Jemen, 18 mei 1996

Paleis van de Kathiri-sultans.
Say’un. Op de achtergrond staat het imposante Gasr al-thawra (het paleis van de (communis­tische) revolutie), of, zoals het oorspronkelijk heette: Gasr al-Kathiri (het paleis van de Kathiri-sultans). Dat paleis werd niet zo lang geleden gerestaureerd, maar de witte beschermlaag (noera) begint al weer af te bladderen. Het hele paleis is van ‘modder’ gebouwd. (Mudbrick.) Op de voorgrond kan men zien wat er met gebouwen gebeurt die niet op tijd gerestaureerd wor­den.
De eigenaar van de woning links heeft dat deel van de muur dat ingestort is, vervangen met betonblokken, zodat die bij een volgende regenbui in elk geval blijft staan.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 18 mei 1996 (zaterdag).

Tarim, Nieuwjaar (Tarim, Say’un, Revolutie in Zuid-Jemenmudbrick, Ka­thiriIslami­tisch Nieuwjaar, Anno Hidjra, Hidj­raAnno Domini).
Vandaag is het Nieuwjaar, Yawm Ra’s al-sana. Dat is dus een vrije dag.(1)
Ik werk van 7.00 tot 11.30 uur op de computer (het verslag van de laatste da­gen), zolang er nog elektriciteit is.
Nu 12.00 uur.

Namiddag zwemmen en op het ter­ras Hollanders uitluisteren. Daar­na een fax voor Jan Just Witkam (de projectleider in Neder­land) maken. Ik probeer ook nog te tekenen, maar ik val in slaap.
Koken en beneden zitten. Niet zo lang, circa anderhalf uur, Engels en Ara­bisch met Muhammad al-S.
Nu 23.00 uur.
De laatste tijd is het niet meer voortdurend onbewolkt. Elke dag zijn er wel slierten van wolken zicht­baar.
Ik ben moe.
Ik drink één glas rum / lemontina.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 18 mei.
In de fax naar de projectleider in Nederland, Jan Just Witkam, meld ik dat ik niet zoals gepland op 7 juni naar Sana’a zal reizen, maar pas op 12 juni, omdat er nog veel moet ge­beuren in de al-Ahgaaf-biblio­theek in Tarim. Er is misschien niet één, zoals eerst was gemeld, maar moge­lijk twee Nieuw­jaarsdagen waarop niet gewerkt wordt, wat extra ver­traging oplevert. Vandaag, zaterdag, is de eerste Nieuwjaars­dag. Voor zondag is het dus af­wachten.
Maandag en dinsdag is de Neder­landse Ambassadeur hier, waar ik bij moet zijn. Woensdag is de Dag van de Eenheid, die als een vrije dag geldt. Donderdag is dan deze week de enige werkdag voor mij, want op vrijdag, de vrije dag in islamitische landen, is de bibliotheek gesloten.

[…]

De twee nieuwe medewerkers van de biblio­theek komen vier maanden ten laste van projectbudget, vanaf mei tot met augustus, elk voor 6.000 rial per maand (f.80,00) [€ 36,00].
Bovendien wordt er binnenkort een derde medewerker aangesteld met een universitaire graad, die ook uit dat geld loon moet ontvangen.

Verder schrijf ik in de fax dat het projectgeld nog voor mijn vertrek dreigt op te raken. Nico en ik hebben er verkeerd aan gedaan om te be­sluiten dat hij bij zijn vertrek uit Tarim 4.000 dollar mee terug zou ne­men naar Nederland. Door onver­wachte kosten (nieuwe computer) en extra vertraging, zaken die bij het vertrek van Nico niet te verwachten of in te schatten waren, ziet het er nu naar uit dat ik niet aan mijn beta­lingsverplichtingen kan voldoen. Ik vraag dan ook of dat geld op een of andere manier weer terug naar Jemen kan komen.

Dit is het einde van het verslag van 18 mei.

(1) Het nieuwe islamitische jaar be­gint op eerste dag van de maand Muhar­ram. In 1996 was dat het jaar 1417 volgens de islamitische jaartel­ling, in het westen aangeduid met 1417 AH: Anno Hidjra, naar analogie met het ‘onze’ AD: Anno Domini.

Dit is het einde van dag 63 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Door op de twee eerste letters van een link te klikken, opent een nieuw tab­blad waarin de geo­gra­fische locatie van de plaats in Google Maps wordt getoond.
Wanneer u op de derde en volgende letters klikt komt u in een nieuw tab­blad bij Wi­ki­pe­dia­pa­gi­na terecht met informatie over deze locatie.
Bij begrippen wordt alleen Wi­ki­pe­dia geopend.

Jemen, 17 mei 1996

Jongen in water.
Een puber bij een waterplas in het oostelijk deel van de Wadi. Dit water is erg breed en bijna kniediep. Zoals veel Jemenieten in de Hadramaut is deze jongeman ook nogal mager.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 17 mei 1996 (vrijdag).

Tarim (Tarim).
Op 9.00 uur.
Twee uur tekenen.
De hele ochtend (wat ervan restte) en vrijwel de hele middag mijn dag­boek bijwerken.
Circa één uur computer en ongeveer één uur zwemmen. Ik zwem veel, voor­al om wat beweging te hebben.
Nu 19.15 uur.

Koken en eten.
Ik at te veel en blijf nog even boven, want ik vrees dat ik weer koekjes zal moeten eten, zoals gisteren, wat echter niet het geval zal blijken te zijn, als ik van 21.00 tot 00.30 bene­den zit.
Ik kan nu eenvoudige gesprekken enigszins volgen, als Muhammad al-S. met iemand uit het noorden van Jemen praat.
Nu 00.45 uur.
Ik heb nooit veel zin om naar bene­den te gaan om te praten. Ik ga omdat ik weet dat Muhammad op me wacht. Toch geniet ik iedere keer weer van deze gezellige avonden, waar ik Arabisch leer, steeds meer.
Ik geef hem het Oxford English – Arabic woordenboek dat ik van thuis mee­bracht. De Engelse woorden wor­den fonetisch weergegeven, want voor het Engels geldt: ‘Wat geschreven staat, wordt niet uitge­sproken.’ Ik hoop dat al mijn inspanningen vruchten afwerpen.
Ik kreeg op 10 mei jl. van hem een kopie van een boek waarvan de auteur ongeveer zevenhonderd jaar geleden overleed.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de za­kelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen in­te­res­san­te informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 17 mei.
Vrijdag, de wekelijkse rustdag.
In de reeks feiten en feitjes wil ik hier nog het volgende vermelden. Zoals Nederland een grote aantrek­kingskracht uitoefent op econo­mische vluchte­lingen uit grote delen van de wereld, vervult Saoedi-Arabië die functie voor de regio hier.
Verleden week al ontmoette ik hier in het hotel een jongen die niet lezen of schrijven kon, maar wel wist dat er in Saoedi-Arabië meer te ver­dienen valt dan in Jemen en daarom illegaal de grens tussen beide landen passeerde. De Saoe­dische politie sliep echter niet. De jongen, Hassan, bracht vier dagen in een cel door alvorens hij naar Jemen werd terug­gestuurd.
Een van de medewerkers van het hotel heeft zijn baan (tijdelijk?) opgezegd om met zijn zieke zoon legaal naar Saoedi-Arabië te gaan, naar een hospi­taal. Als hij slim is, zo zei men mij, blijft hij in dat land, want daar is goed geld te verdienen. Hij is slim.
Hier, in de Hadramaut, is het niet mogelijk met je verdiensten een ‘boterham’ te beleggen.
Later hoor ik van Abd al-Rahmaan dat de gunstige economische tijden in Saoedi-Arabië ook voorbij zijn en dat nog meer mensen uit het arme Jemen niet gewenst zijn. Liever hebben ze daar Pakistanen of In­diërs. Die mensen hebben geen familie in het land en voelen zich niet thuis in het strenge isla­mitische klimaat. Daarom willen ze met hard werken zo vlug mogelijk zo veel mogelijk verdienen om dan weer gauw naar het eigen land terug te keren. Een werkgever kan van deze mensen alles eisen, ze zullen het zonder meer uitvoeren.
Veel geld in Tarim komt uit de Golfstaten of uit Saoedi-Arabië. Dat hoor ik keer op keer vertellen. Een gedeelte van het straatbeeld in Tarim en Say’un wordt bepaald door goed uitziende (in tegenstelling tot de lokale) grote auto’s met nummer­platen uit die landen. Vooral uit de oostzijde van de Wadi gaan veel mensen naar de Golfstaten om fortuin te maken. De anderen zitten in Saoedi-Arabië.
Er werkt nu een vervanger van de naar Saoedi-Arabië vertrokken me­dewerker, ook een onderwijzer Engels. Salim al-T. Het duurt een paar dagen voordat ik aan de uitspraak van zijn Engels gewend ben. Hij is een heel aardige jongeman, die echter een extreme kijk op het Europese leven heeft. Het Europese seksleven, natuurlijk.

