25 september 1976

Woonhuis
Een woon­huis langs de weg tus­sen Ouar­za­za­te en Tin­ghir, in de woes­tijn.

Dagboek 1976

(Dag 1701) Cees en ik zijn sa­men op va­kan­tie in Ma­rok­ko. We zijn in de stad Ouar­za­za­te en wil­len van­daag nog ver­der zui­de­lijk rei­zen, maar dat gaat niet, daar­om rei­zen we in noord­oos­te­lij­ke rich­ting naar de stad Tin­ghir.

MenuIndex en het einde.

Zaterdag, 25 september 1976.
Op tegen 8.00 uur. Eten op de ka­mer. Rug­zak­ken in­pak­ken. Be­ta­len: 40 Dir­ham (Dh) voor twee nach­ten: ho­tel al-Sa­’ada.
Voor het eerst ver­ge­ten we on­ze tra­di­tie om een fo­to uit of van het ho­tel te ne­men.
In het dorp thee en kof­fie drin­ken. Het is on­ze be­doe­ling om met de bus naar Za­go­ra te rei­zen, 164 ki­lo­me­ter zui­de­lij­ker. Dit mis­lukt. Van­daag is het de 30­ste Ra­ma­dan en dus de laat­ste dag van die maand. Van­daag en mor­gen rij­den er geen bus­sen naar Za­go­ra. De eerst­vol­gen­de ver­trekt maan­dag pas. We be­slui­ten de bus naar Tin­ghir te ne­men. Vol­gens mee­rei­zen­de Bel­gen is in die plaats niets te be­le­ven, maar moet de na­bij­ge­le­gen Gor­ges du Tod­gha (Tod­gha­kloof) erg mooi zijn.
De bus kost 24,90 Dh, in­clu­sief ba­ga­ge, voor twee per­so­nen. Om 12.30 uur ver­trek­ken we voor onze 169 km lan­ge tocht, noord­oost­waarts. Ouar­za­za­te wordt zo de zui­de­lijk­ste plaats waar we ge­weest zijn. Van­af Tan­ger 911 km over de weg en 550 km in vo­gel­vlucht.
Ik maak tientallen dia’s. De Bel­gen zit­ten te kaar­ten en wij te ge­nie­ten van het uit­zicht.
Er stappen onderweg men­sen uit waar in ki­lo­me­ters om­trek geen huis te be­ken­nen is, maar als we ver­der rij­den, zien we ach­ter een berg op een ki­lo­me­ter of tien af­stand plot­se­ling een dorp­je lig­gen.
Tegen 15.45 uur zijn we in Tin­ghir. We wor­den ho­tel es-Sa­laam bin­nen ge­praat. Een aar­dig ho­tel, geen warm wa­ter. We gaan ak­koord. Ik vul een brief­je in.
“Be­ta­len” zegt een ke­rel.
“Ak­koord, maar een re­ke­ning.” (Fac­tuur.)
“Niet no­dig.”
“Ik wil een re­ke­ning.”
“Echt niet no­dig.”
“Nou, dan gaan we weer.”
Hij legt uit dat het ver­trouwd is. Ik zeg dat ik wei­nig Frans spreek en dat ik er niets van be­grijp.
We doen on­ze rug­zak­ken weer om.
De ke­rel wil op een vod­je een re­ke­ning schrij­ven, maar het hoeft al niet meer van mij.
We gaan naar ho­tel Tod­gha, 2 ster­ren, A, waar we een ka­mer ne­men.
Even la­ter komt de twee­de gast aan, die ook in es-Sa­laam was bin­nen ge­praat. Hij heeft even­eens voor de eer be­dankt en trekt dus ook hier in.
We doen in­ko­pen in het dorp. Spre­ken en­ke­le aar­dige, in Ne­der­land wer­ken­de, Ma­rok­ka­nen.
Cees koopt voor 15 Dh (f. 9,00) een paar san­da­len, die ik la­ter, in Tan­ger, voor f. 10,00 zal over­ne­men, want ze zijn voor Cees te klein en ze pas­sen mij en heb­ben bo­ven­dien een hak.
We liggen op bed te suf­fen.
Ik schrijf mijn 3e brief naar Pa en Ma en naar Opa.
We eten brood op de ka­mer en ha­ri­ra (soep) in het dorp. Die smaakt muf. Het vlees is waar­schijn­lijk be­dor­ven. We la­ten de soep staan. Ik geef toch 0,50 Dh fooi (bo­ven­op de 2 Dh.) Een ge­woon­te­ge­baar.
We gaan naar een an­der ca­fé en pra­ten met de baas. Een jon­gen die En­gels spreekt, vra­gen we naar de Fran­se uit­druk­king “Ça va?“. Dat be­te­kent: “Hoe gaat het met je?”
Bij bon­jour ge­brui­ken al­le Ma­rok­kanen “ça va?” (“Bon­jour, ça va?“)
Deze En­gels spre­ken­de jon­gen: een Ma­rok­kaan die in Frank­rijk werkt, uiter­aard zwart haar en lang, met mooie wenk­brau­wen, een rech­te neus. Hel­de­re blik uit de ogen. Vrien­de­lijk. Zwarte trui met een rits­slui­ting, half ge­slo­ten. Een zil­ve­ren amu­let om de hals. Mooie han­den. Draagt blau­we, niet strak­ke, jeans. Doet een paar trek­jes aan een hasj­pijp­je. Ik kan hem niet in de ogen kijken, zon­der te blo­zen. Hij is ra­zend knap en ik zou veel van hem kun­nen hou­den.
Als we uit­ge­praat zijn wil ik weg, om­dat ik bang ben ver­liefd op hem te wor­den en ik wil weg voor­dat Cees zegt: “Kom, we gaan!”, en dat dit op een voor mij on­ge­le­gen tijd­stip komt en mijn hart van ver­liefd­heid te snel klopt. Hij is erg mooi en ik denk dat ik van hem zou zijn gaan hou­den.
Aan de col­le­ga’s in Ne­der­land denk ik erg wei­nig. Ik heb er geen tijd voor. Ik denk über­haupt niet veel aan Ne­der­land en de daar wo­nen­de boys.
Veertien dagen va­kan­tie, veer­tien da­gen met Cees, nog veer­tien da­gen met Cees. Soms denk ik: ‘Wa­ren ze maar om.’
Als ik al­leen was ge­weest was ui­ter­aard veel, zo niet al­les an­ders en duur­der ge­weest. Mijn slech­te ken­nis van het Frans, niet kun­nen zeg­gen wat je wil, de af­han­ke­lijk­heid van het open­baar ver­voer. Cees’ con­stan­te aan­we­zig­heid, soms word ik er ze­nuw­ach­tig van en wil naar huis. An­der­zijds wil ik tus­sen de­ze vrien­de­lij­ke Ma­rok­ka­nen wel lan­ger blij­ven.
“Prochain annee” [l’an­née pro­chai­ne]: Vol­gend jaar te­rug, maar dan met ei­gen ver­voer.
Met die lijn­bus­sen zie je veel en daar­door ook wei­nig, want je kunt niet stop­pen om te ge­nie­ten.
We zijn nog door het dorp ge­lo­pen tot aan het Grand Ho­tel du Sud en zien het in de zui­de­lijke ge­berg­te Jbel Sah­ro on­we­ren en ho­ren de sla­gen. Die zijn erg lang on­der­weg.
We drin­ken nog er­gens slech­te munt­thee.
Tegen 21.00 uur zijn we in het ho­tel. Daar schrijf ik nog wat aan de brie­ven en te­gen 23.00 uur gaan we op bed.
Einde van de eers­te veer­tien va­kan­tie­dagen. Het ein­de van de Ra­ma­dan was van­daag.
Weer: ’s mor­gens in Ouar­za­za­te be­wolkt, fris. Trui­en­weer. Van­uit de bus zien we bui­ten Ouar­za­za­te dat het hier ge­re­gend heeft. La­ter wordt het weer erg warm. ’s Avonds re­gen­de het een beet­je in Tin­ghir.

