Hansestadt Wismar

Coaster
Jan / V: St. John’s
Dit schip is een coas­ter en vaart door heel Eu­ro­pa.
Op het hek (ach­ter­zij­de) van het schip staat:
Jan / V
St. John’s


Hansestadt Wismar

Wikipedia: Hansestadt Wismar.
Wikipedia: Hansestadt / Hanzestad.


Informatie van / over de Jan V

General cargo vessel.
IMO: 8504179.
MMSI: 304274000.
Callsign: V2LA3.
Flag: Antigua and Bar­buda.
De Jan V kan op het dek ook con­tai­ners ver­voe­ren. Daar­voor is de stuur­hut in hoog­te ver­stel­baar.


De codenummers

Wikipedia: Coaster.
Wikipedia: IMO-nummer.
Wikipedia: MMSI-nummer.
Wikipedia: Call Sign / Roep­let­ters.


De Jan V op foto’s en video

Marine Traffic: Jan V. Foto’s.
Marine Traffic: Jan V. Hui­di­ge lo­ca­tie.
Vessel Finder: Jan V. Al­ge­me­ne in­for­ma­tie over het schip en de hui­di­ge lo­ca­tie.
YouTube: De Jan V vaart op de Elbe.

Menu – 06/10: BeginEinde.

Coaster
Jan / V: St. John’s

Menu – 06/10: BeginEinde.

Hansestadt Wismar

Roald-Amundsen-Seehafen-Wismar
Het zeevaart-opleidingsschip, de brik Roald Amundsen: voorzijde

Wikipedia: Hansestadt Wismar.
Wikipedia: Hansestadt / Hanzestad.


Video

Zeer spectaculaire video’s op You­Tube:
De brik Roald Amundsen op vol­le zee. (3:10 min) (Trailer).
De brik Ro­ald Amund­sen op vol­le zee. (35:57 min)


Achtergrondinformatie

Wikipedia: Brik (scheepstype).
Wikimedia: Brigs (Engels: bekende brik-schepen).
Wikipedia: Roald Amundsen, de persoon.
Wikipedia: De brik Roald Amundsen, het schip (Duits).
De Nederlandse vertaling van het Wi­ki­pe­dia-ar­ti­kel over de Ro­ald Amund­sen (29-09-2018).
Het Duitse origineel van dit Wi­ki­pe­dia-ar­ti­kel (29-09-2018).


Foto’s

Website: De brik Roald Amundsen volledig on­der zeil.
Wikipedia: De brik Roald Amundsen on­der zeil: Kiel 2007
Wikimedia: De brik Roald Amundsen on­der zeil: Kiel 2008.
Wikipedia: De brik Mercedes, als voorbeeld, met een ander brikzeil. (Het brikzeil staat op de ach­ter­ste / gro­te mast.)


Meer weten?

Website: Verslag van een reis met de brik Roald Amundsen (Duits).
Website: Over de brik Roald Amundsen (Engels / Duits).
Website: Over de brik Roald Amundsen (Duits).

Menu – 05/10: Begin (NL)Begin (D)Einde (NL)Einde (D)Foto’s.
Ge­raad­pleeg­de li­te­ra­tuur.
Einde 05/10.


Roald-Amundsen-Seehafen-Wismar
De brik Roald Amundsen: tuigage

De mast rechts op de fo­to heet gro­te mast en is, zoals de naam al aan­geeft, de groot­ste van bei­de mas­ten. De an­de­re mast, de voor­ste, heet fok­ke­mast. Dit scheeps­ty­pe heet brik.

Menu – 05/10: Begin (NL)Begin (D)Einde (NL)Einde (D)Foto’s.
Ge­raad­pleeg­de li­te­ra­tuur.
Einde 05/10.


Roald-Amundsen-Seehafen-Wismar
De brik Roald Amundsen: de gro­te mast.
Dit is de ach­ter­ste mast bij een brik.

Menu – 05/10: Begin (NL)Begin (D)Einde (NL)Einde (D)Foto’s.
Ge­raad­pleeg­de li­te­ra­tuur.
Einde 05/10.


Roald-Amundsen-Seehafen-Wismar
De brik Roald Amundsen: ach­terzijde: hek

De mast rechts op de fo­to heet gro­te mast en is, zoals de naam al aan­geeft, de groot­ste van bei­de mas­ten. De an­de­re mast, de voor­ste, heet fok­ke­mast. Elke mast bestaat uit drie delen. De bovenste twee delen heten stengen.

Menu – 05/10: Begin (NL)Begin (D)Einde (NL)Einde (D)Foto’s.
Ge­raad­pleeg­de li­te­ra­tuur.
Einde 05/10.

 
Roald Amundsen
(Nederlandse vertaling van de Duitse Wikipediatekst.) (29-09-2018.)
 

De Roald Amundsen is een in 1952 in Roß­lau aan de El­be ge­bouwd Duits sta­len schip. Na een tijd­je ge­bruikt te zijn werd het schip om­ge­bouwd en kreeg het twee mas­ten met zei­len en werd daar­door een Brik (Twee­mas­ter). Het doel van de vaar­toch­ten is sinds­dien, men­sen het klas­sie­ke zee­mans­vak te le­ren voor / op tra­di­ti­o­ne­le (zeil-)­sche­pen.

Inhoud.

1:
2:
3:
4:
5:
6:
7:

Menu – 05/10: Begin (NL)Begin (D)Einde (NL)Einde (D)Foto’s.
Ge­raad­pleeg­de li­te­ra­tuur.
Einde 05/10.


Geschiedenis

De romp werd in 1952 gebouwd bij de werf in Roß­lau aan de El­be (DDR) als log­ger** voor de vis­se­rij. Al tij­dens de con­struc­tie werd het schip om­ge­bouwd tot een tank­log­ger, d.w.z.: een van gro­te tanks voor­zien schip. Dit schip werd met aan bei­de zij­den aan­ge­brach­te vlot­ten, om de diep­gang te ver­min­de­ren, naar de Oost­zee ge­bracht, om op de Pee­ne­werf in Wol­gast als pro­ject 235 met de naam Vilm af­ge­bouwd te wor­den. De Vilm dien­de ve­le ja­ren als tank- en ver­zor­gings­schip van de Volksmarine van de DDR en verzorgde de Ma­ri­ne met brand­stof, drink­wa­ter en on­der­de­len. De vas­te lig­plaats was Pee­ne­mün­de. De be­man­ning be­stond voor­na­me­lijk uit bur­gers, on­der lei­ding van een of­fi­cier van het Na­ti­o­na­le Volks­le­ger.

In de zeventiger jaren werd het schip om­ge­bouwd tot een schip voor het ver­wij­de­ren van olie uit het lens­wa­ter van sche­pen, [Bil­gen­ent­öler**: olie uit het lens­wa­ter** ha­len], dit weer op Pee­ne­werf. De op­drach­ten ver­an­der­den, zo­dat het schip op een vast­ge­leg­de rou­te een lijn­dienst uit­voer­de en de ver­sprei­de stand­plaat­sen van de Volks­ma­ri­ne aan­deed en het lens­wa­ter uit de sche­pen pomp­te en dat naar een cen­tra­le in­za­mel­plaats bracht.

Rond de jaar­wis­se­ling 1989 werd dit werk ge­stopt. Het schip werd na een jaar rust naar Neu­stadt in Hol­stein­ ge­sleept en dien­de daar in de Ma­ri­ne­ka­zer­ne Neu­stadt als woon­boot voor de be­wa­kers.

Rond de jaarwisseling 1991 werd de Vilm door de Ex­ploi­ta­tie­maat­schap­pij van Ei­gen­dom van de Bonds­re­pu­bliek in Fran­kfurt (VEBEG) te koop aan­ge­bo­den en door Det­lev Löll und Hanns Tem­me bij een vei­ling ver­wor­ven en op 2 de­cem­ber over­ge­no­men. Met me­de­wer­king van een deel van de ou­de be­man­ning voer de Vilm van Neu­stadt naar Wol­gast. Daar be­gon in het voor­jaar 1992 het werk aan het schip. Eerst wer­den bei­de dek­ken (hoofd­dek en tus­sen­dek) en de vol­le­di­ge ma­chi­ne­ka­mer ver­wij­derd. Daar­na werd het schip ge­zand­straald, van een nieu­we bui­ten­kiel voor­zien en tot brik om­ge­bouwd en met de naam Ro­ald Amund­sen in ju­li 1993 weer in de vaart ge­no­men. Aan het om­bou­wen na­men on­ge­veer 200 ABM-krach­ten deel. (ABM-Kräf­ten: Ar­beits­be­schaf­fungs­maß­nah­men. [Zeg maar: Duit­se Mel­kert­ba­nen.]) De­ze werk­zaam­he­den wer­den door de deel­staat Meck­len­burg-Vor­pom­mern en het Ar­beids­bu­reau ge­fi­nan­cierd. In het ka­der van dit ABM-pro­ject wer­den ook de sche­pen Fridt­jof Nan­sen en No­bi­le om­ge­bouwd.

Midden 1993 werd het schip in de vaart ge­no­men door de ei­ge­na­ren aan de ver­eni­ging Le­ben­Ler­nen auf Se­gel­schif­fen e. V. [Llas] (Le­ven­Le­ren op zeil­sche­pen Ver­eni­ging) en ver­huurd. Die gaf het schip voor be­paal­de tijd aan de ver­eni­ging Se­gel­schiff Fridt­jof Nan­sen e.V. Vanaf 15 no­vem­ber 1993 werd het eer­ste sei­zoen af­ge­slo­ten. Sinds be­gin 1994 wordt de Ro­ald Amund­sen door de ver­eni­ging Llas in ei­gen be­heer ge­va­ren en ge­bruikt voor er­va­rings­ge­richt ver­eni­gings­werk.

Menu – 05/10: Begin (NL)Begin (D)Einde (NL)Einde (D)Foto’s.
Ge­raad­pleeg­de li­te­ra­tuur.
Einde 05/10.

De thuishaven van de Ro­ald Amund­sen is te­gen­woor­dig Eckern­för­de. Van hier­uit on­der­neemt zij in de zo­mer­maan­den meest­al vaar­toch­ten in de ge­he­le Oost­zee van­af de Deen­se Zuid­zee tot in de Bal­ti­sche Zee en op de Noord­zee. In de herfst vaart de Ro­ald Amund­sen naar war­me­re stre­ken, waar zij ge­du­ren­de de win­ter ver­blijft, waar­na in het voor­jaar weer huis­waarts wordt ge­va­ren.

Het vaarschema van de Ro­ald Amund­sen om­vat vaak ook ver­de­re doe­len.

1995:
Zomer: IJsland; win­ter: Ca­na­ri­sche ei­lan­den.
1996:
Schot­land, Fin­land en Rus­land (Sint Pe­ters­burg).
1998:
Zuid-Ame­ri­ka en stroom­op­waarts over de Rio Pa­rá tot Be­lém, Frans Guya­na en Tri­ni­dad, in de voet­spo­ren van Alex­an­der von Hum­boldt.
2000:
Tall Ships Race 2000 in Noord-Ame­ri­ka.
2001:
Winter: Ca­ri­bi­sche eilanden.
2006:
Frankrijk, En­ge­land, Ier­land (Cork: voor­jaar 2006).
2006/07:
Winter: Mid­del­land­se Zee
2007:
Fin­land, Li­tou­wen (Me­mel).
2007/08
Winter: Mid­del­land­se Zee.
2008:
Li­tou­wen (Me­mel).
2009/10:
November 2009 tot fe­bru­a­ri 2010: lan­ge­re tijd op de werf.
2010:
Vanaf maart: van de Ca­na­ri­sche ei­lan­den via de An­til­len en Ber­mu­da naar Ca­na­da; over de Saint Law­ren­ce Ri­ver naar de Gro­te Me­ren, waar­op dan van me­dio ju­li tot be­gin sep­tem­ber deel­ge­no­men werd aan de Tall Ships Chal­lenge[1]; in ok­to­ber de te­rug­reis via de Azo­ren naar de Ca­na­ri­sche ei­lan­den en na een stop in Hel­go­land te­rug naar de thuis­ha­ven Eckern­för­de.
2011/12:
Winter: Ca­ri­bi­sche eilanden.
2012/13:
Winter: Ca­ri­bi­sche eilanden.
2013/14:
Winter: Ca­ri­bi­sche eilanden.
2014/15:
Sal / Kaap­ver­dië, Ca­na­ri­sche ei­lan­den, Te­ne­ri­fe, Azo­ren.
2015/16:
Ca­ri­bi­sche ei­lan­den met de school­klas van de High Seas High School.
2017/18:
Ca­ri­bi­sche ei­lan­den met de school­klas van de High Seas High School.

Menu – 05/10: Begin (NL)Begin (D)Einde (NL)Einde (D)Foto’s.
Ge­raad­pleeg­de li­te­ra­tuur.
Einde 05/10.


Onder dek, interieur

In het onderste deel bevinden zich de tanks en de be­ton-bal­last. De vas­te bal­last be­draagt 180 ton, de vloei­ba­re bal­last 108 ton. Daar­van zijn cir­ca 30 ton van de die­sel­tank, cir­ca 25 ton van de drink­wa­ter­tank, cir­ca 20 ton van de bal­last­wa­ter­tank en cir­ca 25 ton van de af­val­wa­ter­tank. Bo­ven­dien is er ook de dro­ge last van de le­vens­mid­de­len en ver­ge­lijk­bare za­ken on­der­ge­bracht. Daar­boven zijn de ca­bi­nes, de eet­zaal en de ma­chi­ne­kamer, ook de win­kel van de boots­man** en der­ge­lij­ke. In het dek­huis be­vindt zich de kaar­ten­ruim­te, de zie­ken­boeg en de kom­buis [De scheepskeuken]. Het schip is on­der­deks ge­heel van hout. Het be­zit een cen­tra­le ver­war­ming en er zijn meer­de­re dou­ches en was­ge­le­gen­he­den met koud en warm stro­mend wa­ter. Als tra­di­ti­o­ne­le zeil­boot ziet de Ro­ald Amund­sen af van ver­gaan­de en bij­zon­de­re lu­xe en on­no­di­ge mo­der­ne uit­rus­ting. In plaats daar­van wordt, waar dat mo­ge­lijk en zin­vol is, te­rug­ge­gre­pen op tra­di­ti­o­ne­le me­tho­des. (Bij­voor­beeld: het split­sen (schie­mans­werk**) en ta­ke­ling). De vei­lig­heids­voor­zie­nin­gen zijn daar­en­te­gen up-to-da­te en ko­men over­een met de re­gel­ge­ving, zo­als vast­ge­legd door de Ge­meen­schap­pe­lij­ke Com­mis­sie voor His­to­ri­sche Wa­ter­vaar­tui­gen: GSHW**.

