18 september 1976

Rabat
Uit­zicht op Ra­bat, van­uit de stad Sa­lé ge­zien. In het mid­den staat de recht­hoe­ki­ge Has­san­mi­na­ret en links er­van (op de fo­to cir­ca 1 cm) is het wit­te ge­bouw het mau­so­leum van ko­ning Mo­ham­med V.

Dagboek 1976

(Dag 1694) Cees en ik zijn sa­men op va­kan­tie in Ma­rok­ko. We ver­blij­ven sinds en­ke­le da­gen in de hoofd­stad van dat land: Ra­bat. We be­zoeken de stad Sa­lé, die aan de over­kant van de ri­vier Bou Reg­reg ligt, naast Ra­bat. De ri­vier stroomt tus­sen bei­de ste­den door.

MenuIndex en het einde.

Zaterdag, 18 september 1976.
Op tegen 9.00 uur. Ont­bijt in het ho­tel. Ver­tel­len met een Duit­ser.
Aangezien het ont­bijt hier uit twee stuk­jes brood en een pot­je jam be­staat, heb ik gis­te­ren in de nieuwe stad kaas ge­kocht en eten we nu ont­bijt van het ho­tel plus extra brood en kaas.
Tegen 10.30 uur haal ik op het Post­kan­toor 250 Dirham (Dh) af.
Rond 12.00 uur gaan we naar Sa­lé, te voet.
Het is smoor­heet en we ver­wach­ten op de brug te zul­len smel­ten. Dat ge­beurt niet, want het is op­mer­ke­lijk koel op de brug over de Bou Reg­reg.
We lopen door een mooie Me­di­na. Ko­pen er fruit. Als Cees de tas op zijn rug heeft han­gen voelt hij iets aan de tas. Als hij zich om­draait ziet hij niets, maar als hij in de tas kijkt, is een si­naas­ap­pel weg.
We lo­pen naar het strand en gaan om de beurt zwem­men in de zou­te mon­ding van de Bou Reg­reg in de At­lan­tische oce­aan. (Om de beurt, om­dat an­ders het geld en de fo­to­spul­len on­be­heerd zijn.)
We krijgen aan­spraak van de niet le­lij­ke Idriss, die een oog mist en het oog­lid dicht heeft, waar­on­der een et­ter­rand­je staat, en zijn vriend.
Zijn vriend gaat weg en hij blijft al­leen over. Cees gaat wan­de­len en Idriss wrijft het zand van mijn li­chaam. Zo­veel man­ne­lij­ke te­der­heid!
Hij leidt ons door de stad Sa­lé in een wat hij ‘ou­de mos­kee’ noemt, maar wat waar­schijn­lijk een ou­de Ma­dras­sa is. [Entree:] 1 Dir­ham per per­soon.
Na een poos­je baal ik van hem en we ge­ven hem cir­ca 6 Dir­ham als dank voor de rond­leiding. Hij wil ons ook in Ra­bat rond­leiden, maar dat wil­len we niet, om­dat we mor­gen­vroeg wil­len ver­trek­ken.
We lo­pen te­rug naar Ra­bat en zit­ten op de rand van een muur bij de Oued [=rivier] Bou Reg­reg, schuin te­gen­over de Has­san­to­ren / Has­san­mi­na­ret, bij een ver­keers­licht.
We pra­ten met een mooie jon­gen van 18 jaar, die erg vrien­de­lijk is. Hij werkt bij een toe­ris­ten­bu­reau. Hij heet Ka­li­fa en houdt zich niet aan de Ra­ma­dan. Hij rookt hasj, drinkt wijn en eet als hij hon­ger heeft. Hij droomt ervan om naar Ki­ta­ma te gaan. (Daar wordt hasj wordt ver­bouwd.)
Tegen 19.00 uur is het ein­de van de Ra­ma­dan. De 23ste dag en in de Me­di­na be­gint dan het ge­zel­lige le­ven. In de Me­di­na spre­ken we een Ame­ri­kaans spre­ken­de Ma­rok­kaan, een an­de­re dan gis­te­ren, die ons een plaats­je toont om lek­ke­re ha­ri­ra (soep) te eten. (Twee kom­men plus brood is 1 Dh.) We ge­ven 1 Dh fooi.
Cees koopt schoent­jes (ba­bou­ches) voor 25 Dh (f. 15,00) Ik denk de he­le Ko­ran te ko­pen voor 2 Dh, maar la­ter blijkt het slechts een stuk­je te zijn.
Tegen 22.30 uur gaan we naar bed.
Weer: hele dag smoor­heet. ’s Avonds iets be­wolkt.

Index

Index van termen:
Index van personen:
Cees.
Index van locaties:

Me­nuBe­ginHoofd­in­dex Over­zicht 1972-1990Ma­rok­ko 1976 (over­zicht).

17 september 1976

Chellah
Chellah, het fort bij de oude Romeinse stad.

Dagboek 1976

(Dag 1693) Cees en ik zijn sa­men op va­kan­tie in Ma­rok­ko. We ver­blij­ven in de hoofd­stad van dat land: Ra­bat, waar we eer­gis­te­ren ar­ri­veer­den. Van­daag zoe­ken we een be­ter ho­tel. – Ik koop een aan­tal school­boe­ken om Ara­bisch te le­ren. – Cees kookt op zijn pri­mus­bran­der, net zo­als gis­te­ren, weer een heer­lij­ke ve­ge­ta­rische maal­tijd, nu aan de voet van een steun­pi­laar van het fort van de Chel­lah. – Een sol­daat zoent mij en wil met mij vrij­en.

Naar de index en het einde.