Index

In­dex van ter­men:
In­dex van per­so­nen:
Cees.
In­dex van lo­ca­ties:

Me­nuBe­ginHoofd­index Over­zicht 1972-1990Ma­rok­ko 1976 (over­zicht).

24 september 1976

Ouarzazate
De om­ge­ving van Ouar­za­za­te in het zui­den van Ma­rok­ko.

Dagboek 1976

(Dag 1700) Cees en ik zijn sa­men op va­kan­tie in Ma­rok­ko. Eergis­te­ren ar­ri­veer­den we in de stad Ouar­za­za­te. Van­daag be­zoe­ken we de Kas­bah Ta­ou­rirt, na­bij Ouar­za­za­te en laat in de mid­dag kookt Cees op zijn pri­mus weer, voor de vier­de keer, een lek­ke­re ve­ge­ta­rische maal­tijd voor ons bei­den.

Naar de index en het einde.

Vrijdag, 24 september 1976.
Op tegen 9.00 uur.
We be­rei­den eten voor de na­mid­dag voor. Met de rug­zak in een pe­tit ta­xi op stap naar de Kas­bah Ta­ou­rirt. Zo dicht­bij, nog geen twee ki­lo­me­ter. Ta­xi, toe­ris­ten­prijs: 4,5 Dir­ham (Dh). We bli­jven on­ge­veer een half uur in de Kas­bah do­len. Ver­dwa­len in de­ze le­men ves­ting. Fo­to’s [dia’s] ma­ken.
We lo­pen naar het meer, dat uit­ge­droogd is.
Be­de­lend jon­ge­tje: ik geef 0,5 Dir­ham. Even la­ter komt hij met zijn zus­je te­rug. Ik geef weer 0,5 Dir­ham en laat hen op­so­de­mie­teren.
Het is zo warm dat het niet leuk meer is en we sme­ken bij­na om wol­ken. Die zijn er spo­ra­disch.
We zoe­ken mooie steen­tjes. We zit­ten on­der een da­del­palm en Cees kookt zijn 4e lek­kere pot: cir­ca 15.00 uur.
Zeu­ren­de kin­de­ren die om een stuk me­loen vra­gen. Cees wil niet, ik geef en denk dat ze weg zijn, maar ze ko­men te­rug voor geld. Cees ant­woord hen kwaad in het Ne­der­lands en ze lo­pen bang weg. Op af­stand schreeu­wen ze nog van al­les, maar als Cees zich laat zien, lo­pen ze hard weg. Op gro­te af­stand blij­ven ze nog on­ge­veer een half uur staan.
Ik maak dia’s. Een Ma­rok­kaan komt er­bij zit­ten, zegt wei­nig en kijkt ons bei­den op de vin­gers. We wor­den er ner­veus van. Er ko­men er nog twee bij. We rui­men op. We lo­pen ste­nen zoe­kend naar het ho­tel, waar we te­gen 17.00 uur zijn.
We doen in­ko­pen. Schrij­ven de an­sich­ten.
De pe­tro­leum van de pri­mus is bij­na op en in het dorp ko­pen we nieuwe. Het blijkt die­sel te zijn en de he­le ka­mer stinkt er­naar.
Kof­fie drin­ken in het dorp.
We was­sen het eet­ge­rei af.
En ik spoel het zweet af in de dou­che.
Veel dia’s ge­maakt, van­daag.
Weer: smoor­heet, cir­ca 40°C. De ach­ter­grond is hei­ig. De ber­gen wa­ren eerst niet te zien, la­ter wel en weer la­ter niet meer. Ook van­daag weer ach­ter­grond-re­gen­drei­ging en ’s avonds een hel­de­re ster­ren­he­mel met een vol­le ech­te Melk­weg.

Index

In­dex van ter­men:
In­dex van per­so­nen:
Cees.
In­dex van lo­ca­ties:

Me­nuBe­ginHoofd­index Over­zicht 1972-1990Ma­rok­ko 1976 (over­zicht).

23 september 1976

Ouarzazate
Cees kookt met be­hulp van zijn pri­mus een ve­ge­ta­rische maal­tijd in de dro­ge ri­vier­bed­ding. Links voor­aan ligt mijn rug­zak, die uit een zak van can­vas be­staat, be­ves­tigd op een fra­me van alu­mi­nium: on­ver­woest­baar.

Dagboek 1976

(Dag 1699) Cees en ik zijn sa­men op va­kan­tie in Ma­rok­ko. Gis­te­ren ar­ri­veer­den we in de stad Ouar­za­za­te. Het eers­te wat we van­daag doen is ver­hui­zen naar een an­der ho­tel en daar­na ver­ken­nen we de om­ge­ving, voor zo­ver de bui­ten­tem­pe­ra­tuur dat toe­laat.

Naar de index en het einde.

