Jemen, 16 juni 1996

Qasr al-Qubba-hotel, Tarim.
Qaṣr al-Qubba-hotel in Tarīm. V.l.n.r.: Man­ṣūr van de cafetaria, de bewaker, ondergete­kende, Sālim al-T., receptionist (hij is ook le­raar Engels). Een onbekende lange bezoeker, zeker uit het Noorden, gezien zijn lange witte dišdāša (ṯawb). Op de achtergrond het zwem­bad voor Jeme­ni­tische mannen.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 16 juni 1996 (zondag).

Naar het einde of de index.

Ṣanaᶜā’.
Wakker van de aḏān al-faǧr om on­geveer 04.15 uur. Ik kan niet goed meer slapen en sta om 04.50 op.
Ik denk aan de woorden van Nico: dat hij in het kasboek privézaken en taxi nooit bij elkaar zette, anders zou een deel van de taxikosten als privé kunnen worden aangemerkt. Nu hielden we en hield ik alle taxikosten als projectkosten aan, maar ik hield de taxi niet altijd uit de buurt van de privékosten. Ik besluit het kasboek te herschrijven en werk eraan van circa 05.00 tot 09.00 uur.
Ik ga naar de Algemene Organisatie etc., waar ik mijn paspoort aan Ǧamāl geef, die naar de paspoort­autoriteiten gaat.
ᶜAbd al-Raḥmān A. en ik worden ontvangen door dr. Aḥmad al-Š. voor een informeel gesprek.
Sprekend over de lawaaierige aḏān blijkt dat hij niet uitmunt in geloof. (Hij vindt ze ook te lawaaierig, maar dat mag je niet hardop zeggen, want dan wordt je beschuldigd van blas­femie, waarop de doodstraf staat.)
Met ᶜAbd al-Raḥmān bezoek ik de met een kwart ton gerestaureerde al-Nūba? toren in Ṣanaᶜā’. (Ongeveer tachtig jaar oud.) Wel ja, het geld, de ene helft van het geschenk aan Jemen, moest op. De al-Aḥqāf-bi­blio­theek kreeg de andere helft. (Twee­hon­derdvijftigduizend gulden.)
Bij de Algemene Organisatie bewon­der ik de ogen van enkele dames die in het zwart gekleed gaan en ga naar het hotel om te rusten, zodra ik mijn paspoort via Ǧamāl terug heb.
Op aanraden van ᶜAbd al-Raḥmān (gisterenavond) nodig ik Ǧamāl ook uit voor etentje in het restaurant van het Taj Sheba hotel, alles en iedereen op mijn kosten.

Bed, circa anderhalf uur.
Financiën: verbeterd kasboek gereed maken.
Nu 17.30 uur.
Weer: fris, in de zon, af en toe aanwezig, warm.

Ik ruim mijn spullen goed op en ben rond 19.00 in het Taj Sheba hotel. ᶜAbd al-Raḥmān, die er rond 19.00 uur zou zijn om zijn vriend Ǧamāl te ontmoeten, komt pas circa 19.30 en zijn vriend tegen 19.50 uur. Dan komt ook CR, van de Nederlandse Ambassade.
Het is een gezellige avond, die pas laat op gang komt, want ik weet niet goed wat ik met Ǧamāl moet bespreken, want ik ken hem nog maar kort.

Ik ben rond 22.45 uur in het al-Qāsmī-hotel en heb nu serieus last van diarree. Eergisteren, na de eerste pizza deden zich al proble­men voor. Na de tweede pizza weer, en nu, na de derde westerse maaltijd is het probleem ernstig. Ik moet lang zoeken tussen de meegebrachte medicijnen, maar uiteindelijk vind ik toch de antidiarree pillen.
Ik wil niet meer gaan slapen, want ik vertrouw de wekker niet en vrees bovendien dat ik me zal verslapen, zoals bij het vorig bezoek aan Ṣanaᶜā’ (15 mei) ook gebeurde.
Ik schrijf het dag-verslag op de com­puter en als ik de woorden van Ǧamāl van deze avond neerschrijf valt het kwartje, een zeer belangrijk kwartje.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 16 juni.
Ik krijg via Ǧamāl mijn uitreisvisum.