Vrijdag, 17 september 1976.
Vrij­dag: de Is­la­mi­tische ‘zon­dag’.
Op te­gen 8.30 uur.
Ont­bijt van het ho­tel.
We zoeken een an­der ho­tel: Splen­did.
Ik wil een licht­me­ter voor het fo­to­toes­tel ko­pen om niet meer door de lens te kij­ken als ik fo­to­gra­feer, zo­dat het niet op­valt dat ik fo­to’s maak. In Ne­der­land heb je een goe­de voor cir­ca f. 50,00 In Ma­rok­ko moet ik 160 Dir­ham (Dh) be­ta­len, dat is bij­na f. 100,00 Dat heb ik er niet voor over.
We gaan de Me­di­na in.
De Ma­rok­kaan in de trein naar Al­ge­ci­ras [in Span­je] had me als Ara­bische les­stof het boekje Iqrā’* aan­ge­ra­den (nr. 1) Ik koop dit en ’s avonds ook nog de de­len 2 tot en met 5.
We wil­den in het zuiden van de stad langs de oce­aan gaan eten. We lo­pen, lo­pen, lo­pen, lo­pen, lo­pen. Over­al men­sen langs het wa­ter. Het is (is­lam) ‘zon­dag’.
Dwars door de stad. We ko­pen drui­ven en een Ma­rok­kaan­se jon­gen vraagt drui­ven aan de ver­ko­per. Deze geeft die en als de jon­gen ze op­eet, be­gint hij over de Ra­ma­dan te zeu­ren. De jon­gen zegt Jood te zijn, maar de ou­we is ont­steld.
We lo­pen door en Cees raakt ge­de­mo­ra­li­seerd en be­gint te slof­fen. Dat is iets waar ik niet te­gen kan. Ik zeg het en we lo­pen ver­der. We ko­men bij fort van de Chel­lah.
Op de voet van een pi­laar kookt Cees zijn twee­de lek­ke­re pot­je. [Met zijn Pri­mus.]
Jon­gens, erg mooie en min­der mooie, ko­men bij ons pra­ten.
Vier be­de­laart­jes voor geld: elk 0,50 Dh.
Als ik la­ter er­gens al­leen een fo­to van de in­mid­dels in de duis­ter­nis mooi ver­lich­te stad Sa­lé wil ma­ken, komt er een sol­daat bij me staan. Hij staat ze­nuw­ach­tig te la­chen. Geeft me een keer of drie een hand. Ik denk: “Wan­neer so­de­mie­tert hij nu op?” want ik ben bang dat hij door het beeld loopt als ik de slui­ter [lang] open heb staan.
Dan zeg ik sa­lem alei­koem of zo­iets, om hem kwijt te ra­ken. Hij pakt me vast en wil me kus­sen en be­gint te vrij­en. Met die mooie jon­get­jes van toen straks had ik wel ge­wild, maar met hem wil ik niet.
Een “Non, non, non” van mij helpt niet, om­dat hij me al vast heeft en al ge­kust heeft. Pas als ik hem van mij af­duw, gaat hij (vrien­de­lijk) weg.
Tegen 21.00 uur in het ho­tel. We gaan de Me­di­na in, spre­ken en drin­ken met een Ame­ri­kaans spre­ken­de Ma­rok­kaan thee in café-res­tau­rant Bon Goût.
Tegen 00.00 uur zijn we thuis [hotel], dood­moe, want we heb­ben meer dan 25 km ge­lo­pen (van­daag.) We gaan op bed.
Cees kocht een zwar­te djel­laba voor 140 Dh.
Weer: weer smoor­heet.

*
Iqrā’ (ﺇﻗﺮﺁ) is een ‘ge­bie­den­de wijs / im­pe­ra­tief’ en be­te­kent ‘lees!’. Dit is de ti­tel van een reeks school­boe­ken voor kin­de­ren in Ma­rok­ko, die be­gin­nen met het le­ren schrij­ven en le­zen van het Ara­bisch.

Index

Index van termen:
Index van personen:
Cees.
Index van locaties:

MenuBeginHoofdindex Overzicht 1972-1990Marokko 1976 (overzicht).

16 september 1976

Chellah
Een deel van de ruï­ne van de Chel­lah. Bo­ven op de to­ren is een ooie­vaars­nest te zien.

Dagboek 1976

(Dag 1692) Cees en ik zijn sa­men op va­kan­tie in Ma­rok­ko. We ver­blij­ven in de hoofd­stad van dat land: Ra­bat, waar we gis­te­ren ar­ri­veer­den. Van­daag do­len we door de stad en om­geving. – Cees heeft zijn pri­mus­bran­der mee­ge­no­men en kookt een heer­lij­ke ve­ge­ta­rische maal­tijd op het strand van de At­lan­tische Oce­aan.

Naar de index en het einde.

Donderdag, 16 september 1976.
Op tegen 8.20 uur. Hotel: ont­bijt.
Ik schrijf mijn eers­te brief aan Pa en Ma en een kor­te­re aan Opa met bei­de ver­schil­len­de ge­ge­vens, zo­dat ze el­kaar wat te ver­tel­len heb­ben.
We wandelen door de nieuwe stad en maken fo­to’s (dia’s) van mo­der­ne nieuw­bouw.
We bezoeken de ou­de Ro­mein­se stad Chel­lah, waar het in de scha­duw erg koel is en heer­lijk fris. Er is een prach­tige tuin met si­naas­ap­pel-, gra­naat­ap­pel- en grape­fruit­bo­men.
We wandelen door de Mel­lah en de Me­di­na en we wor­den voor het eerst dui­de­lijk ge­con­fron­teerd met de bit­te­re ar­moe­de en de slech­te ge­zond­heids­toe­stand van veel Ma­rok­ka­nen.
Twintig procent mist wel het licht uit één oog. Oog­ziek­ten en oog­ge­bre­ken zijn er ont­zet­tend veel in heel Ma­rok­ko. Li­chaams­ziek­ten, het kan haast niet an­ders: vlie­gen zijn er bij mil­joe­nen en het vlees en de zoe­te koe­ken zit­ten ón­der de vlie­gen.
Het papiergeld is vaak te vies om aan te pak­ken, vie­ze vod­jes zijn het, be­hal­ve de gro­te bil­jet­ten van 50 en 100 dir­ham (Dh).
En bedelaars: ik voel­de me be­zwaard om met de fo­to­ap­pa­ra­tuur rond te lo­pen en ik heb het toes­tel gauw weg­ge­stopt. Als ik een foto wil­de ma­ken, pak­te ik het, maak­te de fo­to en stop­te het weer weg.
We lo­pen naar de Kas­bah, ik met het fo­to­toes­tel om de nek. Een jon­gen wil­de ons rond­lei­den. Wij wil­den niet. Waar­om niet? Bang om een paar dir­hams uit te ge­ven? Ik weet het niet meer. Hij zei dat we er­uit moes­ten en dat hij ons voor 5 Dh zou rond­lei­den. Hij werd wat agres­sief en wij zijn toen maar ge­gaan.
Langs de oce­aan heb­ben we uit­ge­rust. Groen­te kopen in de Me­di­na. Cees kookt langs de zee een potje op zijn pri­mus. In het don­ker op­eten. Lek­ker ve­ge­ta­risch.
In het hotel zoe­ken we uit wat we te veel heb­ben mee­ge­no­men en wat te­rug kan naar Ne­der­land.
Terug naar de Me­di­na, waar, zo­als in heel Ma­rok­ko, het stikt van de prach­tige kna­pen en de ene is nog niet langs of er ko­men weer tien nieuwe aan en som­mige erg sexy.
In mijn zak­dag­boek­je schreef ik dat ik een mooie fel-ogen­de boy ge­zien heb. Ik kan hem nu niet meer voor de geest ha­len.
Bed tegen 01.30 uur.
Weer: smoorheet.

Index

Index van termen:
Index van personen:
Cees.
Index van locaties:

MenuBeginHoofdindex Overzicht 1972-1990Marokko 1976 (overzicht).

15 september 1976

Mensen.
Onderweg, tussen Tanger en Rabat. Mensen wachten op iets, voor de slagerij.

