Uitzicht op Rabat, vanuit de stad Salé gezien. In het midden staat de rechthoekige Hassanminaret en links ervan (op de foto circa 1 cm) is het witte gebouw het mausoleum van koning Mohammed V.
Dagboek 1976
(Dag 1694) Cees en ik zijn samen op vakantie in Marokko. We verblijven sinds enkele dagen in de hoofdstad van dat land: Rabat. We bezoeken de stad Salé, die aan de overkant van de rivier Bou Regreg ligt, naast Rabat. De rivier stroomt tussen beide steden door.
Zaterdag, 18 september 1976.
Op tegen 9.00 uur. Ontbijt in het hotel. Vertellen met een Duitser.
Aangezien het ontbijt hier uit twee stukjes brood en een potje jam bestaat, heb ik gisteren in de nieuwe stad kaas gekocht en eten we nu ontbijt van het hotel plus extra brood en kaas.
Tegen 10.30 uur haal ik op het Postkantoor 250 Dirham (Dh) af.
Rond 12.00 uur gaan we naar Salé, te voet.
Het is smoorheet en we verwachten op de brug te zullen smelten. Dat gebeurt niet, want het is opmerkelijk koel op de brug over de Bou Regreg.
We lopen door een mooie Medina. Kopen er fruit. Als Cees de tas op zijn rug heeft hangen voelt hij iets aan de tas. Als hij zich omdraait ziet hij niets, maar als hij in de tas kijkt, is een sinaasappel weg.
We lopen naar het strand en gaan om de beurt zwemmen in de zoute monding van de Bou Regreg in de Atlantische oceaan. (Om de beurt, omdat anders het geld en de fotospullen onbeheerd zijn.)
We krijgen aanspraak van de niet lelijke Idriss, die een oog mist en het ooglid dicht heeft, waaronder een etterrandje staat, en zijn vriend.
Zijn vriend gaat weg en hij blijft alleen over. Cees gaat wandelen en Idriss wrijft het zand van mijn lichaam. Zoveel mannelijke tederheid!
Hij leidt ons door de stad Salé in een wat hij ‘oude moskee’ noemt, maar wat waarschijnlijk een oude Madrassa is. [Entree:] 1 Dirham per persoon.
Na een poosje baal ik van hem en we geven hem circa 6 Dirham als dank voor de rondleiding. Hij wil ons ook in Rabat rondleiden, maar dat willen we niet, omdat we morgenvroeg willen vertrekken.
We lopen terug naar Rabat en zitten op de rand van een muur bij de Oued [=rivier] Bou Regreg, schuin tegenover de Hassantoren / Hassanminaret, bij een verkeerslicht.
We praten met een mooie jongen van 18 jaar, die erg vriendelijk is. Hij werkt bij een toeristenbureau. Hij heet Kalifa en houdt zich niet aan de Ramadan. Hij rookt hasj, drinkt wijn en eet als hij honger heeft. Hij droomt ervan om naar Kitama te gaan. (Daar wordt hasj wordt verbouwd.)
Tegen 19.00 uur is het einde van de Ramadan. De 23ste dag en in de Medina begint dan het gezellige leven. In de Medina spreken we een Amerikaans sprekende Marokkaan, een andere dan gisteren, die ons een plaatsje toont om lekkere harira (soep) te eten. (Twee kommen plus brood is 1 Dh.) We geven 1 Dh fooi.
Cees koopt schoentjes (babouches) voor 25 Dh (f. 15,00) Ik denk de hele Koran te kopen voor 2 Dh, maar later blijkt het slechts een stukje te zijn.
Tegen 22.30 uur gaan we naar bed. Weer: hele dag smoorheet. ’s Avonds iets bewolkt.
(Dag 1693) Cees en ik zijn samen op vakantie in Marokko. We verblijven in de hoofdstad van dat land: Rabat, waar we eergisteren arriveerden. Vandaag zoeken we een beter hotel. – Ik koop een aantal schoolboeken om Arabisch te leren. – Cees kookt op zijn primusbrander, net zoals gisteren, weer een heerlijke vegetarische maaltijd, nu aan de voet van een steunpilaar van het fort van de Chellah. – Een soldaat zoent mij en wil met mij vrijen.
Vrijdag, 17 september 1976.
Vrijdag: de Islamitische ‘zondag’.
Op tegen 8.30 uur.
Ontbijt van het hotel.
We zoeken een ander hotel: Splendid.
Ik wil een lichtmeter voor het fototoestel kopen om niet meer door de lens te kijken als ik fotografeer, zodat het niet opvalt dat ik foto’s maak. In Nederland heb je een goede voor circa f. 50,00 In Marokko moet ik 160 Dirham (Dh) betalen, dat is bijna f. 100,00 Dat heb ik er niet voor over.
We gaan de Medina in. De Marokkaan in de trein naar Algeciras [in Spanje] had me als Arabische lesstof het boekje Iqrā’* aangeraden (nr. 1) Ik koop dit en ’s avonds ook nog de delen 2 tot en met 5.
We wilden in het zuiden van de stad langs de oceaan gaan eten. We lopen, lopen, lopen, lopen, lopen. Overal mensen langs het water. Het is (islam) ‘zondag’.
Dwars door de stad. We kopen druiven en een Marokkaanse jongen vraagt druiven aan de verkoper. Deze geeft die en als de jongen ze opeet, begint hij over de Ramadan te zeuren. De jongen zegt Jood te zijn, maar de ouwe is ontsteld.
We lopen door en Cees raakt gedemoraliseerd en begint te sloffen. Dat is iets waar ik niet tegen kan. Ik zeg het en we lopen verder. We komen bij fort van de Chellah.