Dit is het einde van het verslag van 17 mei.

Dit is het einde van dag 62 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Door op de twee eerste letters van een link te klikken, opent een nieuw tab­blad waarin de geo­gra­fische locatie van de plaats in Google Maps wordt getoond.
Wanneer u op de derde en volgende letters klikt komt u in een nieuw tab­blad bij Wi­ki­pe­dia­pa­gi­na terecht met informatie over deze locatie.
Bij begrippen wordt alleen Wi­ki­pe­dia geopend.

Jemen, 16 mei 1996

Huis in Say'un.
Het huis van de overburen, gezien vanaf de binnenplaats van het huis van Abd ar-Rahmaan in Say’un.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 16 mei 1996 (donderdag).

Sana’a – Say’un – Tarim (Sana’a, Say’un, Tarim, Roebaat, alim, Ara­bische na­men, Koelliyat al-shariyya).
Ik besloot om niet te gaan slapen, maar rond 01.00 ben ik zo moe dat ik toch naar bed ga.
Om 03.00 moet ik Abd al-Rahmaan A. bellen. Mijn wekker loopt om 02.40 af. Ik besluit om nog even te blijven liggen. Om 03.40 schiet ik wakker, ren naar beneden en bel naar de broer van Abd al-Rahmaan.
“Die is al weg,” krijg ik te horen.
Ik neem snel een douche en ga naar beneden.
Abd al-Rahmaan is er niet. Binnen de muren van het hotel wacht ik tot 04.10 uur, voordat hij komt. Hij is onderweg door de politie gestopt en die wilde problemen maken, want Abd al-Rahmaan kon geen factuur overleggen voor al die goederen waarmee de taxi volgeladen was. (Ik had de nota’s.) Smeer­geld bespoe­digde de zaak enorm.
Luchthaven. De taxirit kost 1.000 rial. Per ongeluk geef ik de vriend van Abd al-Rahmaan 2.000 rial. Zowel hij (de taxichauffeur) als ik merken de vergis­sing onmiddellijk. Ik maak er 1.100 rial van (f. 14,30).
Op de luchthaven is het nog even spannend voor Abd al-Rahmaan. We koch­ten de tickets eergisteren op de luchthaven, direct na aankomst. Voor mij was er plaats. Voor Abd al-Rahmaan niet. Hij was de eerste op de wachtlijst.
We moeten nog een uur wachten voordat blijkt dat we samen (met onze ba­gage, want daarover waren ook problemen) kunnen reizen.
We moeten 1.400 rial voor over­gewicht betalen.
Op de luchthaven moeten we zelf zorgen dat onze spullen ingeladen wor­den. (De bagagedragers willen ook wat verdienen.)
In het vliegtuig zitten we weer achterstevoren, net zoals eergis­teren.
Abd al-Rahmaan is ziek.
Ik kijk een gesluierde dame zo lang aan dat ze naar mij wijst, als ze haar buurvrouw op mij attent maakt. Ik verminder mijn aandacht.
Na anderhalf uur in Say’un. Hamid (taxi) haalt ons op en brengt ons naar het huis van Abd al-Rahmaan. Daar word ik weer tijdelijk gelogeerd in de grote kamer.
Ik lees weer, net zoals eergisteren, in een Arabisch boek en evenals eergis­teren val ik in de benauwde kamer, (alle deuren staan open!) in slaap.
Het duurt wel een uur voordat ik de beloofde thee krijg.
Abd al-Rahmaan begint over zijn detachering te zeuren. (Ik ben moe en wil naar Tarim, naar het hotel. Hij is ziek, daarom dring ik niet aan.)
Enkele dagen geleden al zei hij dat medewerkers van buitenlandse projecten naast hun  loon ook een salaris uit het project krijgen. Ik besprak deze zaak met MN (Nederlandse Ambassade), maar die zei dat dit niet de gewoonte was, maar ik mocht wel wat geven.
Abd al-Rahmaan vertelde mij eens dat een salarisverhoging één- of twee­honderd rial per maand bedraagt. Hij zei nu dat mensen werken naar wat ze betaald krijgen. Hij steekt veel extra tijd in dit project. Hij wilde niet drei­gen, maar vond wel dat die extra tijd betaald moet worden.
Ik vraag hem hoeveel hij wil hebben en vertel hem het antwoord van MN erbij.
Hij zegt dat ik moet beslissen.
Ik bied hem 1.000 rial per week. Dat is te weinig, vindt hij en begint weer over de extra tijd die hij erin steekt. Het verhaal begint me te vervelen.
Ik vraag hem of 12.000 rial per maand (zijn loon) extra voldoende is. Hij rea­geert niet echt enthousiast.(1)
Na de middag, in het hotel in Tarim, maak ik een berekening van mijn financiële speelruimte.
Ik heb nog 4.270 dollar over. Daarvan heb ik er zelf 1.500 nodig.
Ik schat de koers: 1 dollar voor 120 rial. (Koersrisico!)
Hotel Tarim (vier weken) 48.000 rial: 400$. Geschenk aan het personeel [hotel]: 30.000 rial: 250$. Vlucht Say’un – Sana’a: 125$. Hotel Sana’a 12.000 rial: 100$. Eten in Sana’a 12.000 rial: 100$. Vijf keyboards: 125$. Boeken ko­pen in Sana’a, circa 20.000 rial: 165$. Overgewicht tijdens de vlucht naar Nederland: 235$.
Totaal 1.500$.
4.270 – 1.500 = 2.770$ over voor het project.
Ik heb al enkele weken geleden Abd al-Rahmaan 8.000 rial per week als reis­kosten toegezegd. Voor de komende vier weken is dat 32.000 rial: 265$.
Ik heb toegezegd om na mijn vertrek enkele maanden loon voor de twee nieuwe medewerkers door te betalen. Ik besluit om dit tot twee maanden beperken. Dit is 48.000 rial: 400$.
2.770 – 665 = 2.105$ over voor lopende kosten en een vergoeding voor Abd al-Rahmaan.
Nog betaald moeten worden: de timmerman en Ahmad, de elek­tricien.
Die laatste kwam bij Abd al-Rahmaan thuis, toen ik wilde slapen, zeuren over het geld dat hij had verloren door verleden week 800$ te accepteren in plaats van 100.000 rial.
Ik wees hem erop dat dit business is. Evenzo goed had hij er flink aan kunnen verdienen.
Nu wilde hij, geloof ik, nog eens 100.000 rial, om allerlei spullen nieuw te kopen, maar ik wil hebben dat hij alles gebruikt wat we meebrachten, in de container uit Nederland.
Hij wil nieuwe bedrading kopen: “… want de kabel past niet in de buis.”
(Nou, dan bevestigt hij de kabel maar op de muur of stript de mantel eraf, dan past die wel in de buis. Gereedschap daarvoor is er ook.)
Uiteindelijk krijg ik toestemming om naar Tarim te gaan. Abd al-Rahmaan blijft ziek thuis.
Ik laad het materiaal uit in de bibliotheek en krijg niet te horen wat ik in het hotel wel te horen krijg: dat er in de bibliotheek een brief voor mij is aan­gekomen. Ze hadden naar het hotel gebeld om me te waarschuwen, hoewel ze wisten dat ik naar Sana’a was.
Ik ga zwemmen.
De financiën berekenen, zoals boven weer­gegeven.
Ik gaf de cursus Engels aan Muhammad al-S. Hij is er oprecht blij mee, maar als hij later komt buurten, moet ik hem, met veel excuses, de toegang weigeren. Ik zit midden in de planning en de financiële berekeningen van het project en wil die voor donker af hebben.
Ik eet op mijn kamer brood met witte bonen in tomatensap, koud.
’s Avonds buiten zitten met Muhammad al-S. en Hussain al-A. en een vriend van Muhammad, die Salaah(2) heet en die hier in Tarim op de Koelliyat al-shar’iyya (Roebaat) studeert om ‘alim te worden. Hij komt evenals Muham­mad uit een dorp ergens bij al-Mukalla. Nadat anderen hem erop gewezen hebben dat de gebruikelijke discussie over godsdienst mij enorm stoort, blijkt hij een aardige, intelligente jonge­man te zijn.
Er is nog een andere knaap, zwart, sexy en analfabeet, ook uit dat dorp. Die zegt alleen maar lokaal dialect te kennen. Hoewel niet helemaal schoon, als illegale grensoversteker zat hij vier dagen in Saoedi-Arabië in de gevangenis, zou ik met hem wel het bed willen delen.
Iedereen zegt me dat ze me twee dagen gemist hebben en ter gelegenheid van mijn terugkomst hebben ze droge broodjes met ei en suiker gebakken. (In het vet waarin men normaal al die kippen bakt, kennelijk, want daar smaken deze broodjes naar.)
Bed: 00.30 uur.
Weer: fris in Sana’a. Smoorheet in Tarim.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 16 mei (Slachtfeest, Nieuwjaarsdag, Dag van de Eenheid).
’s Nachts komt Abd al-Rahmaan met een taxi naar mijn hotel in Sana’a. Hij is laat omdat hij onderweg door de politie is aangehouden. Hij kon geen factuur overleggen van al dat materiaal dat in de taxi lag. (De facturen had ik. Ik heb niet aan zulk een voorval gedacht.)
Na het betalen van 150 rial ‘bespoedigingskosten’ kon hij doorrijden.

