Jemen, 21 mei 1996

De Nederlandse ambassadeur.
De Nederlandse ambassadeur, de heer Pij­pers, in gesprek met Abd al-Rahmaan (de directeur van de al-Ahgaaf-bibliotheek in Tarim) bij de opening van de tentoonstelling met foto’s van de Nederlander Daniel van der Meulen die in de jaren dertig in de Hadra­maut reisde, samen met de Duitse geo­graaf Hermann von Wissmann.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 21 mei 1996 (dinsdag).

Tariem – Say’un (TariemSay’un, Daniel van der Meulen, Hermann von Wiss­mann, Gasr al-Kathiri, nigaab, hidjaab, al-Kaaf-paleis, Mih­daar, Daan Ha­drami: YouTube).
Op 7.00 uur.
Met de taxi van voor de deur van het hotel in Tarim tot voor de deur van het Gasr al-Thawra / Gasr al-Kathiri in Say’un.
Gisteren geloofde ik dat ik vrijwel al mijn Arabisch vergeten was, nu, met de­ze taxichauffeur, kan ik weer heel veel praten en begrijp ik zeker 95% van zijn verhaal.
Als dank gaf ik hem 200 rial fooi. Hij vroeg 500 rial voor deze rit. Special (?) voor Jemeni’s is circa 480 rial. Voor toeristen tussen de 700 en 800 rial.
In het Gasr al-Thawra was de komst van de Nederlandse Ambassadeur al voorbereid. Er stonden stoelen gereed in de koele kamer van Muhammad al-H. Ik ging op het eveneens koele dakterras staan en bekeek de bedrijvigheid beneden op de autoparkeerplaats. Er liepen twee vrouwen. Een geheel in het zwart, de andere kleuriger gekleed, met een rode sluier. (Nigaab.)
Zij spraken allerlei mannen in auto’s aan. Waren het bedelaarsters (muta­sawwilaat) of hoeren?
Ik dacht dat het mogelijk moet zijn van een bedelaarster het gezicht te zien te krijgen voor geld. Zelfs te kunnen neuken voor geld, alleen: waar? Die vrou­wen intrigeerden me bijzonder.
Rond 10.00 kon Abd al-Rahmaan A. met zijn onverstaanbare aankondi­ging beginnen. (Onverstaanbaar omdat hij zo zacht sprak.) Zijn chef en tweede spreker was beter verstaanbaar. De vertaler kwam te laat en vertaalde voor mevrouw Pijpers in plaats voor ambassadeur Pijpers.
Er was een mooie Arabische in de zaal, zonder nigaab maar wel een hidjaab.(1)
Ik was de enige die foto’s maakte van de bijeenkomst. Wel was er een came­raman van de Jemenitische televisie. Die zei echter niet naar Tarim te willen gaan. Deze gelegenheid was de belangrijkste, vond hij. Hierna werd de tentoonstelling met de foto’s van Daniel van der Meulen geopend en even later konden we richting Tarim gaan. Althans, dat dachten we, maar de am­bassadeur werd eerst voor een krant geïnterviewd. Daar wilde hij nie­mand bij hebben. Dat duurde meer dan een half uur.
Ik onderhield me met zijn vrouw, haar broer en haar vriendelijke en leuke schoonzusje.
Na veel vijven en zessen waren we tegen 12.45 uur in Tarim. Ik in de auto van Abd al-Rahmaan, met ook dr. Ahmad al-Sh., vicedirecteur van de Algemene Or­ganisatie van Oudheden, Handschriften en Musea. (De directeur is Yusuf MA., die Nico en ik in de eerste week van ons bezoek aan Jemen ontmoet­ten.)
In Tarim, in de al-Ahgaaf-biblio­theek, was een informele bijeen­komst. Ik fo­tografeerde weer, nu ook met de flitser van de zwager van de ambas­sadeur, Hans?
Een uitstekende maaltijd in het restaurant van het Gasr al-goebba-hotel.
Na een korte rusttijd gingen we naar het Gasr al-Kaaf (al-Kaaf-paleis) in de binnenstad. Het gezelschap was niet uit de ge-airco-de auto te krijgen.
Bij de Mihdaar, volgens Abd al-Rahmaan, die met hen sprak in de koude Ford, hadden ze opmerkingen in de trant van christendom versus islam. (Mihdaar is de naam van een minaret en moskee in Tarim. Op andere plaat­sen ook wel Muhdaar genoemd.)
Het bezoek aan het al-Kaaf-paleis was snel afgelopen, omdat de koude auto lonkte.
Ik ging in m’n eentje naar de hogere verdiepingen, waar het mooier is dan op de lagere.
Toen ik buiten kwam zat het gezelschap al weer in hun ijskar en zwaaiden uitbundig en ook zeer overdreven ten afscheid.
Hoewel hij me (Abd al-Rahmaan) uitnodigde voor een avondje traditionele Daan Hadrami muziek bij hem thuis, protesteerde hij niet toen ik zei dat ik niet mee wilde. Het probleem is de thuisreis, omdat die avond pas om 20.30 uur begint. Ik blijf in het hotel, hoewel ik er graag heen was gegaan als het eve­nement in Tarim was geweest.
Zwemmen en het dag-verslag schrijven.
’s Avonds hoorde ik buiten: “Jaja, jaja.” Ik weet dan dat er Nederlan­ders in het hotel zijn. Ik heb hier geleerd dat dit het typische geluid is dat Neder­landers maken. Uitein­delijk bleken er geen Nederlanders te zijn.
Ik at slechts een bekertje yoghurt en viel rond 20.00 zwaar vermoeid in bed.
Rond 22.20 uur werd ik wakker en om half elf ging ik definitief naar bed.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 21 mei. (Qat / gaat, rashwa.)
Een taxi van voor het Gasr al-goebba-hotel tot voor het Gasr al-Thawra in Say’un. Wat een geluk! Het is ’s morgens om acht uur al te warm om op straat te gaan, maar ik moet iedere dag buiten de hotelpoort komen. Meestal is er geen taxi in velden of wegen te bekenen en loop ik de twee kilometer, zwaar zwetend, naar de bibliotheek, om daar te constateren dat er ook deze dag geen elektriciteit is die de ventilatoren kan laten draaien voor enige ver­koeling.
Vandaag passeert dus een taxi en kan ik van het hotel in Tarim tot in Say’un voor de deur van mijn bestemming rijden. Ik ben al om kwart voor negen in Say’un.
In het kantoor van Muhammad al-H. staan de stoelen opgesteld voor de komst van de ambassadeur. Die komt rond 10.00 uur binnen.
Abd al-Rahmaan begint een onver­staanbaar zachte speech om de ambas­sadeur en de andere spreker, dr. Ahmad al-Sh.(2) in te leiden.