Op de voet van een pilaar kookt Cees zijn tweede lekkere potje. [Met zijn Primus.]
Jongens, erg mooie en minder mooie, komen bij ons praten.
Vier bedelaartjes voor geld: elk 0,50 Dh.
Als ik later ergens alleen een foto van de inmiddels in de duisternis mooi verlichte stad Salé wil maken, komt er een soldaat bij me staan. Hij staat zenuwachtig te lachen. Geeft me een keer of drie een hand. Ik denk: “Wanneer sodemietert hij nu op?” want ik ben bang dat hij door het beeld loopt als ik de sluiter [lang] open heb staan.
Dan zeg ik salem aleikoem of zoiets, om hem kwijt te raken. Hij pakt me vast en wil me kussen en begint te vrijen. Met die mooie jongetjes van toen straks had ik wel gewild, maar met hem wil ik niet.
Een “Non, non, non” van mij helpt niet, omdat hij me al vast heeft en al gekust heeft. Pas als ik hem van mij afduw, gaat hij (vriendelijk) weg.
Tegen 21.00 uur in het hotel. We gaan de Medina in, spreken en drinken met een Amerikaans sprekende Marokkaan thee in café-restaurant Bon Goût.
Tegen 00.00 uur zijn we thuis [hotel], doodmoe, want we hebben meer dan 25 km gelopen (vandaag.) We gaan op bed.
Cees kocht een zwarte djellaba voor 140 Dh. Weer: weer smoorheet.
*
Iqrā’ (ﺇﻗﺮﺁ) is een ‘gebiedende wijs / imperatief’ en betekent ‘lees!’. Dit is de titel van een reeks schoolboeken voor kinderen in Marokko, die beginnen met het leren schrijven en lezen van het Arabisch.
Een deel van de ruïne van de Chellah. Boven op de toren is een ooievaarsnest te zien.
Dagboek 1976
(Dag 1692) Cees en ik zijn samen op vakantie in Marokko. We verblijven in de hoofdstad van dat land: Rabat, waar we gisteren arriveerden. Vandaag dolen we door de stad en omgeving. – Cees heeft zijn primusbrander meegenomen en kookt een heerlijke vegetarische maaltijd op het strand van de Atlantische Oceaan.
Donderdag, 16 september 1976.
Op tegen 8.20 uur. Hotel: ontbijt.
Ik schrijf mijn eerste brief aan Pa en Ma en een kortere aan Opa met beide verschillende gegevens, zodat ze elkaar wat te vertellen hebben.
We wandelen door de nieuwe stad en maken foto’s (dia’s) van moderne nieuwbouw.
We bezoeken de oude Romeinse stad Chellah, waar het in de schaduw erg koel is en heerlijk fris. Er is een prachtige tuin met sinaasappel-, granaatappel- en grapefruitbomen.
We wandelen door de Mellah en de Medina en we worden voor het eerst duidelijk geconfronteerd met de bittere armoede en de slechte gezondheidstoestand van veel Marokkanen.
Twintig procent mist wel het licht uit één oog. Oogziekten en ooggebreken zijn er ontzettend veel in heel Marokko. Lichaamsziekten, het kan haast niet anders: vliegen zijn er bij miljoenen en het vlees en de zoete koeken zitten ónder de vliegen.
Het papiergeld is vaak te vies om aan te pakken, vieze vodjes zijn het, behalve de grote biljetten van 50 en 100 dirham (Dh).
En bedelaars: ik voelde me bezwaard om met de fotoapparatuur rond te lopen en ik heb het toestel gauw weggestopt. Als ik een foto wilde maken, pakte ik het, maakte de foto en stopte het weer weg.
We lopen naar de Kasbah, ik met het fototoestel om de nek. Een jongen wilde ons rondleiden. Wij wilden niet. Waarom niet? Bang om een paar dirhams uit te geven? Ik weet het niet meer. Hij zei dat we eruit moesten en dat hij ons voor 5 Dh zou rondleiden. Hij werd wat agressief en wij zijn toen maar gegaan.
Langs de oceaan hebben we uitgerust. Groente kopen in de Medina. Cees kookt langs de zee een potje op zijn primus. In het donker opeten. Lekker vegetarisch.
In het hotel zoeken we uit wat we te veel hebben meegenomen en wat terug kan naar Nederland.
Terug naar de Medina, waar, zoals in heel Marokko, het stikt van de prachtige knapen en de ene is nog niet langs of er komen weer tien nieuwe aan en sommige erg sexy.
In mijn zakdagboekje schreef ik dat ik een mooie fel-ogende boy gezien heb. Ik kan hem nu niet meer voor de geest halen.
Bed tegen 01.30 uur. Weer: smoorheet.
Onderweg, tussen Tanger en Rabat. Mensen wachten op iets, voor de slagerij.
Dagboek 1976
(Dag 1691) Vandaag nemen Cees en ik de bus van Tanger naar de hoofdstad van Marokko, Rabat. – Direct nadat we op het eindstation in Rabat uit de bus zijn gestapt probeert iemand mijn portefeuille te rollen, terwijl ik op mijn bagage sta te wachten.
Woensdag, 15 september 1976.
Op 7.00 uur.
We nuttigen het ontbijt in het hotel en ik haal 250 Dirham (Dh) van de Giro op het postkantoor. Het geeft geen problemen.
We worden aangesproken door een sympathieke, aardige en mooie jongen die in een blauwe broek en wit truitje loopt. Hij spreekt goed Engels. Praat helemaal niet over hasj en wil ons alleen maar naar de ambachtslieden praten. (Waar hij waarschijnlijk commissie krijgt.) Hij doet dit op een vriendelijke, niet hinderlijke manier en als we zeggen dat we Tanger verlaten, vraagt hij wanneer we terugkomen.