Donderdag, 23 september 1976.
Op te­gen 8.15 uur. Ho­tel be­ta­len: 21 Dir­ham (Dh). Te voet naar ho­tel es-Sa’­ada. We gaan naar de markt in Ouar­za­za­te.
Drie fo­to’s ge­no­men.
Ik koop er san­da­len voor 8,50 Dh, dat is f. 5,10. Au­to­ban­den met le­de­ren riemp­jes. Pri­mi­tief maar goed, hoe­wel zonder hak.
Op de markt was het wel 40°C. Smoor­heet. We gaan naar het ho­tel.
Met mijn rug­zak vol spul­len voor het ko­ken gaan we in de bed­ding van een bij­na uit­ge­droog­de ri­vier (Oued Ouar­za­za­te) zit­ten en zoe­ken er mooie steen­tjes, oran­je­ro­ze, vaak met wit er­in.
Cees kookt op zijn pri­mus het der­de ve­ge­ta­rische lek­ke­re pot­je en ik fo­to­gra­feer links en rechts wat.
Er komt re­gen op­zet­ten en we ho­ren don­der­sla­gen. Het blijft ech­ter droog.
Te­gen 18.45 uur zijn we te­rug in het ho­tel. We doen in­ko­pen in het stad­je, on­der an­de­re an­sicht­kaar­ten.
We drin­ken twee kof­fie in het ho­tel al-Sa­laam. Nadat we be­taald hebben, wor­den we te­rug­ge­roe­pen. Het is te wei­nig. Een van de obers krijgt de wind van vo­ren. Hij heeft de nor­ma­le prijs be­re­kend en we moe­ten bij­be­ta­len tot we op toe­ris­ten­ni­veau zit­ten.
Dou­chen.
We was­sen af en was­sen on­ze kle­ren, die, die er­voor in aan­mer­king ko­men.
Van­af 23.30 uur ‘ge­nie­ten’ we in bed nog een poos­je van film­ge­lui­den [van de naast­ge­le­gen bios­coop].
Hier in Ouar­za­za­te zie je de ster­ren aan een pik­zwar­te he­mel staan. De Melk­weg is dui­de­lijk te zien.
Weer: smoor­heet tot de tijd dat er re­gen dreig­de te gaan val­len. Toen werd het iets fris­ser. Er woei wel een wind­je en dat was wel lek­ker.

Index

In­dex van ter­men:
In­dex van per­so­nen:
Cees.
In­dex van lo­ca­ties:

Me­nuBe­ginHoofd­index Over­zicht 1972-1990Ma­rok­ko 1976 (over­zicht).

22 september 1976

Sinaasappels
De­ze si­naas­ap­pel­boom staat in de tuin van het ho­tel Fran­co-Bel­ge in Mar­ra­kesh.

Dagboek 1976

(Dag 1698) Cees en ik zijn sa­men op va­kan­tie in Ma­rok­ko. We zijn in Mar­ra­kesh. Van­daag gaan we met een lijn­bus in zuid-oos­te­lij­ke rich­ting naar Ouar­za­za­te. Het ver­trek heeft eni­ge voe­ten in de aar­de. – Laat in de mid­dag rij­den door het fan­tas­tisch mooie land­schap van ber­gen en da­len in het Ho­ge At­las-ge­berg­te. Het uit­zicht is spec­ta­cu­lair, maar ook de bus­reis zelf is bij­zon­der.

Naar de index en het einde.