Menu – 05/10: Begin (NL)Begin (D)Einde (NL)Einde (D)Foto’s.
Ge­raad­pleeg­de li­te­ra­tuur.
Einde 05/10.


Techniek en uitrusting

Hoofdmachine:
Achtcylinder dieselmoter, Lang­zaam­lo­per [soort die­sel­mo­tor] van Bu­ckau-Wolf. Ver­mo­gen 300 PK (220 kW) bij 180 min¯¹, cy­lin­der­in­houd 48.000 cm³, ver­bruik: cir­ca 0,8 ton die­sel­olie per dag bij hal­ve kracht. De mo­tor heeft geen ver­snel­ling. Hij moet bij het ach­ter­uit va­ren ge­stopt wor­den, om­ge­keerd wor­den en in de an­de­re rich­ting op­nieuw ge­start wor­den.

Gestart wordt met perslucht.

Generatoren en stroomvoorziening:
Drie generatoren, waar­van de twee klei­ne ge­meen­schap­pe­lijk ge­bruikt kun­nen wor­den.

Een groot deel van elek­tri­sche ap­pa­ra­ten aan boord wordt over een 24-Volt­net uit bat­te­rij­en ge­voed en is daar­om al­tijd be­schik­baar. Voor het la­den van de bat­te­rij­en en voor het be­drijf van en­ke­le groot­ver­brui­kers (zo­als de an­ker­lier en de kook­plaat) lo­pen on­der nor­ma­le om­stan­dig­he­den on­ge­veer ne­gen uur per dag en wan­neer no­dig de bei­de klei­ne ge­ne­ra­to­ren.

Een land­stroom­ver­zor­ging van 380 V (span­ning) is mo­ge­lijk.

Overige:
Twee vaste brand­pom­pen, een draag­ba­re brand­pomp, Os­mo­se zee­wa­ter ont­zil­tings­in­stal­la­tie, sloep met 40 PK bui­ten­boord­mo­tor, die­sel­ver­war­ming en brand­alarm.

Radio- en navigatie-uitrusting:
Gebaseerd op SOLAS, A3: ra­dar, echo­lood, twee GPS-na­vi­ga­tie-ont­van­gers, mag­ne­tisch kom­pas, 2 × VHF-ra­dio, VHF DSC-con­trol­ler, VHF-ra­dio’s, een Bor­der­Wave / Kor­te­golf-ra­dio met DSC-con­trol­ler, EPIRB sa­tel­liet­ba­ken, In­mar­sat-C Sys­teem, In­mar­sat Mi­ni-M-sys­teem voor fax / e-mail / te­le­foon, mo­bie­le te­le­foon aan boord, Weer­fax, Nav­tex, Au­to­ma­tic Iden­ti­fi­ca­tion Sys­tem (AIS), 2 × SART.

Menu – 05/10: Begin (NL)Begin (D)Einde (NL)Einde (D)Foto’s.
Ge­raad­pleeg­de li­te­ra­tuur.
Einde 05/10.


Tuigage

De tuigage van de brik is – in te­gen­stel­ling met de vei­lig­heids­tui­ga­ge van veel hui­di­ge zei­len­de wind­jam­mers – na­ge­bootst van de ar­beids­in­ten­sie­ve zei­len van de tra­di­ti­o­ne­le han­dels­sche­pen aan het ein­de van de 18e eeuw. Zo kun­nen bij­voor­beeld de drie bo­ven­ste ra’s van de twee mas­ten ge­vierd / ge­stre­ken** wor­den, wat wil zeg­gen dat niet (al­leen) de zei­len naar be­ne­den ge­trok­ken kun­nen wor­den, maar dat de ra’s naar bo­ven ge­trok­ken kun­nen wor­den. Het doel hier­van is om het zwaar­te­punt van het schip la­ger te leg­gen bij niet-ge­zet­te zei­len en een leeg vracht­ruim, om het ge­vaar van ken­te­ren** (bij zij­wind) te ver­min­de­ren. Daar­bij is de hoog­te van de roy­al– en braam­ra** een ver­hou­dings­ge­wij­ze klei­ne af­stand. De on­der­ste strijk­bare ra’s, de bo­ven­mars­ra moet wel de he­le weg naar bo­ven af­leg­gen: de leng­te van het bo­ven­mars­zeil.

Geen van de razeilen kan ge­reefd** wor­den; al­leen het brik­zeil kan ge­reefd worden (een gaf­fel­zeil**). De ra­zei­len zijn al­le wat klein uit­ge­voerd, zo­dat het schip bij zwak­ke wind wel­is­waar moei­lij­ker snel­heid be­haalt, maar bij ster­ke­re wind, niet-ge­reefd, dus lan­ger ge­bruikt kun­nen wor­den.

Het schip heeft aan de onderra’s (d.w.z.: de on­der­ste ra’s) be­weeg­lij­ke top­pen­an­ten**. Door de hel­ling bij de vaart door het wa­ter han­gen / lig­gen de ra’s niet pa­ral­lel aan het wa­ter­op­per­vlak. Dat is bij een koers aan de wind, wan­neer de zei­len aan de lan­ge zij­de aan­ge­stroomd wor­den, sto­rend. Scheef­staan­de ra’s doen de wind wer­ve­len en die stroomt dan de recht­hoe­ki­ge zei­len niet goed aan. Om de ra’s weer pa­ral­lel aan het wa­ter­op­per­vlak te stel­len (zo­ge­naamd (Duits:) dum­pen) wor­den de top­pen­an­ten ge­bruikt, ie­der een tamp (touw­ein­de) aan bak­boord en stuur­boord, die aan de lij­zij­de** aan­ge­trok­ken wor­den en eerst de on­der­ste ra be­we­gen. De ra’s die zich daar­bo­ven be­vin­den vol­gen bij ge­zet­te zei­len de­ze be­we­ging, want zij zijn met el­kaar ver­bon­den.

Staand en lopend want:
Het staand want van de Ro­ald Amund­sen be­staat uit­slui­tend uit touw­werk van ver­schil­len­de sterk­tes, deels om­huld met an­der, ge­teerd, touw.

Het lopend want bestaat uit po­ly­pro­py­leen [po­ly­pro­peen] touw­werk, dat een grip heeft die op hen­nep lijkt en ook uit­ziet als hen­nep­touw. Dit heeft ten op­zich­te van het hen­nep­touw het voor­deel dat de breek­sterk­te veel ho­ger is en de slij­ta­ge door wind, wa­ter, zout en voor­al UV-stra­len veel min­der is.

De beginstukken van schoten en an­der touw­werk uit ge­vloch­ten / ge­spon­nen draad­touw. Er is cir­ca vier ki­lo­me­ter lo­pend want aan boord. 184 tou­wen zijn be­ves­tigd aan het dek met be­hulp van van hou­ten of sta­len na­gels [pen­nen] en wor­den bij het zet­ten van de zei­len, het ber­gen, ma­noeu­vre­ren etc. ge­bruikt.

Zeilen:
De zeilen zijn ver­vaardigd uit Da­cron van ver­schil­len­de sterk­tes. Ook dit ma­te­ri­aal wordt zo be­han­deld, dat het enigs­zins lijkt op oor­spron­ke­lijk lin­nen zeil­doek.

Menu – 05/10: Begin (NL)Begin (D)Einde (NL)Einde (D)Foto’s.
Ge­raad­pleeg­de li­te­ra­tuur.
Einde 05/10.


Bemanning

De Roald Amundsen vaart ge­woon­lijk met een zo­ge­naamd drie-­wacht­sys­teem. Een wacht be­staat dan uit een stuur­man (na­vi­ga­tor), een ma­troos die de wacht aan­stuurt, een of twee er­va­ren deks­man­nen (er­va­ren ma­tro­zen), als no­dig een toe­zicht op de deks­man­nen en de leer­lin­gen te­za­men. De leer­lin­gen ho­ren tot de tra­di­tie van hen die op­ge­leid moe­ten wor­den op het zeil­schip. Als be­ta­len­de gas­ten ma­ken zij op de Ro­ald Amund­sen vol­waar­dig deel uit van het team en zei­len sa­men met vas­te crew van het schip. Er zijn ook men­sen aan boord die vrij­ge­steld zijn van de wacht: de ka­pi­tein, de ma­chi­nist, de scheeps­kok en de boots­man.

Iedere leerling is in een van de drie wach­ten in­ge­deeld en heeft in dit drie-­wacht­sys­teem binnen 24 uur acht uur wacht. Ge­du­ren­de de wacht zeilt het schip, vindt de nau­ti­sche op­lei­ding plaats, wordt in het tuig ge­werkt, kaar­ten ge­raad­pleegd, log­boek­aan­te­kin­gen ge­schre­ven, ma­chi­ne- en de vei­lig­heids­con­tro­le uit­ge­voerd.

Menu – 05/10: Begin (NL)Begin (D)Einde (NL)Einde (D)Foto’s.
Ge­raad­pleeg­de li­te­ra­tuur.
Einde 05/10.


Weblinks

Commons: Roald Amundsen – Verzameling van foto’s, video’s en audioverslagen.
Leben­Ler­nen auf Se­gel­schif­fen e. V. De ver­eni­ging, daar ook in­for­ma­tie over het reis­sche­ma en boe­kin­gen.) (Duits en En­gels)
Het da­ge­lijks le­ven aan boord van de Ro­ald Amund­sen (You­tube-vi­deo). (De­ze vi­deo is niet meer be­schik­baar op 29-09-18)
Het sche­ma van het lo­pend want. (Mo­ment­op­na­me van 29-09-2007, in In­ter­net Ar­chi­ve.)

Menu – 05/10: Begin (NL)Begin (D)Einde (NL)Einde (D)Foto’s.
Ge­raad­pleeg­de li­te­ra­tuur.
Einde 05/10.


Referenties

Tall Ships Challenge 2010.

Te­rug naar de noot.

Menu – 05/10: Begin (NL)Begin (D)Einde (NL)Einde (D)Foto’s.
Ge­raad­pleeg­de li­te­ra­tuur.
Einde 05/10.


Disclaimer

De Nederlandse verta­ling van on­der­staand Wi­ki­pe­dia-ar­ti­kel in het Duits: ik kan niet van al­le Duit­se zee­vaart­ter­men de juis­te ver­ta­ling in het Ne­der­lands vin­den. Van som­mi­ge ter­men weet ik niet pre­cies wat ze be­te­ke­nen, maar ik heb naar bes­te we­ten ge­tracht een zo dui­de­lijk mo­ge­lij­ke om­schrij­ving te ge­ven van wat ik denk dat het moet zijn.


Noten

Bilgenentöler (Duits): het olie­vrij ma­ken van het lens­wa­ter. Retour.
Bootsman: de hoogste onder­of­fi­cier aan boord van een schip. Retour.
Gaffelzeil: een (groot-) zeil dat aan de bo­ven­zij­de aan een gaf­fel (een rond­hout) be­ves­tigd is. Retour.
GSHW. Vroeger de Gemeinsame Si­cher­heits­kom­mis­sion für his­to­ri­sche Was­ser­fahr­zeu­ge. Te­gen­woor­dig de Ge­mein­sa­me Kom­mis­sion für his­to­ri­sche Was­ser­fahr­zeu­ge: GSHW. Een ver­ge­lijk­ba­re or­ga­ni­sa­tie in Ne­der­land: Fe­de­ra­tie Va­rend Erf­goed Ne­der­land: FVEN.
Retour.
Kenteren: het omslaan van een schip, door­dat de krachts­ver­hou­din­gen on­ver­wachts wij­zi­gen, bij­voor­beeld door het schui­ven van de la­ding. Retour.
Lenswater: het water dat zich, al dan niet met olie ver­mengd (lek­kend uit de motor) in het on­der­ste deel van een schip ver­za­melt, door al­ler­lei oor­za­ken, ook con­dens­wa­ter. Retour.
Lijzijde: de richting waar­heen de wind waait, dus ach­ter de zei­len. De zij­de die de wind vangt heet loef­zij­de. Retour.
Logger: een zeevissers­vaar­tuig (ha­ring), in het mid­den van de 19e eeuw ge­ïn­tro­du­ceerd. Retour.
Reven: de zeilen klei­ner / kor­ter ma­ken door ze op te bin­den, van­af de on­der­zij­de. Retour.
Schiemanswerk: alle handelin­gen aan touw en staal­draad aan boord van een schip. Retour.
Strijken: het neerlaten van zei­len en / of ra’s. Retour.
Toppenanten (toppen + wan­ten): zijn de tou­wen die aan de hoe­ken van de on­der­ste ra’s zijn be­ves­tigd, met het doel om de ra’s weer ho­ri­zon­taal te zet­ten, pa­ral­lel aan het wa­ter­op­per­vlak. Wan­neer een schip door de wind naar een zij­de wordt ge­drukt staan de ra’s aan de lij­zij­de schuin om­laag. Dan van­gen de zei­len de wind niet goed en dat be­ïn­vloedt het zei­len na­de­lig. Om­dat, bij ge­zet­te zei­len, de ra’s met el­kaar ver­bon­den zijn, wor­den ook de bo­ven­lig­gen­de ra’s weer ho­ri­zon­taal ge­zet. Retour.

Menu – 05/10: Begin (NL)Begin (D)Einde (NL)Einde (D)Foto’s.
Ge­raad­pleeg­de li­te­ra­tuur.
Einde 05/10.


 
Roald Amundsen
(De Duitse Wikipediatekst.) (29-09-2018.)
 

Die Roald Amundsen ist ein 1952 in Roß­lau an der El­be ge­bau­tes deut­sches Stahl­schiff. Nach ver­schie­de­nen Ein­sät­zen er­hielt es 1992 Mas­ten und Se­gel und wur­de da­mit zur Brigg (Zwei­mas­ter) um­ge­baut. Ziel sei­ner Fahr­ten ist seit­her, Men­schen die klas­sische See­mann­schaft auf Tra­di­ti­ons­schif­fen bzw. -seg­lern na­he­zu­brin­gen.

Inhaltsverzeichnis.