In hotel Massilia betalen we de rekening. Voor kamer 217 is dat 37 Dh, inclusief ontbijt. (De Marokkaanse munteenheid: Dirham, één Dirham is f. 0,60.)
We willen naar de bus lopen en komen die vriendelijke boy weer tegen. Hij wijst ons een andere weg naar de bussen. Hij denkt even dat we hem niet serieus nemen, raakt even geprikkeld en even later nemen we afscheid en wij volgen de door hem aangewezen weg.
Bij de bushalte van de CTM LN (Compagnie de Transports au Maroc, Lignes Nationales) kopen we twee kaartjes naar Rabat. Voor het zover is zijn we onderweg nog een paar keer lastig gevallen door hasjverkopers en door mensen die voor gids willen spelen. Tegen betaling, uiteraard.
De bus kost 20,25 Dh, dat is f. 12,15 per persoon voor 278 km bussen.
We vertrekken tegen 11.15 uur en via een mooi landschap en met een steeds voller wordende bus komen we tegen 15.00 uur in Rabat aan. (Dia’s maken.)
We stappen uit en wachten op onze bagage. Ik voel, ja ik voel mijn portefeuille omhoog gaan. Ik grijp en hij steekt er al half uit. Ik durf niet om te kijken. Pas na een poosje doe ik dat en zie een paar mensen naar me kijken.
We lopen met onze bagage naar buiten uit het busstation.
Ik doe mijn portefeuille in een speciaal hiervoor gemaakte zak. Naar Cees’ idee aan de riem van mijn broek en draag hem voortaan op mijn buik. [Binnen in de broek.]
Het enige waardevolle artikel dat verloren had kunnen gaan was mijn portefeuille. Het gebeurde maakte zo weinig indruk op me dat ik het in het zakdagboekje vergat te vermelden en het pas een paar dagen later tussen de regels inschreef, toen ik er aan moest denken.
We gaan in een hotel, 2 sterren A. ‘Terminus’. Geen douche. Een slecht hotel.
We gaan in de Medina wandelen en ook hier verdwalen we bijna in de smalle straatjes. Er is vrijwel geen hasjverkoop.
We drinken thee in de Medina. Kopen koek en brood.
Tegen 22.30 uur naar bed. Weer: erg mooi, erg warm.
De rots van Gibraltar, gezien vanaf de veerboot tussen Algeciras in Spanje en Tanger in Marokko, in de Straat van Gibraltar.
Dagboek 1976
(Dag 1690) Samen met mijn buurman Cees ben ik op weg voor een vakantie in Marokko. In de loop van de ochtend komen we in de Zuid-Spaanse plaats Algeciras aan. Van daaruit reizen we met een veerboot naar de Marokkaanse stad Tanger, waar veel jonge Marokkanen niet kunnen begrijpen dat we niet roken en ook geen hasj gebruiken.
Dinsdag, 14 september 1976.
Op tegen 8.00 uur.
Wassen en scheren.
Aankomst in Algeciras 9.09 uur: precies op tijd.
Met de bus naar de haven.
Ticket voor de boot. In de haven buiten in een warme zon eten. Circa 11.00 uur.
Een briefkaart schrijven voor Pa en Ma en Opa.
Tegen 13.15 uur vertrekt de boot. Ik maak de eerste dia’s van Algeciras en Gibraltar. De boot vaart in 2,5 uur van Algeciras naar Tanger.
In Spanje heerst Oost-Europese tijd, in Marokko Greenwich tijd.
We arriveren rond 14.00 uur in Tanger.
Het eerste buiten-Europese contact op Afrikaanse bodem is niet zo overdonderend als ik verwacht had.
We lopen dwars door de Medina, hulpaanbieders wegwimpelend en land-van-herkomst-vragers om de tuin leidend (we komen uit de hemel, we komen uit China) naar het toeristenbureau.
Dit is het enige bureau waar we vriendelijk geholpen worden tijdens onze Marokkaanse reis.
De Engels sprekende heer wijst ons hotel Massilia als ideale slaapplaats: goed een goedkoop.
Uitgeput liggen we op bed. We douchen en lopen de stad in.
Eten in een westers restaurant, zonder vlees. Verdwalen bijna in de Medina en lopen door de Mellah.
Alles is levenslustig: het is het einde van een Ramadandag.
Hasjverkopers, directe, zo van: “Wil je hasj?” tot jongelui die tien minuten tot een kwartier de tijd nemen voordat ze over hasj beginnen. Het is voor Marokkanen niet te begrijpen dat we niet roken.
In het hotel drinken we muntthee en gaan tegen 00.00 uur op bed. Weer: in Europa, en ook in Afrika, is het zomers: heerlijk. ’s Avonds lekker.
(Dag 1689) Samen met mijn buurman Cees ben ik op weg voor een vakantie in Marokko. – We zitten in de trein vanuit Parijs naar Spanje. – De Spaanse conducteur doet moeilijk over mijn couchettebiljet.
Maandag, 13 september 1976.
Op tegen 7.30 uur. Goed geslapen, alleen even koude voeten gehad, maar met een extra deken was dat geen probleem.
Wassen en eten.
De Marokkaan en zijn vrouw eten niet. Dat hebben zij vannacht al gedaan. Het is Ramadan tussen zonsopgang en zonsondergang.*
In Hendaya, waar we nu zijn, wordt de couchettetrein van onderstel verwisseld. Spanje heeft breder spoor.
We vertrekken tegen 10.00 uur uit Irun.