Woensdag, 22 september 1976.
Om 4.00 uur staan we op. Het is de be­doe­ling met de bus naar Ouar­za­za­te te gaan die om 5.30 uur ver­trekt.
We ver­laten het ho­tel en gaan naar de bus­hal­te van CTM LN (Com­pag­nie de Trans­ports au Ma­roc, Li­gnes Na­tio­na­les).
Om een uur of zes staat er een vol­le bus voor de deur. Cees kan met de­ze bus mee en ik met de vol­gen­de. We stem­men toe. De chauf­feur schreeuwt: ‘Com­plet’ [vol] en na en­ke­le te­le­foont­jes gaat de­ze bij­na mi­se­ra­be­le toe­stand niet door. Ge­luk­kig niet, want wat zou dat voor een toe­stand zijn ge­wor­den, ge­schei­den op reis en Cees spreekt geen woord bui­ten­lands?
’s Mid­dags kun­nen we bei­den mee. We ko­pen een kaart­je. De ba­ga­ge blijft ach­ter bij de CTM LN en we lo­pen door de stad, zoe­ken een slaap­plaats. Uit­ein­de­lijk gaan we te­rug naar het ho­tel.
Cees vertelt me la­ter dat we een aan­tal fles­sen met sta­tie­geld er­op had­den ach­ter­ge­la­ten. Toen we te­rug­kwa­men wa­ren die al ver­dwe­nen.
Een man komt vra­gen of we weer te­rug zijn en wan­neer we gaan.
Ik zeg dat het een fout van ons was en dat we te­gen 10.00 uur gaan.
Ik slaap nog een uur­tje tot 8.00 uur. Blijf tot cir­ca 9.30 uur lig­gen en wordt steeds ze­nuw­ach­ti­ger.
We gaan de stad in. Post­kan­toor: ik haal een Pos­te Re­stan­te brief van Ma op. Ik drink een kop kof­fie. Op een an­de­re plaats ook een kop kof­fie. Ik be­taal een schoen­poet­ser 1 Dir­ham (Dh), zon­der hem te la­ten poet­sen. Ik wil geen sla­ven­toe­stan­den aan mijn voe­ten. Ik wil niet dat ie­mand voor mij zijn werk ge­bukt doet, dat hij op de knie­ën voor me moet zit­ten.
Ik ben dood­ze­nuw­ach­tig. Ik blijf naar de WC gaan. Ik ben erg ge­span­nen, wil snel weg uit die ver­ve­len­de stad Mar­ra­kesh en be­sluit dan, de vol­gen­de keer dat ik Ma­rok­ko doe, ze­ker niet meer met het open­baar ver­voer te gaan, maar met een ei­gen ver­voer­mid­del.
Ach­ter­af ge­zien heeft aan de­ze span­ning bij­ge­dra­gen dat ik al an­der­hal­ve week met Cees van mi­nuut tot mi­nuut op­trek. Hij is erg be­moe­de­rend: ‘Je mag dit, ik zou maar zo doen, als ik jou was en je mag zo, doe maar zus.’ Bo­ven­dien is hij erg nieuws­gie­rig: ‘Wat doe je?, waar kijk je naar?, wat ga je doen?, waar denk je aan?’
En als hij iets vraagt en ik geef ant­woord, zegt hij: ‘Dat hou je toch.’ of hij zegt dat hem dat niet raakt, en dat ik moei­lijk doe. Hij toont dan geen be­lang­stel­ling voor het ant­woord op zijn vraag. En als ik in over­leg met hem fo­to’s wil ma­ken, is het vaak van: ‘Je zoekt het maar uit.’
Mijn fout, die ik steeds weer van mij­zelf zag: ik com­man­deer in plaats van vra­gen: ‘Geef me die trui eens!’ in plaats van: ‘Wil je me die trui ge­ven?’
An­de­re fou­ten zie ik niet aan mij, maar ik heb niet het idee dat dit het enige is, in­te­gen­deel, ik zal voor hem ook wel ir­ri­tant over­ko­men.
Ik heb meer fou­ten, maar ze zelf zien is las­tig.
En­fin, een tus­sen­door­tje om mijn hart te luch­ten.
We zit­ten rond 13.00 uur bij de CTM. De bus komt te­gen 14.20 uur.
We kun­nen mee. Dit wordt de mooi­ste bus­rit die we ge­maakt heb­ben.
We zit­ten op­ge­propt, aan de fo­to­spul­len kan ik niet ko­men, zelfs niet als ik zou wil­len, maar ik wil ook niet.
We rij­den in een bus vol met men­sen die zich aan de Ra­ma­dan hou­den, on­der­weg stap­pen af en toe men­sen uit. Die lo­pen vol trots met een ra­di­oot­je door het gang­pad. Het zijn klei­ne ka­pi­ta­lis­ten t.o.v. de an­de­ren. Zij kun­nen zich een radio per­mit­te­ren. Ik zie er zelfs een die bij ons in Ne­der­land nog veel geld kost, met een cas­set­te­re­cor­der.
Wij wor­den on­der­schei­den door on­ze huids­kleur en blon­de ha­ren. We zijn toe­ris­ten, maar meer toe­rist dan zo’n toe­rist wil ik niet zijn.
Ik wil niet de wes­ter­se ka­pi­ta­list uit­han­gen door een (voor Ma­rok­ka­nen on­ge­woon) fo­to­toes­tel te han­te­ren en dan ook nog een ka­pi­ta­lis­tisch toes­tel. Ik wil lie­ver over­ko­men als een een­vou­di­ge jon­gen. (Is dat hy­po­criet?) In ie­der ge­val voel ik me in deze bus erg thuis, voor­al als ik on­der­weg een drie- of vier­tal toe­ris­ten­bus­sen zie staan, al­le­maal ble­ke smoel­tjes en kor­te broe­ken en veel ‘ogen’ op de buik: fo­to­toe­stel­len.
Ik (en ook Cees) ben blij in een lijn­bus te zit­ten en tus­sen de ge­wo­ne man en een en­ke­le mooie jon­gen, waar­van een ne­gro­ï­de ty­pe met mooie kor­te krach­ti­ge han­den.
Het land­schap is fan­tas­tisch. De ber­gen lij­ken op op­ge­sta­peld puin, zou je kun­nen zeg­gen, want ber­gen uit mas­sie­ve steen, zoals in Zwit­ser­land, zijn er in Ma­rok­ko blijk­baar niet. Niet de ber­gen, maar het berg­land­schap maakt in­druk.
Bij een wa­ter­bron waar mos­lims hun han­den en mond spoe­len en ge­zicht was­sen, fruit ko­pen om na zons­on­der­gang te eten, zoek ik naar­stig naar een rus­ti­ge plek om te plas­sen.
Dan geeft de bus sig­naal; ik ren te­rug en even la­ter ver­trek­ken we. We slin­ge­ren om­hoog en bij de [berg­pas] Tizi n’Tich­ka* zien we on­der ons een groen dal, hon­der­den me­ters diep. Daar zijn we langs ge­re­den, een half uur ge­le­den. De weg heeft zich om­hoog ge­slin­gerd en we da­len en stij­gen, langs le­men berg­dor­pen van Ber­bers, aan uit­ge­droog­de ri­vie­ren, tot na zons­on­der­gang en in de sche­me­ring zijn we we bij Amerz­ga­ne. Het is 18.30 uur.
De mos­lims gaan eten. Cees stelt voor het­zelf­de te doen. Ik heb niet veel zin, maar na plas­sen heb ik wel zin. We was­sen on­ze han­den, spoe­len de mond en eten gierst­soep en drin­ken kof­fie.
We had­den met de moslims in de bus niets ge­ge­ten en ge­dron­ken. Een en­ke­le pro­beerde met ons te pra­ten. Hij sprak Frans en ik een beet­je en Cees niets.
We krijgen van ie­mand een ver­se vijg en als de bus om 19.00 uur ver­trekt is het don­ker en heerst er een uit­ge­la­ten stem­ming en van mijn buur­man, die een huid­ziekte heeft en op de plaats van de veel­vul­dig voor­ko­men­de zicht­ba­re ver­vel­ling net zo blank was als wij (wat was er on­der zijn djel­la­ba?) krijg ik een paar drui­ven.
Ket­ting­ro­kers ste­ken de ene si­ga­ret na de an­de­re op. Er wordt hasj ge­rookt, er wordt fruit ge­ge­ten, er wordt ver­teld en ge­lach­en. De ra­dio die de he­le dag bij dit land­schap pas­sen­de mu­ziek liet ho­ren, soms erg mooi en soms hin­der­lijk, die ra­dio wordt nu over­stemd door de uit­ge­la­ten stem­ming.
De bus rijdt snel de berg­hel­ling­en af, de rus­ti­ge en be­druk­te Ra­ma­dan­stem­ming is weg.
Voor ons, en niet zo­als in Ne­der­land bo­ven ons, voor ons in de ber­gen, zien we de blik­sem­schich­ten schie­ten, we zit­ten op de­zel­fde hoog­te als het on­weer. Dat is een mooie er­va­ring en een mooi ge­zicht.
Tegen 19.30 uur zijn we in Ouar­za­za­te. We ne­men een ta­xi naar ho­tel Ga­zel­le. Er is geen warm wa­ter, maar aan­ge­zien het erg ver bui­ten het dorp is en we geen ta­xi tot on­ze be­schik­king heb­ben gaan we ak­koord.
We eten op on­ze ka­mer en lo­pen naar het dorp. Daar zoe­ken we een an­der ho­tel voor mor­gen. Het wordt Es-Sa­ada, naast de bi­os­coop. We drin­ken er­gens thee, be­ta­len een toe­ris­ten­prijs, dat wil zeg­gen ho­ger dan de in­ge­ze­te­nen be­ta­len en gaan te­rug naar het ho­tel.
Tegen 23.00 uur naar bed.
Op dit ogen­blik heb ik 1.116,70 Dir­ham en nog 415 gul­den Ne­der­lands geld; ook nog ter waar­de van twin­tig gul­den aan Spaan­se pe­se­ta’s en cir­ca 30,00 gul­den aan Fran­se Francs.
Cees heeft ook nog voor een dik­ke acht­hon­derd gulden Ne­der­lands en Ma­rok­kaans geld.
Weer: erg warm. In Ouar­za­za­te heeft het ge­re­gend.


