Uitzicht vanaf het Aal Kaaf-paleis in Tariem, in oostelijke richting. Vanuit de Wadi Hadramaut de blik gericht op de Wadi Masila. Tariem, wat ben je mooi.
Twintig jaar geleden: dagboekfragment 26 mei 1996 (zondag).
Tariem.
Op 05.30 uur.
Tekenen.
Circa 8.20 uur in de bibliotheek, om ruimte te maken voor de elektricien, die niet komt opdagen.
Ik schiet vier fotorolletjes vol voor medestudent DO met foto’s van twee handschriften van al-Soeyoeti. (Djalaal al-Dien al-Soeyoeti.)
Ik ben circa 10.00 uur terug in het hotel. Er was geen elektriciteit in de bibliotheek, dus de ventilatoren draaiden niet en ik deed niet anders dan zweten, hoewel ik bijna niets gedronken had.
Nu 10.30 uur.
Gelukkig kan ik in het hotel wel een koude douche nemen. Twee dagen geleden liet ik een grote wasteil vollopen met water. Dat is nu heerlijk koud.
–
Ik ben vandaag erg geil en teken daarom veel jongens- en vrouwenlijven.
Ik denk daarbij veel aan BQ en ook aan (het lichaam van) AS.
Werken aan de FoxPro database.
Koken.
FoxPro.
Ik ga maar een kwartier naar beneden, naar het terras voor het hotel.
FoxPro.
Nu 23.45 uur.
Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.
Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.
Fragment uit het verslag van 26 mei.
In de bibliotheek is geen elektriciteit en het is er bijna niet vol te houden van de hitte en het lawaai.
Door de hitte gutst het zweet langs mijn hoofd wanneer ik de handschriften fotografeer en na iedere drie of vier foto’s moet ik stoppen om mijn hoofd af te drogen, om te voorkomen dat de bladzijden van de documenten kletsnat worden.
Het lawaai komt van buiten, want het personeel van de bibliotheek zette de ramen open om de hitte de baas te kunnen blijven. Achter de bibliotheek is een winkel waar religieuze muziek en preken op cassettes verkocht worden. Voor de deur van die zaak staat een generator luid brullend elektriciteit te produceren. Het religieus geluid moet hier nog bovenuit schreeuwen. Ik word er gek van en vlucht spoedig naar het hotel.
[…]
Hoewel ik verliefd ben op Tariem, krijg ik langzaam maar zeker genoeg van mijn verblijf hier. Die vreselijke hitte is daar schuld aan. Ik sta met gemengde gevoelens tegenover mijn vertrek. Aan de ene kant ben ik blij dat er nog maar drie weken over zijn, soms is me dat nog te lang. Aan de andere kant vind ik het jammer om te gaan, want het is hier erg mooi en ik heb een aantal aardige vrienden. Ik kom graag terug in een minder warm seizoen.
[…]
In de bibliotheek wil men geen generator, als die niet sterk genoeg is om de hele bibliotheek van stroom te voorzien. Dat kost meer dan onze begroting kan dragen. Voor een kleine generator is geen plaats en die maakt ook teveel lawaai.
De uitspraak van enkele letters en klanken in Arabische woorden.
In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voorkomt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadramaut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitgesproken.
De ‘ch‘ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.
Dadelpalmen in de tuin voor mijn terras, mijn uitzicht. Om de takken van de dadelpalmen te beschermen tegen doorbuigen en afbreken werden de trossen dadels ondersteund door ze op andere takken te laten leunen. Rechts op de dia zien we een man in de palmboom staan die daarmee bezig is. Hij staat op zijn blote voeten op de takken, die zo sterk zijn dat ze hem zonder probleem kunnen dragen. Hij is hard aan het werk met het behandelen van de trossen dadels. Links gaat de man zonder klimijzers of hulptouwen en op blote voeten langs de stam naar beneden, alsof het niets bijzonders is en hij gewoon een ‘ommetje’ maakte naar de top van de boom.
Twintig jaar geleden: dagboekfragment 25 mei 1996 (zaterdag).
Tariem.
Op 05.30 uur.
FoxPro tot 06.30 uur. Dan houdt de spanning op te bestaan. Normaal gesproken duurt het spannigsloze tijdperk tot 18.30 uur.
Rond 8.45 in de bibliotheek.
Ik hoor dat telefooncentrale is afgebrand, zowel de oude als de nieuwe.(1)
Een groen uniform met Kalasjnikov verbiedt me een foto te maken, nadat hij door de omstanders is wakker geschud. Waarom wordt niet duidelijk. Het is overigens niet spectaculair. De lange grijze container van de Hongaarse telefoonmaatschappij is aan de voorkant licht geblakerd en het dak is ingestort. Binnen zal het wel spectaculair zijn. Op tweehonderd meter afstand rook het wel naar verbrande kabels.
Na de middag naar het zwembad. Dat ligt vol met mooie kastanjebruine jongenslijven. Als ik erbij wil stappen om te genieten, komt Salim, de receptionist, om dat heerlijks weg te jagen. Dit bad is ‘slegs vir blankes’. Dan trek ik me terug. Dat wil ik die schoonheden niet aandoen, die hier voor 120 rial betaalden. (f. 1,50) (Waarschijnlijk rijkeluiszoontjes.)
Met FoxPro database werken, want er is wonder boven wonder elektriciteit.
Zwemmen na 16.30 uur.
FoxPro.
Eten in het restaurant van het hotel.
Ik voer een discussie over het geloof met mijn samier Moehammad al-S. Later zitten we nog wat te vertellen.
–
De jonge jenever schonk ik in waterflessen en de whisky in flessen voor appelsap. Alles ligt nu in het vriesvak van mijn koelkast. De oorspronkelijke flessen sloeg ik aan gruzelementen.
Nu 23.00 uur.
Iemand op straat noemde me vanmorgen ḵinzīr. Ik had al vriendelijk goeiedag geknikt voordat ik me realiseerde wat hij zei: “Varken, zwijn.”(2)
Vanochtend, in de bibliotheek probeerde ik verschillende mensen te betalen met een briefje van 100 rial, waar een hoekje vanaf was. Iedereen weigerde. Ook Ahmad, de elektricien.
Aboe Alawi (van de bibliotheek) stond er bij en zei ook dat het niets waard was. Ik legde het op tafel, voor hem neer. Langzaam pakte hij het op en stopte het weg in zijn sarong.
Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.
Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.
Fragment uit het verslag van 25 mei.
Afgelopen donderdag ging de hele Hadramaut over op een nieuw telefoonsysteem, met zes cijfers. Een ‘deskundige’ (Hoessein al-A. van de telefoonwinkel) had me verteld dat daarmee de telefoonproblemen voor eens en altijd uit de wereld waren: “Zie Sana’a, daar hebben ze zes cijfers.”
Ik had een hard hoofd in het welslagen van die operatie, maar misschien ben ik bevooroordeld, omdat ik bijna vijfentwintig jaar bij een goed lopend telefoonbedrijf heb gewerkt. (PTT-Telecom.)(3)
Ze hebben hier een unieke methode ontwikkeld om zo’n overgang tot stand te brengen. Een groen uniform met een Kalasjnikov verbood me het resultaat te fotograferen. Over twintig jaar [sic!] zullen ze er spijt van hebben dat er niemand een foto heeft van de … uitgebrande telefooncentrale.
Er zijn nu dus zes cijfers, maar helaas geen centrale. Je zou kunnen zeggen: alle storingen zijn opgeheven, geen gekraak meer op de lijnen.
Het leven hier heeft zo zijn beperkingen.
[…]
Abd al-Rahmaan en ik bespreken de dingen die er nog moeten gebeuren. Hij wil onder andere acht kasten laten maken voor de opslag van de naslagwerken en de gedrukte boeken.
Ik ga daarmee akkoord.
De prijs (wisselkoers) van de dollar is gekelderd naar 120 rial. Ik weet niet wat te doen. Nu, in ‘paniek’, wisselen, of rustig afwachten.
De mensen hier zijn blij met de daling. Alles zal goedkoper worden. Voor mij wordt alles duurder.
In het faxbericht aan Jan Just Witkam, de projecleider in Nederland, stel ik het als volgt.