Die dag trekken we door Spaans landschap. Ik spreek slechts weinig Frans en spreek toch (zij het gebrekkig) veel met de Marokkaan over algemene zaken, Marokko enzovoorts. Taalgebruik daar en meer van die dingen. Vroeger, circa 10 jaar, geleden heeft hij Engels geleerd en is veel vergeten.
’s Middags krijg ik een verklaring van de Koran en ’s avonds in Madrid komt er een dronken conducteur op de trein.
Het verkrijgen van een goede couchette in Parijs was een vermoeiende slag. Ik had het bednummer van die van mij laten veranderen tot een bednummer in de coupé van Cees. De conducteur gaf ons in Parijs hetzelfde bednummer. Cees heeft mij hierop geattendeerd, maar ik was moe en heb het niet meer meegekregen.
De conducteur [de Spaanse] verklaarde het briefje ongeldig, ook omdat er in Nederland met de pen op deze doordruk was veranderd. De datum en de bestemming Parijs-Algeciras was doorgestreept en er was Madrid-Algeciras van gemaakt door de NS.
De conducteur sprak geen Frans: “We zijn in Spanje.” zei hij.
De Marokkaan probeerde voor mij het een en ander te regelen. Hij deed goed zijn best en er kwam ook een Frans sprekende Spanjaard bij.
Die couchette was en bleef ongeldig en ik kon een nieuwe kopen. Wat ik ook deed.
Ik kreeg geen bon en heb ook later geen gekregen. Ik heb er één keer naar geïnformeerd en later dacht ik: “Laat die arme sloeber die duiten maar houden, hij kan ze beter gebruiken dan ik.” Bovendien zou ik in Nederland mijn geld terugkrijgen.
Na deze vermoeiende en slopende zaak heb ik met de Marokkaan nog eens over politiek gesproken.
Tegen 22.00 uur gingen we naar bed. Weer: in de trein heerste een lekkere temperatuur en het was er droog.
*
Formeel hoefde de Marokkaan en zijn echtgenote niet te vasten. Als je op reis bent is vasten niet verplicht, maar je moet die gemiste vastendagen later wel inhalen, of een offer brengen.
(Dag 1688) Ik woon op kamers aan de Tafelstraat 30 te Maastricht. – Vandaag vertrekken mijn buurman Cees en ik met vakantie naar Marokko. We reizen met de trein van Maastricht via Luik en Brussel naar Parijs.
Zondag, 12 september 1976.
Opgestaan circa 8.10 uur. Bed verschonen.
Eten bij Cees.
We gaan met de trein om 10.59 uur weg uit Maastricht, dat is een uur eerder dan afgesproken.
Ik bel Pa en Ma op. Cees belt naar JM.
Een zatte Braziliaan vraagt me geld voor te eten. Hij is zijn duiten kwijt. Ik geef hem vier kwartjes.
We reizen naar Luik, vanwaar we vrij snel naar Brussel vertrekken. Het uur eerder vertrek uit Maastricht levert in Brussel geen tijdwinst op.
We lopen met volle bepakking door Brussels buitenwijk bij Station Noord. De Belgische economie wordt zoals in alle westerse landen door buitenlanders gedragen. Als je ziet hoe ze in Brussel (en waar niet?) zijn weggestopt, schieten je de tranen in de ogen.
Bij een monument voor gevallen strijders uit beide wereldoorlogen plaatsen we de lasten en rusten we uit. Ik voel me een engel zo zwevend licht.
We lopen door de Botanische tuin en ik zie de eerste mooie jongens van vandaag.
In de Stationsrestauratie waren er nog meer en [daar] we drinken citroenthee.
Twee dames krijgen een bak koffie waarvan het water nog door het filter moet druppelen. Een kwartier later is de bijbehorende room verdwenen en het water nog niet door gedruppeld.
Wij stappen in de om 15.51 uur vertrekkende trein naar Parijs. Het is er stampvol. Drie plaatsen zijn er vrij. Cees zit naast mij en tegenover mij zit een knaap. Geregeld lacht hij lief naar me en ik voel me blij en ik ben in staat de hele reis een lachend gezicht (gemeend en niet spelend) vol te houden. Na verloop [van tijd] probeer ik contact in het Frans en gelukkig spreekt hij een poosje later ook Engels. Ik ben bijna verliefd. Als hij weg is en een poosje later terugkomt hangt zijn linkerhand flikker-vrouwelijk ter hoogte van zijn heup. Hij komt uit Grenoble. Is daar universiteitsstudent en is in Nederland alleen op vakantie geweest.
Hij is een lust voor het oog met zijn krullenkop, half wild op zijn hoofd gezet.
In Parijs Noord tot Austerlitz zie ik hem nog een keer, in de bus. Als hij uitstapt ben ik hem al bijna vergeten en merk alleen nog dat hij goeiedag zegt. Cees antwoordt en ik kijk om en zie hem niet meer.
In Austerlitz is de trein er nog niet. We eten in de restauratie. We laten het vlees liggen en drinken mineraalwater.
Twee Fransen pappen aan. Oudere leeftijd, begin veertig. Ik vertrouw hun blikken niet. Een heeft een ringbaardje en spreekt slechts Frans, de ander een beetje Engels. Ik hang een verhaaltje op: we gaan naar Spanje en de trein die naar Irun gaat is de onze. Zij gaan mee. We reizen dus in dezelfde trein, zegt hij, want zij gaan naar Dax.
Er vertrekt echter ook een trein eerder naar Irun en die tijd had ik genoemd. Zij denken dus met ons te reizen en wij nemen in werkelijkheid een andere trein.
We betalen en vertrekken meteen. Zij willen volgen. Hun betalingsprocedure duurt langer dan ze dachten en wij lopen Parijs in. We kopen fruit en yoghurt. Op het perron probeer ik voor Cees een couchette te kopen en wordt van het kastje naar de muur gestuurd.