Noten

Ho­ge At­las. (Ge­berg­te.) GM., Wi.
*
Tizi n’Tichka. (Berg­pas.) GM., Wi. Het ar­ti­kel in de Wi­ki­pe­dia spreekt over een au­to­weg, maar in 1976 was er geen au­to­weg.
Amerzgane. (Plaats): GM., Wi.
Vi­ti­li­go? (Huid­ziek­te.) Wi.

Index

In­dex van ter­men:
In­dex van per­so­nen:
Cees.
In­dex van lo­ca­ties:

Me­nuBe­ginHoofd­index Over­zicht 1972-1990Ma­rok­ko 1976 (over­zicht).

21 september 1976

Marrakesh
Er­gens in Mar­ra­kesh. De man links op de voor­grond is onze gids.

Dagboek 1976

(Dag 1697) Cees en ik zijn sa­men op va­kan­tie in Ma­rok­ko. Gis­te­ren­mid­dag ar­ri­veer­den we in de stad Mar­ra­kesh. – Ik had een ro­man­tische voor­stel­ling van de­ze stad. Die zou sprook­jes­ach­tig zijn, maar het blijkt dat we in één groot com­mer­cieel ‘cir­cus’ zijn te­recht­ge­ko­men. Ik ben diep te­leur­ge­steld en wil zo snel mo­ge­lijk weg.

Naar de index en het einde.

Dinsdag, 21 september 1976.
De herfst be­gint.
Op tegen 7.15 uur.
Douche.
Naar het toe­ris­ten­bu­reau: “Een gids graag.” En­gels.
“What do you want?”
“Een rond­lei­ding in de stad.”
“Waar is de au­to?”
“We willen te voet.”
“Nee, nee. Het is Ra­ma­dan. We kun­nen niet lo­pen.”
Er komt een an­de­re.
“We gaan met de bus, of een ta­xi voor 2 Dir­ham (Dh).”
Rondleidingen in pa­lei­zen. Taal: En­gels. Van bui­ten ge­leer­de tekst?: “Hier gaan staan en daar­van een fo­to ne­men.”
Als ik an­de­re fo­to’s neem wordt hij on­ge­dul­dig.
We gaan weg en ge­ven 5 Dh. Onze gids zegt: “In het ver­volg niet meer dan 1 Dh fooi per per­soon.”
Naar een an­der pa­leis. Het­zelf­de: een in het Engels af­ge­raf­feld ver­haal­tje en “Pic­tu­res, please.”
Een mu­seum waar we op een re­de­lij­ke, doch ook snel­le ma­nier wor­den rond­ge­leid.
Buiten, op het be­roem­de (waar­om?) Dje­maa el-Fna-plein, wil onze gids weg. We ge­ven hem de af­ge­spro­ken 20 Dh en als hij zijn hand­je nog op­houdt, circa 1,5 Dh fooi.
Even er­voor had hij ons nog rond­ge­leid in het ge­bied van am­bachts­lie­den, waar hij ook kom­mis­sie krijgt en toen we niets koch­ten vroeg hij in welk ho­tel we lo­geer­den, waar­op we “Fran­co-Bel­ge” zei­den. Toen wist hij dat er niets te ver­die­nen viel.
We baal­den al veel eer­der van de­ze rond­lei­ding.
We ko­pen een fles li­mo­na­de en vluch­ten met de ta­xi naar het ho­tel, al­waar ik mijn mo­re­le te­gen­slag pro­beer te ver­wer­ken. Ik baal van Mar­ra­kesh en wil er zo snel mo­ge­lijk weg, vluch­ten voor wat ik me zo mooi had voor­ge­steld en wat me zo zwaar is te­gen­ge­val­len.
Op het Post­kan­toor haal ik 750 Dh af.
Tot nu toe heb 5x 36 dia’s ge­maakt = 210 stuks.
Cees ligt te sla­pen en ik schrijf de twee­de brief aan Pa en Ma en aan Opa. Op het Post­kan­toor post ik die.
Bij het bus­sta­tion van CTM in­for­meer ik wan­neer de bus naar Ouar­za­za­te ver­trekt.
In een res­tau­rant eten we ve­ge­ta­risch: 28 Dh en 2 Dh fooi.
Hotel tegen 21.20 uur.
Opruimen, rug­zak­ken in­pak­ken. Tegen 22.00 uur naar bed.
Weer: over­dag smoor­heet, ’s avonds koe­ler: trui­en­weer.

Index

In­dex van ter­men:
In­dex van per­so­nen:
Cees.
In­dex van lo­ca­ties:

Me­nuBe­ginHoofd­index Over­zicht 1972-1990Ma­rok­ko 1976 (over­zicht).

20 september 1976

Steenwoestijn
De steen­woes­tijn, ge­zien van­uit de trein tus­sen Ca­sa­blan­ca en Mar­ra­kesh.

Dagboek 1976

(Dag 1696) Cees en ik zijn sa­men op va­kan­tie in Ma­rok­ko. We rei­zen van­daag per trein van Ca­sa­blan­ca, waar we maar en­ke­le uren wa­ren, naar Mar­ra­kesh. – ’s Avonds trap ik in de glad­de praat­jes van een ver­ko­per op de markt.

Naar de index en het einde.