‘Wat ik van je wil weten is: is het je gelukt, of lukt het je binnenkort geld over te maken naar de ambassade? (Zo niet, dan moet ik hier op een dag met de noorderzon vertrekken, anders houdt men mij vast als gijzelaar, om losgeld te vragen.)
[…]
Ahmad, de elektricien uit Say’un was hier en we bespraken wat er nog moet gebeuren. Ik stelde duidelijk dat ze (het personeel van Ahmad) alles wat er is moeten gebruiken en dat er geen geld voor nieuwe spullen is.
Overmorgen moet ik een groot bedrag klaar hebben liggen voor het betalen van steekpenningen (rashwa) aan het elektriciteitsbedrijf. Zonder factuur, natuurlijk.
[…]
De timmerman kwam ook. Hij hoopt de houten deur volgende week zo ver te hebben dat we die kunnen fotograferen. De week daarna zal hij hem inhangen. (Tarkieb.)
Abd al-Rahmaan vertelde hem, dat als de deur er over twee weken niet is, hij hem in zijn eigen huis mag ophangen, want de bibliotheek heeft geen geld om te betalen.
[…]
Abd al-Rahmaan zegt dat de mensen voorheen alleen maar voor zich uit staarden. Nu zijn ze allemaal aan het werk. Dat moet met een extraatje betaald worden, vindt hij. Ik was al van plan bij mijn vertrek duizend rial (f. 12,00) te geven.Ik weet niet of zij dat genoeg vinden, ik in elk geval wel. Zij krijgen immers een salaris van 7.000 rial per maand om in de bibliotheek te werken en niet om voor zich uit te zitten staren, neem ik aan.
[…]
Hoessein al-H., de medewerker die in Kiev studeerde, is voorlopig voor zes maanden door zijn werkgever (het Ministerie van Onderwijs) met behoud van salaris aan de bibliotheek uitgeleend. Het is aan mij om hem zijn reiskosten te vergoeden en enkele extra’s die hij mist omdat hij nu in de bibliotheek werkt.
Bij zijn werkgever in al-Mukalla had men een apparaat dat stroomstoringen een half uur lang opving. Ik laat nu uitzoeken wat dat is en of dat betaalbaar is. Hier valt sinds kort de stroom vijf keer per vier minuten uit, daarna blijft het weer een kwartier of zo goed, om daarna naar 110 Volt terug te zakken, zodat de printer niet meer werkt. Misschien wordt het beter als de bibliotheek op het openbare net wordt aangesloten. De spanning van de moskee, nu de leverancier, werk alleen goed rond de gebedstijd van de middag (Salaat al-zoehoer) De moe’azzin heeft dan spanning nodig voor zijn adhaan en daar kan de bibliotheek van profiteren.
[…]
De kabels van het openbare net zijn al aan het gebouw de bibliotheek bevestigd. Op z’n Arabisch, natuurlijk, vlak langs de toegangstrap. Dat is niet gevaarlijk als er geen spanning is, wat vaak voor komt, maar al die er wel is, staat er ‘slechts’ 380 Volt op de (blootligende) draden. Het is de bedoeling dat de bibliotheek een eigen meter, dus een eigen aansluiting, krijgt.
Dit is het einde van het verslag van 25 mei.
(1) Alleen de nieuwe telefooncentrale was afgebrand.
(2) Die man die mij ḵinzīr noemde, zat op een brommer en reed daarna meteen weg. Wat zal hij in z’n eentje gegniffeld hebben over zijn durf en veel plezier hebben gehad en luid gelachen met zijn vrienden over zijn daad. Die zullen hem schouderklopjes hebben gegeven voor zijn moed.
De uitspraak van enkele letters en klanken in Arabische woorden.
In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voorkomt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadramaut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitgesproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.
Een zelfportret op mijn hotelterras. Na 07.00 ’s ochtends, als het op het terras, in de volle zon, te warm was werkte ik onder dat afdakje. Hier dronk ik dan ook mijn Engelse, dure, Earl Grey thee die Abd ar-Rahmaan al-A. me gegeven had nadat ik hem een kilo jasmijnthee, die ik uit Nederland had meegestuurd, gegeven had. Een maand in de gloeiend hete container had het goedje smakeloos gemaakt, vond ik. Hij en zijn vrouw daarentegen, vonden die thee heerlijk. Ik hun Earl Grey thee. Zo waren we allemaal gelukkig. Te zien is dat ik een sarong draag, het kledingstuk dat ik op 25 april gekocht had, voor dagelijks gebruik in en rond mijn hotelkamer. Vrijwel alle mannen in deze regio dragen een sarong.
Twintig jaar geleden: dagboekfragment 24 mei 1996 (vrijdag).
Tariem.
Vrijdag: de wekelijkse vrije dag.
Op 05.15 uur.
Werken aan FoxPro database, tot rond 09.00 uur, wanneer de elektriciteit uitvalt.
Lezen in het boek van Daniel van der Meulen over de Hadramaut.
Bezig met de theorie van FoxPro.
Na de middag zwemmen: de doorzichtige Bh (door het water) van een rondborstige Duitse vrouw maakt me geil.
Muhammad al-S. en zijn mooie vriend Salaah komen ook in het zwembad voor blanken zwemmen, maar worden eruit gestuurd.
Beneden zitten vertellen met die nieuwe receptionist Salim, leraar Engels. Zijn Engels is moeilijk te verstaan.
’s Avonds op mijn terras, nog werken aan FoxPro.
Koken uit Italiaans / Nederlands blik. (Uit de voedselvoorraad die op 23 april jl. met de container uit Nederland kwam.)
Weer beneden, nog enige tijd vertellen met Muhammad.
Rond 23.00 naar boven.
Er komen nog nieuwe toeristen. Arabische mannen. Een met een baard, de ander, een jongen, met sluikhaar. Ze zeggen met z’n vieren te zijn. Wat doen ze hier, zo laat? Mij? Of mijn geld?
Ik drink een rum met Lemontina en eet enkele Ligakoekjes. Vrijwel onmiddellijk word ik ziek. Het wordt steeds erger en dan besluit ik een vinger in mijn keel te steken, want ik vrees een voedselvergiftiging. Het brengt enige verlichting. Nu gaat het weer.
Vermoeiend, zo’n dag zonder stroom.
Nu 00.00 uur.
–
Voor Salaah, die ik beloofde te leren zwemmen (wat niet lukte, omdat ik al die termen niet ken in het Arabisch), maakte ik een zevental tekeningen waarop ik de bewegingen van armen en benen van de schoolslag aangaf. Muhammad zal die aan hem geven.
–
Ik voel me nu, een kwartier na het overgeven, veel beter.
Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.
Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.
Fragment uit het verslag van 24 mei.
Van mijn samier Muhammad al-S. hoor ik dat er in Tariem veel problemen zijn tussen de Wahhabiyya en de Soefi‘s. Soms komt het tot openlijke geweldpleging. Zoiets vindt dan plaats na de salaat in de moskee.(1)
[…]
Muhammad studeerde ook aan de Koelliyat al-shar’iyya in Tarim, maar stopte ermee omdat hij daar geen toekomst meer in zag. Het management van die school bestaat geheel uit Soefi‘s. De bevolking staat daar afwijzend tegenover. Als hij afgestudeerd zou zijn, kan hij waarschijnlijk geen werk vinden, omdat Soefisme stuit op afwijzing bij de Wahhabi’s waarmee de Hadramaut voornamelijk bevolkt is.
Die Wahhabi’s noemen zichzelf geen Wahhabi, maar mensen die de echte islam volgen: al-islaam al-sahieh.
Het grote en belangrijke strijdpunt is het bezoek aan graven (ziyara) door de Soefi‘s. De Wahhabiyya beschouwt dit als polytheïsme (shirk) en dat is dus strafbaar.
Toen ik Muhammad vertelde wat Hoessein al-K. (van de al-Ahgaaf-bibliotheek) gezegd had (zie 7 mei jl.) over de ‘baarden’, wist hij al na twee voorbeelden dat genoemde Hoessein een Soefi is, of er niet afwijzend tegenover staat.
–
Er is hier veel meer gaande dan op het eerste gezicht duidelijk wordt. (De geheimen van Tarim?)
Dit is het einde van het verslag van 24 mei.