[…]

In Say’un gaan we naar het huis van Abd al-Rahmaan. Hoewel erg ziek, begint hij weer over dat extra salaris (detachering). Hij stelt dat iedere werknemer werkt naar het salaris dat hij ontvangt en niets extra’s wil ondernemen als daar niet een extra beloning aan vast zit. Hij steekt nu veel energie in het project. (Ik kan dat niet helemaal volgen, want hij wordt toch gewoon betaald om met ons samen te werken en het project tot een succes te maken. Ik zeg dat echter niet.)(3)
Abd al-Rahmaan is niet van plan minder energie in het project te steken. Hij is niet zoals de anderen, maar zou graag zien dat die extra energie beloond werd.
Ik vertel hem dat het niet tot de Nederlandse gewoonte behoort om dat te betalen, zoals MN (Nederlandse Ambassade) vertelde, maar dat ik niettemin een bedrag mag betalen.

[…]

Van het geld dat na mijn berekening overblijft kan Abd al-Rahmaan zijn detachering krijgen, maar niet meer dan 12.000 rial per maand. (f. 160,00, per maand.)
Het is bijzonder ongunstig dat Nico die resterende 4.000 dollar mee naar Nederland heeft genomen. Door de vertragingen is het nu onmogelijk ge­worden dat ik het elektriciteitsnet in de al-Ahgaaf-bibliotheek zelf aanleg, zoals in de eerste opzet het plan was. De elektriciteitsvoorziening moet nu door een elektricien gemaakt worden. Door deze extra kosten en de aan­schaf  van de nieuwe computer ontstaat er een situatie waardoor ik mis­schien niet meer aan mijn betalingsverplichtingen kan voldoen.
De vertraging komt door de late komst van de container, maar ook de week vakantie voor het Slachtfeest, de reis naar Sana’a en volgende week: Nieuwjaarsdag, de Dag van de Eenheid en het bezoek van de Nederlandse Ambassadeur aan Say’un en Tarim, waarbij  men van mij verwacht dat ik daar­bij aanwezig ben.

Dit is het einde van het verslag van 16 mei.

(1) Wat de mensen in Jemen, misschien wel de hele Arabische wereld, niet vertellen, omdat ze waarschijnlijk aannemen dat wij westerlingen in een zelfde situatie leven als zij en wat wij westerlingen niet vragen, ik dus ook niet, omdat wij aannemen dat zij in een zelfde situatie leven als wij (zij het met een lager loon), is hoe de betaling van verricht werk moet worden geregeld. “Je weet wat mijn dienst waard is”, zegt men. Nou, dat weten wij niet. Er wordt in gesprekken nogal moeilijk, versluierd, over geld gedaan.

(2) De volledige voornaam van Salaah is Salaah al-dien en wordt uitgespro­ken als Salaah ad-Dien, in een westerse taal (ook) geschreven als Saladin. Deze naam kan het beste vertaald worden met ‘Rechtschapenheid van de godsdienst, waarbij ‘de godsdienst’ staat voor ‘de islam’.

(3) Had ik dat maar wel gezegd, dan was misschien een van de grote ge­heimen van Jemen voor mij één maand eerder opgelost, dan pas tijdens mijn allerlaatste uren in Jemen!

Dit is het einde van dag 61 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Door op de twee eerste letters van een link te klikken, opent een nieuw tab­blad waarin de geo­gra­fische locatie van de plaats in Google Maps wordt getoond.
Wanneer u op de derde en volgende letters klikt komt u in een nieuw tab­blad bij Wi­ki­pe­dia­pa­gi­na terecht met informatie over deze locatie.
Bij begrippen wordt alleen Wi­ki­pe­dia geopend.

Jemen, 15 mei 1996

Sana'a.
Een detailopname van het grote huis dat op de foto bij dag 1, 17 maart jl., te zien.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 15 mei 1996 (woensdag).