Eerst houdt dr. Ahmad een duidelijk hoorbare speech en daarna is am­bassadeur Pijpers aan de beurt. Dr. Ahmad wordt vertaald door een vertaler die te laat arriveert. Er is geen andere plaats meer voor hem dan naast de ambassadeursvrouw, die dus de vertaling hoort van de speech van dr. Ahmad.
Ambassadeur Pijpers heeft een Arabische vertaling van zijn speech, die de vertaler voorleest. Ik ben de enige die de gebeurtenissen fotografeert. Ook in het museum en de tentoonstellingsruimte maak ik foto’s van de voor­naamste aanwe­zigen.

Er is ook iemand van de Jeme­nitische televisie en ik probeer hem te in­teresseren voor Tarim, maar hij vindt dit de belangrijkste gebeur­tenis. Beleefd, naar Arabische gewoonte, zegt hij niet dat hij niet naar Tarim zal gaan, maar dat hij misschien zal gaan. Hij verscheen (dus) niet.
Na afloop van van de opening wordt de ambassadeur geïnterviewd. Daar mag niemand bij aanwezig zijn, behalve Abd al-Rahmaan.

Na enige vertraging gaan we naar Tarim. We arriveren rond 12.45 uur in de al-Ahgaaf-bibliotheek en blijven tot ongeveer 14.00 uur. Ik fotografeer ook hier weer en maak van de gelegenheid gebruik om met de geleende flitser van Hans(?) om de donkere plekken van de bibliotheek vast te leggen.