(1) Ik las op 18 juni, in Leiden, in het rapport van Amnesty International dat er verleden jaar in Tarim twee doden zijn gevallen bij een schietpartij naar aanleiding van een confrontatie tussen mensen die het graf van een heilige bezochten en anderen die dat wilden verhinderen.
Door op de twee eerste letters van een link te klikken, opent een nieuw tabblad waarin de geografische locatie van de plaats in Google Maps wordt getoond.
Wanneer u op de derde en volgende letters klikt komt u in een nieuw tabblad bij Wikipediapagina terecht met informatie over deze locatie.
Bij begrippen wordt alleen Wikipedia geopend.
In alle gevallen wordt in Arabische woorden de ‘u’ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken. De ‘g’, die in het Standaard Arabisch niet voorkomt, maar wel in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadramaut, wordt als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitgesproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.
Een mooie stalen deur, nog in de werkplaats die vlak bij het hotel was. Ik wilde deze deur niet fotograferen, maar een jongetje van de werkplaats riep me naar hem toe. Het was dringend, deed hij voorkomen. Toen ik bij hem was drong hij aan om deze deur te fotograferen. Nog steeds wilde ik niet. Hij drong nog meer aan en toen ik dan eindelijk een foto gemaakt had, wilde hij 50 rial hebben. Ik ben toen weggelopen. (50 rial = f. 0,65!) De afbeeldingen aan de bovenkant van de beide helften is een gestyleerde moskee te zien. Ik weet niet welke, maar de afbeelding doet mij denken aan de Omayyadenmoskee in Damascus, Syrië, die ik in 1992 bezocht.
Twintig jaar geleden: dagboekfragment 23 mei 1996 (donderdag).
Tariem – Say’un.
Op 05.00 uur.
FoxPro.
Rond 9.00 bel ik met Jan Just Witkam. Hij zal proberen nog voor drieduizend dollar te zorgen. Hij wil dat ik me geen zorgen maak. Dat doe ik niet echt. Hij is, geloof ik, een beetje gepikeerd dat ik niet het nummer weet van de dollarrekening van de Ambassade, maar de ambassadeur, eergisteren, wist niet eens bij welke bank ze die rekening hadden.
In de al-Ahgaaf-bibliotheek werd een jongeman aangenomen die in Kiev (Oekraïne) informatiekunde gestudeerd heeft en in al-Mukalla met Windows gewerkt had. Hiermee ben ik verlost van de uitleg van de werking van de computer.
In het zwembad is een sexy rondborstige Française.
Vanavond zat ik weer lang (vanaf 17.30 tot 22.00 uur) buiten met Muhammad al-S. en zijn vriend Salaah. Die laatste is erg vriendelijk en ik vind hem met de minuut sexyer.
Hij en Muhammad vertellen over een geval van zina (ontucht) in Say-un, waarna steniging (radjm) volgde, drie maanden geleden!
Boven een beetje eten en het dagboek bijwerken.
Nu 00.15 uur.
Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.
Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.
Fragment uit het verslag van 23 mei.
Hoessein al-A. van de telefoonwinkel wil mij nog een handschrift verkopen, maar dit document is zwaar beschadigd, met een steeds groter wordend (naarmate het boek vordert) gat in het midden van de bladspiegel.
Ik kan natuurlijk geen handschrift meer betalen, maar dat zeg ik hem niet.
[…]
In de bibliotheek licht ik Abd al-Rahmaan A. in over de financiële situatie. Het wordt hem nu pas duidelijk dat elke cent onkostenvergoeding die hij ontvangt van de totale som van van het project afgaat.
[…]
Vandaag was er een nieuwe medewerker in voor de bibliotheek. Hoessein al-H. die is afgestudeerd aan de universiteit van Kiev (Oekraïne) in de boekdrukkunst. Daarnaast deed hij computercursussen en heeft ervaring met Windows en aanverwante programma’s. Hij spreekt naast Arabisch perfect Russisch en Oekraïns (volgens zijn bul) en verstaat wat Engels. Als hij wordt aangenomen hoef ik de werking van de computers niet meer uit te leggen.
[…]
Vanavond hoor ik van mijn vrienden Muhammad al-S. en zijn vriend Salaah dat een drietal maanden geleden nog een man en een vrouw in Say’un gestenigd zijn na een veroordeling wegens zina.
(Dat moet ik eens aan Abd al-Rahmaan vragen. Die zegt op 25 mei dat het geen steniging (radjm) betrof, maar dat de schuldigen, drie vrouwen en twee(?) mannen met de zweep afgeranseld werden. Ze waren ongehuwd.(1) Er waren geen getuigen voor deze zaak, maar de ‘daders’ hadden uit zichzelf bekend.(2) Dit was de tweede keer sinds het bestaan van de islam dat dit voorkwam, volgens Abd al-Rahmaan. Vaak vluchten de ‘daders’ (volgens mij ‘slachtoffers’) als ze beschuldigd worden. (Worden ze misschien in de gelegenheid gesteld tot vluchten?))
Salaah zegt, dat als hij een geval van zina kent, dit zonder meer zal aangeven bij de gadi (islamitische rechter) of een andere verantwoordelijke. Hij is overigens een aardige, intelligente student (22 jaar) van de Koelliyat al-shariyya in Tarim.
Hoewel hij weet dat zijn gedachten en blikken (en zijn geheime verlangens) haraam zijn, kan hij zijn ogen toch niet afhouden van de westerse (mooie, schaars geklede Franse) toeristes. Hij is dus ook ‘in’ voor zina. Wie zou hem aangeven? Hijzelf?
Dit is het einde van het verslag van 23 mei.
(1) Als ontucht geldt ook wanneer pubers elkaar zoenen, met beider goedvinden. Wanneer ze betrapt worden en het voorval wordt aan de islamitische autoriteiten gemeld, dan volgt een veroordeling, zoals die geldt voor ongehuwden: een openbare afranseling met een zweep of knuppel: 100 slagen. (Die je wellicht niet overleeft.) De gadi heeft niet de vrijheid om dit pubergedrag af te doen als een ‘jeugdzonde’, want de de sharia (de islamitische wet) kent geen uitzonderingen. Wel geldt dat beiden agil en baligh moeten zijn. (Agil: in het bezit van verstandelijke vermogens en baligh: volwassen. Volwassen is een moslim, volgens de islamtische wet, vanaf het 15e levensjaar, tenzij geslachtsrijpheid zich eerder voordoet, maar nooit voor het 9e levensjaar.)
Gehuwden, die ontucht plegen, worden gestenigd. Als gehuwd geldt ook iemand die op het moment van de ontucht ongehuwd was, maar eerder wel gehuwd is geweest.
(2) Aangezien aan getuigen hoge eisen worden gesteld (vier mannelijke getuigen van onbesproken gedrag, die tot in details de ontucht kunnen beschrijven) en zonder getuigenis geen straf mag volgen, tenzij de ‘daders’ zelf bekennen, komt het vaak niet tot een straf.
(Uitleg van de gehele islamitische wet op dit gebied valt buiten het bestek van mijn dagboekbijdrage. Zie Wikipedia: Sharia, of The Encyclopaedia of Islam in een wetenschappelijke bibliotheek bij u in de buurt: WorldCat.)
In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voorkomt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadramaut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitgesproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.
De parkeerplaats naast het Gasr al-Thawra (Gasr al-Kathiri) in Say’un. De vrouwen die in het midden op deze dia te zien zijn hadden mijn aandacht, iedere keer als ik Say’un was en ze zag. Anders dan de andere vrouwen is een van de twee niet helemaal in het zwart gekleed, hoewel ze wel gesluierd is. Zij draagt een opvallende rode nigaab. Haar metgezellin draagt een roze zak over haar schouder. Deze vrouwen, zo werd mij verteld, waren mutasawwilaat, bedelaarsters, uit de Tihama. Die waren pas na de unificatie van Noord- en Zuid-Jemen in 1990, naar het zuiden gekomen. Naar Say’un, want in Tarim heb ik nauwelijks bedelaarsters gezien. Deze vrouwen spraken veel mannen aan, op de parkeerplaats. Vooral die, die in de buurt van auto’s waren. Ze maakten dan een praatje. Misschien boden ze ook andere diensten aan. Prostitutie, zo werd mij verteld, was een voorkomend verschijnsel. Dat moet dan oogluikend worden toegelaten, want seks buiten het huwelijk en overspel kan dodelijke gevolgen hebben. Vlak voor onze komst naar het zuiden waren zowel in Say’un als in Tarim nog (ongehuwde) mannen en vrouwen in het openbaar afgeranseld na ontucht. (Zinaa’.)