1:
2:
3:
4:
5:
6:
7:

Menu – 05/10: Begin (NL)Begin (D)Einde (NL)Einde (D)Foto’s.
Ge­raad­pleeg­de li­te­ra­tuur.
Einde 05/10.


Geschichte

Gebaut wurde der Rumpf 1952 auf der Roß­lau­er Werft an der El­be (DDR) als Log­ger zum Fisch­fang. Noch wäh­rend der Bau­phase wur­de das Schiff um­ge­baut zu ei­nem so­ge­nann­ten Tank­log­ger, d. h. ein mit gro­ßen Tank­ka­pa­zi­tä­ten aus­ge­stat­te­tes Schiff. Die­ses Schiff wur­de mit seit­lich an­ge­brach­ten zu­sätz­li­chen Schwimm­kör­pern, die den Tief­gang ver­min­der­ten, in die Ost­see ge­bracht, um auf der Pee­ne-­Werft in Wol­gast als Pro­jekt 235 mit dem Na­men Vilm end­aus­ge­rüs­tet zu wer­den. Die Vilm dien­te vie­le Jah­re der Volks­ma­ri­ne der DDR als Tank- und Ver­sor­gungs­schiff und ver­sorg­te Ma­ri­ne­ein­hei­ten mit Treib­stoff, Trink­was­ser und Aus­rüs­tung. Stän­di­ger Lie­ge­platz war Pee­ne­mün­de. Die Be­sat­zung setz­te sich über­wie­gend aus Zi­vil­an­ge­stell­ten zu­sam­men, die von ei­nem Of­fi­zier der Na­ti­o­na­len Volks­ar­mee be­feh­ligt wur­den.

In den 1970er Jahren wurde das Schiff zum Bil­gen­ent­öler um­ge­baut, dies wie­der­um auf der Pee­ne-­Werft. Die Auf­ga­ben wan­del­ten sich, so­dass das Schiff im re­gel­mä­ßi­gen Li­nien­ver­kehr die ein­zel­nen Stand­or­te der Volks­ma­ri­ne be­such­te und Bil­gen­was­ser aus den Schif­fen ab­pump­te und zur Wie­der­auf­be­rei­tung zu ei­ner zen­tra­len Sam­mel­stel­le brach­te.

Zum Jahreswechsel 1989 wurde die­ser Dienst ein­ge­stellt. Das Schiff wur­de nach ei­nem Jahr Auf­lie­gen nach Neu­stadt in Hol­stein ge­schleppt und dien­te im Ma­ri­ne­stan­dort Neu­stadt als Wohn­schiff für Wach­mann­schaf­ten.

Zum Jahreswechsel 1991 wur­de die Vilm von der Ver­wer­tungs­ge­sell­schaft für Bun­des­ei­gen­tum in Frank­furt (VE­BEG) zum Ver­kauf aus­ge­schrie­ben und von Det­lev Löll und Hanns Tem­me er­stei­gert und am 2. De­zem­ber 1991 über­nom­men. Un­ter Mit­hil­fe ei­nes Teils der al­ten Be­satz­ung fuhr die Vilm von Neu­stadt nach Wol­gast. Dort be­gan­nen im Früh­jahr 1992 die Ar­bei­ten am Schiff. Zu­erst er­folg­te ei­ne mas­si­ve De­mon­ta­ge bis zur voll­stän­di­gen De­mon­ta­ge des Haupt­decks und des Zwischen­decks und zum Aus­bau des kom­plet­ten Ma­schi­nen­raums. Da­nach wur­de das Schiff sand­ge­strahlt, mit neu­em Au­ßen­kiel ver­se­hen, zur Brigg um­ge­baut und un­ter dem Na­men Ro­ald Amund­sen im Ju­li 1993 in Dienst ge­stellt. An den Um­bau­ten wa­ren et­wa 200 ABM-Kräf­te be­tei­ligt. Die Ar­bei­ten wur­den vom Land Meck­len­burg-Vor­pom­mern und der Bun­des­an­stalt für Ar­beit fi­nan­ziert. Im Rah­men die­ses ABM-Pro­jek­tes wur­den auch die Schif­fe Fridt­jof Nan­sen und No­bi­le um­ge­baut.

Mitte 1993 wurde das Schiff in Fahrt ge­bracht und von den Eig­nern an den Ver­ein „Le­ben­Ler­nen auf Se­gel­schif­fen e. V.“ ver­char­tert. Die­ser gab das Schiff be­fris­tet an den Ver­ein „Se­gel­schiff Fridt­jof Nan­sen e. V.“ wei­ter. Am 15. No­vem­ber 1993 schloss die er­ste Sai­son ab. Seit An­fang 1994 wird die Ro­ald Amund­sen vom Ver­ein LlaS selbst be­ree­dert und in der er­leb­nis­o­rien­tier­ten Ver­eins­ar­beit ein­ge­setzt.

Menu – 05/10: Begin (NL)Begin (D)Einde (NL)Einde (D)Foto’s.
Ge­raad­pleeg­de li­te­ra­tuur.
Einde 05/10.

Heimathafen der Ro­ald Amund­sen ist heu­te Eckern­för­de. Von hier aus un­ter­nimmt sie in den Som­mer­mo­na­ten meist Fahr­ten durch die ge­sam­te Ost­see von der Dä­ni­schen Süd­see bis ins Bal­ti­kum und auf der Nord­see. Im Herbst nimmt die Ro­ald Amund­sen Kurs auf wär­me­re Ge­gen­den, in de­nen sie den Win­ter ver­bringt, bis sie im Früh­jahr wie­der auf Hei­mat­kurs geht.

Der Törnplan der Roald Amundsen beinhaltet immer wieder auch entferntere Ziele:

1995:
Sommer: Is­land; Win­ter: Ka­na­ri­sche In­seln.
1996:
Schottland, Finnland en Russ­land (Sankt Pe­ters­burg)
1998:
Südamerika und fluß­auf Rio Pa­rá bis Be­lém, Fran­zö­sisch Gu­ya­na und Tri­ni­dad auf den Spu­ren von Ale­x­an­der von Hum­boldt
2000:
Tall Ships Race 2000 in Nord­ame­ri­ka
2001:
Winter: Karibik
2006:
Frankreich, England, Ir­land (Cork: Früh­jahr 2006)
2006/07:
Winter: Mittelmeer
2007:
Finnland, Litauen (Me­mel)
2007/08
Winter: Mittelmeer
2008:
Litauen (Memel)
2009/10:
(November 2009 bis Fe­bru­ar 2010: län­ge­re Werft­zeit)

2010:
2010 ab März: von den Ka­na­ri­schen In­seln über die An­til­len und Ber­mu­da nach Ka­na­da; über den Sankt-Lo­renz-Strom in die Gro­ßen Seen, auf de­nen dann von Mit­te Ju­li bis An­fang Sep­tem­ber an der Tall Ships Chal­lenge[1] teil­ge­nom­men wur­de; im Ok­to­ber / No­vem­ber 2010 Rück­rei­se über die Azo­ren zu den Ka­na­ri­schen In­seln und nach ei­nem Stopp in Hel­go­land zum Hei­mat­ha­fen Eckern­för­de
2011/12:
Winter: Karibik
2012/13:
Winter: Karibik
2013/14:
Winter: Karibik
2014/15:
Winter: Sal/Kap­ver­di­sche In­seln, Ka­na­ri­sche In­seln, Te­ne­rif­fa, Azo­ren
2015/16:
Winter: Karibik­rei­se mit der Schul­klas­se der High Seas High School
2017/18:
Winter: Karibik­rei­se mit der Schul­klas­se der High Seas High School

Menu – 05/10: Begin (NL)Begin (D)Einde (NL)Einde (D)Foto’s.
Ge­raad­pleeg­de li­te­ra­tuur.
Einde 05/10.


Unter Deck, Ausstattung

Im unteren Teil be­fin­den sich Tanks und der Be­ton-Bal­last. Der fes­te Bal­last­an­teil be­trägt 180 Ton­nen, der flüs­si­ge 108 Ton­nen. Da­von sind ca. 30 Ton­nen Die­sel­tank, ca. 25 Ton­nen Frisch­was­ser­tank, ca. 20 Ton­nen Bal­last­was­ser­tank und ca. 25 Ton­nen Grau­was­ser­tank. Au­ßer­dem sind hier auch die Tro­cken­las­ten für Le­bens­mit­tel und ähn­li­ches un­ter­ge­bracht. Dar­über sind die Ka­bi­nen und die Mes­se so­wie an­de­re Räu­me wie Ma­schi­nen­raum, Boots­manns­sto­re und so wei­ter un­ter­ge­bracht. Im Decks­haus be­fin­den sich der Kar­ten­raum, das Hos­pi­tal, und die Kom­bü­se. Das Schiff ist un­ter Deck kom­plett in Holz aus­ge­baut, ver­fügt über ei­ne Zen­tral­hei­zung und meh­re­re Dusch- und Wasch­räu­me mit flie­ßend Warm- und Kalt­was­ser. Als Tra­di­ti­ons­seg­ler ver­zich­tet die Ro­ald Amund­sen wei­test­ge­hend auf be­son­de­ren Lu­xus und un­nö­ti­ge mo­der­ne Aus­rüs­tung. Statt­des­sen wird, wo mög­lich und sinn­voll, auf tra­di­ti­o­nel­le Me­tho­den zu­rück­ge­grif­fen (z. B. Spleiß und Tak­ling). Die Si­cher­heits­aus­stat­tung ist je­doch auf dem ak­tu­el­len Stand und ent­spricht den von der Ge­mein­sa­men Kom­mis­sion für his­to­ri­sche Was­ser­fahr­zeu­ge GSHW fest­ge­leg­ten An­for­de­run­gen.

Menu – 05/10: Begin (NL)Begin (D)Einde (NL)Einde (D)Foto’s.
Ge­raad­pleeg­de li­te­ra­tuur.
Einde 05/10.


Technik und Ausrüstung

Hauptmaschine:
Achtzylinder Diesel­mo­tor, Lang­sam­läu­fer von Bu­ckau-Wolf. Leis­tung 300 PS (220 kW) bei 180 min⁻¹, Hub­raum 48.000 cm³, Ver­brauch: ca. 0,8 Ton­nen Die­sel­öl am Tag bei hal­ber Kraft. Die Ma­schi­ne hat kein Ge­trie­be, sie muss zum Rück­wärts­fah­ren an­ge­hal­ten, um­ge­steu­ert und in der an­de­ren Rich­tung neu ge­star­tet wer­den. An­ge­las­sen wird mit Press­luft.

Generatoren und Stromversorgung:
Drei Generatoren, von de­nen zwei klei­ne­re ge­mein­sam be­trie­ben wer­den kön­nen. Ein Groß­teil der elek­tri­schen Ver­brau­cher an Bord wird über ein 24-Volt-Netz aus Bat­te­ri­en ge­speist und steht da­her rund um die Uhr zur Ver­fü­gung. Zum La­den der Bat­te­ri­en und zum Be­trieb be­stimm­ter Groß­ver­brau­cher (z. B. An­ker­spill und Herd) lau­fen im Nor­mal­fall et­wa neun Stun­den am Tag und bei Be­darf die bei­den klei­nen Ge­ne­ra­to­ren.

Eine Landstromversorgung mit 380 V ist mög­lich.

Sonstiges:
zwei feste Feuerlöschpumpen, eine trag­ba­re Feu­er­lösch­pum­pe, Os­mo­se-Meer­was­ser­ent­sal­zungs­an­lage, Bei­boot mit 40-PS-Au­ßen­bord­mo­tor, Die­sel­hei­zung, Brand­mel­de­an­la­ge.

Funk- und Navigationsausrüstung:
In Anlehnung an SOLAS, Fahrt­ge­biet A3: Ra­dar, Echo­lot, zwei GPS-Na­vi­ga­tions­emp­fän­ger, Mag­net­kom­pass, 2 × UKW-Sprech­funk, UKW-DSC-Con­trol­ler, Hand­sprech­funk­ge­rä­te UKW, ein Grenz­wel­len- / Kurz­wel­len­funk­ge­rät mit DSC-Con­trol­ler, Sa­tel­li­ten­not­sen­der EPIRB, In­mar­sat-C-An­lage, In­mar­sat-Mi­ni-M-An­lage für Fax/E-Mail/Te­le­fon, Bord­han­dy, Wet­ter­fax, Nav­tex, AIS-Ge­rät (Au­to­ma­tic Iden­ti­fi­ca­tion Sys­tem), 2 × SART.

Menu – 05/10: Begin (NL)Begin (D)Einde (NL)Einde (D)Foto’s.
Ge­raad­pleeg­de li­te­ra­tuur.
Einde 05/10.


Rigg

Die Takelage der Brigg ist – im Ge­gen­satz zu den Si­cher­heits­riggs vie­ler an­de­rer der­zeit se­geln­der Wind­jam­mer – den ar­beits­in­ten­si­ven Riggs der tra­di­ti­o­nel­len Han­dels­schif­fe des aus­ge­hen­den 18. Jahr­hun­derts nach­emp­fun­den. So sind z. B. die obe­ren drei Ra­hen der bei­den Mas­ten fier­bar an­ge­bracht, d. h. zum Set­zen der Se­gel an die­sen Ra­hen wer­den nicht (nur) die Se­gel nach un­ten, son­dern die Ra­hen nach oben ge­zo­gen. Sinn die­ser Kon­struk­ti­on war, den Schwer­punkt des Schif­fes bei nicht ge­setz­ten Se­geln und lee­rem Fracht­raum nach un­ten zu ver­la­gern, um die Ken­ter­ge­fahr (et­wa bei Sei­ten­wind) zu ver­rin­gern. Hier­bei le­gen Ro­yal- und Bram­rah ei­nen ver­hält­nis­mä­ßig klei­nen Weg zu­rück. Die un­ter­ste fier­ba­re Rah, die Ober­mars­rah legt je­doch fast den ge­sam­ten Weg der Hö­he des Ober­mars­se­gels zu­rück.

Keins der Rahsegel ist reff­bar; ge­refft wer­den kann al­lein das Brigg­se­gel (ein Gaf­fel­se­gel). Die Rah­se­gel sind je­doch ins­ge­samt et­was klei­ner be­mes­sen, so dass das Schiff zwar bei Leicht­win­den schwe­rer in Fahrt kommt, die Se­gel aber bei star­ken Win­den auch un­ge­refft noch län­ger ein­ge­setzt wer­den kön­nen.