Ik gebruik het woord ‘boucher‘ voor ‘kopen’. JM had dat gezegd en ik: “Dat geloof ik ook.” en had het klakkeloos overgenomen. ‘Acheter‘ moet het zijn.
De trein rijdt al (vertrek 22.49 uur) toen ik met veel moeite een couchette voor Cees en mijzelf in dezelfde coupé had. Als ik alleen was geweest, had ik bij een stel kinderen en hun ouders moeten slapen. Nu slapen wij tweeën bij een Marokkaan en zijn vrouw.
De Marokkaan vertelt voor het slapengaan dat Marakesh een mooie stad is: “De rode stad”, zegt men. Weer: van Maastricht tot Parijs goed.
Een luchtfoto uit 1975 van een deel van het Jekerkwartier in Maastricht. Het pand Tafelstraat 30 is nabij de bovenrand te zien, iets links van het midden, met de oranje stip.
Voor bezoekers die via the-face.com op deze website komen: als de interne links (menu, begin, einde) niet werken (mobiele telefoon / smartphone) klikt u voor het originele adres van dit bericht op: irada.com.
Tafelstraat 30.
Achter de twee ramen op de begane grond woon ik van eind december 1974 tot medio juni 1977. Op de poster in het raam rechts staat: “Minder vlees, mevrouw: u weet wel waarom”, waarna een uitleg volgt waarom het beter is minder vlees te eten. Ik was toen vegetariër. De straat links heet ‘Achter de molens.’ In dit stadsdeel (Jekerkwartier) stroomt de rivier de Jeker tussen en onder de huizen door. In de Jeker liggen hier vlakbij enkele watermolens.
Onderweg naar de archeologische site van Raybūn in Wādī Duᶜan, waar rond het begin van onze jaartelling een tempel stond voor het aanbidden van de maangod(in) Sīn. Ik bleef het landschap van de Wādī omringd door de tafelbergen fascinerend vinden en ik kon er geen genoeg van krijgen. Mysterieus mooi vond ik het.
Twintig jaar geleden: dagboekfragment 17 juni 1996 (maandag).
Ṣanaᶜā’ – Leiden.
Een half uur eerder dan gepland komt ᶜAbd al-Raḥmān A. met de bevriende taxichauffeur die me naar de luchthaven brengt. Onderweg begint het te regenen: pijpenstelen!
Ik betaal 2.000 riyāl aan ᶜAbd al-Raḥmān voor de taxi.
Als ik ingecheckt ben en mijn 32 kg zware koffer als 20 kg is geboekt ga ik even terug naar ᶜAbd al-Raḥmān en geef hem 6.000 riyāl (die ik apart gehouden had, als ik misschien moest bijbetalen voor overgewicht.) Hij had 6.000 riyāl schade geleden door slechte afspraken, tijdens het bezoek van de mensen van het Institut du Monde Arabe uit Parijs. Ik geef het geld hiervoor. Hij wil het niet hebben, maar ik dring aan. Natuurlijk neemt hij het op den duur aan. Ik wil dat hij het neemt.
Ik heb nu nog 326 dollar en 800 riyāl over.
We nemen afscheid en we gaan ieder onze weg.
In afwachting van de vertrektijd bestudeer ik de veiligheidsmaatregelen op de luchthaven. Die zijn er, maar zo lek als een mandje.
Dat weet de Jordaanse luchtvaartmaatschappij Royal Jordanian ook, want iedereen die aan boord komt wordt gefouilleerd. (Vrouwen ook?)
Mijn speciaal gevraagde plaats is bezet. De jongen wijst naar de vrije stoel langs het gangpad. Ik insisteer en hij staat met een lang gezicht op.
Ik zit tijdens de terugreis naar Nederland lang naast het raam. Mekka en Medina gaan schuil onder een dikke wolkenlaag.
De vrouw van de jongen is er ook, maar hij zit naast zijn vader. Hij draagt de gebruikelijke zilveren trouwring. (Voor islamitische mannen zijn gouden sieraden verboden.) Zijn moeder en stralend mooie zusje in schitterend versierde kleren, zitten in de buurt. Zijn vrouw (als het zijn zus is, waarom draagt hij dan een trouwring?) en moeder zijn helemaal in het zwart met gezichtssluier: niqāb. Ze gaan op vakantie naar Jordanië. Welke Jemeniet kan dat betalen? Qāt-boeren alleen maar!
Op de luchthaven van Amman, Jordanië, waar ik op mijn volgende vlucht moet wachten, breng ik de tijd door met het lezen van het geprinte rapport van het Tarīm-project en met het kijken naar mooie vrouwen.
In Tarīm zullen vandaag de dadels rijp zijn.
Aan boord van het vliegtuig van Amman naar Amsterdam kom ik naast een sexy meid te zitten, maar ik merk meteen dat die niet ‘in’ is voor een praatje.
Een oudere Palestijnse (?), die alleen reist, wordt naast een man geplaatst, maar daar wil ze niet gaan zitten. Die plaats is naast het raam en ik zie mijn kans schoon. Ik had een plaats aan een raam gevraagd, maar die was er niet.
De oude Palestijnse en een andere vrouw zijn mij zeer dankbaar dat ik met haar wil ruilen. Zij naast de mooie, maar zwijgende, vrouw en ik naast het raam.
Tot mijn grote verbazing vliegen we over de Dode Zee en Jeruzalem. De koepel van de Qubbat al-ṣaḵra (de Rotskoepelmoskee) in de ḥaram al-šarīf (het Edele Heiligdom, de Tempelberg) staat er glinsterend bij.