Twintig jaar geleden: dagboekfragment 22 mei 1996 (woensdag).
Tarim (Tarim, zinaa’, steniging, nigaab, gaat (qat)). Yaum al-wahda, Dag van de eenwording, dus vrij.
Op 04.45 uur.
Werken: financiën en aan de FoxPro Database.
Dagboek bijwerken.
Vannacht geheel gekleed onder de klamboe. Alles wat bloot is, handen en hoofd, jeukt (iedere nacht), maar het jeuken houdt op als ik onder een (dunne) deken lig. Welke beestjes zijn voor dat jeuken verantwoordelijk en waarom houdt het jeuken onder een deken / laken op?
Het zijn geen muggen, die komen niet door de mazen van de klamboe.
In tegenstelling met alle andere keren die ik in het buitenland verbleef ben ik nu alleen maar dikker geworden, anders werd ik altijd magerder.
Thuis in Nederland moet ik weer gaan sporten.
Nu 13.00 uur.
Hotel betalen: 7.350 rial is de prijs voor afgelopen week. Ik geef, zoals gebruikelijk, fooi. Ik betaal 8.000 rial.
Zwemmen in het zwembad voor Jemenitische mannen, omdat het bad voor Europeanen groen is.
Verder de hele middag vertellen met Muhammad al-S. en later ook twee vrienden van hem, waarvan ik er één verwissel met Salaah, die ik verleden week sprak. Deze studeert ook op de Koelliyat al-Shar’iyya (De Faculteit van het islamitisch recht) en ook deze wil over het geloof beginnen. (Wat betreft uiterlijk lijkt hij op Salaah.)
Zij vertellen over seks en over hoeren, die hier ook zijn en die met mannen in de auto buiten de stad gaan.
’s Avonds koken.
Nu 20.00 uur.
Gisterenavond kauwde Muhammad gaat (qat) en kon de hele nacht niet slapen, daarom wil hij nu naar bed. Gelukkig, want ik ben immers ook moe. Ik stond al voor 05.00 uur op.
Zijn vriend geeft me een boekje cadeau. Hij prees mijn gift aan Muhammad: het Oxford English-Arabic woordenboek. Hij wilde ook zoiets hebben en gaf me nu een flutboekje. Ik verdenk hem van slijmen, want ik ken hem slechts anderhalf uur.
Nu 22.00 uur.
Iedere avond, tussen 19.00 en 20.00 uur, waait het stevig. Dat is al zo sinds het begin van mijn verblijf hier.
’s Nachts is het fris buiten. ’s Avonds blijft het lang warm.
Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.
Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.
Fragment uit het verslag van 22 mei.
Van mijn samier (gesprekspartner in de avond) Muhammad al-S. leer ik dat prostitutie ook hier voorkomt. Natuurlijk gaan de prostituées geheel gekleed in de tent (ḵayma) zoals onze aanduiding is voor de kleding van de lokale vrouwen.
Zij bieden zich aan op parkeerplaatsen, hoor ik later van Belgische toeristen, die dat gadesloegen.
Ik herinner me dat ik zoiets ook al gezien had, op autoparkeerplaats naast het Gasr al-thawra in Say’un.
Lokale mannen vertellen steevast dat dat geen vrouwen uit Say’un zijn, maar bedelaarsters uit de Tihama.(1)
De prostituée gaat met de man mee, in zijn auto, naar een afgelegen plek. Het is kennelijk een publiek geheim, dat getolereerd wordt, want overspel en seks buiten het huwelijk (zinaa’) is een gevaarlijke aangelegenheid, hier in dit streng islamtische land, en kan dodelijke gevolgen hebben: steniging.
Ik vraag of Muhammad weet of er moorden op prostituées voorkomen. Hij zegt dat het zelden gebeurt.
Dit is het einde van het verslag van 22 mei.
(1) Volgens The Encyclopaedia of Islam zijn er drie streken met de naam Tihama. Twee ervan liggen langs de westkust van Saoedi-Arabië, aan de Rode Zee. De derde Tihama ligt aan de westkust van Jemen, ook aan de Rode Zee en strekt zich uit langs de kust van de Golf van Aden tot aan de kust van de Indische Oceaan. Ik neem nu aan dat met de mededeling: “De bedelaarsters komen uit de Tihama”, deze laatste streek bedoeld wordt.
Door op de twee eerste letters van een link te klikken, opent een nieuw tabblad waarin de geografische locatie van de plaats in Google Maps wordt getoond.
Wanneer u op de derde en volgende letters klikt komt u in een nieuw tabblad bij Wikipediapagina terecht met informatie over deze locatie.
Bij begrippen wordt alleen Wikipedia geopend.
De uitspraak van enkele letters en klanken in Arabische woorden.
In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voorkomt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ق) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadramaut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitgesproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.
De Nederlandse ambassadeur, de heer Pijpers, in gesprek met Abd al-Rahmaan (de directeur van de al-Ahgaaf-bibliotheek in Tarim) bij de opening van de tentoonstelling met foto’s van de Nederlander Daniel van der Meulen die in de jaren dertig in de Hadramaut reisde, samen met de Duitse geograaf Hermann von Wissmann.
Twintig jaar geleden: dagboekfragment 21 mei 1996 (dinsdag).
Tariem – Say’un (Tariem, Say’un, Daniel van der Meulen, Hermann von Wissmann, Gasr al-Kathiri, nigaab, hidjaab, al-Kaaf-paleis, Mihdaar, Daan Hadrami: YouTube).
Op 7.00 uur.
Met de taxi van voor de deur van het hotel in Tarim tot voor de deur van het Gasr al-Thawra / Gasr al-Kathiri in Say’un.
Gisteren geloofde ik dat ik vrijwel al mijn Arabisch vergeten was, nu, met deze taxichauffeur, kan ik weer heel veel praten en begrijp ik zeker 95% van zijn verhaal.
Als dank gaf ik hem 200 rial fooi. Hij vroeg 500 rial voor deze rit. Special (?) voor Jemeni’s is circa 480 rial. Voor toeristen tussen de 700 en 800 rial.
In het Gasr al-Thawra was de komst van de Nederlandse Ambassadeur al voorbereid. Er stonden stoelen gereed in de koele kamer van Muhammad al-H. Ik ging op het eveneens koele dakterras staan en bekeek de bedrijvigheid beneden op de autoparkeerplaats. Er liepen twee vrouwen. Een geheel in het zwart, de andere kleuriger gekleed, met een rode sluier. (Nigaab.)
Zij spraken allerlei mannen in auto’s aan. Waren het bedelaarsters (mutasawwilaat) of hoeren?
Ik dacht dat het mogelijk moet zijn van een bedelaarster het gezicht te zien te krijgen voor geld. Zelfs te kunnen neuken voor geld, alleen: waar? Die vrouwen intrigeerden me bijzonder.
Rond 10.00 kon Abd al-Rahmaan A. met zijn onverstaanbare aankondiging beginnen. (Onverstaanbaar omdat hij zo zacht sprak.) Zijn chef en tweede spreker was beter verstaanbaar. De vertaler kwam te laat en vertaalde voor mevrouw Pijpers in plaats voor ambassadeur Pijpers.
Er was een mooie Arabische in de zaal, zonder nigaab maar wel een hidjaab.(1)
Ik was de enige die foto’s maakte van de bijeenkomst. Wel was er een cameraman van de Jemenitische televisie. Die zei echter niet naar Tarim te willen gaan. Deze gelegenheid was de belangrijkste, vond hij. Hierna werd de tentoonstelling met de foto’s van Daniel van der Meulen geopend en even later konden we richting Tarim gaan. Althans, dat dachten we, maar de ambassadeur werd eerst voor een krant geïnterviewd. Daar wilde hij niemand bij hebben. Dat duurde meer dan een half uur.
Ik onderhield me met zijn vrouw, haar broer en haar vriendelijke en leuke schoonzusje.