Sana’a (Sana’a, diskette, mudbrick, qat).
Ik lig in bed en vraag mij af wat ik al die tijd in Sana’a moet doen als ik de 7e ju­ni terugkom naar de hoofdstad. Na een korte overdenking besluit ik tot 12 juni in Tarim te blijven.
Een half uurtje tekenen.
Ontbijt.
Ik bel met Joe, de Amerikaan die een anderhalve week geleden met Ka­the­rine in Tarim was, en ik vraag hem naar de mogelijkheid van een cursus En­gels op cas­set­te. Hij zegt dat hij twee cursusboeken heeft en weet waar de bij­be­ho­ren­de cassettes te koop zijn. We spreken af tussen 9.30 en 10.00 uur bij het al-Kumayn-gebouw, in de Hadda-straat.
Ik neem het ontbijt en een Duits stel uit Ulm wil bij mij aan tafel zitten. Zij is ouder dan hij. Zij reizen individueel, want dan zien ze meer.
Zij blijkt vooral bezeten door de angst voor de Jemenieten en vertelt voort­durend (vooral na de middag, als ik hen nogmaals ontmoet) over moorden en overvallen, waarvan ze van zeker twee(!) andere toeristen gehoord heeft. Ze zegt het gevaar al op twintig kilometer afstand te kunnen waarnemen.
Goed, ze reizen dus individueel om meer te kunnen zien. Ze ziet (behalve ge­vaar) twee belangrijke dingen. De vreselijke armoede en het onvermogen van de mensen om hun vuilnis op te ruimen.
Zij is echter niet in staat die dingen te combineren. Welke armoedzaaier zal er over denken de rommel om hem heen (voor niets) op te ruimen, terwijl hij die tijd zou kunnen gebruiken om geld te verdienen.
Zij zegt dat in India alles opgeruimd wordt(?). (Maar daar leeft ook een groep van slaven, die dat kunnen of moeten. [Dalit.])
Welke moslim zal zich, nutteloos, onrein maken.
Ik wordt een beetje kwaad van dat gezeur. Al die ‘oude troep’ is toch de aan­lei­ding dat ze hier zijn, zeg ik. Onze maatschappij is schoon. Wie van ons gaat naar Parijs om rijke Fransen te gaan bekijken. (Wel de mooie ge­bou­wen.) We kijken in armoedig Jemen rond in de wetenschap dat we spoedig weer terug gaan naar ons mooie en schone landje, dat we één keer per jaar verlaten omdat het geregelde leven ons een tijdje de keel uithangt en we eens wat anders willen zien dan rechte straten en op tijd rijdende treinen.
We willen het liefst primitief levende mensen zien, waarvan we vinden dat die zo primitief moeten blijven en geen moderne huizen en moderne spullen, die ons het leven veraangenamen, mogen kopen.
Bedoeïenen moe­ten kamelen be­rij­den en Jemenieten moeten in duur in onderhoud en on­com­for­ta­be­le leemhuizen(1) blijven wonen. Daar­om gaan we dus niet naar Parijs, maar reizen we individueel naar Jemen om vooral overal gevaar te zien. Gevaar van arme Jemenieten, die hun huisvuil niet opruimen.
Ik ga met een taxi naar het tele­foonkantoor, waar ik niet naar toe wilde (ik wil­de naar het centrale kantoor), maar dit is veel beter. In het Centrale kantoor moest je eind maart met een telefoonkaart bellen. Hier deponeer je een bedrag en kun je bellen. Na afloop krijg je een geprinte rekening.
Ik belde met Jan Just Witkam, met Pa en Ma. Daar is alles in orde.
De lijn is uitstekend, duidelijk en helder.
[…]
Rond 9.40 uur ontmoet ik Joe bij het al-Kumayn-gebouw en we gaan in een cassettewinkel de bij zijn boeken horende cassettes kopen. Vier stuks, voor 450 rial. Ze worden ter plekke van de bron gekopieerd.
Ik drink met hem een coke. Hij vliegt vanavond terug naar de Verenigde Staten, waar hij in zijn woonplaats (welke?) in Californië archeoloog wordt. Dat is zijn beroep.
Toen hij en Katherine terugkwamen in Sana’a bleek dat het leer­lin­gen­aantal van hun privé-school voor Engels zo dramatisch was terug­gelopen dat er nog slechts werk was voor Katherine en haar baas.
Ook zijn geplande opgraving in al-Mukalla gaat waarschijnlijk niet door.
Hij werkt in de VS acht maanden per jaar.
Circa 10.40 uur ben ik in het gebouw de Algemene Organisatie voor An­ti­qui­tei­ten en Musea, de werkgever van Abd al-Rahmaan A. (Er werken daar veel vrouwen, van wie veel zonder sluier, niet allemaal even mooi. Ik zag in nieuw-Sana’a veel vrouwen in gekleurde kleding, gebloemde sluiers en een aantal met ontbloot gezicht. De moderne tijd dringt langzaam door.)
[…]
Ik ben een beetje gepikeerd dat men mij zo lang op Abd al-Rahmaan laat wachten. Ik voel mezelf belangrijk. Ik ben immers een geldschieter. Ik klaag maar niet.
Na circa twintig minuten komt Abd al-Rahmaan en van zijn ziekte is niets meer te merken.
Ik word door de vicedirecteur van de Organisatie ontvangen en moet een lange lofrede aanhoren, zowel over Abd al-Rahmaan en over mijzelf. Hierna gaat Abd al-Rahmaan op­ge­wekt op bezoek bij allerlei collega’s, maar als hij na een uur eindelijk buitenkomt is hij doodziek en in de boekhandel moet ik het alleen uitzoeken. Hij zit op de grond met zijn hoofd tussen zijn handen. (Is hier sprake van toneelspel, of is hij echt ziek? Waarom was daar niets van te merken tijdens zijn bezoek aan talloze collega’s in de Organisa­tie?)
We kopen voor 28.650 rial (circa 365 gulden) Arabische naslagwerken voor de bibliotheek.
Ik ga terug naar het hotel en moet daar de rest van het Duitse geklaag (zie hierboven) aanhoren.
De individueel reizende Duitsers, die zo reizen om meer in contact te ko­men met de lokale bevolking, hebben vooral behoefte aan contact met wes­ter­lin­gen. Behalve met mij hebben ze ook contact gezocht met een Frans stel. De man, Gilles, is schilder en bezocht Jemen verschil­lende malen. Hij en zijn mooie, frêle vrouw zijn fervente qat-kauwers.
Toen de Duitse vroeg wat hij zoal schilderde, zei ik: “Zijn vrouw!” en tegen haar: “You are very beautiful.” Wat waar is, want zij is erg mooi.
Hij zou het eerste portret van de huidige president in zeventiger (of zes­ti­ger?) jaren geschilderd hebben. Zijn vrouw is nog niet zo oud.
Ik ga naar de computershop. De afspraak met Abd al-Rahmaan is om 16.00 uur, maar hij komt pas rond 16.20 uur.
We gaan nu eerst naar de een kantoorboekhandel waar we veel tijd verliezen omdat het personeel (twee sexy jongens) niet weet of ze nu wel of niet vijf­duizend systeemkaarten in voorraad hebben. Uiteindelijk hebben ze die wel. Dan moet er nog onderhandeld worden of de prijs: 1 of 2 rial per honderd kaarten. Dus 50 of 100 rial verschil op de totaalprijs, oftewel f. 0,65 of f. 1,30 verschil!
Met een paar pennen erbij kost alles 11.900 rial. (14 pennen à 100 rial.)
Ik bel met MN, van de Nederlandse ambassade, omdat ik niet op tijd kan zijn voor onze afspraak van 17.00 uur.
Naar de computerwinkel, waar de bediening langzaam te werk gaat en de financieel-directeur onvriendelijk is.
Diverse software is geïnstalleerd, maar er zijn geen diskettes bij. Wel de di­skettes van de tekstverwerker al-Ustadh.
Uiteindelijk ben ik circa 17.45 bij MN.
Ik liet haar wachten, zij laat mij nu wachten.
Ik bespreek de financiële kanten van de het werk. In haar huis is het gezellig druk: er is een bijeenkomst van allemaal ambassadepersoneel.
Het is de bedoeling dat we bij de broer van Abd al-Rahmaan, Solei­man, In­do­nesisch gaan eten.
Ik begrijp van MN dat het mogelijk is, dat als ik volgend jaar terugkom, ik een salaris van Buitenlandse Zaken kan krijgen om in Tarim te werken.
Ik heet de belangrijkste gast van de avond te zijn, maar als ik uit het toilet kom, zit iedereen al in de auto, om naar Soleiman te gaan, zonder aan mij gedacht te hebben.
Achteraf gezien had ik beter vijf minuten later uit het toilet kunnen komen.
De avond was niet echt gezellig. Hoewel we met veertien mensen waren vie­len er geregeld lange stil­tes. De uitnodiging zal een rib uit het lijf van So­leiman zijn geweest. Ik stelde aan MN voor om een bijdrage te geven, want Soleiman nodigde enkele mensen uit, geen tien of meer. De hele avond (van 20.00 tot 22.00 uur, vóór het diner) kregen we slechts één glaasje tamarinde aangeboden, verder niets.
Het diner, lekker, stond op de vloer. Er waren geen tafels. Veel was voor mij onbereikbaar en nog moeilijker te eten. Er was voldoende bestek. (Abd al-Rah­maan had me verteld dat de hele familie maar 5 lepels bezat. Die had zich nu dus in de onkosten gestort!)
Na de maaltijd krijgen we twee kopjes thee.
Tegen 00.00 ben ik in het hotel.
Het heeft vandaag niet geregend.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de za­kelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen in­te­res­sante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 15 mei.
Ik haal informatie bij The British Council over hun cursussen. Die kosten 250 USD, ongeacht het niveau. Drie dagen per week, twee uur per dag, zes weken lang.

[…]

Abd al-Rahmaan vertelt dat Sjeik AB tot adviseur benoemd zal worden. Iemand maakte de minister wijs dat de man in Tarim alle notabelen en alle bedoeïenenstammen achter zich heeft staan en dat een overplaatsing veel op­roer zou veroorzaken.
Volgens Abd al-Rahmaan is dat van die bedoeïenen niet waar. Boven­dien zou de Sjeik de belangen van de bibliotheek niet willen schaden.

[…]

Bij MN (van de Nederlandse Ambassade) thuis, informeer ik naar de vol­gende mogelijkheden.
1.) Ben ik gerechtigd het loon van twee nieuwe medewerkers enige tijd na mijn vertrek door te betalen?
2.) Het extra salaris dat Abd al-Rahmaan wenst te ontvangen, is dat ge­bruikelijk en mag ik dat betalen?

Ad 1.) MN heeft geen bezwaar.
Ad 2.) MN deelt mee dat dit niet gebruikelijk is en dat ik daarmee zeer terughoudend moet zijn. Geld geven schept op korte termijn financiële mogelijkheden, die na het einde van het project niet voorgezet kunnen worden. Niettemin vindt ze het goed dat ik een klein bedrag aan Abd al-Rahmaan uitkeer. (Helaas vergeet ik te informeren naar wat ‘klein’ is.)

[…]

MN meent dat ik volgend jaar, bij een eventuele terugkeer naar Tarim als ambtenaar van Buitenlandse Zaken betaald kan worden. (Dat is wel wat gunstiger dan het lage loontje dat ik nu krijg.)

[…]

De cassettebandjes die ik koop en het stu­die­boek Engels dat ik van Joe, de Amerikaanse archeoloog krijg, zijn voor mijn ‘samier‘(2) Mu­ham­mad al-S. in Tarim. Al eerder sprak ik voor hem een heel Engels stu­die­boek in, op een aantal cas­set­tes.

Dit is het einde van het verslag van 15 mei.

(1) Dat Jemenieten hun lemen huizen vervingen door betonnen woningen was vooral de klacht van Nico. Die wilde dat de Hadaarim hun traditionele levensstijl be­hiel­den. Ik meen te mogen stellen dat dit ook de wens van veel toeristen zal zijn geweest. Ze zouden nooit naar Jemen reizen als de lokale bevolking in betonnen woningen zou wonen.
Abd al-Rahmaan vertelde mij dat sommige mensen voor de on­der­houd van hun huis zoveel geld moesten uitgeven, dat er niets meer overbleef om voed­sel van te kopen. Mede daardoor hadden sommige mensen niets te eten.
Leemhuizen (mudbrick) zijn ex­treem onderhoudsgevoelig: na ie­de­re forse regenbui moeten er al herstelwerkzaamheden uitgevoerd worden. Gelukkig regent het niet zo vaak in de Hadramaut.

(2) ‘Samier‘ is iemand met wie je ’s avonds, als de zon onder is en de temperatuur tot een aangename waarde gedaald is, gezellig kletst en drinkt.

Dit is het einde van dag 60 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Door op de twee eerste letters van een link te klikken, opent een nieuw tab­blad waarin de geo­gra­fische locatie van de plaats in Google Maps wordt getoond.
Wanneer u op de derde en volgende letters klikt komt u in een nieuw tab­blad bij Wi­ki­pe­dia­pa­gi­na terecht met informatie over deze locatie.
Bij begrippen wordt alleen Wi­ki­pe­dia geopend.