Dagboek 1976

(Dag 1691) Van­daag ne­men Cees en ik de bus van Tan­ger naar de hoofd­stad van Ma­rok­ko, Ra­bat. – Di­rect na­dat we op het eind­sta­tion in Ra­bat uit de bus zijn ge­stapt pro­beert ie­mand mijn por­te­feuil­le te rol­len, ter­wijl ik op mijn ba­ga­ge sta te wach­ten.

Naar de index en het einde.

Woensdag, 15 september 1976.
Op 7.00 uur.
We nut­ti­gen het ont­bijt in het ho­tel en ik haal 250 Dir­ham (Dh) van de Gi­ro op het post­kan­toor. Het geeft geen pro­ble­men.
We wor­den aan­ge­spro­ken door een sym­pa­thie­ke, aar­di­ge en mooie jon­gen die in een blau­we broek en wit truit­je loopt. Hij spreekt goed En­gels. Praat he­le­maal niet over hasj en wil ons al­leen maar naar de am­bachts­lie­den pra­ten. (Waar hij waar­schijn­lijk com­mis­sie krijgt.) Hij doet dit op een vrien­de­lij­ke, niet hin­der­lij­ke ma­nier en als we zeg­gen dat we Tan­ger ver­la­ten, vraagt hij wan­neer we te­rug­komen.
In ho­tel Mas­si­lia be­ta­len we de re­ke­ning. Voor ka­mer 217 is dat 37 Dh, in­clu­sief ont­bijt. (De Ma­rok­kaan­se munt­een­heid: Dir­ham, één Dir­ham is f. 0,60.)
We wil­len naar de bus lo­pen en ko­men die vrien­de­lij­ke boy weer te­gen. Hij wijst ons een an­de­re weg naar de bus­sen. Hij denkt even dat we hem niet se­rieus ne­men, raakt even ge­prik­keld en even la­ter ne­men we af­scheid en wij vol­gen de door hem aan­ge­we­zen weg.
Bij de bus­hal­te van de CTM LN (Com­pag­nie de Trans­ports au Ma­roc, Li­gnes Na­tio­na­les) ko­pen we twee kaar­tjes naar Ra­bat. Voor het zo­ver is zijn we on­der­weg nog een paar keer las­tig ge­val­len door hasj­ver­ko­pers en door men­sen die voor gids wil­len spe­len. Te­gen be­ta­ling, uiter­aard.
De bus kost 20,25 Dh, dat is f. 12,15 per per­soon voor 278 km bus­sen.
We ver­trek­ken te­gen 11.15 uur en via een mooi land­schap en met een steeds vol­ler wor­den­de bus ko­men we te­gen 15.00 uur in Ra­bat aan. (Dia’s ma­ken.)
We stap­pen uit en wach­ten op on­ze ba­ga­ge. Ik voel, ja ik voel mijn por­te­feuil­le om­hoog gaan. Ik grijp en hij steekt er al half uit. Ik durf niet om te kij­ken. Pas na een poos­je doe ik dat en zie een paar men­sen naar me kij­ken.
We lo­pen met on­ze ba­ga­ge naar bui­ten uit het bus­sta­tion.
Ik doe mijn por­te­feuil­le in een spe­ciaal hier­voor ge­maak­te zak. Naar Cees’ idee aan de riem van mijn broek en draag hem voor­taan op mijn buik. [Bin­nen in de broek.]
Het enige waar­de­vol­le ar­ti­kel dat ver­lo­ren had kun­nen gaan was mijn por­te­feuil­le. Het ge­beur­de maak­te zo wei­nig in­druk op me dat ik het in het zak­dag­boek­je ver­gat te ver­mel­den en het pas een paar da­gen la­ter tus­sen de re­gels in­schreef, toen ik er aan moest den­ken.
We gaan in een ho­tel, 2 ster­ren A. ‘Ter­mi­nus’. Geen douche. Een slecht ho­tel.
We gaan in de Me­di­na wan­de­len en ook hier ver­dwa­len we bij­na in de smal­le straat­jes. Er is vrij­wel geen hasj­ver­koop.
We drin­ken thee in de Me­di­na. Ko­pen koek en brood.
Tegen 22.30 uur naar bed.
Weer: erg mooi, erg warm.

Index

Index van termen:
Index van personen:
Cees.
Index van locaties:

MenuBeginHoofdindex Overzicht 1972-1990Marokko 1976 (overzicht).

14 september 1976

Gibraltar
De rots van Gi­bral­tar, ge­zien van­af de veer­boot tus­sen Al­ge­ci­ras in Span­je en Tan­ger in Ma­rok­ko, in de Straat van Gi­bral­tar.

Dagboek 1976

(Dag 1690) Sa­men met mijn buur­man Cees ben ik op weg voor een va­kan­tie in Ma­rok­ko. In de loop van de och­tend komen we in de Zuid-Spaan­se plaats Al­ge­ci­ras aan. Van daar­uit rei­zen we met een veer­boot naar de Ma­rok­kaan­se stad Tan­ger, waar veel jon­ge Ma­rok­ka­nen niet kun­nen be­grij­pen dat we niet ro­ken en ook geen hasj ge­brui­ken.

Naar de index en het einde.

Dinsdag, 14 september 1976.
Op tegen 8.00 uur.
Wassen en scheren.
Aankomst in Algeciras 9.09 uur: pre­cies op tijd.
Met de bus naar de ha­ven.
Ticket voor de boot. In de ha­ven bui­ten in een war­me zon eten. Cir­ca 11.00 uur.
Een brief­kaart schrij­ven voor Pa en Ma en Opa.
Tegen 13.15 uur ver­trekt de boot. Ik maak de eer­ste dia’s van Al­ge­ci­ras en Gi­bral­tar. De boot vaart in 2,5 uur van Al­ge­ci­ras naar Tan­ger.
In Span­je heerst Oost-Eu­ro­pe­se tijd, in Ma­rok­ko Green­wich tijd.
We ar­ri­ve­ren rond 14.00 uur in Tan­ger.
Het eer­ste bui­ten-Eu­ro­pe­se con­tact op Afri­kaan­se bo­dem is niet zo over­don­de­rend als ik ver­wacht had.
We lopen dwars door de Me­di­na, hulp­aan­bie­ders weg­wim­pe­lend en land-van-her­komst-vra­gers om de tuin lei­dend (we ko­men uit de he­mel, we ko­men uit Chi­na) naar het toe­ris­ten­bu­reau.
Dit is het enige bu­reau waar we vrien­de­lijk ge­hol­pen wor­den tij­dens on­ze Ma­rok­kaan­se reis.
De Engels sprekende heer wijst ons ho­tel Mas­si­lia als idea­le slaap­plaats: goed een goed­koop.
Uitgeput lig­gen we op bed. We dou­chen en lo­pen de stad in.
Eten in een wes­ters res­tau­rant, zon­der vlees. Ver­dwa­len bij­na in de Me­di­na en lo­pen door de Mel­lah.
Alles is levens­lus­tig: het is het ein­de van een Ra­ma­dan­dag.
Hasj­ver­ko­pers, di­rec­te, zo van: “Wil je hasj?” tot jon­ge­lui die tien mi­nu­ten tot een kwar­tier de tijd ne­men voor­dat ze over hasj be­gin­nen. Het is voor Ma­rok­ka­nen niet te be­grij­pen dat we niet ro­ken.
In het ho­tel drin­ken we munt­thee en gaan tegen 00.00 uur op bed.
Weer: in Eu­ro­pa, en ook in Afri­ka, is het zo­mers: heer­lijk. ’s Avonds lek­ker.