Na veel vijven en zessen waren we tegen 12.45 uur in Tarim. Ik in de auto van Abd al-Rahmaan, met ook dr. Ahmad al-Sh., vicedirecteur van de Algemene Organisatie van Oudheden, Handschriften en Musea. (De directeur is Yusuf MA., die Nico en ik in de eerste week van ons bezoek aan Jemen ontmoetten.)
In Tarim, in de al-Ahgaaf-bibliotheek, was een informele bijeenkomst. Ik fotografeerde weer, nu ook met de flitser van de zwager van de ambassadeur, Hans?
Een uitstekende maaltijd in het restaurant van het Gasr al-goebba-hotel.
Na een korte rusttijd gingen we naar het Gasr al-Kaaf (al-Kaaf-paleis) in de binnenstad. Het gezelschap was niet uit de ge-airco-de auto te krijgen.
Bij de Mihdaar, volgens Abd al-Rahmaan, die met hen sprak in de koude Ford, hadden ze opmerkingen in de trant van christendom versus islam. (Mihdaar is de naam van een minaret en moskee in Tarim. Op andere plaatsen ook wel Muhdaar genoemd.)
Het bezoek aan het al-Kaaf-paleis was snel afgelopen, omdat de koude auto lonkte.
Ik ging in m’n eentje naar de hogere verdiepingen, waar het mooier is dan op de lagere.
Toen ik buiten kwam zat het gezelschap al weer in hun ijskar en zwaaiden uitbundig en ook zeer overdreven ten afscheid.
Hoewel hij me (Abd al-Rahmaan) uitnodigde voor een avondje traditionele Daan Hadrami muziek bij hem thuis, protesteerde hij niet toen ik zei dat ik niet mee wilde. Het probleem is de thuisreis, omdat die avond pas om 20.30 uur begint. Ik blijf in het hotel, hoewel ik er graag heen was gegaan als het evenement in Tarim was geweest.
Zwemmen en het dag-verslag schrijven.
’s Avonds hoorde ik buiten: “Jaja, jaja.” Ik weet dan dat er Nederlanders in het hotel zijn. Ik heb hier geleerd dat dit het typische geluid is dat Nederlanders maken. Uiteindelijk bleken er geen Nederlanders te zijn.
Ik at slechts een bekertje yoghurt en viel rond 20.00 zwaar vermoeid in bed.
Rond 22.20 uur werd ik wakker en om half elf ging ik definitief naar bed.
Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.
Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.
Fragment uit het verslag van 21 mei. (Qat / gaat, rashwa.)
Een taxi van voor het Gasr al-goebba-hotel tot voor het Gasr al-Thawra in Say’un. Wat een geluk! Het is ’s morgens om acht uur al te warm om op straat te gaan, maar ik moet iedere dag buiten de hotelpoort komen. Meestal is er geen taxi in velden of wegen te bekenen en loop ik de twee kilometer, zwaar zwetend, naar de bibliotheek, om daar te constateren dat er ook deze dag geen elektriciteit is die de ventilatoren kan laten draaien voor enige verkoeling.
Vandaag passeert dus een taxi en kan ik van het hotel in Tarim tot in Say’un voor de deur van mijn bestemming rijden. Ik ben al om kwart voor negen in Say’un.
In het kantoor van Muhammad al-H. staan de stoelen opgesteld voor de komst van de ambassadeur. Die komt rond 10.00 uur binnen.
Abd al-Rahmaan begint een onverstaanbaar zachte speech om de ambassadeur en de andere spreker, dr. Ahmad al-Sh.(2) in te leiden.
Eerst houdt dr. Ahmad een duidelijk hoorbare speech en daarna is ambassadeur Pijpers aan de beurt. Dr. Ahmad wordt vertaald door een vertaler die te laat arriveert. Er is geen andere plaats meer voor hem dan naast de ambassadeursvrouw, die dus de vertaling hoort van de speech van dr. Ahmad.
Ambassadeur Pijpers heeft een Arabische vertaling van zijn speech, die de vertaler voorleest. Ik ben de enige die de gebeurtenissen fotografeert. Ook in het museum en de tentoonstellingsruimte maak ik foto’s van de voornaamste aanwezigen.
Er is ook iemand van de Jemenitische televisie en ik probeer hem te interesseren voor Tarim, maar hij vindt dit de belangrijkste gebeurtenis. Beleefd, naar Arabische gewoonte, zegt hij niet dat hij niet naar Tarim zal gaan, maar dat hij misschien zal gaan. Hij verscheen (dus) niet.
Na afloop van van de opening wordt de ambassadeur geïnterviewd. Daar mag niemand bij aanwezig zijn, behalve Abd al-Rahmaan.
Na enige vertraging gaan we naar Tarim. We arriveren rond 12.45 uur in de al-Ahgaaf-bibliotheek en blijven tot ongeveer 14.00 uur. Ik fotografeer ook hier weer en maak van de gelegenheid gebruik om met de geleende flitser van Hans(?) om de donkere plekken van de bibliotheek vast te leggen.
De lunch wordt genoten in het restaurant van het Gasr al-goebba-hotel. Er wordt een voor mij ongekende overvloed geserveerd. Een uitstekende maaltijd. Die mening zijn ook de ander gasten toegedaan. Hun maaltijd in dit eenvoudige hotel is vele malen beter dan de maaltijd in het (dollar-)dure Samah-hotel in Say’un. Ik ben benieuwd wie dat moet betalen. (Ongeveer 8.000 rial, circa f. 100,00.) Niet op mijn rekening, heb ik al duidelijk gezegd.
Na enige rust gaan we rond vier uur naar het al-Kaaf-paleis. Het Nederlandse gezelschap is een beetje onwillig om hun koele (airco) auto te verlaten. Hun bezoek aan het in slechte staat van onderhoud verkerende paleis is snel afgelopen.
[…]
Vanavond is er een traditionele Daan Hadrami bijeenkomst bij Abd al-Rahmaan thuis. Ik ben uitgenodigd en ik vind dat ik ook moet gaan, maar hoe kom ik weer thuis, als de avond pas om 20.30 uur begint? Ik kan niet bij Abd al-Rahmaan blijven logeren.
Van de taxichauffeur vanochtend leerde ik dat de huisjes die langs de weg staan op de weg naar Say’un graven zijn, waarheen ook ziyaraat(3) naar toe georganiseerd worden. Hijzelf neemt ieder jaar deel aan de ziyara naar Gabr NabiHoed en gaat dan op een kameel. Hij heeft daar ook een huis. Daar brengt hij de dag door met eten en bidden. (Zie voor Gabr Nabi Hoed19 april jl.)
Toeristen zijn welkom, maar mogen natuurlijk niet de moskee binnen of het graf betreden.
Hij is getrouwd en heeft twee jonge kinderen. Hij heeft geen tweede baan en houdt geen dieren, zoals Hussain al-K. van de bibliotheek wel doet. Hij leeft van zijn taxiwerk alleen.
Ik vraag naar het werk dat zijn vrouw doet. Zij blijkt thuis te zitten en het eten te verzorgen.
Dat is anders dan bij Hussain al-A. van de hotelreceptie. Zijn vrouw werkt als onderwijzeres, gymnastieklerares, in de meisjesschool in de wijk Aidied, even buiten Tarim.
De taxichauffeur vertelt dat het land in de Wadi vruchtbaar was, maar dat de regen al drie tot vijf jaar uitbleef. Nu is het eigenlijk het regenseizoen en hij hoopt dat het spoedig gaat regenen.(4)
Vroeger pompte de socialistische regering het water op, maar de nieuwe regering in het Noorden houdt zich daar niet mee bezig. Gevolg is dat het land verdroogd en er geen landbouw meer bedreven wordt. Er is sprake van uitdroging van het land. (Morgen is de Yawm al-wahda, de dag der eenwording: wat valt er te vieren?)
Van dr. Ahmad al-Sh. begrijp ik dat Abd al-Rahmaan nu niet alleen directeur is van de al-Ahgaaf-bibliotheek, maar ook van een deel (welk deel?) van de Algemene Organisatie van Oudheden etc. in Say’un. Wellicht is dat een ‘politieke’ beslissing om Abd al-Rahmaan boven Sjeik AB(5) te plaatsen. Deze man is niet meer in Sana’a, maar al drie dagen thuis. Dat weet men in de bibliotheek kennelijk niet. Daar hoorde ik dat hij nog steeds in Sana’a is. Zijn benoeming tot moestashaar (adviseur) is een poging om hem weg te promoveren. Niet moestashaar van de bibliotheek, maar moestashaar nergens van.