Maandag, 20 september 1976.
Op 6.00 uur.
Naar het Station. Met de trein naar Mar­ra­kesh. Ver­trek 7.55 uur. 21,40 Dir­ham per per­soon.
Onderweg door een steen­woes­tijn, veel fo­to’s ma­ken.
Tegen 12.00 uur in Mar­rakesh. Een pak­ket kle­ren, via een Ne­der­lands spre­ken­de dou­a­ne­amb­te­naar op de post.
500 Dir­ham (Dh) van de Gi­ro ge­haald. We ra­ken met moei­te een jon­ge ‘gids’ kwijt.
Hotel Franco Bel­ge, 2 per­sonen, 18 Dh per nacht, 1 Ster, B-klas­se.
We gaan de Me­di­na in. Het is er erg toe­ris­tisch op­ge­zet. Het is het ‘Val­ken­burg’ van Ma­rok­ko.
We wor­den door een jon­gen, Abd al-Krim, in zijn ver­koop­tent ge­trok­ken. Hij ver­koopt aan Cees een Ber­ber­man­tel voor 65 Dh en een djel­la­ba voor 43 Dh. Ik ding zo­ver mogelijk af. [Ik ding af voor Cees, want hij spreekt al­leen maar Ne­der­lands.]
“Geef een Dir­ham!” We krij­gen daar­voor thee.
“Hier, in dit café krijg je soep!” (Ha­ri­ra) (Brui­ne bo­nen­soep?)
“Kom om vijf uur te­rug!”
We gaan met de ta­xi naar het ho­tel en lo­pen snel te­rug. Ik: “Ik weet een weg die kor­ter is.” Die vol­gen we. Hal­ver­we­ge zegt Cees: “We gaan ver­keerd” en we vol­gen zijn weg.
Om kwart over vijf zijn we te­rug bij Abd al-Krim. We zeg­gen ver­dwaald te zijn in de Me­di­na. (We heb­ben ge­rend om bij een dief te ko­men.)
Hij be­gint met de ver­koop van een djel­la­ba, die ik niet wil. Hij zet ho­ger in dan bij Cees.
“Nee,” zegt hij, “dit is een an­de­re, an­de­re stof.” Ik trap daar in, het is ech­ter niet waar.
Hij praat, zegt zijn prijs, vraagt mijn prijs. Ik zeg: “Ik wil hem niet, de kleur be­valt me niet.” Hij pro­beert een an­de­re te ver­ko­pen en komt weer te­rug bij de eers­te. Voor 70 Dh is hij van mij. Ik wil­de niet kopen, heb toch af­ge­don­gen. Ik ben ge­hyp­no­ti­seerd, want ik wil­de die niet.
Ik wil de ver­ko­per 70 Dh ge­ven.
“Geef 100 Dir­ham”, zegt Cees. (Om het geld te wis­se­len.)
Ik krijg maar 20 terug en die an­de­re 10 niet meer. Hij hangt een ver­haaltje op: 70 zijn voor zijn baas en die an­de­re 10 voor hem en zijn broer­tje die zo arm zijn.
Ik zeg dat het me niets in­te­res­seert, maar ik krijg die 10 niet meer te­rug.
Als ik weg ga, zeg ik dat hij een han­di­ge za­ken­man en een klei­ne dief is. Hij lacht. Hij zal wel den­ken: ‘Hoe je mij noemt blijft om het even, ik heb de dui­ten.’
Ka­li­fa en Idriss, in Ra­bat en Sa­lé, had­den ge­waar­schuwd voor die­ven in Mar­ra­kesh en ik had aan zak­ken­rol­lers ge­dacht (lo­gisch?), maar nu weet ik wat ze be­doel­den.
In vol­gen­de ten­ten wor­den we naar bin­nen ge­trok­ken. Ik lach wat en ge­bruik het voor Hol­lan­ders door­gaans gel­den­de zin­net­je: “Kij­ken, kij­ken, niet ko­pen.” Het heeft geen zin. Ze sleu­ren je naar bin­nen: “My friend” en zijn kwaad als je niets koopt, maar niet ag­res­sief.
We gaan weg uit de­ze buurt.
Twee sna­ken lei­den ons rond. We zien niets. Ze wil­len ons door don­ke­re straat­jes lok­ken, waar­voor we niets voe­len en ke­ren om. Na af­loop ei­sen ze elk 5 Dh. We be­ta­len.
Tegen 21.00 uur weg uit de Me­di­na en we eten in de nieuwe stad zoe­te brood­jes en drin­ken thee.
Rond 23.00 uur naar bed.
Weer: on­be­wolkt, smoor­heet.

Index

Index van termen:
Index van personen:
Cees.
Index van locaties:

MenuBeginHoofd­index Over­zicht 1972-1990Ma­rok­ko 1976 (over­zicht).

19 september 1976

Medina
Een voor­beeld van de smal­le ste­gen in de Me­di­na van Ra­bat.

Dagboek 1976

(Dag 1695) Cees en ik zijn sa­men op va­kan­tie in Ma­rok­ko. We rei­zen van­daag per trein van Ra­bat, waar we en­ke­le da­gen wa­ren, naar Ca­sa­blan­ca.

Naar de index en het einde.

Zondag, 19 september 1976.
Zondag 19 sep­tem­ber 1976: ik ben van­daag tien jaar in dienst bij de PTT-Te­le­com.
Op tegen 8.10 uur. Ont­bijt.
In de Medina pro­beer ik het an­de­re stuk van de Ko­ran te ko­pen; dat lukt niet.
We betalen bij [Ho­tel] Splen­did voor twee nach­ten en twee ont­bij­ten 64 Dir­ham (2 per­so­nen.)
Met de trein van 11.33 uur voor 15,40 Dir­ham (2 per­so­nen) naar Ca­sa­blan­ca, waar we te­gen 13.00 uur zijn. We heb­ben de lunch (brood) in de trein ge­ge­ten.
Hotel Focauld: een ka­mer met een twee­per­soons­bed.
We gaan de stad in. Het is een wes­ter­se, ge­li­ge, groe­ze­li­ge stad. (Hoe ze aan de naam Ca­sa­blan­ca [Wit huis] ko­men is me een raad­sel.) Ook de Me­di­na is erg westers. Ik maak een twee­tal fo­to’s en aan de oce­aan meer, van de stuk­lo­pen­de bran­ding.
Op een dijk zit­ten we te eten. Jon­gens van­gen vis en slaan die met een steen te plet­ter, zo­da­nig dat de stuk­ken in het rond vlie­gen. Ze zoe­ken de stuk­ken weer bij el­kaar, doen er groen bij en wij den­ken dat ze dat na zorg­vul­dig men­gen zul­len op­eten, maar dat is toch niet zo. Ze ge­brui­ken het als lok­aas bij het vis­sen. Mooie boys.
Rond 17.30 uur in het ho­tel.
Eten in de Me­di­na: ha­ri­ra. Dat is, zo ge­loof ik, os­sen­staart­soep.
Brood en wa­ter [van het merk] Si­di Ha­ra­zem ko­pen.
Tegen 22.00 uur naar bed. In het ho­tel is een Ma­rok­kaan die ge­brek­kig Ne­der­lands spreekt en die al een jaar of ze­ven in Ne­der­land is.
Het was niet mijn be­doe­ling om naar Ca­sa­blan­ca te gaan, maar het is Ma­rok­ko en Cees wil­de de stad zien en dat heb­ben we en het hoeft niet meer.
Weer: smoor­heet, on­be­wolkt. Aan zee een beet­je ne­ve­lig.

Index

Index van termen:
Index van personen:
Cees.
Index van locaties:

MenuBeginHoofdindex Overzicht 1972-1990Ma­rok­ko 1976 (over­zicht).

18 september 1976

Rabat
Uit­zicht op Ra­bat, van­uit de stad Sa­lé ge­zien. In het mid­den staat de recht­hoe­ki­ge Has­san­mi­na­ret en links er­van (op de fo­to cir­ca 1 cm) is het wit­te ge­bouw het mau­so­leum van ko­ning Mo­ham­med V.