Das Schiff hat an den Un­ter­ra­hen (d. h. un­ter­sten Ra­hen) be­weg­li­che Toppn­an­ten. Durch die Krän­gung bei der Fahrt durch das Was­ser ste­hen die Ra­hen nicht pa­ral­lel zur Was­ser­ober­flä­che. Dies ist bei ei­nem Am­wind­kurs, bei dem die Se­gel der Län­ge nach an­ge­strömt wer­den, stö­rend. Schräg ste­hen­de Ra­hen ver­wir­beln den Wind und er strömt die rech­teck­igen Se­gel nicht mehr op­ti­mal an. Um die Ra­hen nun wie­der pa­ral­lel zum Was­ser stel­len zu kön­nen (so­ge­nann­tes Dum­pen), wer­den die Toppn­an­ten ge­nutzt, je ein Tam­pen an Back­bord und Steu­er­bord, die, an der Lee­sei­te durch­ge­holt, zu­nächst nur die un­te­re Rah be­we­gen. Die dar­über be­find­lich­en Ra­hen fol­gen bei ge­setz­ten Se­geln zwangs­läu­fig nach, da sie mit­ein­an­der ver­bun­den sind.

Stehendes Gut:
Das stehende Gut der Ro­ald Amund­sen be­steht aus­schließ­lich aus Draht­tau­werk un­ter­schied­li­cher Stär­ken, das zum Teil mit Hü­sing ge­klee­dert und mit ei­ner Wur­zel­teer- Farb­mi­schung be­han­delt ist.

Laufendes Gut:
Das laufende Gut be­steht aus Po­ly­pro­py­len-­Tau­werk, das ei­nen hanf­ähn­li­chen Griff hat und auch ähn­lich wie Hanf­tau­werk aus­sieht. Dies hat ge­gen­über ech­tem Hanf­tau­werk den Vor­teil, dass viel hö­he­re Bruch­las­ten er­reicht wer­den und der Ver­schleiß durch Wind, Wet­ter, Salz und vor al­lem UV-­Strah­lung viel ge­rin­ger ist. Die Vor­läu­fer an Scho­ten, Gei­tau­en etc. sind zum gro­ßen Teil aus Draht­tau­werk. Es sind cir­ca vier Ki­lo­me­ter lau­fen­des Gut ver­baut. 184 Tam­pen sind an Deck auf Holz- oder Stahl­nä­geln be­legt und wer­den zum Se­gel­set­zen, Ber­gen, Ma­nö­vrie­ren etc. be­dient.

Segel:
Die Segel sind aus Dacron­tuch ver­schie­de­ner Stär­ken. Auch die­ses wird so be­han­delt, dass es Brahm­tuch aus Lei­nen re­la­tiv ähn­lich sieht.

Menu – 05/10: Begin (NL)Begin (D)Einde (NL)Einde (D)Foto’s.
Ge­raad­pleeg­de li­te­ra­tuur.
Einde 05/10.


Besatzung

Die Roald Amundsen fährt nor­ma­ler­weise im so­ge­nann­ten Drei­wach­sys­tem. Ei­ne Wa­che setzt sich da­bei im Re­gel­fall aus ei­nem Steu­er­mann (Nau­ti­ker), ei­nem Topps­gas­ten (wach­füh­ren­der Ma­tro­se), ein bis zwei Decks­hän­den (er­fah­re­ne Ma­tro­sen), ggf. ei­nem Decks­hand­an­wär­ter und den Trai­nees zu­sam­men. Die Trai­nees ste­hen in der Tra­di­ti­on der Aus­zu­bil­den­den ei­nes Se­gel­schul­schiffs. Als zah­len­de Gäs­te sind sie auf der Ro­ald Amund­sen voll­wer­ti­ger Teil der Mann­schaft und se­geln zu­sam­men mit der Stamm­crew das Schiff. Wei­ter­hin gibt es wach­freie Per­so­nen an Bord, hier­zu zäh­len der Ka­pi­tän, der Ma­schi­nist, der Smut und der Boots­mann.

Menu – 05/10: Begin (NL)Begin (D)Einde (NL)Einde (D)Foto’s.
Ge­raad­pleeg­de li­te­ra­tuur.
Einde 05/10.


Weblinks

Commons: Roald Amundsen – Samm­lung von Bil­dern, Vi­deos und Au­dio­da­tei­en
LebenLernen auf Segelschiffen e. V. (Be­trei­ber­ver­ein, dort auch In­for­ma­ti­o­nen zu Törn­plan und Bu­chun­gen)
Bord­all­tag auf der “Ro­ald Amund­sen” (You­tu­be-Vi­deo) (Link de­fekt).
Belegplan für das laufende Gut (Me­men­to vom 29. Sep­tem­ber 2007 im In­ter­net Ar­chi­ve).

Menu – 05/10: Begin (NL)Begin (D)Einde (NL)Einde (D)Foto’s.
Ge­raad­pleeg­de li­te­ra­tuur.
Einde 05/10.


Einzelnachweise

Tall Ships Challenge 2010

Zurück zum Text.

Menu – 05/10: Begin (NL)Begin (D)Einde (NL)Einde (D)Foto’s.
Ge­raad­pleeg­de li­te­ra­tuur.
Einde 05/10.

 
Geraadpleegde literatuur
(Bron: diverse websites.)
 

Andere interessante links over Vol­sche­pen, Tall Ships, Wind­jam­mers, zee­vaart in het al­ge­meen, een woor­den­boek en be­grip­pen­lijs­ten / zee­vaart­ter­men.
Wikipedia: Lijst met Tall Ships.
Website: Vaartips: brik.
Website: Vaartips: woordenlijst.
Website: Zeemanswoordenboek (1856) (Au­teur: Ja­cob van Len­nep).
Website: Jacob van Lennep.
Website: Militair woordenboek. (Au­teur: H.M.F. Lan­dolt.) (Dit do­cu­ment be­vat ook in­for­ma­tie over de zee­vaart.)
Website: H.M.F. Landolt.
Website: Zeemanswoor­den­boek. (Nicoline van der Sijs: Download PDF.)


Menu – 05/10: Begin (NL)Begin (D)Einde (NL)Einde (D)Foto’s.
Ge­raad­pleeg­de li­te­ra­tuur.
Einde 05/10.


Website: Auke Visser: wat is een Volschip? Informatie over mas­ten en sten­gen.
Rondhouten. Verticaal: masten. Voor de brik geldt: de ach­ter­ste mast is de gro­te mast. De voor­ste mast is de fok­ke­mast.

Grote mast
 
Bene­den:
gro­te mast.
Mid­den:
groot­mars­steng.
Bo­ven:
groot­bram­steng.
Fokkemast
 
Bene­den:
fok­ke­mast.
Mid­den:
voor­mars­steng.
Bo­ven:
voor­bram­steng.

Rondhouten. Horizontaal: de ra’s.
De brik Ro­ald Amund­sen heeft maar vijf ra’s aan elke mast. De mid­den­bram­ra’s ont­breken op dit schip.

Grote mast
 
1: mast:
grote ra.
2: mars­steng:
groot­on­der­mars­ra.
3: mars­steng:
groot­bo­ven­mars­ra.
4: bram­steng:
groot­on­der­bram­ra.
5: bram­steng:
groot­mid­den­bram­ra.
6: bram­steng:
groot­bo­ven­bram­ra.
Fokkemast
 
1: mast:
mast: fok­ke­ra.
2: mars­steng:
voor­on­der­mars­ra.
3: mars­steng:
voor­bo­ven­mars­ra.
4: bram­steng:
voor­on­der­bram­ra.
5: bram­steng:
voor­mid­den­bram­ra.
6: bram­steng:
voor­bo­ven­bram­ra.

Website: Driemastvolschip: masten en ra’s.
De Roald Amundsen heeft maar vijf zei­len aan elke mast. In het Duits (en het En­gels) he­ten de bo­ven­ste zei­len: Royal­zei­len, dat zijn dus de groot- en voor­bo­ven­bram­zeilen. De mid­den­bram­ra’s en mid­den­bram­zei­len ont­bre­ken op de Ro­ald Amund­sen. Retour.
Unionpedia: Royalsegel / segel (Duits).

Grote mast
 
1: mast:
grootzeil.
2: mars­steng:
groot­on­der­mars­zeil.
3: mars­steng:
groot­bo­ven­mars­zeil.
4: bram­steng:
groot­on­der­bram­zeil.
5: bram­steng:
groot­mid­den­bram­zeil.
6: bram­steng:
groot­bo­ven­bram­zeil.
Fokkemast
 
1: mast:
fok.
2: mars­steng:
voor­on­der­mars­zeil.
3: mars­steng:
voor­bo­ven­mars­zeil.
4: bram­steng:
voor­on­der­bram­zeil.
5: bram­steng:
voor­mid­den­bram­zeil.
6: bram­steng:
voor­bo­ven­bram­zeil.

Want: de ‘touw­lad­der’ om naar de sten­gen te klim­men, om de zei­len op de ra’s op te bin­den of los te ma­ken.

Grote mast
 
1: mast:
groot want.
2: mars­steng:
groot­sten­ge­want.
3: bram­steng:
groot­bram­want.
Fokkemast
 
1: mast:
fok­ke­want.
2: mars­steng:
voor­sten­ge­want.
3: bram­steng:
voor­bram­want.

Menu – 05/10: Begin (NL)Begin (D)Einde (NL)Einde (D)Foto’s.
Ge­raad­pleeg­de li­te­ra­tuur.

Hansestadt Wismar

Atalanta
Atalanta

De Atalanta is een in het jaar 1902 ge­bouw­de voor­ma­li­ge loods­schoe­ner*(1) en was in func­tie van 1901 tot 1929, toen­ter­tijd onder de naam Cux­ha­ven en in de mon­ding van de El­be ac­tief. Na­dat het schip uit de vaart was ge­no­men werd het in 1930 voor­zien van een jacht­tui­ga­ge, een mo­tor en een nieuw in­te­ri­eur. Het schip kreeg toen ook zijn hui­di­ge naam.
In 1950 werd de loods­schoe­ner ei­gen­dom van de bank M.M. War­burg, Brink­mann Wirtz & Co en die ge­bruik­te de schoe­ner meer dan veer­tig jaar.
In 1995 werd het schip ei­gen­dom van För­der­ver­eins Scho­ner Ata­lan­ta e.V.*(2) te Wis­mar door een schen­king van de War­burg-­bank. Na een re­stau­ra­tie van acht jaar werd het schip als jeugd­schip in 2001 weer in de vaart ge­no­men.
Technische ge­ge­vens.

Tuigage:
gaf­fel­schoe­ner
Bouwjaar:
1901
Thuishaven:
Wismar
Werf:
Peterswerft te We­wels­fleth
Lengte over alles:
36,00 m
Breedte over alles:
6,32 m
Diepgang:
2,90 m
Zeiloppervlak:
334,00 m²
Hoofdmotor:
Deutz 214 kW, 2100/min
Hulpdiesels:
4 en 16 kW
Romp:
eikenhout

(Bovenstaande Nederlandse tekst is een ver­ta­ling van de Duit­se Wi­ki­pe­dia-pa­gi­na over de Ata­lan­ta.) (Datum: 29-­09-­2018.)


Die Atalanta ist ein im Jah­re 1901 er­bau­ter ehe­ma­li­ger Lot­sen­scho­ner und war in die­ser Funk­tion von 1901 bis 1929, da­mals noch un­ter dem Na­men Cux­ha­ven, in der Elb­mün­dung un­ter­wegs. Nach Au­ßer­dienst­stel­lung er­folg­te 1930 ein Um­bau mit Yacht­ta­ke­la­ge, Mo­tor und neu­er In­nen­ein­rich­tung und das Schiff wur­de auf sei­nen heu­ti­gen Na­men um­ge­tauft. Im Jah­re 1950 er­warb die Bank M. M. War­burg, Brink­mann Wirtz & Co. den Lot­sen­scho­ner und be­trieb ihn über 40 Jah­re. 1995 wur­de das Schiff Ei­gen­tum des „För­der­ver­eins Scho­ner Ata­lan­ta e.V.“ in Wis­mar durch ei­ne Schen­kung der War­burg-­Bank. Nach ei­ner acht­jäh­ri­gen Res­tau­rie­rungs­pha­se wur­de das Schiff als Ju­gend­schiff im Jah­re 2001 wie­der in Dienst ge­stellt.
Technische Daten

Takeltyp:
Gaffelschoner
Baujahr:
1901
Heimathafen:
Wismar
Werft
Peterswerft in We­wels­fleth
Länge über alles
36,00 m
Breite über alles
6,32 m
Tiefgang achtern
2,90 m
Segelfläche
334,00 m²
Hauptmotor
Deutz 214 kW, 2100/min
Hilfsdiesel
4 und 16 kW
Rumpf
Eichenholz

(Bovenstaande Duitse tekst komt van de Duit­se Wi­ki­pe­dia-pa­gi­na over de Ata­lan­ta.) (Datum: 29-09-2018.)


Noten

*(1)
Loodsschoener: Schoener voor het over­bren­gen van lood­sen naar sche­pen in vol­le zee. (aatned.nl)
Bron: Zuiderzee­col­lec­tie.

Te­rug.

*(2)
Fördervereins Schoner Atalanta e.V.: Ver­eni­ging tot het in­stand­hou­den / on­der­steu­nen van de Schoe­ner Ata­lan­ta, ge­re­gi­streer­de vrij­wil­li­ge ver­eni­ging.
Website: Fördervereins Schoner Ata­lan­ta e.V.

Te­rug.


Wikipedia:
Hansestadt Wismar.
Hansestadt / Hanzestad.
Atalanta (Duits).

Menu – 04/10: BeginEinde.

Atalanta
Atalanta

Menu – 04/10: BeginEinde.

Hansestadt Wismar

Aartsdiakonaat
Archidiakonat / Aartsdiakonaat
Noordgevel
Johannisstraße

Menu – 03/10: BeginEinde.

Aartsdiakonaat
Archidiakonat / Aartsdiakonaat
Westgevel
Sankt-Marien-Kirchhof

Menu – 03/10: BeginEinde.

aartsdiakonaat
AARTSDIAKONAAT
GOTISCH KLEINOOD
IN 1450 REEDS WOONHUIS
DOOR BOMMEN IN 1945
VERNIETIGD
IN 1960 MET MIDDELEN VAN DE
DDR WEER OPGEBOUWD.