Dr. Ahmad is van mening dat de Jemenieten te lui zijn om hard te werken, omdat zij door de regering lui wordt gemaakt. Alle mannen krijgen van de regering een toelage als ze in het leger zijn geweest, dus iedereen krijgt geld van de regering.
Vroeger werd er in Jemen ook qat (uitspraak als ‘gaat‘) gekauwd(6), maar slechts een half uurtje per dag, tussen half drie en drie uur. Daarna moest men naar het land om te gaan werken. Nu krijgt men geld (hoeveel wil of kan hij niet zeggen) van de regering en is het niet meer nodig om na het half uur kauwen van het kussen op te staan en te gaan werken. De regering betaalt deze mannen op voorwaarde dat, wanneer ze opgeroepen worden, ze ook komen. Voor dit systeem van ‘standby’ ontvangen ze dus maandelijk soldij, ook als er niets te vechten is. Dr. Ahmad zegt het beter te vinden als dit systeem afgeschaft wordt, zodat van de mensen wordt verlangd dat ze weer gaan werken voor de kost. Op mijn vraag of er voor al die mensen werk is, antwoordt hij bevestigend.
Hij is ervan op de hoogte dat het zuiden niet alleen goede dingen uit het Noorden importeerde, maar ook de rashwa, steekpenningen. Aanvaarding daarvan was vroeger ten strengste verboden.
Hij denkt dat de mensen uit het Zuiden een andere, betere mentaliteit hebben dan uit het Noorden. Hij noemt het afvalprobleem. In het Noorden gooit men maar weg. In het Zuiden is men voorzichtiger.
Ik las in de reisgids dat het in het Zuiden voor de eenheid veel schoner was dan nu. Voor de eenheid deed de regering er (dus) wat aan en niet de mensen zelf, of er waren eenvoudig geen milieuvervuilingsspullen te krijgen.
Muhammad al-H. (zuiderling), die er bij zit en dus uitsluitsel zou kunnen geven, zwijgt, ook als ik hem naar een antwoord vraag.
Dit is het einde van het verslag van 21 mei.
(1) Het volgende staat bij de beschrijving van dia die ik van die vrouw zonder nigaab maakte.
De enige Jemenitische vrouw die bij de opening van de tentoonstelling aanwezig was. Zij was in het gezelschap van een, vermoedelijk Nederlandse, dame wier verschijning mij niet nodigde voor een conversatie. Deze Jemenitische dame leek mij daarentegen veel vriendelijker, niettemin heb ik geen woord met haar gewisseld. Naar goede Jemenitische gewoonte begon ik geen gesprek met mij onbekende lokale vrouwen. Daar komen vaak alleen maar moeilijkheden uit voort, met mannen, werd mij verteld.
(2) Dr. Ahmad al-Sh. studeerde zeven jaar Geografie aan de universiteit van Colorado in de Verenigde Staten en doceert nu nog, naast zijn baan als vicedirecteur van de Algemene Organisatie van Oudheden etc., aan de universtiteit in Sana’a.
(3) Ziyaraat is het meervoud van ziyara: bezoek. In religieuze context betekent dit een soort pelgrimstocht, of grafbezoek. (Voor verdere uitleg van grafbezoek zie Aanvulling.)
(4) Zijn hoop zal medio juni 1996, op desastreuze, alles vernietigende wijze, ‘vervuld’ worden. Ik had Jemen één dag ervoor verlaten.
(5) Sjeik AB. was de vorige directeur van de al-Ahgaaf-bibliotheek in Tarim. Hij werd vervangen omdat hij zich bij zijn leiding, maar ook bij een deel van de bevolking in Tarim, ‘onmogelijk’ had gemaakt door zijn fundamentalistische opvattingen en zijn politieke werk voor de fundamentalistische al-Islah-partij. Werk dat hij vanuit de bibliotheek verrichtte (al-Islah-partij).
(6) Qat (uitgesproken als gaat)-kauwen heet in Jemen overigens chazn al-gaat: de opslag van gaat. Dat is ook wat er gebeurt: men kauwt het blad fijn en slaat deze brei op in de mond, in de wang, zodat die daar in uitbolt. Ik zag in Sana’a ook vrouwen, met de nigaab strak om hun gezicht gespannen, maar wel met een duidelijke bolle wang aan één kant van hun gezicht. Van het woord chazn (ch–z–n) wordt in het Arabisch ook het woord machzan gevormd, waarvan het meervoud machaazin is en in het westen is overgenomen met dezelfde betekenis: opslagruimte, namelijk ‘magazijn’.
Door op de twee eerste letters van een link te klikken, opent een nieuw tabblad waarin de geografische locatie van de plaats in Google Maps wordt getoond.
Wanneer u op de derde en volgende letters klikt komt u in een nieuw tabblad bij Wikipediapagina terecht met informatie over deze locatie.
Bij begrippen wordt alleen Wikipedia geopend.
De uitspraak van enkele letters en klanken in Arabische woorden.
In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voorkomt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ق) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadramaut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitgesproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.
De Mihdar, de minaret van de gelijknamige moskee van Tarim. Daniël van der Meulen schrijft in ‘The Hadramaut, some of its mysteries unveiled’ (1932) dat hij de minaret beklom. Dat is nu niet meer mogelijk. Het bouwwerk is voor niet-moslims gesloten. De minaret is drieënvijftig meter hoog en helemaal uit leem opgetrokken. (Mudbrick.)
Twintig jaar geleden: dagboekfragment 20 mei 1996 (maandag).
Tarim. Say’un (Tarim, Say’un, Mihdaar(1), mudbrick, haraam, Roebaat).
Op 7.30 uur.
Ik loop om 8.45 naar het taxistation in Tarim. Ik ga naar Say’un om een fax te verzenden, maar bij de bekende winkel is de machine verdwenen.
In Gasr al-thawra, bezoek ikAbd al-Rahmaan A. om aan hem naar andere faxen te vragen. Er zijn er twee, maar die blijken niet te werken omdat er geen elektriciteit is: ma fihi kaharba. (Er is geen elektriciteit.)
Met Abd al-Rahmaan naar het Salaam-hotel, waar zijn baas, dr. Ahmad Sh. logeert. Die man brengen we de stad in en gaan dan op weg naar Tarim. De fax (het papier) hebben we achtergelaten in een betrouwbare faxwinkel.
In Tarim brengen we de bibliotheek in gereedheid voor de komst van de Nederlandse ambassadeur, morgenochtend.
Lunch in mijn hotelkamer.
Zwemmen.
Voor Muhammad al-S. spreek ik de fonetische symbolen voor het Engels in op een een cassettebandje.
FoxPro Database programmeren.
Slapen op het bed, dat ik gisterenavond buiten opstelde.
Avondeten: voor de derde keer vandaag, yoghurt met twee bananen en brood. (Ook ontbijt en lunch.)
Verslag van het werk schrijven.
Slapen.
Van circa 21.00 tot 23.30 uur beneden met Muhammad al-S. Arabisch en Engels van elkaar leren. Zijn sexy vriendje (niet schoon, want krabt zich voortdurend) zit er bij. Hij is uit hetzelfde dorp als Muhammad en kan lezen noch schrijven. Hij ging slechts vier jaar naar school en besteedde die tijd aan voetballen. Hij vindt dat onderwijs aan God toebehoort. Hij kent alle Nederlandse voetballers, anders dan Muhammad, die niet van voetballen houdt en gedichten leest en zingt.
Muhammad studeerde een half jaar op de Koelliyat al-Shari’yya (Roebaat in Tarim), maar vertrok daar na problemen. (Welke?) Zingen was daar haraam, in elk geval.
–
Ik ontving in het hotel een brief uit Nederland, die op 23 april jl. verzonden was.
Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.
Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.
Fragment uit het verslag van 20 mei. (Aden, Koefisch, Koefa, Arabische calligrafie, al-Foerqaan, Himyaritisch, BA, MA.)