De stad is mooi, maar doet me niet veel. We vliegen over de landingsstrip van Ramallah en dus over het huis van Zakī D.(?) Over de Bir Zeit Universiteit, waar wellicht NvB verblijft. (En komende vrijdag weggaat.)
Mijn buurman op deze vlucht is een 33-jarige Syrische chirurg die in de Saoedische ‘Tuin’ (al-Riyāḍ = de tuin) werkt en eens per jaar 45 dagen in Chicago van de westerse vrijheid gaat genieten. (Zijn vrouw ging naar haar familie in Syrië.)
In al-Riyāḍ bestaat het uitgaansleven uit winkelen. Verder is er niets. Geen bioscopen, niets, helemaal niets. Verder geen gebrek aan luxe. Zijn ziekenhuis heeft alle noodzakelijke apparatuur.
Hij laat zich graag voorlichten over Jemen, want hij had eens overwogen om daar te werken, maar verkoos al-Riyāḍ.
De film: “Gold diggers” is een flauwe film, maar de (jonge) actrices zijn sexy en dat is het enige waar ik op let.
–
Jan Just Witkam haalt me op Schiphol op en brengt me thuis. (Volgens afspraak.)
In Leiden doe ik boodschappen. De Winkelsluitingswet is gewijzigd en winkels mogen tot 8.00 uur ’s avonds open blijven.
–
Eten: brood met witte bonen in tomatensaus.
Bed circa 20.00 uur: uitgeput.
–
In het zuiden van Jemen werd ik vooral dikker, geheel tegen de verwachting in. Mijn kakibroeken waren te nauw toen ik vertrok, maar ik verwachte dat ze me gauw zouden afglijden. Het leven vol inertie en het vette eten, met veel kip, veroorzaakte het tegenovergestelde.
–
Seks met vrouwen behoort in Jemen vrijwel tot de onmogelijkheden. Met mannen durfde ik het, voor mijn reputatie, niet aan. Er zijn bovendien maar weinig echt aantrekkelijke mannen. Veel zijn vreselijk mager.
Van de toeristen waren er maar een paar die ik nu (in de overvloed van Nederland) echt aantrekkelijk zou vinden. Geen enkele was zonder man.
Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.
Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.
Fragment uit het verslag van 17 juni.
In het Qaṣr al-Qubba-hotel in Tarīm vertelde men mij verschillende keren dat de dadels over zoveel dagen rijp zouden zijn. Als ik ‘zoveel dagen’ uitrekende kwam ik iedere keer op maandag 17 juni uit, de dag van mijn thuisreis. (Nu blijkt dat er rond 17 juni ernstige overstromingen in Tarīm zijn. Voor dadels zullen de mensen geen tijd hebben. Hoe vergaat het Ḥusayn, de jonge jongen die de dadelboerderij van zijn vader bestiert, die zelf ergens ver weg werkt?)
[…]
De familie die in het vliegtuig naast mij zit gaat op vakantie in Jordanië. Welke Jemeniet kan een reis naar het buitenland betalen? De man zal ongetwijfeld zijn geld verdienen met het verbouwen van qāt.
Gisteren vroeg ik aan Ǧamāl hoe het zat met de qāt-boeren. Zijn dat nu criminelen of niet? Hij vertelde dat ze vroeger, tien jaar geleden, wel als criminelen werden gezien, maar nu er zoveel verslaafden zijn is hun positie aanmerkelijk verbeterd. De afhankelijken zien hun verstrekkers waarschijnlijk niet als een crimineel, maar als een goed mens.
[…]
Mijn Syrische buurman in het vliegtuig, na Amman, Mazen, is chirurg in al-Riyāḍ. In zijn ziekenhuis werken alleen maar buitenlandse verpleegsters, voornamelijk uit de Filippijnen. De voertaal is derhalve Engels. Voor de overwegend Arabische cliënten zijn er enkele vertalers in dienst. Het ontbreekt in die ziekenhuizen aan niets, wat apparatuur betreft.
Dat is in Jemen wel anders. Ik begreep al van een Nederlandse verpleegster, die in Tarīm op bezoek was, dat er geen ziekenhuizen zijn waar vrouwen opgenomen kunnen worden.
[…]
Mazen vertelt ook dat hij in zijn jonge jaren zich voor manuscripten (handschriften) geïnteresseerd had, maar nadat hij begrepen had dat het lezen daarvan geen eenvoudige klus was, was zijn belangstelling snel verdwenen.
Hij vertelt dat in Aleppo de belangrijkste verzameling microfilms van heel Syrië te vinden is, met microfilms uit de hele Arabische wereld.
[…]
Leiden is een ‘culture shock’. De zon schijnt een beetje. Waarom lopen de mensen allemaal half bloot over straat?
Hedenochtend nog zag ik vrouwen waarvan ik alleen de ogen kon zien, omdat hun lichaam verscholen ging achter zwarte doeken. Nu zie ik vrouwen waarvan ik alleen de ogen niet kan zien, omdat die verscholen gaan achter zwarte Ray Bans.
Dit is het einde van het verslag van 17 juni.
Index van termen: Bir Zeit Universiteit, Gold diggers, Institut du Monde Arabe, niqaab, Qasr al-qubba-hotel, qat, Ray Ban, Rotskoepelmoskee, Royal Jordanian, Winkelsluitingswet,
Transcriptie van de klinkers in Arabische woorden.
A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.
Klik hier voor het overzicht van de transcriptie in Arabische woorden.