[…]

Van ᶜAbd al-Raḥmān hoor ik dat er in het Zuiden overstromingen zijn. De weg tussen Tarīm en Say’ūn is geblokkeerd.
(Van Pa en Ma hoor ik op 19 juni dat er in hun krant stond dat er in Oost-Jemen veel mensen verdronken zijn na overstromingen en dat veel huizen ingestort zijn.)

[…]

Na het gezellige etentje in restau­rant Bilquis van het Taj Sheba Hotel (Ali ᶜAbdul-Moghni Street in Ṣanaᶜā’) typ ik in mijn computer het verslag van deze dag en noteer daarbij ook wat Ǧamāl mij over zijn leven vertelde.
Al schrijvend (typend) wordt mij plotseling duidelijk dat zijn verhaal de sleutel is tot de oplossing van een, voor mij tot nu toe, onbegrijpelijke legpuzzel.
Ik schreef in brieven naar vrienden en vriendinnen in Nederland:
[…] de andere medewerkers doen […] niets. Als ze na een halve dag voor zich uitstaren, op de klok zien dat het half twee is, trekken ze zich terug om te gaan rusten. […] Er ontstond enige paniek toen bleek dat wij door willen werken, zodra de container met het materiaal aankomt.
Dan zouden ze na de middag ook nog gedwongen worden voor zich uit te staren, zonder dat ze aan rusten zouden toekomen
. (Einde citaat.)
Ik begreep niet goed waarom ᶜAbd al-Raḥmān een vergoeding uit het project wilde hebben. Was dat gewoon hebzucht? Dat extra werk dat hij claimde te doen, daarvoor werd hij toch betaald door zijn werkgever. Je bent directeur of je bent het niet, toch?
Ǧamāl zegt 10.000 rial [f. 130,00] per maand te ontvangen van zijn baas, de Algemene Organisatie. Hij heeft echter 30.000 rial per maand nodig.
Ik vraag of hij qāt gebruikt. Dat doet hij twee dagen in de week, slechts op donderdag en vrijdag.
“Hoe kom ik aan 30.000 rial?” vraagt hij. (Ik vrees een verzoek tot bij­drage.)
’s Morgens werkt hij bij de Algemene Organisatie voor Archeologie, Musea en Handschriften als Public Relations Officer. In de namiddag werkt hij bij zijn oom in een meubelwinkel en krijgt daarvoor 9.000 rial. De andere 11.000 rial verdient hij door op de luchthaven de doorvoer van handelswaar te bespoedigen. (Fixer.)
Hij kent veel mensen in de handelsbranche, want zijn vader had ook een winkel (hier, naast het Taj Sheba hotel) en hij kent de wetten. Als goederen ingevoerd moeten worden blijven die soms een week bij de douane liggen. Ǧamāl kent wegen (zonder veel steekpenningen (rašwa) te betalen) om de termijn tot twee dagen te bekorten. Op­dracht­gevers betalen voor deze diensten.
Zijn vrouw is een sociologe, die nu in verwachting is van hun tweede kind. Zij verdient bij een particulier instituut 12.000 rial per maand. De overheid betaalt voor hetzelfde werk slechts 8.000 rial.
Als ik weer in het hotel ben duurt het nog een hele tijd voordat het kwartje valt. Dat gebeurt wanneer ik de woorden van Ǧamāl in de computer intik. Dan wordt plotseling ‘alles’ duidelijk voor mij.
De medewerkers van de al-Aḥqāf-bi­bliotheek, die in paniek raakten bij het woord ‘overwerk’ en zeiden dat zoiets dagen van te voren aange­vraagd moest worden, waren niet te lui om te werken. Integendeel, zij zijn harde werkers. Na de middag en in de avond moeten ze natuurlijk hard aan slag om het resterende bedrag voor hun levensonderhoud bij te verdienen.
Abd al-Qādir, bijvoorbeeld, heeft een eigen bedrijf waar hij samen met Sjeik AB. ᶜUqūd-zaken (huwelijks­con­tracten) behandelt.
Van de anderen weet ik hun neven­in­komsten niet. Ik vroeg er niet naar, want ik dacht dat ze lui waren.
De taxichauffeur die me gisteren­avond naar het hotel bracht, werkt ’s ochtends bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en ’s middags als taxichauffeur.
Sālim al-T. in het Qaṣr al-Qubba-hotel werkt ’s ochtends als leraar Engels en ’s middags en ’s avonds als receptionist.
De vrouw van Hussain al-A., de andere receptionist van het Qaṣr al-Qubba-hotel werkt als gymnastiek­lerares in de school voor meisjes.
Een verhelderende avond. Anderhalf uur voor mijn vertrek naar de luchthaven en een paar uur voordat ik Jemen verlaat, heeft Ǧamāl een groot licht laten schijnen op de aldoor omfloerste opmerkingen over geld. Nooit werd me rechtstreeks verteld hoe de vork in de steel zit, in welke geldnood men verkeert, wat men allemaal moet doen om normaal te kunnen leven.
ᶜAbd al-Raḥmān vertelde enige weken geleden dat sommige amb­tenaren niet op hun werkplek verschijnen, of slechts tweemaal per dag. ’s Ochtends om hun aanwe­zigheidshandtekening te zetten en ’s middags om te tekenen dat ze naar huis gaan. In die tussentijd doen ze andere werkzaamheden, bij andere werkgevers of als zelfstandige. Ik heb dat verhaal gehoord, maar nooit een link gelegd naar noodzaak, ik achtte dit pure diefstal waartegen niet opgetreden werd.
Ambtenaren die bij het elek­trici­teitsbedrijf werken, zo vertelde ᶜAbd al-Raḥmān, krijgen gratis elektri­ci­teit, ambtenaren bij het telefoon­bedrijf krijgen gratis telefoon, maar wat krijgen ambtenaren die in een museum werken?
“Gratis toegang,” stelde ik, tot hilariteit van ᶜAbd al-Raḥmān. (De toegangsprijs is vijf rial per persoon (f. 0,07), dat hebben ze dan toch mooi verdiend, iedere dag!)
In elk geval is duidelijk, wil het Tarīm-project volgend jaar ook slagen, dat er dan voldoende geld gereserveerd moeten worden om in­komstenderving van de medewer­kers op te vangen.