Ik reis naar Say’un om de fax naar Jan Just Witkam te versturen. Bij eerder faxen spendeerde ik al enkele uren in Tarim, zonder dat de lijn naar Aden tot stand kwam, laat staan dat de fax naar Nederland verzonden zou kunnen worden.
Abd al-Rahmaan had in Say’un meer succes en nu wilde ik in dit succes delen. Vergeefs. Het kantoor van waaruit Nico en ik eerder een fax verstuurden, had geen machine meer en de twee andere kantoren, adressen die ik vandaag van Abd al-Rahmaan kreeg, hadden problemen met de elektriciteit. Dat wil zeggen: er was geen elektriciteit beschikbaar en de generator gaf geen vermogen genoeg om de fax te laten werken. We lieten de twee velletjes achter met het verzoek het te proberen zodra de spanning weer aanwezig was.
Abd al-Rahmaan was weer geheel hersteld van de de verkoudheid die hij verleden week in Sana’a opliep.
Hij vertelde mij dat hij vandaag voor het eerst zijn handtekening onder een stuk zette in de functie van directeur van de al-Ahgaaf-bibliotheek.
Hij studeerde geschiedenis in Aden en haalde daar zijn BA. Door allerlei, mij niet duidelijke omstandigheden, was hij niet in staat om door te studeren voor een MA. Niettemin is hij nu directeur van een bibliotheek. Een functie die hij, volgens mij, naar beste kunnen en vermogen zal uitvoeren.
Hij had een idee voor een nieuw lettertype in de computer: het Sana’a Koefi. Ik moest hem erop wijzen dat het niet eenvoudig is een lettertype te wijzigen en dat daarvoor programmeurskennis nodig is. Hij liet zich niet ontmoedigen.
Ik vertelde hem over de al-Foerqaan-cursus in Londen en het voorstel daarvoor dat ik aan Jan Just Witkam had gedaan. (al-Foerqaan in Londen bood een catalogiseringscursus aan voor Arabische handschriften. Ik had daarover in de fax geschreven, die nu in Say’un op verzending lag te wachten.)
Over de oorsprong van het Koefisch schrift heeft hij (volgens mij) een unieke gedacht. Ik ried hem dat op papier te zetten en eventueel aan de ‘Manuscripts of the Middle-East’ aan te bieden.
Hij weet dat het oud-Arabisch-schrift in de begintijd van de islam nog rond van vorm was. Hij bestudeerde de geschiedenis van Koefa en ontdekte dat daar veel Jemenieten in het leger zaten.
Tot kort voor de islam gebruikten die Jemenieten nog het himyaritisch schrift. Volgens Abd al-Rahmaan zou er sprake kunnen zijn van beïnvloeding van het Jemenitisch Himyaritisch op het gebruikelijke Arabische schrift van die tijd.
[…]
Volgens Abd al-Rahmaan willen er nu een aantal personen genoemd worden op het bord dat het geschenk aankondigt dat op de bibliotheek komt te hangen: dr. Yoesoef A., dr. Ahmad Sh. en Abd al-Rahmaan zelf. Dr. Ahmad wil als belangrijkste persoon genoemd worden, dr. Yoesoef wil als belangrijkste persoon genoemd worden. Abd al-Rahmaan besluit (voorlopig) dat er dan maar helemaal geen namen op het bord moeten komen. (Bij mijn vertrek uit de bibliotheek op 11 juni waren de borden gereed en stonden er geen persoonsnamen op.)
In de bibliotheek bereiden we de komst van de ambassadeur voor door enkele tafels op te stellen met wat stoelen erbij, zodat er een toespraakje kan worden gehouden. (Wat niet zal gebeuren.)
Het blijkt dat gisteren wel een verlofdag was, maar dat het personeel het beter achtte te komen, omdat ik er ook zou zijn. Tegen betaling, uiteraard. Betaling door mij, zo blijkt vandaag, maar ik weet nog niet hoeveel. Wel protesteerde ik hiertegen bij Abd al-Rahmaan, want het personeel had donderdag gezegd dat zondag wel gewerkt zou worden.
Dit is het einde van het verslag van 20 mei.
(1) De Mihdaar-minaret en moskee wordt ook vaak, abusievelijk, de Muhdaar genoemd.
Door op de twee eerste letters van een link te klikken, opent een nieuw tabblad waarin de geografische locatie van de plaats in Google Maps wordt getoond.
Wanneer u op de derde en volgende letters klikt komt u in een nieuw tabblad bij Wikipediapagina terecht met informatie over deze locatie.
Bij begrippen wordt alleen Wikipedia geopend.
Mijn bed met klamboe op het dakterras dat bij mijn kamer in het Gasr al-goebba-hotel in Tarim hoort. (Het koepelpaleis.) De foto is genomen op een moment dat de zon even niet scheen. Links staat mijn werktafel en op het blad ligt mijn laptop.
Twintig jaar geleden: dagboekfragment 19 mei 1996 (zondag).
Tarim (Tarim, Islamitisch Nieuwjaar).
Opstaan om 7.00 uur.
Ik wijzig de fax naar Jan Just Witkam, de projectleider / -coördinator in Nederland.
Rond 9.00 ben ik in de al-Ahgaaf-bibliotheek en stel daar de nieuwe computer op. Om 12.00 uur is het echter einde werktijd, want vandaag is het 1 Muharram, dus Nieuwjaar, in plaats van gisteren. De mensen weten het hier zelf niet precies, maar ja, ze leven ook nog maar aan het begin van de vijftiende eeuw. (1417 AH.)
In het hotel werken met de computer, zolang er elektriciteit is.
Een tijdje zwemmen.
Slapen.
Koken.
Slapen.
Ik zet mijn bed buiten op het terras dat bij mijn kamer hoort.
Beneden met Muhammad al-S. vertellen.
De laatste twee dagen ben ik moe en heb ik het gevoel dat ik alle Arabisch vergeet.
Nu 23.30 uur.
Ik sliep heerlijk fris en koel, onder de klamboe, in mijn bed dat nu buiten stond. Ik heb de prachtige sterrenhemel onder handbereik.
–
Ik ontving in de bibliotheek en brief van MvdS. Die was er al rond 15 mei. Zij verzond die op 24 april 96.
Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.
Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.
Fragment uit het verslag van 19 mei.
Er meldde zich vandaag een zekere Ahmad in de bibliotheek, die de elektriciteit kwam aanleggen, maar aangezien hij niet de Ahmad was uit Say’un, die het werk heeft aangenomen, wist ik niet wat ik met de man moest beginnen. Na een poosje vertrok hij weer.
[…]
Ik vind het ’s nachts te benauwd op mijn kamer, hoewel ik met de deuren (naar mijn terras) open slaap. Ik stel het bed dus buiten op.
Ik gebruikte al enkele weken geen airco meer. Niet alleen is de elektriciteit daar niet krachtig genoeg voor, ook het temperatuurverschil tussen buiten en binnen is dan onwerkelijk groot.
De uitlaat van het apparaat, die onder het afdakje voor mijn terrasdeur uitkomt, veroorzaakt daar een warme luchtkolom. Dan heb ik het nog niet gehad over het lawaai dat die machine produceert.
Door op de twee eerste letters van een link te klikken, opent een nieuw tabblad waarin de geografische locatie van de plaats in Google Maps wordt getoond.
Wanneer u op de derde en volgende letters klikt komt u in een nieuw tabblad bij Wikipediapagina terecht met informatie over deze locatie.
Bij begrippen wordt alleen Wikipedia geopend.
Say’un. Op de achtergrond staat het imposante Gasr al-thawra (het paleis van de (communistische) revolutie), of, zoals het oorspronkelijk heette: Gasr al-Kathiri (het paleis van de Kathiri-sultans). Dat paleis werd niet zo lang geleden gerestaureerd, maar de witte beschermlaag (noera) begint al weer af te bladderen. Het hele paleis is van ‘modder’ gebouwd. (Mudbrick.) Op de voorgrond kan men zien wat er met gebouwen gebeurt die niet op tijd gerestaureerd worden. De eigenaar van de woning links heeft dat deel van de muur dat ingestort is, vervangen met betonblokken, zodat die bij een volgende regenbui in elk geval blijft staan.
Twintig jaar geleden: dagboekfragment 18 mei 1996 (zaterdag).