Index

Index van termen:
Index van personen:
Cees.
Index van locaties:

MenuBeginHoofdindex Overzicht 1972-1990Marokko 1976 (overzicht).

13 september 1976

Dagboek 1976

(Dag 1689) Sa­men met mijn buur­man Cees ben ik op weg voor een va­kan­tie in Ma­rok­ko. – We zit­ten in de trein van­uit Pa­rijs naar Span­je. – De Spaan­se con­duc­teur doet moei­lijk over mijn cou­chet­te­bil­jet.

Naar de index en het einde.

Maandag, 13 september 1976.
Op tegen 7.30 uur. Goed ge­slapen, al­leen even kou­de voe­ten ge­had, maar met een ex­tra de­ken was dat geen pro­bleem.
Wassen en eten.
De Ma­rok­kaan en zijn vrouw eten niet. Dat heb­ben zij van­nacht al ge­daan. Het is Ra­ma­dan tus­sen zons­op­gang en zons­on­der­gang.*
In Hen­da­ya, waar we nu zijn, wordt de cou­chet­te­trein van on­der­stel ver­wis­seld. Span­je heeft bre­der spoor.
We ver­trek­ken te­gen 10.00 uur uit Irun.
Die dag trek­ken we door Spaans land­schap. Ik spreek slechts wei­nig Frans en spreek toch (zij het ge­brek­kig) veel met de Ma­rok­kaan over al­ge­me­ne za­ken, Ma­rok­ko en­zo­voorts. Taal­ge­bruik daar en meer van die din­gen. Vroe­ger, cir­ca 10 jaar, ge­le­den heeft hij En­gels ge­leerd en is veel ver­ge­ten.
’s Middags krijg ik een ver­kla­ring van de Ko­ran en ’s avonds in Mad­rid komt er een dron­ken con­duc­teur op de trein.
Het ver­krij­gen van een goe­de cou­chet­te in Pa­rijs was een ver­moei­en­de slag. Ik had het bed­num­mer van die van mij la­ten ver­an­de­ren tot een bed­num­mer in de cou­pé van Cees. De con­duc­teur gaf ons in Pa­rijs het­zelf­de bed­num­mer. Cees heeft mij hier­op ge­at­ten­deerd, maar ik was moe en heb het niet meer mee­ge­kre­gen.
De con­duc­teur [de Spaan­se] ver­klaar­de het brief­je on­gel­dig, ook om­dat er in Ne­der­land met de pen op deze door­druk was ver­an­derd. De da­tum en de be­stem­ming Pa­rijs-Al­ge­ci­ras was door­ge­streept en er was Ma­drid-Al­ge­ci­ras van ge­maakt door de NS.
De con­duc­teur sprak geen Frans: “We zijn in Span­je.” zei hij.
De Ma­rok­kaan pro­beer­de voor mij het een en an­der te re­ge­len. Hij deed goed zijn best en er kwam ook een Frans spre­ken­de Span­jaard bij.
Die cou­chet­te was en bleef on­gel­dig en ik kon een nieuwe ko­pen. Wat ik ook deed.
Ik kreeg geen bon en heb ook la­ter geen ge­kre­gen. Ik heb er één keer naar ge­ïn­for­meerd en la­ter dacht ik: “Laat die ar­me sloe­ber die dui­ten maar hou­den, hij kan ze be­ter ge­brui­ken dan ik.” Bo­ven­dien zou ik in Ne­der­land mijn geld te­rug­krij­gen.
Na deze ver­moei­en­de en slo­pen­de zaak heb ik met de Ma­rok­kaan nog eens over po­li­tiek ge­spro­ken.
Tegen 22.00 uur gin­gen we naar bed.
Weer: in de trein heer­ste een lek­ke­re tem­pe­ra­tuur en het was er droog.

*
Formeel hoef­de de Ma­rok­kaan en zijn echt­ge­no­te niet te vas­ten. Als je op reis bent is vas­ten niet ver­plicht, maar je moet die ge­mis­te vas­ten­da­gen la­ter wel in­ha­len, of een of­fer bren­gen.

Index

Index van termen:
Index van personen:
Index van locaties:

MenuBeginHoofdindex Overzicht 1972-1990Marokko 1976 (overzicht).

12 september 1976

Dagboek 1976

(Dag 1688) Ik woon op ka­mers aan de Ta­fel­straat 30 te Maas­tricht. – Van­daag ver­trek­ken mijn buur­man Cees en ik met va­kan­tie naar Ma­rok­ko. We rei­zen met de trein van Maas­tricht via Luik en Brus­sel naar Pa­rijs.

Naar de index en het einde.