Dit is het einde van het verslag van 16 juni.

Uit mijn herinneringen:
In Jemen ontving ik brieven van vrienden en vriendinnen uit Neder­land. Een van hen sprak in haar brief over de ‘Gekkekoeienziekte’. Dat speelde kennelijk in het nieuws. Ik kon aan haar verhaal geen touw vastknopen. Ik had geen idee waar ze het over had. In Jemen hoorde ik niets van wat er in de wereld gebeurde.

Nog moet ik vermelden dat ik bij bezoeken aan allerlei landen in de Arabische wereld steeds weer ont­dekte dat mensen daar niet kunnen kaartlezen. Ze waren zelfs niet in staat op de stadsplattegrond de straat aan te wijzen waarin ze zelf woonden, of een gebouw te vinden, waar we op dat moment voor stonden. In Zuid-Jemen, daarente­gen, was kaartlezen geen enkel probleem. Alle mensen die ik een landkaart of plattegrond toonde, konden daarmee overweg. Het communistisch onderwijs was dan toch nog ergens goed voor geweest.

 

Index van termen: aḏān, Algemene Organisatie, dišdāša, Fixer, Gekke­koeienziekte, Nederlandse Ambas­sade, al-Qāsmī-hotel, al-Qaṣr al-Qubba-hotel, qāt, rašwa, ṯawb, ᶜUqūd.

Index van personen: ᶜAbd al-Raḥmān A., ᶜAbd al-Qādir, Sjeik AB., Aḥmad al-Š., CR, Ǧamāl, Ḥusain al-A., Sālim al-T.

Index van locaties: Ali Abdul-Moghni Street, Ṣanaᶜā’, Say’ūn, Tarīm.

Dit is het einde van dag 92 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Transcriptie van de klinkers in Arabische woorden.

A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.

Klik hier voor het overzicht van de transcriptie in Arabische woorden.

Top

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s