De lunch wordt genoten in het restaurant van het Gasr al-goebba-hotel. Er wordt een voor mij ongekende overvloed geserveerd. Een uitstekende maal­tijd. Die mening zijn ook de ander gasten toegedaan. Hun maaltijd in dit eenvoudige hotel is vele malen beter dan de maaltijd in het (dollar-)dure Samah-hotel in Say’un. Ik ben benieuwd wie dat moet betalen. (Ongeveer 8.000 rial, circa f. 100,00.) Niet op mijn rekening, heb ik al duidelijk gezegd.

Na enige rust gaan we rond vier uur naar het al-Kaaf-paleis. Het Neder­land­se gezelschap is een beetje onwillig om hun koele (airco) auto te verlaten. Hun bezoek aan het in slechte staat van onderhoud verke­rende paleis is snel afgelopen.

[…]

Vanavond is er een traditionele Daan Hadrami bijeenkomst bij Abd al-Rah­maan thuis. Ik ben uitgenodigd en ik vind dat ik ook moet gaan, maar hoe kom ik weer thuis, als de avond pas om 20.30 uur begint? Ik kan niet bij Abd al-Rahmaan blijven logeren.

Van de taxichauffeur vanochtend leerde ik dat de huisjes die langs de weg staan op de weg naar Say’un graven zijn, waarheen ook ziyaraat(3) naar toe georganiseerd worden. Hijzelf neemt ieder jaar deel aan de ziyara naar Gabr Nabi Hoed en gaat dan op een kameel. Hij heeft daar ook een huis.  Daar brengt hij de dag door met eten en bidden. (Zie voor Gabr Nabi Hoed 19 april jl.)
Toeristen zijn welkom, maar mogen natuurlijk niet de moskee binnen of het graf betreden.
Hij is getrouwd en heeft twee jonge kinderen. Hij heeft geen tweede baan en houdt geen dieren, zoals Hussain al-K. van de bibliotheek wel doet. Hij leeft van zijn taxiwerk alleen.
Ik vraag naar het werk dat zijn vrouw doet. Zij blijkt thuis te zitten en het eten te verzorgen.
Dat is anders dan bij Hussain al-A. van de hotelreceptie. Zijn vrouw werkt als onderwijzeres, gymnas­tieklerares, in de meisjesschool in de wijk Aidied, even buiten Tarim.
De taxichauffeur vertelt dat het land in de Wadi vruchtbaar was, maar dat de regen al drie tot vijf jaar uitbleef. Nu is het eigenlijk het regenseizoen en hij hoopt dat het spoedig gaat regenen.(4)
Vroeger pompte de socialistische regering het water op, maar de nieuwe re­gering in het Noorden houdt zich daar niet mee bezig. Gevolg is dat het land verdroogd en er geen landbouw meer bedreven wordt. Er is sprake van uit­droging van het land. (Morgen is de Yawm al-wahda, de dag der eenwor­ding: wat valt er te vieren?)

Van dr. Ahmad al-Sh. begrijp ik dat Abd al-Rahmaan nu niet alleen directeur is van de al-Ahgaaf-bibliotheek, maar ook van een deel (welk deel?) van de Algemene Organisatie van Oudheden etc. in Say’un. Wellicht is dat een ‘politieke’ beslissing om Abd al-Rahmaan boven Sjeik AB(5) te plaatsen. Deze man is niet meer in Sana’a, maar al drie dagen thuis. Dat weet men in de bibliotheek kennelijk niet. Daar hoorde ik dat hij nog steeds in Sana’a is. Zijn benoeming tot moestashaar (adviseur) is een poging om hem weg te promo­veren. Niet moestashaar van de bibliotheek, maar moestashaar nergens van.

Dr. Ahmad is van mening dat de Jemenieten te lui zijn om hard te werken, omdat zij door de regering lui wordt gemaakt. Alle mannen krijgen van de regering een toelage als ze in het leger zijn geweest, dus iedereen krijgt geld van de regering.

Vroeger werd er in Jemen ook qat (uitspraak als ‘gaat‘) gekauwd(6), maar slechts een half uurtje per dag, tussen half drie en drie uur. Daarna moest men naar het land om te gaan werken. Nu krijgt men geld (hoeveel wil of kan hij niet zeggen) van de regering en is het niet meer nodig om na het half uur kauwen van het kussen op te staan en te gaan werken. De regering betaalt deze mannen op voorwaarde dat, wanneer ze opgeroepen worden, ze ook komen. Voor dit systeem van ‘standby’ ontvangen ze dus maandelijk soldij, ook als er niets te vechten is. Dr. Ahmad zegt het beter te vinden als dit systeem afgeschaft wordt, zodat van de mensen wordt verlangd dat ze weer gaan werken voor de kost. Op mijn vraag of er voor al die mensen werk is, antwoordt hij bevestigend.