AARTSDIAKONAAT
Gebouwd in het midden van de 15e eeuw. Dien­de oor­spron­ke­lijk als woon­huis van de aarts­di­a­ken.
Een van de mooiste go­ti­sche se­cu­lie­re ge­bou­wen van de stad, door de vorm van de noor­de­lij­ke trap­ge­vel en de wes­te­lij­ke dak­rand.
Het pri­mai­re ont­werp­e­le­ment is de af­wis­se­ling tus­sen ge­gla­zuur­de en on­ge­gla­zuur­de ste­nen en het ge­bruik van veel voor­ge­vorm­de ste­nen (Form­stei­nen).
In 1885 was er een om­vang­rij­ke res­tau­ra­tie.
In 1945 door bom­men, in 1960 door het op­bla­zen van de Ma­ria­kerk zwaar be­scha­digd. In 1961 een res­tau­ra­tie en een deel­re­con­struc­tie.

BAKSTEENGOTIEK
In de gotische periode (13e tot de 15e eeuw) valt de ver­ste­de­lij­king van Wis­mar even­als zijn bloei­tijd als be­lang­rijk lid van de Wen­dische ste­den­bond van de Han­ze. De bak­steen­go­tiek ken­merkt de tot he­den be­hou­den his­to­ri­sche ge­daan­te van de Han­ze­stad.


ARCHIDIAKONAT
GOTISCHES KLEINOD
1450 BEREITS WOHNHAUS
DURCH BOMBEN 1945
ZERSTÖRT
1960 AUS MITTELN DER
DDR WIE­DER AUF­GE­BAUT

ARCHIDIAKONAT
Mitte des 15 Jhs. errichtet; dien­te ur­sprüng­lich als Wohn­haus des Ar­chi­di­a­kon.
Einer der schönsten go­ti­schen Pro­fan­bau­ten der Stadt durch die rei­che Ge­stal­tung des nörd­li­chen Staf­fel­gie­bels und der west­li­che Trau­fe.
Vorrangiges Ge­stal­tungs­mit­tel sind der Wech­sel zwi­schen gla­sier­ten und un­gla­sier­ten Back­stei­nen und die Zahl­rei­che Ver­wen­dung von Form­stei­nen.
1885 umfangreiche Re­stau­rie­rung.
1945 durch Bomben, 1960 durch Spren­gung St. Ma­riens stark be­schä­digt. 1961 Res­tau­rie­rung und Teil­re­kon­struk­tion.

BACKSTEINGOTIK
In die Zeit der Gotik (13.-15. Jh.) fällt Wis­mars Stadt­wer­dung so­wie sei­ne Blü­te­zeit als be­deu­ten­des Mit­glied des wen­di­schen Quar­tiers der Han­se. Die Back­stein­go­tik prägt die bis heu­te er­hal­te­ne his­to­ri­sche Stadt­ge­stalt der Han­se­stadt.


Wikipedia: Hansestadt Wismar.
Wikipedia: Hansestadt / Hanzestad.
Wikipedia: Aartsdiaken.
Wikipedia: Baksteengotiek.
Wikipedia: Wendische stedenbond.
Wikipedia: Formstein (Duits).
Website: Voorbeelden van geglazuurde Formsteine (Duits).

Menu – 03/10: BeginEinde.

Hansestadt Wismar

Mariakerk
Die Sankt-Marien-Kirche
De Mariakerk.

Deze Mariakerk, gebouwd in de Noord-­Duit­se bak­steen­go­tiek-stijl, stam­mend uit de 13e eeuw, werd in de Twee­de We­reld­oor­log bij bom­bar­de­men­ten, door Ame­ri­ka­nen en En­gel­sen, zwaar be­scha­digd. Na de­ze oor­log was men voor­ne­mens om de kerk weer op te bou­wen en te res­tau­re­ren, maar de com­mu­nis­ti­sche dic­ta­tuur van de DDR be­val in 1960 om de kerk op te bla­zen. Het puin werd af­ge­voerd en ver­ma­len. Al­leen de to­ren bleef staan, om­dat die als ijk­punt gold voor sche­pen op zee. Thans, na de her­eni­ging van bei­de Duits­lan­den in 1990, wordt de kerk weer een beet­je op­ge­lapt. In de mid­del­eeu­wen had de to­ren ook een spits (Helm in het Duits), maar die ging in de 15e of 16e eeuw door een storm ver­lo­ren. (Wis­mar werd in de Twee­de Wereld­oor­log ge­bom­bar­deerd om­dat daar de vlieg­tuig­fa­briek Dor­nier ge­ves­tigd was, die bom­men­wer­pers pro­du­ceer­de voor de Duit­se oor­logs­in­dus­trie.)

Wikipedia: Hansestadt Wismar.
Wikipedia: Hansestadt / Hanzestad.
Wikipedia: Mariakerk.
Wikipedia: Baksteengotiek.
Wikipedia: DDR (Communistische dictatuur).
Website: Details van de Maria­kerk (Duits).
Website: Foto’s van de door bombarde­men­ten be­scha­dig­de kerk (Duits).

Menu – 02/10: BeginEinde.

Mariakerk
De deelnemers aan de restauratie van de Ma­ria­kerk met een plat­te­grond van hoe de kerk er oor­spron­ke­lijk uit­zag.

Menu – 02/10: BeginEinde.

Hansestadt Wismar

Sint-Joriskerk
Die Kirche Sankt-Georgen
De Sint Joriskerk.

Deze Sint Joriskerk, gebouwd in de Noord-­Duit­se bak­steen­go­tiek-stijl, stam­mend uit de 13e eeuw, werd in de Twee­de We­reld­oor­log bij bom­bar­de­men­ten, door Ame­ri­ka­nen en En­gel­sen, zwaar be­scha­digd. Na de­ze oor­log was men voor­ne­mens om de kerk weer op te bou­wen en te res­tau­re­ren, maar de com­mu­nis­ti­sche dic­ta­tuur van de DDR liet het monument verkommeren. Na de her­eni­ging van bei­de Duits­lan­den in 1990, is de kerk weer herbouwd.
(Wis­mar werd in de Twee­de Wereld­oor­log ge­bom­bar­deerd om­dat daar de vlieg­tuig­fa­briek Dor­nier ge­ves­tigd was, die bom­men­wer­pers pro­du­ceer­de voor de Duit­se oor­logs­in­dus­trie.)

Wikipedia: Hansestadt Wismar.
Wikipedia: Hansestadt / Hanzestad.
Wikipedia: Sint Joriskerk.
Wikipedia: Baksteengotiek.
Wikipedia: DDR (Communistische dictatuur).
Website: Das Wunder von Wismar Het wonder van Wismar (Duits).

Menu – 01/10: BeginEinde.

Sint-Joriskerk
Die Kirche Sankt-Georgen
De Sint Joriskerk.
Bliedenstraße

Menu – 01/10: BeginEinde.

Sint-Joriskerk
Die Kirche Sankt-Georgen
De Sint Joriskerk.
Bliedenstraße

Menu – 01/10: BeginEinde.

Sint-Joriskerk
Die Kirche Sankt-Georgen
De Sint Joriskerk.
Glatter Aal / Gladde aal

Menu – 01/10: BeginEinde.

Sint-Joriskerk
Die Kirche Sankt-Georgen
De Sint Joriskerk.
Sankt-Georgen-Kirchhof / Sint Joriskerkhof

Menu – 01/10: BeginEinde.

Sint-Joriskerk
MONUMENT / DENKMAL

SINT JORIS
Deze reeds in de 13e eeuw ge­noem­de kerk werd in de 14e eeuw voor de eer­ste keer ver­nieuwd. Van de­ze nieuw­bouw is nu nog het koor be­waard ge­ble­ven. Van­af 1404 wer­den de to­ren, het schip en de tran­sep­ten ge­bouwd.
De toren bleef onaf­ge­werkt na vol­tooi­ing van de bouw in 1594.
Na de zwa­re bom­bar­de­ments­scha­de in 1945 en het in­stor­ten van de ge­vel van het noor­de­lij­ke tran­sept in 1990 be­gon het be­vei­li­gen en de re­no­va­tie van de jong­ste go­ti­sche bak­ste­nen kerk van Wis­mar.

De Engelse tekst: zie hier bene­den.

BAKSTEENGOTIEK
In de gotische periode (13e tot de 15e eeuw) valt de ver­ste­de­lij­king van Wis­mar even­als zijn bloei­tijd als be­lang­rijk lid van de Wen­dische ste­den­bond van de Han­ze. De bak­steen­go­tiek ken­merkt de tot he­den be­hou­den his­to­ri­sche ge­daan­te van de Han­ze­stad.


ST. GEORGEN
Die bereits in der Mitte des 13. Jhs. er­wähn­te Kir­che wur­de im 14. Jh. erst­mals er­neu­ert. Von die­sem Neu­bau ist heu­te noch der Chor er­hal­ten. Ab 1404 wur­den der Turm, das Lang­haus und die Quer­häu­ser er­rich­tet.
Der Turm blieb nach Abschluss der Bau­tä­tig­keit im Jah­re 1594 un­voll­en­det.
Nach schweren Bomben­schä­den 1945 und dem Gie­bel­ein­sturz des nörd­lich­en Quer­hau­ses 1990 be­gann die Si­che­rung und Sa­nie­rung der jüng­sten go­ti­schen Back­stein­kir­che Wis­mars.

ST. GEORGE’S CHURCH
This church, of which men­tion was ma­de as early as the 13th cen­tu­ry, was re­built for the first time in the 14th cen­tu­ry. What prin­ci­pal­ly still re­mains of the new build un­der­ta­ken at that time is the chan­cel.
Starting in 1404 the tower, the nave and the tran­sept were built.
When the construction work was con­clu­ded in 1594 the to­wer was still in­com­ple­te. Fol­lo­wing upon se­ve­re bomb da­ma­ge in 1945 and the col­lap­se of the ga­ble of the north tran­sept in 1990 work be­gan to ma­ke sa­fe and to re­sto­re the fa­bric of Wis­mar’s most re­cent go­thic red­brick church buil­ding.

BACKSTEINGOTIK
In die Zeit der Gotik (13.-15. Jh.) fällt Wis­mars Stadt­wer­dung so­wie sei­ne Blü­te­zeit als be­deu­ten­des Mit­glied des wen­di­schen Quar­tiers der Han­se. Die Back­stein­go­tik prägt die bis heu­te er­hal­te­ne his­to­ri­sche Stadt­ge­stalt der Han­se­stadt.


Wikipedia: Hansestadt Wismar.
Wikipedia: Hansestadt / Hanzestad.
Wikipedia: Baksteengotiek.
Wikipedia: Wendische stedenbond.

Menu – 01/10: BeginEinde.

Sint-Joriskerk
Glatter Aal / Gladde aal
Dit is de naam van de straat die grenst aan de Sint-Joriskerk.

Menu – 01/10: BeginEinde.

10 oktober 1976

Dagboek 1976

(Dag 1716) Cees en ik zijn sa­men op va­kan­tie in Ma­rok­ko ge­weest. We zijn op de te­rug­weg en zit­ten in de trein in Frank­rijk en la­ter in Bel­gië. Vroeg in de mid­dag ko­men we in Maas­tricht aan, waar we bei­den wo­nen. – Aan­slui­tend aan deze dag volgt het va­kan­tie­over­zicht, zo­als ik dat enige da­gen na thuis­komst schreef. Ik schrijf daar­in nog­al uit­ge­breid over de ver­stand­hou­ding tus­sen Cees en mij ge­du­ren­de de af­ge­lo­pen vier we­ken. – Ik word in dat ver­slag ook een beet­je een ko­lo­ni­aal, die de ‘zwar­te’ wil on­der­wij­zen door hem te la­ten zien wat gods­dienst met de mens doet.

MenuIndex en het einde.
Vakantieoverzicht.

Zondag, 10 oktober 1976.
In Hen­da­ye: we rij­den weg. Ik met een leeg hart, want ik had niet eens af­scheid van Si­mon kun­nen ne­men.
Er staan men­sen in de gang voor een cou­pé en die slechts door twee per­so­nen ge­re­ser­veerd is en toch af­ge­slo­ten is. Met mijn punt­tang maak ik die open en spreek met de nieuwe ‘be­wo­ners’ af dat ze niets we­ten. Ik ver­tel even met een Ma­rok­kaan die ook in die cou­pé gaat.
’s Nachts staan er Span­jaar­den luid op de gang te zin­gen. Ze moe­ten van de con­duc­teur een cou­pé zoe­ken. Drie ko­men bij ons erbij en ze zijn zo snug­ger om na ver­loop van tijd het licht uit te doen.
’s Nachts krijg ik het koud en neem me voor: ‘Hou dat vol tot­dat je in Pa­rijs bent,’ maar ik heb toch de re­gen­jas ge­pakt en hier­na met het hoofd voor­over op de ‘eet­tafel’ warm en goed ge­sla­pen.
Bij dag­licht zijn we in Pa­rijs en de Span­jaar­den staan weer op de gang te zin­gen.
We stap­pen uit, de Zweed­se meis­jes blij­ven op Ga­re d’Aus­ter­litz. We ne­men af­scheid.
Si­mon heb ik niet meer ge­zien.
Wij ver­vol­gen on­ze reis met de bus naar het Ga­re du Nord waar we lang op de vol­gen­de trein moe­ten wach­ten. Op het ter­ras van een ca­fé drin­ken we kof­fie en eten brood­jes en ons ei­gen brood. Een du­re zaak is het.
Ook in Pa­rijs zijn mooie boys.
Als we in het sta­tion lo­pen ziet Cees een trein aan­ge­ge­ven die er ’s mor­gens nog niet stond: 10.27 uur. De­ze gaat naar Brus­sel en ver­trekt over 2 mi­nu­ten.
We stap­pen in de laat­ste wa­gon in en rei­zen naar Brus­sel, Luik en ver­vol­gens Maas­tricht. Om 14.12 uur zijn we in Maas­tricht. We gaan met de ta­xi naar huis, voor f. 5,00 in­clu­sief fooi.
We we­gen on­ze rug­zak­ken. De mij­ne weegt 30 kg. Die van Cees 20 kg, maar daar moe­ten nog wat etens­spul­len bij, een kilo of 3 of 4. Zodat de last van Cees goed is voor cir­ca 24 ki­lo­gram.
Af­ge­val­len ben ik slechts wei­nig.
We no­di­gen Jaap uit voor een kop qah­wa ha­lib [kof­fie ver­keerd] en ver­tel­len wat. We ge­ven hem het muts­je en een over­ge­houden fles­je Spaans bier.
Jan G. komt en voor hem maak ik een ver­slag­je, geef hem het kan­ten muts­je en spreek voor don­der­dag­avond een groot ver­slag af.
Te­gen 19.00 uur bel ik Pa en Ma en maak een af­spraak voor dins­dag­avond.
Ik wil dou­chen, [die is op de der­de ver­die­ping] maar kan de stan­daard plas­tic zak niet vin­den: een Ta­lens-zak. Sinds Mi­li­tai­re Dienst ge­bruik ik vrij­wel niet an­ders dan Ta­lens-zak­ken om mijn dou­che­spul­len in te doen en nu is die weg. Ik ben woe­dend. (Waar­schijn­lijk door ver­moeid­heid) Ik trek al­les uit dat vak van de kast en vind hem niet. Ik stop al­les er weer in. Ma heeft op­ge­ruimd, maar ze heeft goed op­ge­ruimd, zelfs de fles­jes Trap­pist heeft ze af­ge­stoft en het gas­stel en de ijs­kast goed schoon ge­maakt.
Ik ga zon­der die zak dou­chen en (uiter­aard) dat gaat net zo goed.
Tegen 23.00 uur ga ik op bed, na al­les uit­ge­pakt te heb­ben.
Weer: tot voor Pa­rijs mis­tig, la­ter zon­nig.