Jemen, 14 mei 1996

Sana'a, Jemen.
Een huis in de oude stad van Sana’a, de hoofd­stad van Jemen.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 14 mei 1996 (dinsdag).

Say’un, Sana’a (Say’un, Sana’a, Dash 7, diskette).
Ik droom dat de vrouw van Abd al-Rahmaan A. met slechts een bad­hand­doek omgeslagen langsloopt op weg naar de badkamer. Even later komt ze eruit. Ik zie de welving van haar borsten door de handdoek heen.
Op 5.45 uur. Ik sliep uitstekend, on­danks dat ik gisterenavond sterke kof­fie dronk.
Hamid B., de taxichauffeur in Say’un, komt pas om 7.00 uur in plaats van 6.30 uur. Hij had ver­tra­ging opgelopen bij zijn vorige klant.
Op de luchthaven geniet ik van de mysterieus mooie ogen van enkele ge­sluier­de vrouwen en van een enkel strak en sexy jongenslichaam.
In het vliegtuig is een sexy ste­wardess gewoon westers gekleed. Is zij een Je­me­nitische, zoals Abd al-Rahmaan zegt, of een Syrische, zoals ik later in Tar­im hoor? Alle ste­wardessen zouden Syrisch zijn.
Ik zit in de omgekeerde richting in het vliegtuig een Havilland Dash 7, met de rug naar de piloot! Helemaal voorin, dus kan ik al die zwarte doe­ken en prachtige mannenkoppen goed zien.
In het vliegtuig vroeg Abd al-Rah­maan naar mijn werk- en slaap­tij­den. Toen ik zei dat ik hier vaak al om 6.00 uur opsta, vroeg hij of ik dan al aan het werk ging. Heel dom zei ik toen dat ik dan ga tekenen. (Om niet als een work alcoholic over te komen.)
“Om nog meer bevriend te raken,” zei hij, wilde hij mijn tekeningen zien. Ik werd rood, bloosde. Al die por­no­gra­fie, die ik teken!
“Niet mogelijk,” zei ik, maar hij bleef aandringen.
Toen ik zei dat het al­le­maal li­cha­men en lichaamsdelen wa­ren, was zijn belangstelling ge­luk­kig voor­bij.
Rond 10.30 uur zijn we in Sana’a.
De taxichauffeur doet veel moeite om de Mogadishustraat te vinden, maar wei­nig mensen hebben daar­van gehoord. De enkeling die het wel zegt te we­ten, legt om­stan­dig uit hoe de chauffeur moet rijden en zegt ter afsluiting: “Daar is de Nouak­chott­straat.”(!)
Volgens Abd al-Rahmaan is onze ta­xi­chauffeur een rijk man. De grond van de luchthaven was van hem en hij werd voor een groot bedrag ont­eigend. Het is hem niet aan te zien en zijn auto valt bijna uit elkaar.(1)
We zoeken een computerwinkel en de taxichauffeur zet ons uiteindelijk af voor een zaak in de Mo­ga­di­shu­straat. Ik weet dat dit niet de zaak is waar Nico en ik onze keyboards koch­ten, enige tijd geleden, maar we zouden hier ook kunnen kijken.
Het is meteen raak: een mooie vrouw die goed Engels spreekt. Zij heet Roe­may­la Shaahir en is Man­doeb taswieq: Marketing officer. Zij verkoopt twee merken computers. Packard Bell (thuis heb ik ook dit merk) en AST. De Packard Bell com­pu­ters zijn multi­media­com­pu­ters. Voor ons doel is de AST vol­doen­de. (Tekstverwerking.)
We besluiten de AST Advantage Pen­tium 75 MHz te kopen. Die kost 1.995 US dollar. Die is morgen gereed, met Arabische software.
We gaan naar de Nederlandse Am­bas­sade, maar MN heeft com­pu­ter­cur­sus.
British Council: ik informeer naar een cursus Engels op cassettes. (Die wil ik kopen voor Muhammad al-S., als cadeau.) Zoiets hebben ze niet.
Abd al-Rahmaan wil op bezoek gaan bij familie, in plaats van nood­za­ke­lijke spullen te gaan kopen. Ik ga naar het al-Gasmi-hotel. Ik logeerde daar tij­dens de eerste week van mijn verblijf in Jemen, in de tweede helft van maart.
Circa één uur slapen.
Abd al-Rahmaan heeft van 18.00 tot 19.00 uur cursus in tekstverwerken met het programma al-Ustadh. Een leuke jongen geeft uitleg.
Rond 19.00 uur, volgens telefonische afspraak, bij MN thuis.
We bespreken het programma van de reis van de Nederlandse am­bas­sa­deur die op 21 en 22 mei naar de Ha­dramaut komt, met zijn auto, drie da­gen rij­den, in plaats van an­der­half uur vliegen.
MN is moe en wil niet over financiën spreken, maar niet zo moe om de nu erg zieke (rillend en koorts) Abd al-Rahmaan een oordeel te laten vellen over oude kistjes die ze wil ko­pen: echt of niet echt.
MN heeft een zwarte bediende, Abd al-Kariem, met wie ik zo zou willen knuf­felen. Hij is een stevige ne­gro­ïde jon­ge­man.
Van 21.00 tot 21.30 uur eten in het Taj Sheba Hotel.
Met de taxi terug. Als ik de chauffeur 200 rial (f. 2,60 / € 1,20) geef, mom­pelt die: “Wa-llaahi!” (Mijn god: wer­ke­lijk?)
Na de middag en ’s avonds veel re­gen en fris.
Ik hoorde van Abd al-Rahmaan dat een ambtenaar in het Noorden voor de Golfoorlog 1.500 dollar verdiende, maar nu nog maar 200 dollar.
Een ambtenaar in het Zuiden ver­dient 7.000 rial. (Zoals de meesten in de bibliotheek.)
Abd al-Rahmaan verdient 12.000 rial per maand. (1.000 rial: f. 13,00.)

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de za­kelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen in­te­res­san­te informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 14 mei.
Op de luchthaven van Say’un zegt Abd al-Rahmaan dat tus­sen­per­so­nen, zoals hij, bij andere (bui­ten­land­se) projecten betaald worden uit het project door de (geld-) ver­strek­ken­de instantie. Dit naast het re­gu­lie­re salaris dat ze ontvangen van hun lokale werkgever.
Ik heb daar nog nooit van gehoord. Dit is immers mijn eerste project. Ik be­loof een en ander met MN in Sana’a te bespreken.

[…]

De AST Advantage met Pentium pro­ces­sor en een snelheid van 75 MHz, met 8 MB werkgeheugen en 850 MB harde schijf is een ge­schik­te com­pu­ter voor een redelijke prijs: 1.995 USD (Naar de betaalde koers in maart 1996 van f. 1,68 is dat f. 3.350) Geïnstalleerd is Windows 95 en Win­dows 3.1 met A­ra­bische soft­ware. We kunnen gratis Mi­cro­soft Office met Arabische software, zoals Word 6, krijgen. Als goede tekst­ver­wer­ker kan ook al-Ustadh(2) van Sachr dienen. Dat programma kost 265 USD.
Ik besluit zowel de computer als het al-Ustadh programma te kopen. Ik wil niet lang zeuren over de prijs of op zoek gaan naar een goedkopere firma, om daar te constateren dat het prijsverschil slechts in de tientjes loopt. We hebben bovendien een vol programma in Sana’a af te wer­ken, waarbij tijdverlies niet gewenst is.
Vanavond, om 18.00 uur kan Abd al-Rahmaan een korte introductie in al-Ustadh krijgen.

[…]

Rond 17.30 uur komt Abd al-Rah­maan. Hij blijkt ernstig ziek. Het frisse kli­maat in Sana’a lijkt voor hem fataal. Het wordt er niet beter op als het ’s avonds ook nog hard gaat regenen.
We gaan samen naar The Yemen Computer Centre in de Mo­ga­di­shu­straat. Er is een probleempje. (Waarom ook niet?) De al-Ustadh-software is niet beschikbaar. Pas volgende week, maar Roemayla Shaahir kan de software die op een demonstratie PC staat, de-in­stal­le­ren en ons de diskettes mee­geven. Dat is de beveiliging van Sachr. Eenmaal geïnstalleerd kan de soft­ware niet nog eens op een andere computer geïnstalleerd worden. Pas als die gede-ïnstalleerd is, kan die weer ergens anders geïnstalleerd wor­den.
Oecht Roemayla (zus Roemayla) zal kijken wat ze kan doen. (Alle man­nen worden aangesproken met Ach: broer!)
Abd al-Rahmaan, werkpaard, maakt van de demonstratiegelegenheid ge­bruik om op de Arabische tekst­ver­wer­ker de aankondiging voor het bezoek van de Nederlandse am­bas­sa­deur in Say’un om de Van der Meu­len-ten­toon­stel­ling te openen, gedeeltelijk zelf en gedeeltelijk door anderen te laten typen en uit­prin­ten.