Dagboek 1976

(Dag 1694) Cees en ik zijn sa­men op va­kan­tie in Ma­rok­ko. We ver­blij­ven sinds en­ke­le da­gen in de hoofd­stad van dat land: Ra­bat. We be­zoeken de stad Sa­lé, die aan de over­kant van de ri­vier Bou Reg­reg ligt, naast Ra­bat. De ri­vier stroomt tus­sen bei­de ste­den door.

MenuIndex en het einde.

Zaterdag, 18 september 1976.
Op tegen 9.00 uur. Ont­bijt in het ho­tel. Ver­tel­len met een Duit­ser.
Aangezien het ont­bijt hier uit twee stuk­jes brood en een pot­je jam be­staat, heb ik gis­te­ren in de nieuwe stad kaas ge­kocht en eten we nu ont­bijt van het ho­tel plus extra brood en kaas.
Tegen 10.30 uur haal ik op het Post­kan­toor 250 Dirham (Dh) af.
Rond 12.00 uur gaan we naar Sa­lé, te voet.
Het is smoor­heet en we ver­wach­ten op de brug te zul­len smel­ten. Dat ge­beurt niet, want het is op­mer­ke­lijk koel op de brug over de Bou Reg­reg.
We lopen door een mooie Me­di­na. Ko­pen er fruit. Als Cees de tas op zijn rug heeft han­gen voelt hij iets aan de tas. Als hij zich om­draait ziet hij niets, maar als hij in de tas kijkt, is een si­naas­ap­pel weg.
We lo­pen naar het strand en gaan om de beurt zwem­men in de zou­te mon­ding van de Bou Reg­reg in de At­lan­tische oce­aan. (Om de beurt, om­dat an­ders het geld en de fo­to­spul­len on­be­heerd zijn.)
We krijgen aan­spraak van de niet le­lij­ke Idriss, die een oog mist en het oog­lid dicht heeft, waar­on­der een et­ter­rand­je staat, en zijn vriend.
Zijn vriend gaat weg en hij blijft al­leen over. Cees gaat wan­de­len en Idriss wrijft het zand van mijn li­chaam. Zo­veel man­ne­lij­ke te­der­heid!
Hij leidt ons door de stad Sa­lé in een wat hij ‘ou­de mos­kee’ noemt, maar wat waar­schijn­lijk een ou­de Ma­dras­sa is. [Entree:] 1 Dir­ham per per­soon.
Na een poos­je baal ik van hem en we ge­ven hem cir­ca 6 Dir­ham als dank voor de rond­leiding. Hij wil ons ook in Ra­bat rond­leiden, maar dat wil­len we niet, om­dat we mor­gen­vroeg wil­len ver­trek­ken.
We lo­pen te­rug naar Ra­bat en zit­ten op de rand van een muur bij de Oued [=rivier] Bou Reg­reg, schuin te­gen­over de Has­san­to­ren / Has­san­mi­na­ret, bij een ver­keers­licht.
We pra­ten met een mooie jon­gen van 18 jaar, die erg vrien­de­lijk is. Hij werkt bij een toe­ris­ten­bu­reau. Hij heet Ka­li­fa en houdt zich niet aan de Ra­ma­dan. Hij rookt hasj, drinkt wijn en eet als hij hon­ger heeft. Hij droomt ervan om naar Ki­ta­ma te gaan. (Daar wordt hasj wordt ver­bouwd.)
Tegen 19.00 uur is het ein­de van de Ra­ma­dan. De 23ste dag en in de Me­di­na be­gint dan het ge­zel­lige le­ven. In de Me­di­na spre­ken we een Ame­ri­kaans spre­ken­de Ma­rok­kaan, een an­de­re dan gis­te­ren, die ons een plaats­je toont om lek­ke­re ha­ri­ra (soep) te eten. (Twee kom­men plus brood is 1 Dh.) We ge­ven 1 Dh fooi.
Cees koopt schoent­jes (ba­bou­ches) voor 25 Dh (f. 15,00) Ik denk de he­le Ko­ran te ko­pen voor 2 Dh, maar la­ter blijkt het slechts een stuk­je te zijn.
Tegen 22.30 uur gaan we naar bed.
Weer: hele dag smoor­heet. ’s Avonds iets be­wolkt.

Index

Index van termen:
Index van personen:
Cees.
Index van locaties:

Me­nuBe­ginHoofd­in­dex Over­zicht 1972-1990Ma­rok­ko 1976 (over­zicht).

17 september 1976

Chellah
Chellah, het fort bij de oude Romeinse stad.

Dagboek 1976

(Dag 1693) Cees en ik zijn sa­men op va­kan­tie in Ma­rok­ko. We ver­blij­ven in de hoofd­stad van dat land: Ra­bat, waar we eer­gis­te­ren ar­ri­veer­den. Van­daag zoe­ken we een be­ter ho­tel. – Ik koop een aan­tal school­boe­ken om Ara­bisch te le­ren. – Cees kookt op zijn pri­mus­bran­der, net zo­als gis­te­ren, weer een heer­lij­ke ve­ge­ta­rische maal­tijd, nu aan de voet van een steun­pi­laar van het fort van de Chel­lah. – Een sol­daat zoent mij en wil met mij vrij­en.

Naar de index en het einde.