Me­nuBe­ginIndex en einde.
Hoofd­indexOver­zicht 1972-1990.
Ma­rok­ko 1976 (over­zicht).

Va­kan­tie­over­zicht: vier we­ken in Ma­rok­ko.

Toen Cees één week voor­dat ik naar Ma­rok­ko zou gaan, be­sloot om ook mee te gaan voel­de ik dat als:
1.) Een op­luch­ting. Ik zou me vrij­er voe­len in mijn han­de­len en ik zou me ge­rug­ge­steund voe­len in mijn op­tre­den, want ik had de laat­ste tijd toch wel eens va­ker het ge­voel: ‘Hans, waar be­gin je aan?’
Zowel Pa, Ma als Opa en Jan G. voel­den zich ook erg op­ge­lucht.
2.) Als een be­las­ting in de vrij­heid van mijn han­de­len, door Cees, die een over­heer­sen­de rol zou wil­len spe­len.
Dit laat­ste, wat ik ook al op de dag Mar­ra­kesh – Ouar­za­za­te (22 sep­tem­ber) heb om­schre­ven, is soms een te gro­te be­las­ting voor mij ge­weest.
Toen ik in 1974 met Wil­lem J. naar Lon­den ben ge­weest, zijn we twee keer een paar uur uit el­kaar ge­weest, om­dat ik het soms moei­lijk had en erg krie­be­lig werd.
Bij Cees heb ik niet zo’n schei­ding ge­maakt, om­dat hij ner­gens heen kan, want er is nie­mand die hem kan ver­staan en hij kan nie­mand ver­staan.
Dit sa­men­zijn van vier we­ken met een Cees die een over­heer­sen­de rol wil­de spe­len en speel­de is voor mij per­soon­lijk soms te veel van het goe­de(?) ge­weest: dat leid­de tot span­nin­gen voor mij­zelf in Mar­ra­kesh en Al­ge­ci­ras.
In Al­ge­ci­ras, toen we niet ver van el­kaar zaten en hij zijn mond dicht hield, een half uur lang, dat was een he­le op­luch­ting.
In de trein van Hen­da­ye naar Pa­rijs, ’s nachts had hij weer een be­moe­de­ren­de op­mer­king en ik heb hem toen ge­zegd dat dit me de he­le reis ge­stoord had, dat be­moe­de­ren. De­ze op­mer­king was veel te laat en had op de eer­ste dag in plaats van op de laat­ste dag ge­zegd [ge­maakt] moe­ten wor­den.
In Mek­nes, bij het de twee­de be­zoek, had ik hem ge­zegd dat ik vond dat het goed ging met ons twee­ën en het ging be­ter als in Lon­den, maar over dat be­moe­de­ren heb ik ex­pres niet ge­spro­ken om geen ex­tra span­nin­gen tus­sen ons twee­ën op te wer­pen. Iets wat ik niet meer zal wil­len ver­dra­gen.
Ach­ter­af ge­zien zijn mijn span­nin­gen in Mar­ra­kesh en Al­ge­ci­ras goed te ver­kla­ren. Op die mo­men­ten dat ze er wa­ren, zag ik die zelf niet en Jan G. heeft me er pas don­der­dag 14 ok­to­ber op re­la­tie ge­we­zen: het do­mi­nan­te ge­drag van Cees en mijn span­nin­gen.
Ik ben blij dat Cees is mee­ge­gaan, maar ik heb me door hem ook ont­zet­tend ge­remd ge­voeld, om­dat hij al­les moet we­ten en vre­se­lijk nieuws­gie­rig is en als ik zelf wat te ber­de bracht was zijn re­ac­tie: “Zoek het maar uit.” Dat grief­de mij tel­kens weer.
Een vol­gen­de keer wil hij weer mee. Hij wil Frans le­ren en dus he­le­maal on­af­han­ke­lijk zijn. Dan kan ik ook eens zeg­gen: “Je zoekt het maar uit.”
Hij wil­de soms din­gen ge­re­geld heb­ben, die ik dan met mijn ge­brek­kig Frans moest voor el­kaar zien te krij­gen, zo­als een taxi van Tinj­dad naar Er­foud en ach­ter­af wil­de hij niet be­grij­pen waar­om dat niet ging en zei: “Vraag dan waar­om?” Ik re­a­geer­de daar niet meer op.
Soms, al in de eers­te week dacht ik: ‘Nog drie we­ken met Cees, ont­zet­tend,’ en vaak was ik blij dat er een dag om was en dat we dich­ter­bij ‘het-naar-huis-gaan‘ waren. Niet om het land Ma­rok­ko, maar om de be­moei­zucht van Cees wil­de ik naar huis. Dat was de enige mo­ge­lijk­heid om hem een poos­je kwijt te zijn en ik heb me al voor­ge­nomen om maan­dag 11 ok­to­ber ver­lof op te ne­men en dat dan de laat­ste dag te la­ten zijn waar­op ik voor­lo­pig met hem op­trek.
Soms dacht ik ver­lan­gend te­rug aan die dag in be­gin au­gus­tus waar­op ik bij IJ­ze­ren in het gras van de zon en de stil­te had zit­ten ge­nie­ten, iets wat ik in Ma­rok­ko niet heb mee­ge­maakt: stil­te.
Toen ik in Al­ge­ci­ras was, wil­de ik snel naar huis, maar toen dat niet bleek te gaan, was ik er ‘ka­pot’ van.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Ra­ma­dan, een ide­a­le tijd om te rei­zen en ook niet, na­tuur­lijk. In de bus­sen geen rook, want zelfs ket­ting­ro­kers ro­ken de he­le dag niet. Som­mi­ge men­sen zijn wel een beet­je krib­big, zo­als in de bus naar Ouar­za­za­te, toen uit het ba­ga­ge­rek een tasje naar be­ne­den viel bo­ven op een jon­gen. Die gooi­de het snel naar ach­te­ren en de man ach­ter hem gooi­de het agres­sief weer te­rug naar vo­ren. Er vie­len har­de woor­den, maar een minuut la­ter werd er weer ge­la­chen.
Als we aten, bo­den we on­ze ver­ont­schul­di­gin­gen aan, want de soms hon­ge­rige ogen de­den je de trek ver­gaan en ze zei­den dan dat we rus­tig kon­den eten, want Ra­ma­dan gold slechts voor mos­lims. Vaak lie­ten we het eten en drin­ken ook, wat voor ons ook niet mee­viel om­dat we ’s nachts ook niet ge­ge­ten had­den, maar zo erg moei­lijk was het ook niet.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Meer dan veer­tig li­ter mi­ne­raal­water heb­ben we ge­dron­ken: Si­di Ha­ra­zem in plas­tic fles­sen van 1,5 li­ter. Er zit smaak noch reuk aan en het is zon­der kool­zuur­gas.
Het is be­ter dan kraan­wa­ter, wat nog wel eens naar chloor ruikt en in Tin­ghir in Ho­tel Tod­gha zelfs een licht bruin kleurt­je had.
Met kraan­wa­ter poet­sten we hoofd­za­ke­lijk on­ze tan­den en de rest van het li­chaam. (Dou­che.)
Ook ge­bruik­ten we Si­di Ha­ra­zem om on­ze tan­den te poet­sen als het kraan­wa­ter te sterk rook of een kleur had.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Ma­rok­ko: een over­wel­di­gen­de hoe­veel­heid aan er­va­rin­gen en on­tel­baar veel knap­pe jon­ge­man­nen. Dat al­les zor­gde er­voor dat ik aan Ne­der­land niet meer dacht.
Deze hoeveel­heid aan er­va­rin­gen heb­ben me het idee ge­ge­ven heel lang op va­kan­tie te zijn ge­weest. Na twee we­ken had ik het ge­voel al maan­den on­der­weg te zijn.
Hoewel het er niet meer naar uit­zag heb­ben we toch nog op de val­reep con­tact ge­legd met een jon­ge­man: Mo­ham­med R.
Het hu­ren van een au­to is in de soep ge­lo­pen en ik weet dus niet wat dat ge­bracht had, maar ik ben blij dat het mis­lukt is (ach­ter­af) want daar­mee kwa­men we in con­tact met Mo­ham­med en het heeft ons bo­ven­dien veel geld be­spaard.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

In­clu­sief de reis­kos­ten, heb ik f. 469,40 + f. 800,00 + f. 74,00 (reis­ver­ze­ke­ring) = f. 1.340,00 uit­ge­ge­ven. Zeg: voor nog geen f. 1.400,00 een maand op va­kan­tie.

Over Mo­ham­med: een mooie, gro­te (cir­ca 1,85 m) jon­gen, ne­gro­ïde ty­pe. Een heel erg voor­ko­men­de, be­leef­de, be­schaaf­de jon­gen, 18 jaar, ge­bo­ren: 1958. Spreekt Frans en Ara­bisch, leert En­gels pas een paar dagen. Stu­deert Eco­no­mie en We­ten­schap­pen (Scien­ce) Ma­the­ma­tiek. We heb­ben el­kaars ad­res en het zou niet gek zijn om een schrif­te­lijk con­tact te on­der­hou­den, om­dat ik dan, als ik weer in Ma­rok­ko kom, een ad­res heb om een vriend te be­zoe­ken.
Ik wil via hem meer over Ma­rok­ko te we­ten ko­men en (blan­ke als ik ben) hem te la­ten zien wat er in een de­mo­cra­tie mo­ge­lijk is. Met blan­ke be­doel ik: ik wil het on­der­wij­zend deel zijn. Ik wil hem la­ten zien dat gods­dienst opium voor het volk is en dat opium (hasj) ook een ver­stik­ken­de gods­dienst is, zo­als bij ons (voor­al in Lim­burg) de drank.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

De ar­moe­di­ge toe­stan­den. De te­le­vi­sie heeft ar­moe­de la­ten zien, doch in Ma­rok­ko is die gro­ter, veel gro­ter. De meest mooie jongen die ik zag (in Ouar­za­za­te) strom­pel­de met een krom been op kruk­ken voort.
De meest ver­schrik­ke­lij­ke won­den, met een vie­ze doek en een plas­tic lap af­ge­dekt.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Ogen. Circa 20% heeft wat aan een oog, ver­min­kin­gen, ziek­ten en huid­ziek­ten. (Han­den en voe­ten zit­ten meest­al on­der een dik­ke laag zand of an­de­re rot­zooi en zien er goor uit.)
On­be­schrij­fe­lijk wat we bo­ven de ‘rok­ken’ zien, maar wat zit er­on­der? Open been­won­den, zo­als een vrouw in Ra­bat haar buur­vrouw liet zien.
En dan de hy­gië­ne: be­stel een glas te drin­ken. Bij de buur­man wordt het van de ta­fel ge­no­men, met koud wa­ter was­sen de groe­ze­li­ge han­den het glas af en je krijgt het voor­ge­zet.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Zaakjes zien er kaal en oud uit. In Fez is een leuk zaak­je met ro­de te­gel­tjes te­gen de muur en er wordt vaak ge­poetst, blijk­baar, want de vet­te stre­pen van een doek staan op de te­gel­tjes. Spie­gels zijn sme­rig, wel ge­poetst, maar met een sme­ri­ge vet­te doek.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Sla­gers, twin­tig naast el­kaar. Nie­mand maakt zich druk of hij ver­koopt of niet en nie­mand maakt zich druk over die vlie­gen: hon­der­den.
Nee, toch zijn er men­sen die zich druk ma­ken over die vlie­gen. Ze spui­ten (ge­luk­kig geen spuit­bus) met een hand­pomp het vlie­gen­ver­gif in hun zaak rond over het vlees en over an­de­re open en bloot­lig­gen­de le­vens­mid­de­len, hoe dan ook, die vie­ze vlie­gen moeten dood.
An­de­ren waai­e­ren af en toe met een waai­er­tje de vlie­gen weg, waar­van de mees­te blij­ven zit­ten om­dat die ken­ne­lijk we­ten niet te zullen wor­den dood­ge­sla­gen op het vlees, want dat ziet wel on­ge­zel­lig uit: een dooie vlieg op een dood schaap.
Kop­pen van gei­ten en scha­pen, met de ogen er­in, lig­gen uit­ge­stald. (Var­kens zijn er niet: ver­bo­den door de is­lam.)
In Tan­ger en Ra­bat op de vis­markt is al­les, vol­gens mij, rot, maar zo stinkt het ook in Maas­tricht op de vis­markt, al­leen zijn er min­der vlie­gen. Ook in de zo­mer? On­ze vlie­gen zijn gro­ter.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

En dan ta­len en re­ke­nen: zie don­der­dag 7 oktober jl. in res­tau­rant Zan­zi­bar.