Qaṣr al-Qubba-hotel in Tarīm. V.l.n.r.: Manṣūr van de cafetaria, de bewaker, ondergetekende, Sālim al-T., receptionist (hij is ook leraar Engels). Een onbekende lange bezoeker, zeker uit het Noorden, gezien zijn lange witte dišdāša (ṯawb). Op de achtergrond het zwembad voor Jemenitische mannen.
Twintig jaar geleden: dagboekfragment 16 juni 1996 (zondag).
Ṣanaᶜā’.
Wakker van de aḏān al-faǧr om ongeveer 04.15 uur. Ik kan niet goed meer slapen en sta om 04.50 op.
Ik denk aan de woorden van Nico: dat hij in het kasboek privézaken en taxi nooit bij elkaar zette, anders zou een deel van de taxikosten als privé kunnen worden aangemerkt. Nu hielden we en hield ik alle taxikosten als projectkosten aan, maar ik hield de taxi niet altijd uit de buurt van de privékosten. Ik besluit het kasboek te herschrijven en werk eraan van circa 05.00 tot 09.00 uur.
Ik ga naar de Algemene Organisatie etc., waar ik mijn paspoort aan Ǧamāl geef, die naar de paspoortautoriteiten gaat.
ᶜAbd al-Raḥmān A. en ik worden ontvangen door dr. Aḥmad al-Š. voor een informeel gesprek.
Sprekend over de lawaaierige aḏān blijkt dat hij niet uitmunt in geloof. (Hij vindt ze ook te lawaaierig, maar dat mag je niet hardop zeggen, want dan wordt je beschuldigd van blasfemie, waarop de doodstraf staat.)
Met ᶜAbd al-Raḥmān bezoek ik de met een kwart ton gerestaureerde al-Nūba? toren in Ṣanaᶜā’. (Ongeveer tachtig jaar oud.) Wel ja, het geld, de ene helft van het geschenk aan Jemen, moest op. De al-Aḥqāf-bibliotheek kreeg de andere helft. (Tweehonderdvijftigduizend gulden.)
Bij de Algemene Organisatie bewonder ik de ogen van enkele dames die in het zwart gekleed gaan en ga naar het hotel om te rusten, zodra ik mijn paspoort via Ǧamāl terug heb.
Op aanraden van ᶜAbd al-Raḥmān (gisterenavond) nodig ik Ǧamāl ook uit voor etentje in het restaurant van het Taj Sheba hotel, alles en iedereen op mijn kosten.
–
Bed, circa anderhalf uur.
Financiën: verbeterd kasboek gereed maken.
Nu 17.30 uur.
Weer: fris, in de zon, af en toe aanwezig, warm.
–
Ik ruim mijn spullen goed op en ben rond 19.00 in het Taj Sheba hotel. ᶜAbd al-Raḥmān, die er rond 19.00 uur zou zijn om zijn vriend Ǧamāl te ontmoeten, komt pas circa 19.30 en zijn vriend tegen 19.50 uur. Dan komt ook CR, van de Nederlandse Ambassade.
Het is een gezellige avond, die pas laat op gang komt, want ik weet niet goed wat ik met Ǧamāl moet bespreken, want ik ken hem nog maar kort.
–
Ik ben rond 22.45 uur in het al-Qāsmī-hotel en heb nu serieus last van diarree. Eergisteren, na de eerste pizza deden zich al problemen voor. Na de tweede pizza weer, en nu, na de derde westerse maaltijd is het probleem ernstig. Ik moet lang zoeken tussen de meegebrachte medicijnen, maar uiteindelijk vind ik toch de antidiarree pillen.
Ik wil niet meer gaan slapen, want ik vertrouw de wekker niet en vrees bovendien dat ik me zal verslapen, zoals bij het vorig bezoek aan Ṣanaᶜā’ (15 mei) ook gebeurde.
Ik schrijf het dag-verslag op de computer en als ik de woorden van Ǧamāl van deze avond neerschrijf valt het kwartje, een zeer belangrijk kwartje.
Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.
Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.
Fragment uit het verslag van 16 juni.
Ik krijg via Ǧamāl mijn uitreisvisum.
[…]
Van ᶜAbd al-Raḥmān hoor ik dat er in het Zuiden overstromingen zijn. De weg tussen Tarīm en Say’ūn is geblokkeerd.
(Van Pa en Ma hoor ik op 19 juni dat er in hun krant stond dat er in Oost-Jemen veel mensen verdronken zijn na overstromingen en dat veel huizen ingestort zijn.)
[…]
Na het gezellige etentje in restaurant Bilquis van het Taj Sheba Hotel (Ali ᶜAbdul-Moghni Street in Ṣanaᶜā’) typ ik in mijn computer het verslag van deze dag en noteer daarbij ook wat Ǧamāl mij over zijn leven vertelde.
Al schrijvend (typend) wordt mij plotseling duidelijk dat zijn verhaal de sleutel is tot de oplossing van een, voor mij tot nu toe, onbegrijpelijke legpuzzel.
Ik schreef in brieven naar vrienden en vriendinnen in Nederland:
[…] de andere medewerkers doen […] niets. Als ze na een halve dag voor zich uitstaren, op de klok zien dat het half twee is, trekken ze zich terug om te gaan rusten. […] Er ontstond enige paniek toen bleek dat wij door willen werken, zodra de container met het materiaal aankomt.
Dan zouden ze na de middag ook nog gedwongen worden voor zich uit te staren, zonder dat ze aan rusten zouden toekomen. (Einde citaat.)
Ik begreep niet goed waarom ᶜAbd al-Raḥmān een vergoeding uit het project wilde hebben. Was dat gewoon hebzucht? Dat extra werk dat hij claimde te doen, daarvoor werd hij toch betaald door zijn werkgever. Je bent directeur of je bent het niet, toch?
