid is. Als je geen lid van de communistische par­tij was, had je het extra moeilijk.

[…]

Veel mensen willen het communistisch archief laten vernietigen omdat daarin hun an­te­ce­den­ten bewaard worden uit de tijd dat ze nog com­munist waren, ter­wijl ze nu lid zijn van de is­la­mi­tische Islah-partij.

Dit is het einde van het verslag van 6 mei.

(1) Djihaad, als eigennaam, komt in de Arabische / islamitische cultuur al heel lang voor, maar Moe­djaa­hid schijnt een nieuwe ontwikkeling te zijn op het gebied van is­la­mi­tische jon­gens­na­men.
Overigens leidt het horen van de naam ‘Djihaad‘ bij westerlingen vaak tot een reactie van ont­zet­ting: “Hoe kunnen die ouders dat nu doen?” Maar wat te zeggen van de naam Martinus en de afgeleiden daarvan, Martin, Martine?
Martinus is de verkleinvorm van Martius ‘van Mars’, de god van de oorlog. De naam Mars hangt samen met Grieks marnamai ‘ik strijd’ en Armeens mart ‘strijd’. (Martinus.)

(2) Ik meen ook nog te weten dat de mannen, met wie ik at, na de maaltijd vertelden over boeren en scheten laten. Boeren was in het Westen verboden, maar in het Oosten toegestaan. Volgens hen was scheten laten in het Westen toegestaan, maar bij hen in het Oosten niet.

Dit is het einde van dag 51 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Door op de twee eerste letters van een link te klikken, opent een nieuw tabblad waarin de geo­gra­fische locatie van de plaats in Google Maps wordt getoond.
Wanneer u op de derde en volgende letters klikt komt u in een nieuw tabblad bij Wi­ki­pe­dia­pa­gi­na terecht met informatie over deze locatie.
Bij begrippen wordt alleen Wikipedia geopend.

Jemen, 5 mei 1996

Fabriek van Mudbrick
Een fabriek voor zonsteen (mudbrick). Er staat een scho­tel­an­ten­ne op het dak. Ik hoorde van Hus­­­sain al-`Amery van de hotelreceptie dat men 50 zenders kan ontvangen, waaronder ook en­kele Eu­ro­pese.(1) Op de voorgrond lig­gen de tra­di­tio­ne­le stenen, waarmee de hui­zen (waarop die moderne an­ten­nes staan) ge­bouwd worden. Het pand is te betreden via een kleurrijke sta­len toegangspoort.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 5 mei 1996 (zondag).

Tarim (Tarim, mudbrick).
Op 6.00 uur.
Brieven schrijven en de Engelstalige brief, naar vrien­den, wijzigen.
Dagboek bijwerken.
Nu circa 8.00 uur.
Rond 9.00 in de bibliotheek. Ik pro­beer de prin­ter te ‘Arabiseren’, maar dat lukt niet. De be­re­ke­ning van één pagina en het vervolgens prin­ten, neemt meer dan een half uur in be­slag.
Ik probeerde in het dorp al twee keer een fax te versturen, maar dat lukte ook niet.
Ik wisselde 200 US dollar tegen een koers van 128 rial.
Rond 13.30 uur in het hotel.
Zwemmen. Er zijn, afgezien van Ka­the­ri­ne, nog twee andere vrouwen, die ik in Nederland niet zou be­kij­ken, maar hier wel.
FoxPro pro­gram­me­ren. Het pro­gram­ma doet nu wat ik wil.