Zondag, 12 september 1976.
Opgestaan circa 8.10 uur. Bed ver­schonen.
Eten bij Cees.
We gaan met de trein om 10.59 uur weg uit Maas­tricht, dat is een uur eer­der dan af­ge­spro­ken.
Ik bel Pa en Ma op. Cees belt naar JM.
Een zat­te Bra­zi­li­aan vraagt me geld voor te eten. Hij is zijn dui­ten kwijt. Ik geef hem vier kwart­jes.
We reizen naar Luik, van­waar we vrij snel naar Brus­sel ver­trek­ken. Het uur eer­der ver­trek uit Maas­tricht le­vert in Brus­sel geen tijd­winst op.
We lopen met vol­le be­pak­king door Brus­sels bui­ten­wijk bij Sta­tion Noord. De Bel­gische eco­no­mie wordt zo­als in al­le wes­ter­se lan­den door bui­ten­lan­ders ge­dra­gen. Als je ziet hoe ze in Brus­sel (en waar niet?) zijn weg­ge­stopt, schie­ten je de tra­nen in de ogen.
Bij een mo­nu­ment voor ge­val­len strij­ders uit bei­de we­reld­oor­lo­gen plaat­sen we de las­ten en rus­ten we uit. Ik voel me een en­gel zo zwe­vend licht.
We lo­pen door de Bo­ta­nische tuin en ik zie de eers­te mooie jon­gens van van­daag.
In de Sta­tions­res­tau­ra­tie wa­ren er nog meer en [daar] we drin­ken ci­troen­thee.
Twee dames krij­gen een bak kof­fie waar­van het wa­ter nog door het fil­ter moet drup­pe­len. Een kwar­tier la­ter is de bij­be­ho­ren­de room ver­dwe­nen en het wa­ter nog niet door ge­drup­peld.
Wij stap­pen in de om 15.51 uur ver­trek­ken­de trein naar Pa­rijs. Het is er stamp­vol. Drie plaat­sen zijn er vrij. Cees zit naast mij en te­gen­over mij zit een knaap. Ge­re­geld lacht hij lief naar me en ik voel me blij en ik ben in staat de he­le reis een la­chend ge­zicht (ge­meend en niet spe­lend) vol te hou­den. Na ver­loop [van tijd] pro­beer ik con­tact in het Frans en ge­luk­kig spreekt hij een poos­je la­ter ook En­gels. Ik ben bij­na ver­liefd. Als hij weg is en een poos­je la­ter te­rug­komt hangt zijn lin­ker­hand flik­ker-vrou­we­lijk ter hoog­te van zijn heup. Hij komt uit Gre­no­ble. Is daar uni­ver­si­teits­stu­dent en is in Ne­der­land al­leen op va­kan­tie ge­weest.
Hij is een lust voor het oog met zijn krul­len­kop, half wild op zijn hoofd ge­zet.
In Parijs Noord tot Aus­ter­litz zie ik hem nog een keer, in de bus. Als hij uit­stapt ben ik hem al bij­na ver­ge­ten en merk al­leen nog dat hij goeie­dag zegt. Cees ant­woordt en ik kijk om en zie hem niet meer.
In Austerlitz is de trein er nog niet. We eten in de res­tau­ra­tie. We la­ten het vlees lig­gen en drin­ken mi­ne­raal­water.
Twee Fran­sen pap­pen aan. Ou­dere leef­tijd, be­gin veer­tig. Ik ver­trouw hun blik­ken niet. Een heeft een ring­baard­je en spreekt slechts Frans, de ander een beet­je En­gels. Ik hang een ver­haal­tje op: we gaan naar Span­je en de trein die naar Irun gaat is de on­ze. Zij gaan mee. We rei­zen dus in de­zelf­de trein, zegt hij, want zij gaan naar Dax.
Er ver­trekt ech­ter ook een trein eer­der naar Irun en die tijd had ik ge­noemd. Zij den­ken dus met ons te rei­zen en wij ne­men in wer­ke­lijk­heid een an­de­re trein.
We betalen en ver­trek­ken me­teen. Zij wil­len volgen. Hun be­ta­lings­pro­ce­du­re duurt lan­ger dan ze dach­ten en wij lo­pen Pa­rijs in. We ko­pen fruit en yog­hurt. Op het per­ron probeer ik voor Cees een cou­chet­te te ko­pen en wordt van het kast­je naar de muur ge­stuurd.
Ik gebruik het woord ‘bou­cher‘ voor ‘ko­pen’. JM had dat ge­zegd en ik: “Dat ge­loof ik ook.” en had het klak­ke­loos over­ge­no­men. ‘Ache­ter‘ moet het zijn.
De trein rijdt al (ver­trek 22.49 uur) toen ik met veel moei­te een cou­chet­te voor Cees en mij­zelf in de­zelf­de cou­pé had. Als ik al­leen was ge­weest, had ik bij een stel kin­de­ren en hun ou­ders moe­ten sla­pen. Nu sla­pen wij twee­ën bij een Ma­rok­kaan en zijn vrouw.
De Ma­rok­kaan ver­telt voor het sla­pen­gaan dat Ma­ra­kesh een mooie stad is: “De rode stad”, zegt men.
Weer: van Maas­tricht tot Pa­rijs goed.

Index

Index van termen:
.
Index van personen:
Index van locaties:

MenuBeginHoofdindex Overzicht 1972-1990Marokko 1976 (overzicht).

10 juli 1975

Maastricht: 10 juli 1975
Tafelstraat 30

Jekerkwartier.

Jekerkwartier.


Een lucht­fo­to uit 1975 van een deel van het Je­ker­kwar­tier in Maas­tricht. Het pand Ta­fel­straat 30 is na­bij de bo­ven­rand te zien, iets links van het mid­den, met de oran­je stip.


Menu – 10/07: BeginEinde.


Mobiele telefoon / Smartphone
the-face.com

Voor be­zoe­kers die via the-face.com op deze web­si­te ko­men: als de in­ter­ne links (me­nu, be­gin, ein­de) niet wer­ken (mo­bie­le te­le­foon / smart­phone) klikt u voor het ori­gi­ne­le adres van dit be­richt op: ira­da.com.


Tafelstraat 30, Maastricht

Tafelstraat 30.


Ach­ter de twee ra­men op de be­ga­ne grond woon ik van eind de­cem­ber 1974 tot me­dio ju­ni 1977. Op de pos­ter in het raam rechts staat: “Min­der vlees, me­vrouw: u weet wel waar­om”, waar­na een uit­leg volgt waar­om het be­ter is min­der vlees te eten. Ik was toen ve­ge­ta­riër.
De straat links heet ‘Ach­ter de mo­lens.’ In dit stads­deel (Je­ker­kwar­tier) stroomt de ri­vier de Je­ker tus­sen en on­der de hui­zen door. In de Je­ker lig­gen hier vlak­bij en­ke­le wa­ter­mo­lens.


Menu – 10/07: BeginEinde.


Jemen, 17 juni 1996

Wādī Duᶜan: Raybūn.

Onderweg naar de archeologische site van Raybūn in Wādī Duᶜan, waar rond het begin van onze jaartelling een tempel stond voor het aanbidden van de maangod(in) Sīn.
Ik bleef het landschap van de Wādī omringd door de tafelbergen fascinerend vinden en ik kon er geen genoeg van krijgen. Mysterieus mooi vond ik het.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 17 juni 1996 (maandag).

Naar het einde, de index, of de transcriptie.