Tarim, Nieuwjaar (Tarim, Say’un, Revolutie in Zuid-Jemen, mudbrick, Kathiri, Islamitisch Nieuwjaar, Anno Hidjra, Hidjra, Anno Domini).
Vandaag is het Nieuwjaar, Yawm Ra’s al-sana. Dat is dus een vrije dag.(1)
Ik werk van 7.00 tot 11.30 uur op de computer (het verslag van de laatste dagen), zolang er nog elektriciteit is.
Nu 12.00 uur.
–
Namiddag zwemmen en op het terras Hollanders uitluisteren. Daarna een fax voor Jan Just Witkam (de projectleider in Nederland) maken. Ik probeer ook nog te tekenen, maar ik val in slaap.
Koken en beneden zitten. Niet zo lang, circa anderhalf uur, Engels en Arabisch met Muhammad al-S.
Nu 23.00 uur.
De laatste tijd is het niet meer voortdurend onbewolkt. Elke dag zijn er wel slierten van wolken zichtbaar.
Ik ben moe.
Ik drink één glas rum / lemontina.
Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.
Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.
Fragment uit het verslag van 18 mei.
In de fax naar de projectleider in Nederland, Jan Just Witkam, meld ik dat ik niet zoals gepland op 7 juni naar Sana’a zal reizen, maar pas op 12 juni, omdat er nog veel moet gebeuren in de al-Ahgaaf-bibliotheek in Tarim. Er is misschien niet één, zoals eerst was gemeld, maar mogelijk twee Nieuwjaarsdagen waarop niet gewerkt wordt, wat extra vertraging oplevert. Vandaag, zaterdag, is de eerste Nieuwjaarsdag. Voor zondag is het dus afwachten.
Maandag en dinsdag is de Nederlandse Ambassadeur hier, waar ik bij moet zijn. Woensdag is de Dag van de Eenheid, die als een vrije dag geldt. Donderdag is dan deze week de enige werkdag voor mij, want op vrijdag, de vrije dag in islamitische landen, is de bibliotheek gesloten.
[…]
De twee nieuwe medewerkers van de bibliotheek komen vier maanden ten laste van projectbudget, vanaf mei tot met augustus, elk voor 6.000 rial per maand (f.80,00) [€ 36,00].
Bovendien wordt er binnenkort een derde medewerker aangesteld met een universitaire graad, die ook uit dat geld loon moet ontvangen.
Verder schrijf ik in de fax dat het projectgeld nog voor mijn vertrek dreigt op te raken. Nico en ik hebben er verkeerd aan gedaan om te besluiten dat hij bij zijn vertrek uit Tarim 4.000 dollar mee terug zou nemen naar Nederland. Door onverwachte kosten (nieuwe computer) en extra vertraging, zaken die bij het vertrek van Nico niet te verwachten of in te schatten waren, ziet het er nu naar uit dat ik niet aan mijn betalingsverplichtingen kan voldoen. Ik vraag dan ook of dat geld op een of andere manier weer terug naar Jemen kan komen.
Dit is het einde van het verslag van 18 mei.
(1) Het nieuwe islamitische jaar begint op eerste dag van de maand Muharram. In 1996 was dat het jaar 1417 volgens de islamitische jaartelling, in het westen aangeduid met 1417 AH: Anno Hidjra, naar analogie met het ‘onze’ AD: Anno Domini.
Door op de twee eerste letters van een link te klikken, opent een nieuw tabblad waarin de geografische locatie van de plaats in Google Maps wordt getoond.
Wanneer u op de derde en volgende letters klikt komt u in een nieuw tabblad bij Wikipediapagina terecht met informatie over deze locatie.
Bij begrippen wordt alleen Wikipedia geopend.
Een puber bij een waterplas in het oostelijk deel van de Wadi. Dit water is erg breed en bijna kniediep. Zoals veel Jemenieten in de Hadramaut is deze jongeman ook nogal mager.
Twintig jaar geleden: dagboekfragment 17 mei 1996 (vrijdag).
Tarim (Tarim).
Op 9.00 uur.
Twee uur tekenen.
De hele ochtend (wat ervan restte) en vrijwel de hele middag mijn dagboek bijwerken.
Circa één uur computer en ongeveer één uur zwemmen. Ik zwem veel, vooral om wat beweging te hebben.
Nu 19.15 uur.
–
Koken en eten.
Ik at te veel en blijf nog even boven, want ik vrees dat ik weer koekjes zal moeten eten, zoals gisteren, wat echter niet het geval zal blijken te zijn, als ik van 21.00 tot 00.30 beneden zit.
Ik kan nu eenvoudige gesprekken enigszins volgen, als Muhammad al-S. met iemand uit het noorden van Jemen praat.
Nu 00.45 uur.
Ik heb nooit veel zin om naar beneden te gaan om te praten. Ik ga omdat ik weet dat Muhammad op me wacht. Toch geniet ik iedere keer weer van deze gezellige avonden, waar ik Arabisch leer, steeds meer.
Ik geef hem het Oxford English – Arabic woordenboek dat ik van thuis meebracht. De Engelse woorden worden fonetisch weergegeven, want voor het Engels geldt: ‘Wat geschreven staat, wordt niet uitgesproken.’ Ik hoop dat al mijn inspanningen vruchten afwerpen.
Ik kreeg op 10 mei jl. van hem een kopie van een boek waarvan de auteur ongeveer zevenhonderd jaar geleden overleed.
Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.
Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.
Fragment uit het verslag van 17 mei.
Vrijdag, de wekelijkse rustdag.
In de reeks feiten en feitjes wil ik hier nog het volgende vermelden. Zoals Nederland een grote aantrekkingskracht uitoefent op economische vluchtelingen uit grote delen van de wereld, vervult Saoedi-Arabië die functie voor de regio hier.
Verleden week al ontmoette ik hier in het hotel een jongen die niet lezen of schrijven kon, maar wel wist dat er in Saoedi-Arabië meer te verdienen valt dan in Jemen en daarom illegaal de grens tussen beide landen passeerde. De Saoedische politie sliep echter niet. De jongen, Hassan, bracht vier dagen in een cel door alvorens hij naar Jemen werd teruggestuurd.
Een van de medewerkers van het hotel heeft zijn baan (tijdelijk?) opgezegd om met zijn zieke zoon legaal naar Saoedi-Arabië te gaan, naar een hospitaal. Als hij slim is, zo zei men mij, blijft hij in dat land, want daar is goed geld te verdienen. Hij is slim.
Hier, in de Hadramaut, is het niet mogelijk met je verdiensten een ‘boterham’ te beleggen.
Later hoor ik van Abd al-Rahmaan dat de gunstige economische tijden in Saoedi-Arabië ook voorbij zijn en dat nog meer mensen uit het arme Jemen niet gewenst zijn. Liever hebben ze daar Pakistanen of Indiërs. Die mensen hebben geen familie in het land en voelen zich niet thuis in het strenge islamitische klimaat. Daarom willen ze met hard werken zo vlug mogelijk zo veel mogelijk verdienen om dan weer gauw naar het eigen land terug te keren. Een werkgever kan van deze mensen alles eisen, ze zullen het zonder meer uitvoeren.
Veel geld in Tarim komt uit de Golfstaten of uit Saoedi-Arabië. Dat hoor ik keer op keer vertellen. Een gedeelte van het straatbeeld in Tarim en Say’un wordt bepaald door goed uitziende (in tegenstelling tot de lokale) grote auto’s met nummerplaten uit die landen. Vooral uit de oostzijde van de Wadi gaan veel mensen naar de Golfstaten om fortuin te maken. De anderen zitten in Saoedi-Arabië.
Er werkt nu een vervanger van de naar Saoedi-Arabië vertrokken medewerker, ook een onderwijzer Engels. Salim al-T. Het duurt een paar dagen voordat ik aan de uitspraak van zijn Engels gewend ben. Hij is een heel aardige jongeman, die echter een extreme kijk op het Europese leven heeft. Het Europese seksleven, natuurlijk.
Door op de twee eerste letters van een link te klikken, opent een nieuw tabblad waarin de geografische locatie van de plaats in Google Maps wordt getoond.
Wanneer u op de derde en volgende letters klikt komt u in een nieuw tabblad bij Wikipediapagina terecht met informatie over deze locatie.
Bij begrippen wordt alleen Wikipedia geopend.