Ik kook hier macaroni, met omelet, gevuld met ui en erwtjes: lekker.
Beneden vertellen met Joe en Ka­the­ri­ne en met het Engelse echtpaar waar­van de man de Britse Am­bas­sa­deur voor Egypte(2) blijkt te zijn. Ik weet geen na­men.
Zwemmen.
Katherine wordt belaagd door een Arabier. (Joe is al naar bed.) Zij zoekt be­­scher­­ming bij een col­lega van deze man, veel knapper en beschaafder uit­ziend dan de vette, lelijke, korte (potentiële) verkrachter.
Muhammad al-S. en ik zwommen er ook, maar de licht agressieve sfeer in het bad beviel me niet. Toen Ka­the­ri­ne zich veilig voelde, ging ik weg.
Aan FoxPro werken.
Bed tegen 00.00 uur.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de za­kelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige da­gen in­te­res­san­te informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 5 mei. (Linkerhand: zie ook 27 april jl. noot (3).)
Het werk schiet niet echt op. Abd al-Rahmaan is niet komen opdagen en ik kan moeilijk al die mannen op­dra­gen om de toekomstige warsha (work­shop) stof­vrij te maken. Dat zou zelfs de poetser niet doen. Ik voel er niets voor om me­zelf in het zweet te werken, waar je voor een paar dubbeltjes iemand kunt krijgen die dat voor je doet.
Ik ben enigszins ontevreden over de voortgang van het project, maar het is ge­deel­te­lijk psycho­logisch. Het ma­te­ri­aal arriveerde op 23 april en nu is het 5 mei en er moet nog veel gebeuren. De bibliotheek is acht da­gen gesloten ge­weest we­gens va­kan­tie. Er zijn nog maar vier werk­dagen ver­stre­ken sinds de komst van de container. Nu zijn de computers aan­ge­slo­ten en een groot deel van het meu­bi­lair staat.
Ik gaf Aydaroes iets met mijn lin­ker­hand, maar merkte mijn fout direct en bood mijn excuses aan. Het was hem echter nog niet opgevallen, geloof ik.
Hussain al-K. wees me er toen op (wat ik wel gezien had, maar niet erg bewust) dat Abd al-Rahmaan met zijn linkerhand schrijft, wat vol­gens Hussain niet erg goed is.
Abd al-Rahmaan vertelt mij op 6 mei dat zowel zijn vader als zijn groot­vader met de link­er­hand schreven en dat daar niets mis mee is. Zijn grootvader schreef de geschiedenis van de Ha­dramaut, die nu nog steeds, als serie in een tijd­schrift, verschijnt.
Sommige mensen, zoals Sjeik AB en Hussain al-K. brengen nu familie (kin­de­ren) mee om het materiaal te komen bekijken. De Sjeik zijn kin­deren en Hus­sain zijn kleinzoon Ahmad.

Dit is het einde van het verslag van 5 mei.

(1) In Tarim had ik geen beschikking over een Tv. Ik kon de bewering van Hus­sain dus niet controleren. In Nederland had ik trouwens ook geen te­le­vi­sie­toes­tel en hoewel internet al be­stond, werden daar geen televisie­pro­gram­ma’s op uitgezonden.
Ik geloof niet dat een Nederlandse te­le­vi­sie­­be­­zit­­ter in 1996 de be­schik­king had over vijftig sa­tel­liet­ka­na­len, maar ik weet het niet.

(2) Volgens Wikipedia gaat het bij Britse am­bas­sa­deur in Egypte in 1996 om Sir David Elliott Spiby Blatherwick KCMG OBE (13 July 1941), ge­huwd met Margaret Clare Crompton. Dit echt­paar was in Je­men om vogels te be­stu­de­ren. Daarvoor had­den ze een Je­me­ni­tische or­­ni­­tho­­loog in­ge­huurd. Als de ambassadeur een vogel zag en aan de deskundige vroeg welke vogel dat was, dan zei die: “Oes­foer.” (Dat betekent: ‘Vogel.’) Bij elke andere vogel zei de man stee­vast: “Oes­foer.” Ik weet natuurlijk niet of dit ver­haal waar is, maar dat is wat de am­bas­sa­deur die avond vertelde.

Dit is het einde van dag 50 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Door op de twee eerste letters van een link te klikken, opent een nieuw tab­blad waarin de geo­gra­fische locatie van de plaats in Google Maps wordt getoond.
Wanneer u op de derde en volgende letters klikt komt u in een nieuw tab­blad bij Wi­ki­pe­dia­pa­gi­na terecht met informatie over deze locatie.
Bij begrippen wordt alleen Wi­ki­pe­dia geopend.