Vrijdag, 17 september 1976.
Vrij­dag: de Is­la­mi­tische ‘zon­dag’.
Op te­gen 8.30 uur.
Ont­bijt van het ho­tel.
We zoeken een an­der ho­tel: Splen­did.
Ik wil een licht­me­ter voor het fo­to­toes­tel ko­pen om niet meer door de lens te kij­ken als ik fo­to­gra­feer, zo­dat het niet op­valt dat ik fo­to’s maak. In Ne­der­land heb je een goe­de voor cir­ca f. 50,00 In Ma­rok­ko moet ik 160 Dir­ham (Dh) be­ta­len, dat is bij­na f. 100,00 Dat heb ik er niet voor over.
We gaan de Me­di­na in.
De Ma­rok­kaan in de trein naar Al­ge­ci­ras [in Span­je] had me als Ara­bische les­stof het boekje Iqrā’* aan­ge­ra­den (nr. 1) Ik koop dit en ’s avonds ook nog de de­len 2 tot en met 5.
We wil­den in het zuiden van de stad langs de oce­aan gaan eten. We lo­pen, lo­pen, lo­pen, lo­pen, lo­pen. Over­al men­sen langs het wa­ter. Het is (is­lam) ‘zon­dag’.
Dwars door de stad. We ko­pen drui­ven en een Ma­rok­kaan­se jon­gen vraagt drui­ven aan de ver­ko­per. Deze geeft die en als de jon­gen ze op­eet, be­gint hij over de Ra­ma­dan te zeu­ren. De jon­gen zegt Jood te zijn, maar de ou­we is ont­steld.
We lo­pen door en Cees raakt ge­de­mo­ra­li­seerd en be­gint te slof­fen. Dat is iets waar ik niet te­gen kan. Ik zeg het en we lo­pen ver­der. We ko­men bij fort van de Chel­lah.
Op de voet van een pi­laar kookt Cees zijn twee­de lek­ke­re pot­je. [Met zijn Pri­mus.]
Jon­gens, erg mooie en min­der mooie, ko­men bij ons pra­ten.
Vier be­de­laart­jes voor geld: elk 0,50 Dh.
Als ik la­ter er­gens al­leen een fo­to van de in­mid­dels in de duis­ter­nis mooi ver­lich­te stad Sa­lé wil ma­ken, komt er een sol­daat bij me staan. Hij staat ze­nuw­ach­tig te la­chen. Geeft me een keer of drie een hand. Ik denk: “Wan­neer so­de­mie­tert hij nu op?” want ik ben bang dat hij door het beeld loopt als ik de slui­ter [lang] open heb staan.
Dan zeg ik sa­lem alei­koem of zo­iets, om hem kwijt te ra­ken. Hij pakt me vast en wil me kus­sen en be­gint te vrij­en. Met die mooie jon­get­jes van toen straks had ik wel ge­wild, maar met hem wil ik niet.
Een “Non, non, non” van mij helpt niet, om­dat hij me al vast heeft en al ge­kust heeft. Pas als ik hem van mij af­duw, gaat hij (vrien­de­lijk) weg.
Tegen 21.00 uur in het ho­tel. We gaan de Me­di­na in, spre­ken en drin­ken met een Ame­ri­kaans spre­ken­de Ma­rok­kaan thee in café-res­tau­rant Bon Goût.
Tegen 00.00 uur zijn we thuis [hotel], dood­moe, want we heb­ben meer dan 25 km ge­lo­pen (van­daag.) We gaan op bed.
Cees kocht een zwar­te djel­laba voor 140 Dh.
Weer: weer smoor­heet.

*
Iqrā’ (ﺇﻗﺮﺁ) is een ‘ge­bie­den­de wijs / im­pe­ra­tief’ en be­te­kent ‘lees!’. Dit is de ti­tel van een reeks school­boe­ken voor kin­de­ren in Ma­rok­ko, die be­gin­nen met het le­ren schrij­ven en le­zen van het Ara­bisch.

Index

Index van termen:
Index van personen:
Cees.
Index van locaties:

MenuBeginHoofdindex Overzicht 1972-1990Marokko 1976 (overzicht).

16 september 1976

Chellah
Een deel van de ruï­ne van de Chel­lah. Bo­ven op de to­ren is een ooie­vaars­nest te zien.

Dagboek 1976

(Dag 1692) Cees en ik zijn sa­men op va­kan­tie in Ma­rok­ko. We ver­blij­ven in de hoofd­stad van dat land: Ra­bat, waar we gis­te­ren ar­ri­veer­den. Van­daag do­len we door de stad en om­geving. – Cees heeft zijn pri­mus­bran­der mee­ge­no­men en kookt een heer­lij­ke ve­ge­ta­rische maal­tijd op het strand van de At­lan­tische Oce­aan.

Naar de index en het einde.

Donderdag, 16 september 1976.
Op tegen 8.20 uur. Hotel: ont­bijt.
Ik schrijf mijn eers­te brief aan Pa en Ma en een kor­te­re aan Opa met bei­de ver­schil­len­de ge­ge­vens, zo­dat ze el­kaar wat te ver­tel­len heb­ben.
We wandelen door de nieuwe stad en maken fo­to’s (dia’s) van mo­der­ne nieuw­bouw.
We bezoeken de ou­de Ro­mein­se stad Chel­lah, waar het in de scha­duw erg koel is en heer­lijk fris. Er is een prach­tige tuin met si­naas­ap­pel-, gra­naat­ap­pel- en grape­fruit­bo­men.
We wandelen door de Mel­lah en de Me­di­na en we wor­den voor het eerst dui­de­lijk ge­con­fron­teerd met de bit­te­re ar­moe­de en de slech­te ge­zond­heids­toe­stand van veel Ma­rok­ka­nen.
Twintig procent mist wel het licht uit één oog. Oog­ziek­ten en oog­ge­bre­ken zijn er ont­zet­tend veel in heel Ma­rok­ko. Li­chaams­ziek­ten, het kan haast niet an­ders: vlie­gen zijn er bij mil­joe­nen en het vlees en de zoe­te koe­ken zit­ten ón­der de vlie­gen.
Het papiergeld is vaak te vies om aan te pak­ken, vie­ze vod­jes zijn het, be­hal­ve de gro­te bil­jet­ten van 50 en 100 dir­ham (Dh).
En bedelaars: ik voel­de me be­zwaard om met de fo­to­ap­pa­ra­tuur rond te lo­pen en ik heb het toes­tel gauw weg­ge­stopt. Als ik een foto wil­de ma­ken, pak­te ik het, maak­te de fo­to en stop­te het weer weg.
We lo­pen naar de Kas­bah, ik met het fo­to­toes­tel om de nek. Een jon­gen wil­de ons rond­lei­den. Wij wil­den niet. Waar­om niet? Bang om een paar dir­hams uit te ge­ven? Ik weet het niet meer. Hij zei dat we er­uit moes­ten en dat hij ons voor 5 Dh zou rond­lei­den. Hij werd wat agres­sief en wij zijn toen maar ge­gaan.
Langs de oce­aan heb­ben we uit­ge­rust. Groen­te kopen in de Me­di­na. Cees kookt langs de zee een potje op zijn pri­mus. In het don­ker op­eten. Lek­ker ve­ge­ta­risch.
In het hotel zoe­ken we uit wat we te veel heb­ben mee­ge­no­men en wat te­rug kan naar Ne­der­land.
Terug naar de Me­di­na, waar, zo­als in heel Ma­rok­ko, het stikt van de prach­tige kna­pen en de ene is nog niet langs of er ko­men weer tien nieuwe aan en som­mige erg sexy.
In mijn zak­dag­boek­je schreef ik dat ik een mooie fel-ogen­de boy ge­zien heb. Ik kan hem nu niet meer voor de geest ha­len.
Bed tegen 01.30 uur.
Weer: smoorheet.

Index

Index van termen:
Index van personen:
Cees.
Index van locaties:

MenuBeginHoofdindex Overzicht 1972-1990Marokko 1976 (overzicht).