Ṣanaᶜā’ – Leiden.
Een half uur eerder dan gepland komt ᶜAbd al-Raḥmān A. met de bevriende taxichauffeur die me naar de luchthaven brengt. Onderweg begint het te regenen: pijpenstelen!
Ik betaal 2.000 riyāl aan ᶜAbd al-Raḥmān voor de taxi.
Als ik ingecheckt ben en mijn 32 kg zware koffer als 20 kg is geboekt ga ik even terug naar ᶜAbd al-Raḥmān en geef hem 6.000 riyāl (die ik apart gehouden had, als ik misschien moest bijbetalen voor overgewicht.) Hij had 6.000 riyāl schade geleden door slechte afspraken, tijdens het bezoek van de mensen van het Institut du Monde Arabe uit Parijs. Ik geef het geld hiervoor. Hij wil het niet hebben, maar ik dring aan. Natuurlijk neemt hij het op den duur aan. Ik wil dat hij het neemt.
Ik heb nu nog 326 dollar en 800 riyāl over.
We nemen afscheid en we gaan ie­der onze weg.
In afwachting van de vertrektijd bestudeer ik de veiligheidsmaatre­gelen op de luchthaven. Die zijn er, maar zo lek als een mandje.
Dat weet de Jordaanse lucht­vaart­maatschappij Royal Jordanian ook, want iedereen die aan boord komt wordt gefouilleerd. (Vrouwen ook?)
Mijn speciaal gevraagde plaats is be­zet. De jongen wijst naar de vrije stoel langs het gangpad. Ik insisteer en hij staat met een lang gezicht op.
Ik zit tijdens de terugreis naar Neder­land lang naast het raam. Mekka en Medina gaan schuil onder een dikke wolkenlaag.
De vrouw van de jongen is er ook, maar hij zit naast zijn vader. Hij draagt de gebruikelijke zilveren trouw­ring. (Voor islamitische man­nen zijn gouden sieraden verboden.) Zijn moeder en stralend mooie zusje in schitterend versierde kleren, zit­ten in de buurt. Zijn vrouw (als het zijn zus is, waarom draagt hij dan een trouw­ring?) en moeder zijn helemaal in het zwart met gezichts­sluier: niqāb. Ze gaan op vakantie naar Jordanië. Welke Jemeniet kan dat betalen? Qāt-boeren alleen maar!
Op de luchthaven van Amman, Jordanië, waar ik op mijn volgende vlucht moet wachten, breng ik de tijd door met het lezen van het geprinte rapport van het Tarīm-project en met het kijken naar mooie vrouwen.
In Tarīm zullen vandaag de dadels rijp zijn.
Aan boord van het vliegtuig van Amman naar Amsterdam kom ik naast een sexy meid te zitten, maar ik merk meteen dat die niet ‘in’ is voor een praatje.
Een oudere Palestijnse (?), die alleen reist, wordt naast een man geplaatst, maar daar wil ze niet gaan zitten. Die plaats is naast het raam en ik zie mijn kans schoon. Ik had een plaats aan een raam gevraagd, maar die was er niet.
De oude Palestijnse en een andere vrouw zijn mij zeer dankbaar dat ik met haar wil ruilen. Zij naast de mooie, maar zwijgende, vrouw en ik naast het raam.
Tot mijn grote verbazing vliegen we over de Dode Zee en Jeruzalem. De koepel van de Qubbat al-ṣaḵra (de Rotskoepelmoskee) in de ḥaram al-šarīf (het Edele Heiligdom, de Tempelberg) staat er glinsterend bij.
De stad is mooi, maar doet me niet veel. We vliegen over de landings­strip van Ramallah en dus over het huis van Zakī D.(?) Over de Bir Zeit Universiteit, waar wellicht NvB verblijft. (En komende vrijdag weg­gaat.)
Mijn buurman op deze vlucht is een 33-jarige Syrische chirurg die in de Saoedische ‘Tuin’ (al-Riyāḍ = de tuin) werkt en eens per jaar 45 dagen in Chicago van de westerse vrijheid gaat genieten. (Zijn vrouw ging naar haar familie in Syrië.)
In al-Riyāḍ bestaat het uitgaansleven uit winkelen. Verder is er niets. Geen bioscopen, niets, helemaal niets. Verder geen gebrek aan luxe. Zijn ziekenhuis heeft alle nood­zakelijke apparatuur.
Hij laat zich graag voorlichten over Jemen, want hij had eens overwogen om daar te werken, maar verkoos al-Riyāḍ.
De film: “Gold diggers” is een flauwe film, maar de (jonge) actrices zijn sexy en dat is het enige waar ik op let.

Jan Just Witkam haalt me op Schiphol op en brengt me thuis. (Volgens afspraak.)
In Leiden doe ik boodschappen. De Winkelsluitingswet is gewijzigd en winkels mogen tot 8.00 uur ’s avonds open blijven.

Eten: brood met witte bonen in tomatensaus.
Bed circa 20.00 uur: uitgeput.

In het zuiden van Jemen werd ik vooral dikker, geheel tegen de verwachting in. Mijn kakibroeken waren te nauw toen ik vertrok, maar ik verwachte dat ze me gauw zouden afglijden. Het leven vol inertie en het vette eten, met veel kip, veroor­zaakte het tegenovergestelde.

Seks met vrouwen behoort in Jemen vrijwel tot de onmogelijkheden. Met mannen durfde ik het, voor mijn reputatie, niet aan. Er zijn boven­dien maar weinig echt aantrek­kelijke mannen. Veel zijn vreselijk mager.
Van de toeristen waren er maar een paar die ik nu (in de overvloed van Nederland) echt aantrekkelijk zou vinden. Geen enkele was zonder man.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 17 juni.
In het Qaṣr al-Qubba-hotel in Tarīm vertelde men mij verschillende keren dat de dadels over zoveel dagen rijp zouden zijn. Als ik ‘zoveel dagen’ uitrekende kwam ik iedere keer op maandag 17 juni uit, de dag van mijn thuisreis. (Nu blijkt dat er rond 17 juni ernstige overstro­mingen in Tarīm zijn. Voor dadels zullen de mensen geen tijd hebben. Hoe vergaat het Ḥusayn, de jonge jongen die de dadelboerderij van zijn vader bestiert, die zelf ergens ver weg werkt?)

[…]

De familie die in het vliegtuig naast mij zit gaat op vakantie in Jordanië. Welke Jemeniet kan een reis naar het buitenland betalen? De man zal ongetwijfeld zijn geld verdienen met het verbouwen van qāt.
Gisteren vroeg ik aan Ǧamāl hoe het zat met de qāt-boeren. Zijn dat nu criminelen of niet? Hij vertelde dat ze vroeger, tien jaar geleden, wel als criminelen werden gezien, maar nu er zoveel verslaafden zijn is hun positie aanmerkelijk verbeterd. De afhankelijken zien hun verstrekkers waarschijn­lijk niet als een crimineel, maar als een goed mens.

[…]

Mijn Syrische buurman in het vliegtuig, na Amman, Mazen, is chirurg in al-Riyāḍ. In zijn zieken­huis werken alleen maar buitenland­se verpleegsters, voorname­lijk uit de Filippijnen. De voertaal is derhalve Engels. Voor de overwegend Ara­bische cliënten zijn er enkele verta­lers in dienst. Het ontbreekt in die ziekenhuizen aan niets, wat appara­tuur betreft.
Dat is in Jemen wel anders. Ik begreep al van een Nederlandse verpleegster, die in Tarīm op bezoek was, dat er geen ziekenhuizen zijn waar vrouwen opgenomen kunnen worden.

[…]

Mazen vertelt ook dat hij in zijn jonge jaren zich voor manuscripten (handschriften) geïnteresseerd had, maar nadat hij begrepen had dat het lezen daarvan geen eenvoudige klus was, was zijn belangstelling snel verdwenen.
Hij vertelt dat in Aleppo de belang­rijkste verzameling micro­films van heel Syrië te vinden is, met micro­films uit de hele Arabische wereld.