De bus­ver­bin­din­gen: goed om in een be­gin­plaats of bij­na-be­gin­plaats (Er­ra­chi­dia) op te stap­pen, an­ders moet je tus­sen de Ma­rok­ka­nen, die al met meer zijn dan dat er vrije plaat­sen zijn, ook nog een kaar­tje pro­be­ren te krij­gen. Als de bus vol is, komt er de vol­gen­de dag weer een, waar het­zelf­de voor geldt, als hier­bo­ven.
Op tijd ver­trek­ken is er niet bij, maar dat stoor­de mij na­ge­noeg niet, in te­gen­stel­ling tot Cees, die er ze­nuw­ach­tig van werd. En­kel in Mar­ra­kesh sloop­te het mij ook.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Als men­sen el­kaar te­gen­ko­men en el­kaar als vrien­den be­schou­wen ge­ven zij el­kaar een hand en bren­gen dan hun hand aan hun ei­gen hart.
Bij fa­mi­lie­le­den bren­gen zij hun hand aan hun lip­pen en kus­sen de­ze. Het­zelf­de als kus­hand­jes, maar hy­gië­ni­scher want je kust je ei­gen sme­rige hand en niet die van een an­der.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Ik heb ge­zien hoe een vrouw een paar man­nen de hand kus­te. Bij ons kus­sen de man­nen de vrou­wen de hand en als je goe­de be­ken­den bent kus je el­kaar goe­den­dag, zo­als Mo­ham­med in Mek­nes.
Marokko is een man­nen­land. Man en vrouw, jon­gen en meis­je, meis­jes in een ca­fé, jon­gens en meis­jes dan­sen, dat al­les kun je zien, maar dan al­leen bij ons. In Ma­rok­ko is dat er niet bij. (Mis­schien wel in de nacht­clubs?) Jon­gens hand in hand, jon­gens die op don­kere hoek­jes dicht bij el­kaar staan (knuf­fe­len?) man­nen, hand in hand, zelfs ou­de­re man­nen en heel ou­de.
Elkaar kus­sen, open­lij­ke ho­mo­fi­lie? Dat moest in Ne­der­land ook kun­nen, maar dat is (nog) niet mo­ge­lijk.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

En de jon­gens in Ma­rok­ko, de ene is nog mooi­er dan de an­de­re en ook nog vrien­de­lij­ker. Het zijn daar mooie men­sen. Er zijn ook veel mooie meis­jes, die op een af­stand­je staan te gnif­fe­len en als je ze aan­kijkt of aan­spreekt, lo­pen ze gie­che­lend weg.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Marokko is het land van de kin­der­ar­beid en je ziet veel kin­de­ren in de soek (de markt in de Me­di­na) wer­ken en in Fez ma­ken meis­jes van cir­ca 5 jaar oud ra­zend­snel kno­pen bij een ta­pijt­kno­per.
De scho­len wor­den ook wel be­zocht en in Fez za­gen we veel kin­de­ren naar school gaan, maar ik denk dat de mees­ten wer­ken!
Veel be­de­laart­jes en als ik die kin­de­ren in de ogen kijk, wel ja, tien­tal­len Dir­hams heb ik uit­ge­deeld.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Het ver­keer: als je niet toe­te­ren kunt, kun je niet rij­den en als je remt in plaats van te toe­te­ren en niet ge­woon door­rijdt, ben je je rij­be­wijs niet waard.
Het­zelf­de geldt voor brom­mers, die meest­al mo­to­risch niet in or­de zijn, maar het zoe­mer­tje werkt als een klok­je.
De ver­keers­lich­ten. Als goe­de chauf­feur rij je mins­tens 10 me­ter door het ro­de licht en let je op het an­de­re ver­keer om te we­ten wan­neer jij aan de beurt bent en an­ders toe­tert je ach­ter­buur­man wel. Soms, zo­als in Ra­bat, staan al­le ver­keers­lich­ten dub­bel aan­ge­ge­ven. Eén keer voor het di­rect be­lang­heb­ben­de ver­keer (dat er­voor hoort te staan) en één keer voor het in­di­rect be­lang­heb­ben­de ver­keer, in de an­de­re rich­ting, zo­dat die kun­nen zien: ‘Nu ben ik aan de beurt.’

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Toen ik van­a­vond door Maas­tricht liep voel­de ik me er niet thuis. Al­les is zo groot en la­waai­e­rig en schreeu­we­rig.

Cees heeft vijf pot­jes ge­kookt op zijn pri­mus. Acht keer heb­ben we in een res­tau­rant warm ge­ge­ten en af en toe soep tus­sen door. Veel brood en wa­ter, een beet­je melk, kaas en sar­di­nes.
Ik heb thuis nog wat in te ha­len. Ik weeg 62 kg.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

As ik nu nog aan Ma­rok­ko denk, dan is dat vaak aan de ‘da­del­jon­get­jes’ op 27 sep­tem­ber, toen we lift­ten om naar Er­foud te gaan.
Ook schoot me gis­te­ren te bin­nen dat ik in Ouar­za­za­te een jon­gen heb ge­zien met een blauw ge­streep­te ‘Do­rus-trui’ en die een tul­band droeg, met een slui­er voor het ge­zicht, als een woes­tijn­man. Dat was op za­ter­dag 25 sep­tem­ber en hij was erg mooi. Dat zag ik toen hij zijn slui­er en tul­band af­deed. Daar­voor vond ik hem al erg mooi en mys­te­rieus aan­doen. Hij stond ook naar de bus te kij­ken die klaar stond voor ver­trek naar Tin­ghir.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Zaterdag 2 oktober.
Ik loop over de gang van het ho­tel en een vrouw vraagt me of ik bij haar wil ko­men. Schuch­ter volg ik haar en blijf in de deur­ope­ning van haar kamer staan. Zij zegt: “Kom toch bin­nen.” Er is nog een vrouw. De eers­te vraagt of ik dit ken. Zij houdt mee een brief­je van 25 gul­den voor de neus. Na­tuur­lijk ken ik dat.
Er is iemand ver­trok­ken, maar die kon niet in Dir­ham be­ta­len en hij of zij gaf f. 25,00
Zij vraagt hoe­veel het waard is. Ik zeg: “Kom naar mijn ka­mer, dan zoek ik het uit.” Met een re­ke­ning van Cees, die 166 Dir­ham voor f. 100,00 kreeg be­gin ik aan een moei­lij­ke be­re­ke­ning, ter­wijl ik ook een kwart van 166 had kun­nen ne­men. Ik be­taal haar 41 Dh. Ze is blij.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Later, thuis blijkt dat 7 gi­ro­kaar­ten van 250 Dh voor f. 151,25 zijn op­ge­no­men en eind no­vem­ber 3 van 250 Dh voor f. 145,00

Herinneringen over deze vakantie.

1:
Voor­dat ik naar Ma­rok­ko ver­trok waar­schuw­de een col­lega mij voor open­lij­ke ho­mo­fi­lie. Hij was in Tunesië met va­kan­tie ge­weest en had daar ‘al­le’ man­nen hand in hand zien lo­pen en el­kaar zien zoe­nen.
2:
Eveneens voor­dat ik naar Ma­rok­ko ver­trok waar­schuw­den di­ver­se col­le­ga’s me dat ik niet meer le­vend te­rug zou ko­men.
“In Ma­rok­ko zit­ten ge­slui­er­de man­nen langs de muur en als je langs­loopt trek­ken ze een mes en ste­ken je dood,” zo be­weer­den ze met gro­te stel­lig­heid.
3:
In de trein, op de te­rug­weg, in Span­je of in Frank­rijk, wa­ren er Ma­rok­ka­nen (of Span­jaar­den?) die tel­kens kran­ten in de brand sta­ken, wan­neer de trein door een tun­nel reed, als­of ze bang wa­ren in het don­ker.

Index

Index van termen:
Index van personen:
Index van locaties:

Me­nuBe­gin
Hoofd­in­dexOver­zicht 1972-1990.
Ma­rok­ko 1976 (over­zicht)Va­kan­tie­over­zicht.

9 oktober 1976

Dagboek 1976

(Dag 1715) Cees en ik zijn sa­men op va­kan­tie in Ma­rok­ko geweest. We zit­ten nu in de trein in een coupé voor acht personen en rei­zen door Span­je rich­ting Pa­rijs. Als me­de­pas­sa­giers heb­ben we drie Zweed­se meis­jes: Cor­ne­lia, Ann en Ann en drie Ma­rok­ka­nen, waar­van er twee nog stu­de­ren, Si­mon en Chou­a­ki, en een ou­de­re man. – Te­gen de avond be­rei­ken we Hen­da­ye aan de Spaans / Fran­se grens, waar Si­mon en Chou­a­ki door de Fran­se dou­ane wor­den te­gen­ge­hou­den. – Ik leer weer wat over de Ma­rok­kaan­se cul­tuur.

MenuIndex en het einde.

Zaterdag, 9 oktober 1976.
We komen in Ma­drid en als Si­mon en Chou­a­ki uit­ge­stapt zijn en de trein weg­rijdt, maak ik me on­ge­rust over hen, maar de trein wordt ken­ne­lijk ge­ran­geerd, want keert weer te­rug naar het per­ron.
Met Simon praten ik over van al­les in het Frans en het En­gels, wat hij re­de­lijk be­heerst. Hij wil de En­gel­se woor­den voor ‘pe­nis’ en ‘va­gi­na’ we­ten, doet dat fluis­te­rend en ge­heim­zin­nig, om­dat er meis­jes bij zijn en ik word een beet­je rood en hij stapt over op een an­der on­der­werp.
Als hij van on­ze me­loen voor ie­der een stuk­je af­snijdt, laat hij het groot­ste stuk voor mij, dat ik met Cees deel. Op Si­mon ben ik ver­liefd.
’s Middags van circa twee tot vier uur slaap ik.
De meis­jes ko­men uit Zwe­den en spre­ken al­leen maar En­gels. De ou­de­re Ma­rok­kaan vraagt Cor­ne­lia, de aar­dig­ste, ten hu­we­lijk als der­de vrouw. Hij heeft vijf kin­de­ren. Hier­bij wordt wat af­ge­la­chen, want Si­mon treedt op als ver­ta­ler Ara­bisch – Frans / En­gels en ik moet hem hel­pen met het En­gels.
Dat de meis­jes bij ons in het Wes­ten zelf be­slis­sen is voor de ou­de man moei­lijk te be­grij­pen en dat het niet duur is, kan er ook niet in.
In Marokko ko­men de ou­ders over­een. Moet de fa­mi­lie van de man veel geld bij­een bren­gen, liefst een in­ge­richt huis en heeft het meis­je ge­werkt, dan moet de man al zijn geld aan de ou­ders van het meis­je af­dra­gen.
We praten een beetje over po­li­tiek en Si­mon spreekt over [ko­ning] Has­san le Deux en als ik zeg dat Has­san le Di­a­ble is, geeft hij me glim­la­chend een hand.
Het is ge­vaar­lijk om over po­li­tiek te pra­ten.
Gis­te­ren­avond nam de ou­de­re Ma­rok­kaan 1.000 Pe­se­ta (een brief­je) van Cor­ne­lia aan en een snot­aap van de O.N.I. het im­mi­gra­tie­bu­reau [Of­fi­ce Na­tio­nal d’Im­mi­gra­tion] zag dat en maak­te en hele scène, waar­bij Simon voor­zich­tig de ge­moe­de­ren pro­beer­de te sus­sen. De ou­de­re man liet zich door de snot­aap, die met de po­li­tie dreig­de, over­don­de­ren.

Simon: “Je werkt bij de PTT (Pe­tit Tra­vail Tran­quil­le: [Een rustig werkje]) Wat doe je?”
“Ik kijk hoe an­de­ren wer­ken.”
“Chef?”
“Nee, assistent.”
“Verdien je goed?”
“Ja.”
“Geef je ook geld aan je ou­ders?”
Ik sta versteld. Dit had ik nog niet mee­ge­maakt. Ik leg hem uit dat als ik geld aan mijn ou­ders zou ge­ven, zij be­le­digd zou­den zijn. In Ne­der­land is het niet meer no­dig dat ou­ders moe­ten le­ven van door hun kin­de­ren ver­dien­de geld.
Simon kan dat maar moei­lijk ge­lo­ven.
In Hendaye schei­den zich on­ze we­gen. Zij wor­den door de dou­ane te­gen­ge­hou­den en ik vraag hem of hij hier moet wacht­en. Hij zegt dat hij dat niet weet.
Voor­dat we uit­stap­ten deel­de Si­mon aman­dels uit.
“Potentie ver­ho­gend”, zei Chou­a­ki, Al­thans, zo zegt hij, dat als een Ma­rok­kaan van vrouw wil ver­wis­se­len, eet hij aman­dels.
We lopen door* en Cees zoekt de meis­jes en ik de jon­gens. Cees heeft meer suc­ces dan ik.
In Parijs kijk ik ook, maar daar zie ik Si­mon ook niet. (Chou­a­ki zou in Bor­deaux uit­stap­pen.)
Weer: in de trein was het lek­ker en droog.

*
Station Hendaye. Wi. De tekst in het dag­boek vermeldt het niet, maar we moe­ten op sta­tion Hen­da­ye over­stap­pen. Op de heen­weg was dat niet het ge­val. Daar werd on­ze trein van een an­der on­der­stel voor­zien, want in Span­je is het spoor bre­der dan in de rest van Eu­ro­pa.

Index

In­dex van ter­men:
.
In­dex van per­so­nen:
In­dex van lo­ca­ties:
.

Me­nuBe­ginHoofd­in­dex Over­zicht 1972-1990Ma­rok­ko 1976 (over­zicht).

8 oktober 1976

Minaret
Dit is een typische Marokkaanse minaret: vierkant, massief en groen. Deze staat in Meknes.

Dagboek 1976

(Dag 1714) Cees en ik zijn sa­men op va­kan­tie in Ma­rok­ko. We zijn in de stad Tan­ger. In de och­tend wil­len we Ma­rok­ko ver­la­ten, maar we krij­gen bij­na pro­ble­men met de po­li­tie. Uit­ein­de­lijk zijn we op tijd bij de veer­boot naar Al­ge­ci­ras in Span­je. Die ver­trekt om 8.00 uur. We va­ren over de Straat van Gi­bral­tar. In Span­je ont­dek ik dat niet al­leen de Ma­rok­kaan­se jon­ge­man­nen knap en sexy zijn, maar ook de Spaan­se. – Laat in de avond be­gin­nen we aan de trein­reis huis­waarts.

MenuIndex en het einde.