[…]

MN, van de Nederlandse ambassade, zegt dat een cursus Engels voor Abd al-Rahmaan niet op bezwaar stuit. Ze is uitgeput en wil niet meer over geld­za­ken, die ons werk betreffen, spreken.

Dit is het einde van het verslag van 14 mei.

(Sadaqa.)
(1) Het verhaal over die straatarme ‘miljonair’ kende ik al van mijn va­kan­ties in Turkije. Daar werd mij verteld dat veel bedelaars in wer­ke­lijk­heid heel rijk zijn, maar te gie­rig om geld uit te geven. Dat is na­tuur­lijk mogelijk, maar het lijkt mij eer­der een fabel, een excuus om niet de, in de islam min of meer ver­plich­te, aalmoes (sadaqa) te hoe­ven geven.

(2) Ustadh betekent: leraar, on­der­wij­zer, pro­fes­sor.

Dit is het einde van dag 59 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Door op de twee eerste letters van een link te klikken, opent een nieuw tab­blad waarin de geo­gra­fische locatie van de plaats in Google Maps wordt getoond.
Wanneer u op de derde en volgende letters klikt komt u in een nieuw tab­blad bij Wi­ki­pe­dia­pa­gi­na terecht met informatie over deze locatie.
Bij begrippen wordt alleen Wi­ki­pe­dia geopend.

Jemen, 13 mei 1996

Say'un: Gasr al-thawra en omgeving.
De toren rechts maakt deel uit van het Gasr al-Thawra in Say’un. Op de achtergrond ligt de lucht­haven, niet zichtbaar, maar hij is er wel. Links op de voorgrond is te zien dat een van de huizen uitgebreid wordt met een be­ton­nen vleugel. Ook is duidelijk te zien dat de huizen al­le­maal een dakterras hebben. Daar kan echter maar één gezin van de vele ge­zin­nen die in zulke huizen wonen, terecht. Alle zonen gaan na hun huwelijk veelal bij de va­der inwonen. De doch­ters verhuizen naar de schoonfamilie. De gezinnen van de zonen krijgen elk een deel van het huis, met eigen kamers. De vrouwen van een gezin mogen niet ongesluierd gezien worden door de man­ne­lijke leden (van huwbare leeftijd) van het andere gezin. (Mahaarim.) Dit maakt het dus vrijwel onmogelijk dat meer dan één gezin van het dakterras gebruik maakt. De anderen zitten in huis te zweten, zeker in de zomer als de elektriciteit geregeld uitvalt. Er is alleen maar ‘s nachts elektriciteit. Koelinstallaties werken dus niet wanneer ze nodig zijn en er is ook niets fris te drinken.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 13 mei 1996 (maandag).

Tarim (Tarim, Say’un, mahaarimfoliëren).
De nieuwe jongens krijgen in­struc­ties om pagina’s te gaan controleren: of deze wel goed ge­fo­li­eerd of ge­pa­gi­neerd zijn.
Hussain al-K. reageert een beetje kwaad als Abd al-Rahmaan A. klaagt over de slordigheid waarmee alle stick­ers in de boeken zijn geplakt: schots en scheef en met de snijlijnen van balpeninkt er nog op. Hij (Hus­sain) zegt dat het belangrijkste is dat de stickers in de boeken zitten.
Ik ging laat naar de bibliotheek, want ik had helemaal geen zin.
Ik ben een beetje gepikeerd als Ali (een van de twee nieuwe me­de­wer­kers) mij bedankt voor het loon van 6.000 rial per maand. (f. 78,00 / € 35,00.) Ik wijt het aan zijn ge­brek­kige Engels dat hij niet vijf­en­vijf­tig­hon­derd rial kan zeg­gen, het bedrag dat Abd al-Rahmaan met hen bei­den, in mijn bijzijn, had af­ge­spro­ken. Als ik hem naar die zesduizend vraag, zegt hij dat hij er zes­duizend van gemaakt heeft. Ik moet dat be­ta­len.

Ik ga met Abd al-Rahmaan naar Say’un waar ik bij hem thuis de nacht zal doorbrengen. Eerst laat hij mij nog het lemen huis zien van zijn groot­moe­der, dat van binnen tra­di­tio­neel versierd is. Het is er heerlijk fris.(1)
Bij hem thuis krijg ik een kamer aan­ge­wezen, los van zijn huis en na­tuur­lijk zonder tafels of stoelen. No­ma­den eten met hun handen en le­ven op de aar­de.

Ik speel krijgertje met zijn doch­ter­tje en haar neefjes. Als zij bang voor mij zijn, duwen ze Maryam voor zich uit als bescherming. “Zij is (maar) een vrouw.”, zegt Abd al-Rahmaan. (Zonder ‘maar’.)
Arabisch lezen.
Slapen.
Heerlijke foel (bonengerecht) bij hem thuis.
Bed 22.15 uur.
Zowel het drinkwater (kraanwater) als het week en klef gebakken ei sma­ken naar stof.
Er viel in Say’un een beetje regen en het was er vochtig en stoffig.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de za­kelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen in­te­res­san­te informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 13 mei.
Als ik in de bibliotheek in de Records of the Yemen zit te lezen, wijst Hus­sain al-K. mij erop dat hij de stickers al in de boeken geplakt heeft. Ik geef daar geen antwoord op. Aan Abd al-Rahmaan, die wat later komt, laat ik de ca­ta­lo­gus van Kenderova (Sofia) zien. De sticker is daarin onder een hoek van 45 graden ge­plakt en de snijlijn van balpeninkt zit er nog duidelijk zichtbaar op, over de hele lengte van de bovenkant. Het is een schandaal!
Abd al-Rahmaan klaagt erover bij Hussain. Die weet natuurlijk niet waar het over gaat: “Het be­lang­rijk­ste is dat de sticker er in zit.”
Abd al-Rahmaan besluit dat er nieu­we stickers gemaakt moeten wor­den, die groter zijn en over de oude heen geplakt moeten worden.
Goede lijm wordt nu een probleem. Er staat nog een grote pot Bijonkit [sic.] voor het lijmen van vloer­be­dek­king. Dat is een groot gevaar. Dan is na het plakken van de nieuwe stick­ers het boek niet meer te openen, of zelfs nog maar van de tafel te ver­wij­de­ren. De stickers zitten er dan wel recht in.

[…]

Ik zal de nacht doorbrengen bij Abd al-Rahmaan thuis, want mor­gen­och­tend vertrekken we naar Sana’a. In Say’un laat hij mij het interieur van het traditionele huis van zijn groot­moeder zien. Ik heb helaas geen ca­me­ra bij me, want ik reis zo com­pact mogelijk naar Sana’a.
Bij hem thuis bespreken we het pro­gram­ma dat we in Sana’a gaan vol­gen en het eventuele programma voor de Nederlandse ambassadeur, die hier vol­gen­de week op bezoek komt, met zijn auto! Een reis van drie dagen heen en drie dagen terug. Een reis die met het vliegtuig in an­der­half uur kan! De man, Pijpers, is bang voor kleine vliegtuigen.

Dit is het einde van het verslag van 13 mei.

(1) Ik weet nog dat in het huis van de grootmoeder van Abd al-Rahmaan een kast uit Indonesië stond, want daar kwam zij van­daan, die versierd was met hout­snij­werk. Abd al-Rah­maan vertelde toen ook dat hij zijn grootmoeder slecht kon verstaan, want zij sprak eingelijk alleen maar In­do­ne­sisch en maar een beetje A­ra­bisch.

Dit is het einde van dag 58 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Door op de twee eerste letters van een link te klikken, opent een nieuw tab­blad waarin de geo­gra­fische locatie van de plaats in Google Maps wordt getoond.
Wanneer u op de derde en volgende letters klikt komt u in een nieuw tab­blad bij Wi­ki­pe­dia­pa­gi­na terecht met informatie over deze locatie.
Bij begrippen wordt alleen Wi­ki­pe­dia geopend.

Jemen, 12 mei 1996

Slagschaduw.
Gisteren, 11 mei 1996 om 12.00 uur: de zon staat nagenoeg recht boven. Het is on­draag­lijk heet. Flesje, stoel en tafel werpen nau­we­lijks meer schaduw dan hun omvang.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 12 mei 1996 (zondag).