[…]

Leiden is een ‘culture shock’. De zon schijnt een beetje. Waarom lopen de mensen allemaal half bloot over straat?
Hedenochtend nog zag ik vrouwen waarvan ik alleen de ogen kon zien, omdat hun lichaam verscholen ging achter zwarte doeken. Nu zie ik vrouwen waarvan ik alleen de ogen niet kan zien, omdat die verscholen gaan achter zwarte Ray Bans.

Dit is het einde van het verslag van 17 juni.

Index van termen: Bir Zeit Universiteit, Gold diggers, Institut du Monde Arabe, niqaab, Qasr al-qubba-hotel, qat, Ray Ban, Rotskoepelmoskee, Royal Jordanian, Winkelsluitingswet,

Index van personen: ᶜAbd al-Raḥmān A., Ǧamāl, Ḥusayn, Jan Just Witkam, Mazen.

Index van locaties: Aleppo, Amman, Dode Zee, Jeruzalem, Jordanië, Leiden, Medina, Mekka, Ramallah, Raybun, al-Riyaad, Ṣanaᶜā’, Schiphol,  Syrië, Tarīm, Tempelberg, Wadi Duan,

Dit is het einde van dag 93 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Transcriptie van de klinkers in Arabische woorden.

A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.

Klik hier voor het overzicht van de transcriptie in Arabische woorden.

Top

Jemen, 16 juni 1996

Qasr al-Qubba-hotel, Tarim.
Qaṣr al-Qubba-hotel in Tarīm. V.l.n.r.: Man­ṣūr van de cafetaria, de bewaker, ondergete­kende, Sālim al-T., receptionist (hij is ook le­raar Engels). Een onbekende lange bezoeker, zeker uit het Noorden, gezien zijn lange witte dišdāša (ṯawb). Op de achtergrond het zwem­bad voor Jeme­ni­tische mannen.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 16 juni 1996 (zondag).

Naar het einde of de index.

Ṣanaᶜā’.
Wakker van de aḏān al-faǧr om on­geveer 04.15 uur. Ik kan niet goed meer slapen en sta om 04.50 op.
Ik denk aan de woorden van Nico: dat hij in het kasboek privézaken en taxi nooit bij elkaar zette, anders zou een deel van de taxikosten als privé kunnen worden aangemerkt. Nu hielden we en hield ik alle taxikosten als projectkosten aan, maar ik hield de taxi niet altijd uit de buurt van de privékosten. Ik besluit het kasboek te herschrijven en werk eraan van circa 05.00 tot 09.00 uur.
Ik ga naar de Algemene Organisatie etc., waar ik mijn paspoort aan Ǧamāl geef, die naar de paspoort­autoriteiten gaat.
ᶜAbd al-Raḥmān A. en ik worden ontvangen door dr. Aḥmad al-Š. voor een informeel gesprek.
Sprekend over de lawaaierige aḏān blijkt dat hij niet uitmunt in geloof. (Hij vindt ze ook te lawaaierig, maar dat mag je niet hardop zeggen, want dan wordt je beschuldigd van blas­femie, waarop de doodstraf staat.)
Met ᶜAbd al-Raḥmān bezoek ik de met een kwart ton gerestaureerde al-Nūba? toren in Ṣanaᶜā’. (Ongeveer tachtig jaar oud.) Wel ja, het geld, de ene helft van het geschenk aan Jemen, moest op. De al-Aḥqāf-bi­blio­theek kreeg de andere helft. (Twee­hon­derdvijftigduizend gulden.)
Bij de Algemene Organisatie bewon­der ik de ogen van enkele dames die in het zwart gekleed gaan en ga naar het hotel om te rusten, zodra ik mijn paspoort via Ǧamāl terug heb.
Op aanraden van ᶜAbd al-Raḥmān (gisterenavond) nodig ik Ǧamāl ook uit voor etentje in het restaurant van het Taj Sheba hotel, alles en iedereen op mijn kosten.

Bed, circa anderhalf uur.
Financiën: verbeterd kasboek gereed maken.
Nu 17.30 uur.
Weer: fris, in de zon, af en toe aanwezig, warm.

Ik ruim mijn spullen goed op en ben rond 19.00 in het Taj Sheba hotel. ᶜAbd al-Raḥmān, die er rond 19.00 uur zou zijn om zijn vriend Ǧamāl te ontmoeten, komt pas circa 19.30 en zijn vriend tegen 19.50 uur. Dan komt ook CR, van de Nederlandse Ambassade.
Het is een gezellige avond, die pas laat op gang komt, want ik weet niet goed wat ik met Ǧamāl moet bespreken, want ik ken hem nog maar kort.

Ik ben rond 22.45 uur in het al-Qāsmī-hotel en heb nu serieus last van diarree. Eergisteren, na de eerste pizza deden zich al proble­men voor. Na de tweede pizza weer, en nu, na de derde westerse maaltijd is het probleem ernstig. Ik moet lang zoeken tussen de meegebrachte medicijnen, maar uiteindelijk vind ik toch de antidiarree pillen.
Ik wil niet meer gaan slapen, want ik vertrouw de wekker niet en vrees bovendien dat ik me zal verslapen, zoals bij het vorig bezoek aan Ṣanaᶜā’ (15 mei) ook gebeurde.
Ik schrijf het dag-verslag op de com­puter en als ik de woorden van Ǧamāl van deze avond neerschrijf valt het kwartje, een zeer belangrijk kwartje.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 16 juni.
Ik krijg via Ǧamāl mijn uitreisvisum.

[…]

Van ᶜAbd al-Raḥmān hoor ik dat er in het Zuiden overstromingen zijn. De weg tussen Tarīm en Say’ūn is geblokkeerd.
(Van Pa en Ma hoor ik op 19 juni dat er in hun krant stond dat er in Oost-Jemen veel mensen verdronken zijn na overstromingen en dat veel huizen ingestort zijn.)