Ǧamāl zegt 10.000 rial [f. 130,00] per maand te ontvangen van zijn baas, de Algemene Organisatie. Hij heeft echter 30.000 rial per maand nodig.
Ik vraag of hij qāt gebruikt. Dat doet hij twee dagen in de week, slechts op donderdag en vrijdag.
“Hoe kom ik aan 30.000 rial?” vraagt hij. (Ik vrees een verzoek tot bijdrage.)
’s Morgens werkt hij bij de Algemene Organisatie voor Archeologie, Musea en Handschriften als Public Relations Officer. In de namiddag werkt hij bij zijn oom in een meubelwinkel en krijgt daarvoor 9.000 rial. De andere 11.000 rial verdient hij door op de luchthaven de doorvoer van handelswaar te bespoedigen. (Fixer.)
Hij kent veel mensen in de handelsbranche, want zijn vader had ook een winkel (hier, naast het Taj Sheba hotel) en hij kent de wetten. Als goederen ingevoerd moeten worden blijven die soms een week bij de douane liggen. Ǧamāl kent wegen (zonder veel steekpenningen (rašwa) te betalen) om de termijn tot twee dagen te bekorten. Opdrachtgevers betalen voor deze diensten.
Zijn vrouw is een sociologe, die nu in verwachting is van hun tweede kind. Zij verdient bij een particulier instituut 12.000 rial per maand. De overheid betaalt voor hetzelfde werk slechts 8.000 rial.
Als ik weer in het hotel ben duurt het nog een hele tijd voordat het kwartje valt. Dat gebeurt wanneer ik de woorden van Ǧamāl in de computer intik. Dan wordt plotseling ‘alles’ duidelijk voor mij.
De medewerkers van de al-Aḥqāf-bibliotheek, die in paniek raakten bij het woord ‘overwerk’ en zeiden dat zoiets dagen van te voren aangevraagd moest worden, waren niet te lui om te werken. Integendeel, zij zijn harde werkers. Na de middag en in de avond moeten ze natuurlijk hard aan slag om het resterende bedrag voor hun levensonderhoud bij te verdienen.
Abd al-Qādir, bijvoorbeeld, heeft een eigen bedrijf waar hij samen met Sjeik AB. ᶜUqūd-zaken (huwelijkscontracten) behandelt.
Van de anderen weet ik hun neveninkomsten niet. Ik vroeg er niet naar, want ik dacht dat ze lui waren.
De taxichauffeur die me gisterenavond naar het hotel bracht, werkt ’s ochtends bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en ’s middags als taxichauffeur.
Sālim al-T. in het Qaṣr al-Qubba-hotel werkt ’s ochtends als leraar Engels en ’s middags en ’s avonds als receptionist.
De vrouw van Hussain al-A., de andere receptionist van het Qaṣr al-Qubba-hotel werkt als gymnastieklerares in de school voor meisjes.
Een verhelderende avond. Anderhalf uur voor mijn vertrek naar de luchthaven en een paar uur voordat ik Jemen verlaat, heeft Ǧamāl een groot licht laten schijnen op de aldoor omfloerste opmerkingen over geld. Nooit werd me rechtstreeks verteld hoe de vork in de steel zit, in welke geldnood men verkeert, wat men allemaal moet doen om normaal te kunnen leven.
ᶜAbd al-Raḥmān vertelde enige weken geleden dat sommige ambtenaren niet op hun werkplek verschijnen, of slechts tweemaal per dag. ’s Ochtends om hun aanwezigheidshandtekening te zetten en ’s middags om te tekenen dat ze naar huis gaan. In die tussentijd doen ze andere werkzaamheden, bij andere werkgevers of als zelfstandige. Ik heb dat verhaal gehoord, maar nooit een link gelegd naar noodzaak, ik achtte dit pure diefstal waartegen niet opgetreden werd.
Ambtenaren die bij het elektriciteitsbedrijf werken, zo vertelde ᶜAbd al-Raḥmān, krijgen gratis elektriciteit, ambtenaren bij het telefoonbedrijf krijgen gratis telefoon, maar wat krijgen ambtenaren die in een museum werken?
“Gratis toegang,” stelde ik, tot hilariteit van ᶜAbd al-Raḥmān. (De toegangsprijs is vijf rial per persoon (f. 0,07), dat hebben ze dan toch mooi verdiend, iedere dag!)
In elk geval is duidelijk, wil het Tarīm-project volgend jaar ook slagen, dat er dan voldoende geld gereserveerd moeten worden om inkomstenderving van de medewerkers op te vangen.
Dit is het einde van het verslag van 16 juni.
Uit mijn herinneringen:
In Jemen ontving ik brieven van vrienden en vriendinnen uit Nederland. Een van hen sprak in haar brief over de ‘Gekkekoeienziekte’. Dat speelde kennelijk in het nieuws. Ik kon aan haar verhaal geen touw vastknopen. Ik had geen idee waar ze het over had. In Jemen hoorde ik niets van wat er in de wereld gebeurde.
Nog moet ik vermelden dat ik bij bezoeken aan allerlei landen in de Arabische wereld steeds weer ontdekte dat mensen daar niet kunnen kaartlezen. Ze waren zelfs niet in staat op de stadsplattegrond de straat aan te wijzen waarin ze zelf woonden, of een gebouw te vinden, waar we op dat moment voor stonden. In Zuid-Jemen, daarentegen, was kaartlezen geen enkel probleem. Alle mensen die ik een landkaart of plattegrond toonde, konden daarmee overweg. Het communistisch onderwijs was dan toch nog ergens goed voor geweest.
Transcriptie van de klinkers in Arabische woorden.
A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.
Klik hier voor het overzicht van de transcriptie in Arabische woorden.