Vrijdag, 8 oktober 1976.
Adieu Ma­roc a pro­chaine an­nee sha’al­lah.*
Slecht ge­sla­pen.
Op 6.00 uur. Eten op de ka­mer.
We betalen het ho­tel. Dat is 37 Dir­ham (Dh), in­clu­sief het ont­bijt. We heb­ben geen ont­bijt gehad en kun­nen dat niet voor acht uur krij­gen. Op dat tijd­stip ver­trekt de veer­boot.
Cees wil niet meer be­ta­len dan 30 Dh en ik ben het met hem eens, maar de ei­ge­naar dreigt de po­li­tie er­bij te ha­len en dat kun­nen we op de­ze laat­ste dag niet ge­brui­ken. Ik zeg te­gen Cees dat hij moet be­ta­len, maar Cees wil weg­lo­pen. De man is hem ech­ter te snel af en sluit de deur. Cees neemt een dreig­hou­ding aan als­of hij wil slaan.
Ik zeg: “Cees, schei uit en betaal die 7 Dh.”
De man dreigt nog­maals met de po­li­tie en als ik zeg dat hij be­ter kan be­ta­len, doet hij dat en gaan we weg.
We lopen naar de ha­ven. We heb­ben nog 0,95 Dh over.
Tij­dens de over­steek zijn er en­ke­le aar­dige boys aan boord.
We ont­bij­ten aan boord, met de laat­ste Ma­rok­kaan­se qah­wa ha­lib [kof­fie ver­keerd]. Ik heb geen zin om fo­to’s van Tan­ger te maken. Ik voel me niet goed wor­den. [Zee­ziek?]
Ik ben blij weer op vas­te bo­dem te staan in Al­ge­ci­ras en hoe­wel we bang zijn voor de dou­ane, ben ik al­leen maar de­ge­ne die zijn rug­zak open moet maken, het kist­je met films er­uit moet ha­len, ope­nen en weer in­pak­ken. Cees kan zo door­lo­pen, die had zijn rug­zak nog om en ik had hem af­ge­daan.
Met de ta­xi naar het sta­tion, waar we rond 12.00 uur zijn. De trein ver­trekt pas om 21.15 uur. We le­ve­ren de ba­ga­ge in bij een de­pot voor 60 Pe­se­ta (60x f. 0,04 = f. 2,40)
We gaan in een ca­fé kof­fie drin­ken en nu het niet meer hoeft wil Cees Frans le­ren en komt voor me zit­ten en be­neemt me het uit­zicht op een mooie jon­gen van cir­ca ze­ven­tien jaar. Ik zeg hem dat Frans le­ren nu geen zin meer heeft en dat hij moet schui­ven, want ik zie wat moois en juist nu gaat hij voor me zit­ten. Hij draait zich om en zegt: “Die bus?” Een kort hoofd­knik­je van mij en hij be­grijpt wat ik be­doel en hij schuift.
In mijn zak­dag­boek­je schrijf ik ’s avonds: We gaan naar een ca­fé kof­fie drin­ken. Ik zie veel mooie Spaan­se boys. Eén draagt een licht­blau­we strak­ke spij­ker­broek om zijn mooi kont­je. Aan de voor­kant, tus­sen zijn be­nen […!] Hij zit wijd­beens. Het ziet er heer­lijk uit en lek­ker zacht. (Hij draagt die spij­ker­broek waar­schijn­lijk op zijn naak­te huid.) Ik moet heel de ver­de­re dag en avond aan hem den­ken.
We lo­pen door Al­ge­ci­ras, de stad, die over­loopt van de mooie en sexy stuk­ken en ook zijn er veel blon­de Span­jaar­den. We lo­pen tot in de ha­ven en zit­ten bij een fon­tein in de zon.
Ik geniet er­van dat Cees een half uur lang niets zegt en ik ge­niet van de ve­le mooie Span­jaar­den. He­laas be­trekt de he­mel en dan ver­dwijnt ook bij mij mijn zon­ni­ge stem­ming. Hoe meer de tijd vor­dert, hoe meer ge­span­nen ik word, tot gro­te er­ger­nis van Cees, die in een vro­lij­ke bui is.
Ik sliep af­ge­lo­pen nacht slecht, ik ben nog steeds on­der de in­druk van die knap­pe jon­ge­man van van­mid­dag en nu ver­dwijnt de zon ook nog. Daar word ik on­ge­luk­kig van.
In een fo­to­au­to­maat laat ik vier ‘drie-mi­nu­ten-pas­fo­to’s’ ma­ken voor 50 Pe­se­ta en ik koop uit die ma­chi­ne ook een sleu­tel­han­ger waar­in die fo­to’s op­ge­bor­gen kun­nen wor­den, voor 10 Pe­se­ta.
We eten in een res­tau­rant, geen hond kent er Frans, zelfs niet de ober, die zegt het te ken­nen. Ik be­stel zon­der vlees huevos met frie­ten. Dat blij­ken twee we­ke spie­gel­ei­e­ren te zijn met een beet­je friet.
Cees heeft (waar­schijn­lijk) inkt­vis met ge­bak­ken aard­ap­pel­tjes.
We drinken voor de zo­veel­ste keer kof­fie en gaan naar het sta­tion.
Cees maakt een ommetje (rond 19.00 uur) en ik maak no­ti­ties in het zak­dag­boek­je.
Weer: lekker, af en toe fris. In Tan­ger was het ook be­wolkt en fris.
Tegen 21.15 uur ver­trekt de trein.
We zitten in één cou­pé: drie Ma­rok­ka­nen: Si­mon, Chou­a­ki, een ou­de­re man wiens naam ik niet weet, drie Zweed­se meis­jes: Cor­ne­lia, Ann, Ann en twee Ne­der­lan­ders: Cees en ik.
Simon is Ber­ber, stamt uit Be­ni Mel­lal, zijn ouders wo­nen nu in Khou­rib­ga, waar zijn va­der in een fos­faat­mijn werkt.
Simon stu­deert in Ra­bat me­di­cij­nen, is der­de­jaars en gaat nu in Pa­rijs met va­kan­tie. Hij is ou­der dan 23 want hij reist niet op In­ter­rail. Hij zegt zelf ook dat hij daar te oud voor is. Zijn vriend Chou­a­ki is ook stu­dent(?) en reist wel op In­ter­rail. Die is pas 21 jaar. Met Si­mon kan ik snel goed op­schie­ten.
Hij doet als een ech­te Ma­rok­kaan en houdt ge­re­geld zijn hand op mijn be­nen en ook hou­den wij een keer onze han­den vast. (We de­len in hun zoe­te koek en bier en zij in onze me­loen.)

*
Adieu Ma­roc, à l’an­née pro­chai­ne, ‘in sha’a llah’.
Tot ziens, Ma­rok­ko, tot vol­gend jaar, als Al­lah het wil.
Vaag meen ik mij nog te her­in­ne­ren dat we on­der­weg dol­fij­nen ge­zien heb­ben. In 2011 be­ves­tig­de Cees dat, maar hij wist niet meer, even­min als ik, of dat nu op de heen­weg (14 sep­tem­ber jl.) naar Marokko was ge­beurd of op de te­rug­weg uit Tan­ger. (De­ze dag.) Ik heb dit heug­lijke feit ner­gens op­ge­schre­ven.

Index

In­dex van ter­men:
In­dex van per­so­nen:
Cees.
In­dex van lo­ca­ties:

Me­nuBe­ginHoofd­in­dex Over­zicht 1972-1990Ma­rok­ko 1976 (over­zicht).

7 oktober 1976

Tanger
Ge­zicht op de ha­ven van Tan­ger en de Straat van Gi­bral­tar, van­uit het Mas­si­lia-ho­tel. Aan de ho­ri­zon ligt het vas­te­land van Span­je. – Op de fo­to is ook het sta­tion van Tan­ger te zien; rechts lig­gen de spo­ren, waar­op goe­de­ren­wa­gons staan.

Dagboek 1976

(Dag 1713) Cees en ik zijn sa­men op va­kan­tie in Ma­rok­ko. We zijn in de stad Mek­nes. We gaan van­daag naar Tan­ger, met de trein. (Mo­ham­med R. is de per­soon die we eer­gis­te­ren in Mek­nes ont­moet­ten.)

MenuIndex en het einde.

Donderdag, 7 oktober 1976.
Op 6.00 uur.
Eten.
In­pak­ken en be­ta­len.
Mo­ham­med R. loopt met ons om 7.40 uur naar het sta­tion, dat vlak­bij is. We spre­ken wei­nig. Om 7.55 uur neemt hij af­scheid. Zijn school be­gint om 8.00 uur. Hij loopt weg zon­der om te kij­ken.
Twee trein­kaart­jes naar Tan­ger, 2e klas: 43,60 Dir­ham (Dh).
De trein moet om 8.25 uur ver­trek­ken; te­gen 8.35 uur rij­den we uit het sta­tion van Mek­nes.
In de trein ko­men we aan de praat met een stu­dent die in Tan­ger op het Ame­ri­kaans In­sti­tuut En­gels leert. Hij spreekt het niet slecht, doch met een vreemd ac­cent. Hij zegt ‘fah­mous‘ in plaats van ‘fee­mous‘ als we ‘fa­mous‘ be­doe­len.
In Si­di Sli­ma­ne stap­pen we over in een vol­le trein en vin­den toch nog plaats. Ik neem fo­to’s.
Tegen 14.00 uur zijn we in Tan­ger.
We lopen naar Ho­tel Mas­si­lia (waar we de vo­ri­ge keer ver­ble­ven).
Er werkt nu een mooie re­cep­ti­o­nist. Hier­na gaan we naar de ‘Al­ge­me­ne Bank Ma­rok­ko’, waar ze bij­na geen Ne­der­lands geld heb­ben, al­leen brief­jes van hon­derd gul­den! En dat op een de­pen­dan­ce van de ‘Al­ge­me­ne Bank Ne­der­land.’
De Medina be­valt ons nu be­ter dan de vo­ri­ge keer. We ko­men in an­de­re straat­jes en ook nu zijn het de ‘hasj­ver­ko­pers’ die je het ple­zier be­der­ven. (Ik maak en­ke­le fo­to’s.)
We ko­pen wat we bij­na ver­ge­ten wa­ren: een sou­ve­nir voor J de K., want die heeft on­ze plan­ten ver­zorgd: een wol­len muts­je en ik koop een kan­ten muts­je voor Jan G.
We gaan de stad in en eten in een res­tau­rant dat men ons bij Mas­si­lia de vo­ri­ge keer had aan­ge­we­zen (Zan­zi­bar?) We eten erg goed (ve­ge­ta­risch) en lek­ker. Er is li­ve mu­ziek met goed aan­ge­kle­de buik­dan­se­res­sen, die hun werk doen om­dat het blijk­baar moet, want er kan geen lach­je van af.
Eén vraagt aan mij of ik wil dan­sen, dat wil ik niet. Na een poos­je komt een gro­te schaal aan: voor de mu­ziek. Er ligt een brief­je van 10 Dh op. Twee an­de­re gas­ten leg­gen er sa­men 15 Dh op. Dat wordt mij on­der de neus ge­duwd. Ik keer mijn beurs om, met al­le­maal los­se mun­ten. Eén Dir­ham en nog een. Een beetje rood word ik wel, maar ik leg er toch nog een hal­ve bij. Nou ja, voor­uit, ik maak er drie Dir­ham van en stop mijn beurs weg. Als de griet weg is, moet ik toch wel la­chen.
Als we klaar zijn vra­gen we de re­ke­ning: 44 Dh. “Zon­der ser­vi­ce”, wordt er uit­druk­ke­lijk bij ge­zegd. We heb­ben goed ge­ge­ten en lek­ker. We leg­gen vijf brief­jes van 10 Dh neer en vier los­se mun­ten van 1 Dirham. (54 Dh dus!)
De ober komt en telt. Grof wijst zijn vin­ger op het re­ke­ning­re­sul­taat en laat hem er hard op dansen. Als hij vrij bru­taal zegt (hij was eerst zeer voor­ko­mend en vrien­de­lijk en lach­te veel): “Dit is zon­der ser­vi­ce, me­neer, zon­der ser­vi­ce. De­ze prijs is zon­der ser­vi­ce!”, pak ik kalm vier brief­jes van 10 Dh op en laat er één en de mun­ten lig­gen. De ober weet niet hoe snel hij zijn ex­cu­ses moet aan­bie­den en be­gint weer te la­chen en vrien­de­lijk te doen.
Erg kwa­lijk neem ik het hem niet, want ta­len …, ta­len, daar zijn die Ma­rok­ka­nen goed in, maar re­ke­nen …, re­ke­nen, daar heb­ben ze nooit van ge­hoord. Ook als het maar een beet­je optellen is, dan dat duurt dan bij­na tien mi­nu­ten.
Stuk voor stuk. Ze kun­nen niet re­ke­nen. Ze zit­ten vaak te pie­ke­ren als ze wat moe­ten op­tel­len. Ze pie­ke­ren zich suf en dan schrij­ven ze wat op en be­gin­nen te tel­len en ja hoor, na en­ke­le mi­nu­ten weet je dan dat je 1,35 Dh moet be­ta­len.
We wil­len kaas ko­pen, maar heb­ben waar­schijn­lijk geen geld ge­noeg en gaan naar het ho­tel om te tel­len. We ko­men tot 6,70 Dh. Eén ki­lo kaas kost 13 Dh en die man had in de win­kel een stuk van pre­cies één kilo lig­gen.
Ik zeg: “Dat is ris­kant, want stel dat hij zich vergist en meer dan een hal­ve ki­lo af­snijdt, dan heb­ben we geld te kort.”
“Nou, dan ne­men we de an­de­re helft”, zegt Cees heel nuch­ter. Daar had ik niet aan ge­dacht en we moe­ten er hard om la­chen.
Maar de man snijdt goed en telt zich daarna mis­se­lijk op on­ze hand­vol klei­ne munt­jes. (Een re­ken­won­der is hij ook niet, want hal­ver­we­ge be­gint hij op­nieuw.) Als punt­je bij paalt­je komt (we heb­ben een paar ‘stui­vers’ te veel ge­ge­ven) krij­gen we 0,05 Dir­ham (5 Franc) te veel te­rug. Dat mer­ken we als we in het ho­tel zijn.
Rug­zak in­pak­ken.
Douche.
Tegen 23.00 uur op bed.
Weer: vol­op zo­mers, smoor­heet.

Index

In­dex van ter­men:
In­dex van per­so­nen:
In­dex van lo­ca­ties:

Me­nuBe­ginHoofd­in­dex Over­zicht 1972-1990Ma­rok­ko 1976 (over­zicht).