[…]

Na het gezellige etentje in restau­rant Bilquis van het Taj Sheba Hotel (Ali ᶜAbdul-Moghni Street in Ṣanaᶜā’) typ ik in mijn computer het verslag van deze dag en noteer daarbij ook wat Ǧamāl mij over zijn leven vertelde.
Al schrijvend (typend) wordt mij plotseling duidelijk dat zijn verhaal de sleutel is tot de oplossing van een, voor mij tot nu toe, onbegrijpelijke legpuzzel.
Ik schreef in brieven naar vrienden en vriendinnen in Nederland:
[…] de andere medewerkers doen […] niets. Als ze na een halve dag voor zich uitstaren, op de klok zien dat het half twee is, trekken ze zich terug om te gaan rusten. […] Er ontstond enige paniek toen bleek dat wij door willen werken, zodra de container met het materiaal aankomt.
Dan zouden ze na de middag ook nog gedwongen worden voor zich uit te staren, zonder dat ze aan rusten zouden toekomen
. (Einde citaat.)
Ik begreep niet goed waarom ᶜAbd al-Raḥmān een vergoeding uit het project wilde hebben. Was dat gewoon hebzucht? Dat extra werk dat hij claimde te doen, daarvoor werd hij toch betaald door zijn werkgever. Je bent directeur of je bent het niet, toch?
Ǧamāl zegt 10.000 rial [f. 130,00] per maand te ontvangen van zijn baas, de Algemene Organisatie. Hij heeft echter 30.000 rial per maand nodig.
Ik vraag of hij qāt gebruikt. Dat doet hij twee dagen in de week, slechts op donderdag en vrijdag.
“Hoe kom ik aan 30.000 rial?” vraagt hij. (Ik vrees een verzoek tot bij­drage.)
’s Morgens werkt hij bij de Algemene Organisatie voor Archeologie, Musea en Handschriften als Public Relations Officer. In de namiddag werkt hij bij zijn oom in een meubelwinkel en krijgt daarvoor 9.000 rial. De andere 11.000 rial verdient hij door op de luchthaven de doorvoer van handelswaar te bespoedigen. (Fixer.)
Hij kent veel mensen in de handelsbranche, want zijn vader had ook een winkel (hier, naast het Taj Sheba hotel) en hij kent de wetten. Als goederen ingevoerd moeten worden blijven die soms een week bij de douane liggen. Ǧamāl kent wegen (zonder veel steekpenningen (rašwa) te betalen) om de termijn tot twee dagen te bekorten. Op­dracht­gevers betalen voor deze diensten.
Zijn vrouw is een sociologe, die nu in verwachting is van hun tweede kind. Zij verdient bij een particulier instituut 12.000 rial per maand. De overheid betaalt voor hetzelfde werk slechts 8.000 rial.
Als ik weer in het hotel ben duurt het nog een hele tijd voordat het kwartje valt. Dat gebeurt wanneer ik de woorden van Ǧamāl in de computer intik. Dan wordt plotseling ‘alles’ duidelijk voor mij.
De medewerkers van de al-Aḥqāf-bi­bliotheek, die in paniek raakten bij het woord ‘overwerk’ en zeiden dat zoiets dagen van te voren aange­vraagd moest worden, waren niet te lui om te werken. Integendeel, zij zijn harde werkers. Na de middag en in de avond moeten ze natuurlijk hard aan slag om het resterende bedrag voor hun levensonderhoud bij te verdienen.
Abd al-Qādir, bijvoorbeeld, heeft een eigen bedrijf waar hij samen met Sjeik AB. ᶜUqūd-zaken (huwelijks­con­tracten) behandelt.
Van de anderen weet ik hun neven­in­komsten niet. Ik vroeg er niet naar, want ik dacht dat ze lui waren.
De taxichauffeur die me gisteren­avond naar het hotel bracht, werkt ’s ochtends bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en ’s middags als taxichauffeur.
Sālim al-T. in het Qaṣr al-Qubba-hotel werkt ’s ochtends als leraar Engels en ’s middags en ’s avonds als receptionist.
De vrouw van Hussain al-A., de andere receptionist van het Qaṣr al-Qubba-hotel werkt als gymnastiek­lerares in de school voor meisjes.
Een verhelderende avond. Anderhalf uur voor mijn vertrek naar de luchthaven en een paar uur voordat ik Jemen verlaat, heeft Ǧamāl een groot licht laten schijnen op de aldoor omfloerste opmerkingen over geld. Nooit werd me rechtstreeks verteld hoe de vork in de steel zit, in welke geldnood men verkeert, wat men allemaal moet doen om normaal te kunnen leven.
ᶜAbd al-Raḥmān vertelde enige weken geleden dat sommige amb­tenaren niet op hun werkplek verschijnen, of slechts tweemaal per dag. ’s Ochtends om hun aanwe­zigheidshandtekening te zetten en ’s middags om te tekenen dat ze naar huis gaan. In die tussentijd doen ze andere werkzaamheden, bij andere werkgevers of als zelfstandige. Ik heb dat verhaal gehoord, maar nooit een link gelegd naar noodzaak, ik achtte dit pure diefstal waartegen niet opgetreden werd.
Ambtenaren die bij het elek­trici­teitsbedrijf werken, zo vertelde ᶜAbd al-Raḥmān, krijgen gratis elektri­ci­teit, ambtenaren bij het telefoon­bedrijf krijgen gratis telefoon, maar wat krijgen ambtenaren die in een museum werken?
“Gratis toegang,” stelde ik, tot hilariteit van ᶜAbd al-Raḥmān. (De toegangsprijs is vijf rial per persoon (f. 0,07), dat hebben ze dan toch mooi verdiend, iedere dag!)
In elk geval is duidelijk, wil het Tarīm-project volgend jaar ook slagen, dat er dan voldoende geld gereserveerd moeten worden om in­komstenderving van de medewer­kers op te vangen.

Dit is het einde van het verslag van 16 juni.

Uit mijn herinneringen:
In Jemen ontving ik brieven van vrienden en vriendinnen uit Neder­land. Een van hen sprak in haar brief over de ‘Gekkekoeienziekte’. Dat speelde kennelijk in het nieuws. Ik kon aan haar verhaal geen touw vastknopen. Ik had geen idee waar ze het over had. In Jemen hoorde ik niets van wat er in de wereld gebeurde.

Nog moet ik vermelden dat ik bij bezoeken aan allerlei landen in de Arabische wereld steeds weer ont­dekte dat mensen daar niet kunnen kaartlezen. Ze waren zelfs niet in staat op de stadsplattegrond de straat aan te wijzen waarin ze zelf woonden, of een gebouw te vinden, waar we op dat moment voor stonden. In Zuid-Jemen, daarente­gen, was kaartlezen geen enkel probleem. Alle mensen die ik een landkaart of plattegrond toonde, konden daarmee overweg. Het communistisch onderwijs was dan toch nog ergens goed voor geweest.

 

Index van termen: aḏān, Algemene Organisatie, dišdāša, Fixer, Gekke­koeienziekte, Nederlandse Ambas­sade, al-Qāsmī-hotel, al-Qaṣr al-Qubba-hotel, qāt, rašwa, ṯawb, ᶜUqūd.

Index van personen: ᶜAbd al-Raḥmān A., ᶜAbd al-Qādir, Sjeik AB., Aḥmad al-Š., CR, Ǧamāl, Ḥusain al-A., Sālim al-T.

Index van locaties: Ali Abdul-Moghni Street, Ṣanaᶜā’, Say’ūn, Tarīm.

Dit is het einde van dag 92 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Transcriptie van de klinkers in Arabische woorden.

A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.

Klik hier voor het overzicht van de transcriptie in Arabische woorden.

Top