Tarim (Tarim).
Een beetje tekenen.
Naar de bibliotheek lopen.
Thuis (hotel Gasr al-goebba) tegen 13.30 uur.
Zwemmen: er liggen enkele Fran­çai­ses in het zwembad.
FoxPro database programmeren.
Koken.
Beneden vertellen met X, een E­gyp­to­lo­ge uit Leiden. Vroeger was ze voor­zit­ter van Sheherazade: de stu­den­ten­ver­eni­ging voor allen die Ara­bi­sche, Per­zi­sche en Turkse talen en culturen studeren. In Leiden had ik een moeilijk contact met haar. Zij is niet mijn vriendin, maar toch dump ik bij haar twee li­ter whisky; an­ders moet ik die weggooien.
Onweer: niet zo spectaculair als een paar weken geleden. Ik fotografeer dat. Er vallen enkele druppels regen.
Dinsdag ga ik naar Sana’a en daar­om overnacht ik morgen bij Abd al-Rah­maan A. thuis in Say’un.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de za­­kelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen in­te­res­san­te informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 12 mei.
Abd al-Rahmaan is in de bibliotheek met een zekere Hussain. Deze man is cal­li­graaf en hij zal diverse ge­cal­li­gra­feer­de aankondigings- en naam­bor­den voor de bibliotheek ma­ken, onder andere een bord waarop het geschenk van de Nederlandse re­ge­ring wordt vermeld. De kosten be­dra­gen 37.000 rial. Desgevraagd be­taal ik 20.000 rial als voorschot.

[…]

Ahmad, de elektricien komt op be­zoek en bekijkt het werk nog even. De voor­lo­pi­ge kosten zijn 100.000 rial. Hij gaat akkoord met een be­drag van 800 dollar tegen een koers van 127 rial per dollar. Hij ont­vangt dus 800 dollar met een tegenwaarde van 101.600 rial.

(1.000 rial = f. 13,00 (€ 6,00))

Dit is het einde van het verslag van 12 mei.

Dit is het einde van dag 57 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Door op de twee eerste letters van een link te klikken, opent een nieuw tab­blad waarin de geo­gra­fische locatie van de plaats in Google Maps wordt getoond.
Wanneer u op de derde en volgende letters klikt komt u in een nieuw tab­blad bij Wi­ki­pe­dia­pa­gi­na terecht met informatie over deze locatie.
Bij begrippen wordt alleen Wi­ki­pe­dia geopend.

Jemen, 11 mei 1996

Handschrift / manuscript.
Een beeld van het vandaag gekochte hand­schrift. Links het boek rechtopstaand en rechts een de­tail van de tekst.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 11 mei 1996 (zaterdag).

Tarim (Tarim, convoluut, Ma­ghre­bijns schrift, is­la­mi­ti­sche cal­li­gra­fie).
Tekenen.
Ontbijt.
Ik ga naar Hussain al-A. (van de te­le­foon­win­kel) en bekijk het ma­nu­script dat hij helemaal bestudeerd heeft. Ik koop het document voor 350 dollar.
Het handschrift is een convoluut met vier teksten en is geschreven in een fijn Magrebijns schrift.(1)
Circa anderhalf uur werken in de bi­blio­theek.
Thuis een brief maken voor EL (hoe­wel ik niet zeker weet of ik die ver­stuur) en voor Nico.
Abd al-Rahmaan A. belt en vraagt of ik MN (van de Nederlandse Am­bas­sa­de in Sana’a) al gebeld heb.
Vanochtend probeerde ik dat, maar er was niet eens kiestoon be­schik­baar. (De lijn was dood.)
Nu zegt hij dat het vanuit Say’un wel gaat.
Ik zeg: “I am in Tarim.”
Hij: “You come to Say’un.”
Ik: “No.”
Het is even stil aan de andere kant. Hij staat wellicht perplex. Arabieren zeg­gen nooit nee. “Ja,” zeggen ze en doen het vervolgens niet.
Abd al-Rahmaan stottert: “Excuse me.”
Ik zeg: “No problem.”
Ik ga zwemmen en wat slapen.
Daarna ga ik weer naar Hussain en bel naar MN en daarna Abd al-Rah­maan.
Eten in het restaurant en buiten zit­ten van 20.30 tot 00.00 uur: Engels – Arabische les met Muhammad al-S.
Bed 01.00 uur, na douchen.

(1) Ik was al een hele tijd terug in Ne­der­land toen het manuscript in de Uni­ver­si­teits­bi­blio­theek Leiden ar­ri­veer­de. Van Jan Just Wit­kam, die niet alleen de projectleider was, maar ook conservator van de Oos­ter­se Handschriften van de Uni­ver­si­teits­bi­blio­theek, kreeg ik te horen dat het handschrift viel in de ca­te­go­rie ‘Der­tien in een dozijn’ en dat ik er (dus) absurd te veel voor had be­taald.
Sindsdien heb ik me niet meer met antiek en antiquiteiten bezig ge­hou­den.

Dit is het einde van dag 56 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Door op de twee eerste letters van een link te klikken, opent een nieuw tab­blad waarin de geo­gra­fische locatie van de plaats in Google Maps wordt getoond.
Wanneer u op de derde en volgende letters klikt komt u in een nieuw tab­blad bij Wi­ki­pe­dia­pa­gi­na terecht met informatie over deze locatie.
Bij begrippen wordt alleen Wi­ki­pe­dia geopend.

Jemen, 10 mei 1996

Rode bloem.
Deze schoonheid bij het Gasr al-goebba-hotel bracht mij in verrukking. Haar naam weet ik niet.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 10 mei 1996 (vrijdag).

Tarim (Tarim).
Op 8.00 uur, na een zweterige, be­nauw­de nacht. Een uur lang was het steen­koud, tegen de ochtend on­aan­ge­naam benauwd.
Ondanks dat ik onder de klamboe lig, ben ik toch geheel gekleed. (O­ver­hemd, sa­rong en een laken over mijn voeten.) Er weten altijd mug­gen de klam­boe bin­nen te drin­gen.
Rond 8.30 klopt Hussain al-A. (de re­cep­tio­nist) op de deur. Abd al-Rah­maan A. is aan de telefoon.
Hij kan niet eerder dan voor dinsdag vlieg­tuig­stoe­len naar Sana’a re­ser­­ve­ren.(1)
Hij heeft een lang verhaal over de Nederlandse ambassadeur die wil ko­men van 20 tot 22 mei. Ik luister nauwelijks. Ik baal want MN (van de Ne­der­land­se Ambassade) wil dat ik haar bel en het hotel verlaten was het laatste wat ik wilde, vandaag.
Het leven hier begint me te vervelen. Die eindeloze hitte, die be­nauwd­heid, het voortdurende zweten, het eentonige eten, het gebrek aan mooie vrou­wen, mooie on­be­reik­ba­re(?) mannen, het stof, het werk in de bi­blio­theek dat niet opschiet. Dat alles hangt me de keel uit. Ik wil geen gezeur meer aan mijn kop, maar ik krijg er alleen maar gezeur bij.
Marianne die me wil spreken. Hus­sain al-A., niet die van de re­cep­tie van het hotel, maar die van de te­le­foon­win­kel, die me een manuscript wil verkopen, dat ik nu eerst moet onderzoeken.
Allemaal dingen die ik niet meer wil.
In de telefoonwinkel: vijf keer in bijna twee uur komt de verbinding met Sana’a tot stand. Drie keer kiest Hussain een verkeerd nummer, één keer is MN in gesprek en de laatste keer neemt ze niet op.(2)
Op het terras van het hotel zit een vijfendertig tot veertig jarige Fran­çaise die alleen reist. (Wel met een Jemenitische chauffeur.) Ik ver­tel met haar en gaandeweg raak ik door haar in staat van uiterste seksuele opwinding. Ik zou haar naar mijn bed willen loodsen, maar hoe zou dat moeten? Ik kan niets bedenken.
Wanneer ze al lang en breed weg is (ze logeert in een hotel in Say’un, circa 35 km. van hier) weet ik het plotseling wel: haar de dakterrassen (van het hotel) laten zien, met het prachtige uitzicht, dan mijn kamer met terras en dan? Een oneerbaar voorstel doen?(3)
Ze logeert dus in Say’un en zal mor­gen naar al-Mukalla gaan.
Na een uurtje ga ik zwemmen. De an­de­re krachtige knaap, die ik wel zou wil­len betasten, is er in de buurt, maar Muhammad al-S. komt en dan gaat het sexy stuk weg.
Met Muhammad, die ontzettend aar­dig is, zou ik beslist niet het bed willen delen.(4)

Namiddag FoxPro database.
Koken.
FoxPro.
Nu 20.30 uur.
Vandaag over vier weken zal ik Ta­rim verlaten hebben.

(1) Abd al-Rahmaan en ik willen in Sana’a een nieuwe, snelle computer gaan kopen en ook software die met Arabisch overweg kan.

(2) Ik begrijp nu (2016) niet meer waar­om ik op vrij­dag naar de Ne­der­land­se Am­bas­sa­de zou gaan bellen. Die was (en is) in een islamitisch land toch op don­der­dag en vrijdag gesloten, net zoals o­ver­heids­in­stel­lin­gen in die landen.