Hij is ervan op de hoogte dat het zuiden niet alleen goede dingen uit het Noorden importeerde, maar ook de rashwa, steekpenningen. Aan­vaarding daarvan was vroeger ten strengste verboden.

Hij denkt dat de mensen uit het Zuiden een andere, betere menta­liteit hebben dan uit het Noorden. Hij noemt het afvalprobleem. In het Noorden gooit men maar weg. In het Zuiden is men voorzichtiger.
Ik las in de reisgids dat het in het Zuiden voor de eenheid veel schoner was dan nu. Voor de eenheid deed de regering er (dus) wat aan en niet de men­sen zelf, of er waren eenvoudig geen milieuvervuilings­spullen te krijgen.
Muhammad al-H. (zuiderling), die er bij zit en dus uitsluitsel zou kunnen geven, zwijgt, ook als ik hem naar een antwoord vraag.

Dit is het einde van het verslag van 21 mei.

(1) Het volgende staat bij de beschrijving van dia die ik van die vrouw zonder nigaab maakte.
De enige Jemenitische vrouw die bij de opening van de tentoonstelling aanwezig was. Zij was in het gezelschap van een, vermoedelijk Nederlandse, dame wier verschij­ning mij niet nodigde voor een conversatie. Deze Jemenitische dame leek mij daarentegen veel vriendelijker, niettemin heb ik geen woord met haar gewisseld. Naar goede Jemenitische gewoonte begon ik geen gesprek met mij onbekende lokale vrouwen. Daar komen vaak alleen maar moeilijkheden uit voort, met mannen, werd mij verteld.

(2) Dr. Ahmad al-Sh. studeerde zeven jaar Geografie aan de universiteit van Colorado in de Verenigde Staten en doceert nu nog, naast zijn baan als vicedirecteur van de Algemene Organisatie van Oudheden etc., aan de universtiteit in Sana’a.

(3) Ziyaraat is het meervoud van ziyara: bezoek. In religieuze context betekent dit een soort pelgrims­tocht, of grafbezoek. (Voor verdere uitleg van grafbezoek zie Aanvulling.)

(4) Zijn hoop zal medio juni 1996, op desastreuze, alles vernietigende wij­ze, ‘vervuld’ worden. Ik had Jemen één dag ervoor verlaten.

(5) Sjeik AB. was de vorige directeur van de al-Ahgaaf-bibliotheek in Tarim. Hij werd vervangen omdat hij zich bij zijn leiding, maar ook bij een deel van de bevolking in Tarim, ‘onmogelijk’ had gemaakt door zijn funda­menta­listische opvattingen en zijn politieke werk voor de fundamentalistische al-Islah-partij. Werk dat hij vanuit de bibliotheek verrichtte (al-Islah-partij).

(6) Qat (uitgesproken als gaat)-kauwen heet in Jemen overigens chazn al-gaat: de opslag van gaat. Dat is ook wat er gebeurt: men kauwt het blad fijn en slaat deze brei op in de mond, in de wang, zodat die daar in uitbolt. Ik zag in Sana’a ook vrouwen, met de nigaab strak om hun gezicht gespannen, maar wel met een duidelijke bolle wang aan één kant van hun gezicht. Van het woord chazn (chzn) wordt in het Arabisch ook het woord machzan gevormd, waarvan het meervoud machaazin is en in het westen is overgenomen met dezelfde betekenis: opslagruimte, namelijk ‘magazijn’.

Dit is het einde van dag 66 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Door op de twee eerste letters van een link te klikken, opent een nieuw tab­blad waarin de geo­gra­fische locatie van de plaats in Google Maps wordt getoond.
Wanneer u op de derde en volgende letters klikt komt u in een nieuw tab­blad bij Wi­ki­pe­dia­pa­gi­na terecht met informatie over deze locatie.
Bij begrippen wordt alleen Wi­ki­pe­dia geopend.

De uitspraak van enkele letters en klanken in Arabische woorden.
In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voorkomt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ق) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s