(3) Ik had die Française natuurlijk ook een glas, of meerdere glazen, ster­ke drank kunnen aanbieden, maar daar heb ik kennelijk ook niet aan gedacht, hoewel ik een koffer vol met alcoholica in mijn hotelkamer had.
Overigens weet ik nu (2016) van het hier beschreven voorval met die sexy vrouw niets meer af. Het verhaal staat in mijn dagboek, ik mag dus aan­ne­men dat een en ander zo on­ge­veer heeft plaatsgevonden, maar zo­als gezegd, ik herinner me er niets meer van.

(4) Ik weet nog wel dat Muhammad al-S. een keer vertelde dat hij een zus­ter had. Als haar vriendinnen op bezoek waren, dan ‘gierden’ de hor­mo­nen door het zijn lijf, maar hij durf­de zelfs niet door het sleutelgat naar die andere meis­jes te kijken, want als hij betrapt werd, zou hij door zijn vader dood­ge­scho­ten wor­den. Als die dat niet zou doen, zou er een zich jaren voort­sle­pen­de zaak van bloedwraak ontstaan, want dan zou er iemand uit de familie (of stam) van het begluurde meisje een willekeurig familielid of stamlid, maar bij voorkeur Muhammad, de gluurder zelf, doodschieten, om de eer van het begluurde meisje te red­den. Vervolgens zou de familie (of stam) van Mu­ham­mad, om deze moord wreken, weer iemand uit de familie van het be­gluur­de meisje moeten vermoorden. De vete zou zich dan jarenlang voort­sle­pen, tot­dat er een vergelijk kon worden ge­trof­fen. De vader van Mu­ham­mad zou zijn zoon dood­schieten om de eer van het meisje te redden en om bloedwraak te voor­komen. (Bloedwraak.)
Het is aannemelijk dat de vader voor het vermoorden van zijn zoon niet ver­volgd zou worden of dat de rech­ter­lijke macht daar nogal te­rug­hou­dend op zou reageren.

Dit is het einde van dag 55 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Door op de twee eerste letters van een link te klikken, opent een nieuw tab­blad waarin de geo­gra­fische locatie van de plaats in Google Maps wordt getoond.
Wanneer u op de derde en volgende letters klikt komt u in een nieuw tab­blad bij Wi­ki­pe­dia­pa­gi­na terecht met informatie over deze locatie.
Bij begrippen wordt alleen Wikipedia geopend.

Jemen, 9 mei 1996

Vrouwen en kameel.
Twee vrouwen geheel in het zwart lopen ach­ter een kameel langs en er zijn drie meisje in wit­te en rode jurkjes, met strikken in het haar, bij. Zo kleurrijk zullen die vrouwen ook gekleed zijn, onder hun zwarte abaya met nigaab en zwarte handschoenen.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 9 mei 1996 (donderdag).

Tarim (Tarim, abaya, nigaab).
Op 7.30 uur. Nog steeds moe.
Ik bel met Jan Just Witkam. Hij had de tweede fax nog niet ontvangen.
Ik ga naar de bibliotheek.
Abd al-Rahmaan A. komt met ie­mand (een aannemer) die de elek­triciteit zal aanleggen.(1)
Ik spreek met een groep Ne­der­land­se toeristen, waarbij een mooie (zo­als la­ter in het zwembad zal blijken) goudsmid.
De groep wil bijdragen in de kosten van de bibliotheek en stort samen het ge­wel­dige bedrag van f. 5,10. Er was zelfs iemand die zomaar, spon­taan f. 0,25 bijdroeg. De an­de­ren va­ri­eer­den tussen 50 en 100 rial. Dus bij­na nie­mand droeg bij!
Niettemin werd ik verliefd op de goud­smid. In 1995 deed ze de cur­sus Is­la­mi­tische Kunst bij TCIMO. (Talen en Culturen van het Is­la­mi­tisch Mid­den-Oos­ten.)
In het zwembad, in badpak, zag ze er sexy uit. Zij zal ongeveer van mijn leef­tijd zijn.
Boven, mijn kamer, wat aanklooien.
Nu 18.00 uur.
Vandaag licht bewolkt.

De geldzaken van het pro­ject be­han­de­len.
Koken.
Afwassen.
Van 21.00 tot 00.00 vertellen met Mu­ham­mad al-S. Hij wil graag naar het bui­ten­land. Naar Ne­der­land of veel geld verdienen. Dat willen ze al­le­maal, maar ik zou hem wel wil­len he­lpen als ik kon, maar ik kan niet.
Nu 00.30 uur.
Ik drink twee glazen Bacardi rum aan­ge­lengd met Tiem.
Ik ben zo dik geworden dat ik mijn broek bijna niet meer dicht krijg.

Een roedel wilde honden maakt de omgeving van het hotel onveilig.
In het zwembad, of in het nabije dorp, maken vrouwen muziek. Dan­sen ze? Ik hoor castagnetten.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de za­kelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige da­gen interessante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 9 mei. (RashwaRubaat.)
Jan Just Witkam (de projectleider in Nederland, die aan de telefoon mijn vragen, die ik in een fax had gesteld, beantwoordt) gaat ermee akkoord dat een e­lek­tri­cien het e­lek­tri­ci­teits­net aan­legt. Ook gaat hij akkoord met de aan­schaf van een nieuwe computer. Hij vindt het geen goed idee om een ko­pi­eer­ma­chi­ne aan te schaf­fen, wegens de sto­rings­ge­voe­lig­heid van dat ap­pa­raat.
Later hoor ik van Abd al-Rahmaan dat een mogelijke aanbieder van een ko­pi­eer­ma­chi­ne ongeveer 3.500 dol­lar vraagt. Daar zou ik nooit mee ak­koord zijn gegaan. De prijs van het ap­pa­raat wordt niet door de markt bepaald, maar door … wat het twee jaar oude apparaat nu in de winkel zou kosten. (Is dat socialistische e­co­nomie?) Ik zou de eigenaar willen aan­ra­den zijn apparaat nog tien jaar te be­wa­ren. Mis­schien kan hij er dan 15.000 dollar voor krijgen!
Ook is Jan Just tegen het weggeven van boekenrekken aan het archief in Say’un. Ik denk dat we die rekken maar niet allemaal moeten opstellen, an­ders blijft er in de bibliotheek geen plaats meer over om nog een poot te ver­zet­ten.

[…]

De aannemer die het e­lek­tri­ci­teits­net zal aanleggen, Ahmad B. uit Say’un, berekent dat hij dat kan voor 40.000 rial. Daarnaast moet on­ge­veer 100.000 rial aan de e­lek­tri­ci­teits­maat­schap­pij betaald worden voor de aan­slui­ting op het net, met een eigen meter. Daarvoor zullen we een rekening krijgen.
Verder moet er nog 20.000 rial aan de medewerkers van die maat­schap­pij betaald worden, waar­voor we geen rekening krijgen. Volgens Ahmad chaariyy al-ganoen, letterlijk: buiten de wet. (Dat betekent dus steek­pen­nin­gen, of rashwa in het Arabisch.) Er geldt: geen steek­pen­nin­gen, geen elektriciteit. [Dat staat nergens genoteerd, maar dat her­in­ner ik me nog.] (1.000 rial is f. 13,00.)
Men vertelde mij dat met de ver­eni­ging van Noord-Je­men en Zuid-Je­men in 1990, de praktijk van om­ko­pen geïmporteerd werd uit Sana’a.

[…]

Hoewel de Nederlanders, die deze bibliotheek bezochten, een be­lache­lijk laag bedrag aan de bi­blio­theek schonken, waren zij de enigen die een bij­dra­ge hebben gegeven in de tijd dat ik er was. De bi­blio­theek werd door veel groepen be­zocht, maar nie­mand had er een cent voor over.

[…]

Een van de twee nieuwe me­de­wer­kers heeft alleen maar basisschool gehad. Toch heeft hij een enorme ken­nis op het gebied van we­ten­schap. Abd al-Rah­maan is ja­loers op die ken­nis. De jongeman vergaarde deze door religieuze studies buiten het officiële schoolprogramma om. Hij volgde een opleiding aan de Ru­baat, die geen diploma verstrekt.
Beide jongemannen wijden zich se­rieus aan het aan hen opgedragen werk.

Dit is het einde van het verslag van 9 mei.

(1) In eerste instantie was het de bedoeling dat ik de elektriciteit zou aan­leg­gen. Dat zou gekund hebben als Nico er nog bij was geweest, maar nu stond ik er alleen voor. Daarom huurden we een aannemer in die dat zou doen.

Dit is het einde van dag 54 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Door op de twee eerste letters van een link te klikken, opent een nieuw tab­­blad waarin de geo­gra­fische locatie van de plaats in Google Maps wordt getoond.
Wanneer u op de derde en volgende letters klikt komt u in een nieuw tab­blad bij Wi­ki­pe­dia­pa­gi­na terecht met informatie over deze locatie.
Bij begrippen wordt alleen Wi­ki­pe­dia geopend.