Jemen, 15 mei 1996

Sana'a.
Een detailopname van het grote huis dat op de foto bij dag 1, 17 maart jl., te zien.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 15 mei 1996 (woensdag).

Sana’a (Sana’a, diskette, mudbrick, qat).
Ik lig in bed en vraag mij af wat ik al die tijd in Sana’a moet doen als ik de 7e ju­ni terugkom naar de hoofdstad. Na een korte overdenking besluit ik tot 12 juni in Tarim te blijven.
Een half uurtje tekenen.
Ontbijt.
Ik bel met Joe, de Amerikaan die een anderhalve week geleden met Ka­the­rine in Tarim was, en ik vraag hem naar de mogelijkheid van een cursus En­gels op cas­set­te. Hij zegt dat hij twee cursusboeken heeft en weet waar de bij­be­ho­ren­de cassettes te koop zijn. We spreken af tussen 9.30 en 10.00 uur bij het al-Kumayn-gebouw, in de Hadda-straat.
Ik neem het ontbijt en een Duits stel uit Ulm wil bij mij aan tafel zitten. Zij is ouder dan hij. Zij reizen individueel, want dan zien ze meer.
Zij blijkt vooral bezeten door de angst voor de Jemenieten en vertelt voort­durend (vooral na de middag, als ik hen nogmaals ontmoet) over moorden en overvallen, waarvan ze van zeker twee(!) andere toeristen gehoord heeft. Ze zegt het gevaar al op twintig kilometer afstand te kunnen waarnemen.
Goed, ze reizen dus individueel om meer te kunnen zien. Ze ziet (behalve ge­vaar) twee belangrijke dingen. De vreselijke armoede en het onvermogen van de mensen om hun vuilnis op te ruimen.
Zij is echter niet in staat die dingen te combineren. Welke armoedzaaier zal er over denken de rommel om hem heen (voor niets) op te ruimen, terwijl hij die tijd zou kunnen gebruiken om geld te verdienen.
Zij zegt dat in India alles opgeruimd wordt(?). (Maar daar leeft ook een groep van slaven, die dat kunnen of moeten. [Dalit.])
Welke moslim zal zich, nutteloos, onrein maken.
Ik wordt een beetje kwaad van dat gezeur. Al die ‘oude troep’ is toch de aan­lei­ding dat ze hier zijn, zeg ik. Onze maatschappij is schoon. Wie van ons gaat naar Parijs om rijke Fransen te gaan bekijken. (Wel de mooie ge­bou­wen.) We kijken in armoedig Jemen rond in de wetenschap dat we spoedig weer terug gaan naar ons mooie en schone landje, dat we één keer per jaar verlaten omdat het geregelde leven ons een tijdje de keel uithangt en we eens wat anders willen zien dan rechte straten en op tijd rijdende treinen.
We willen het liefst primitief levende mensen zien, waarvan we vinden dat die zo primitief moeten blijven en geen moderne huizen en moderne spullen, die ons het leven veraangenamen, mogen kopen.
Bedoeïenen moe­ten kamelen be­rij­den en Jemenieten moeten in duur in onderhoud en on­com­for­ta­be­le leemhuizen(1) blijven wonen. Daar­om gaan we dus niet naar Parijs, maar reizen we individueel naar Jemen om vooral overal gevaar te zien. Gevaar van arme Jemenieten, die hun huisvuil niet opruimen.
Ik ga met een taxi naar het tele­foonkantoor, waar ik niet naar toe wilde (ik wil­de naar het centrale kantoor), maar dit is veel beter. In het Centrale kantoor moest je eind maart met een telefoonkaart bellen. Hier deponeer je een bedrag en kun je bellen. Na afloop krijg je een geprinte rekening.
Ik belde met Jan Just Witkam, met Pa en Ma. Daar is alles in orde.
De lijn is uitstekend, duidelijk en helder.
[…]
Rond 9.40 uur ontmoet ik Joe bij het al-Kumayn-gebouw en we gaan in een cassettewinkel de bij zijn boeken horende cassettes kopen. Vier stuks, voor 450 rial. Ze worden ter plekke van de bron gekopieerd.
Ik drink met hem een coke. Hij vliegt vanavond terug naar de Verenigde Staten, waar hij in zijn woonplaats (welke?) in Californië archeoloog wordt. Dat is zijn beroep.
Toen hij en Katherine terugkwamen in Sana’a bleek dat het leer­lin­gen­aantal van hun privé-school voor Engels zo dramatisch was terug­gelopen dat er nog slechts werk was voor Katherine en haar baas.
Ook zijn geplande opgraving in al-Mukalla gaat waarschijnlijk niet door.
Hij werkt in de VS acht maanden per jaar.
Circa 10.40 uur ben ik in het gebouw de Algemene Organisatie voor An­ti­qui­tei­ten en Musea, de werkgever van Abd al-Rahmaan A. (Er werken daar veel vrouwen, van wie veel zonder sluier, niet allemaal even mooi. Ik zag in nieuw-Sana’a veel vrouwen in gekleurde kleding, gebloemde sluiers en een aantal met ontbloot gezicht. De moderne tijd dringt langzaam door.)
[…]
Ik ben een beetje gepikeerd dat men mij zo lang op Abd al-Rahmaan laat wachten. Ik voel mezelf belangrijk. Ik ben immers een geldschieter. Ik klaag maar niet.
Na circa twintig minuten komt Abd al-Rahmaan en van zijn ziekte is niets meer te merken.
Ik word door de vicedirecteur van de Organisatie ontvangen en moet een lange lofrede aanhoren, zowel over Abd al-Rahmaan en over mijzelf. Hierna gaat Abd al-Rahmaan op­ge­wekt op bezoek bij allerlei collega’s, maar als hij na een uur eindelijk buitenkomt is hij doodziek en in de boekhandel moet ik het alleen uitzoeken. Hij zit op de grond met zijn hoofd tussen zijn handen. (Is hier sprake van toneelspel, of is hij echt ziek? Waarom was daar niets van te merken tijdens zijn bezoek aan talloze collega’s in de Organisa­tie?)
We kopen voor 28.650 rial (circa 365 gulden) Arabische naslagwerken voor de bibliotheek.
Ik ga terug naar het hotel en moet daar de rest van het Duitse geklaag (zie hierboven) aanhoren.
De individueel reizende Duitsers, die zo reizen om meer in contact te ko­men met de lokale bevolking, hebben vooral behoefte aan contact met wes­ter­lin­gen. Behalve met mij hebben ze ook contact gezocht met een Frans stel. De man, Gilles, is schilder en bezocht Jemen verschil­lende malen. Hij en zijn mooie, frêle vrouw zijn fervente qat-kauwers.
Toen de Duitse vroeg wat hij zoal schilderde, zei ik: “Zijn vrouw!” en tegen haar: “You are very beautiful.” Wat waar is, want zij is erg mooi.
Hij zou het eerste portret van de huidige president in zeventiger (of zes­ti­ger?) jaren geschilderd hebben. Zijn vrouw is nog niet zo oud.
Ik ga naar de computershop. De afspraak met Abd al-Rahmaan is om 16.00 uur, maar hij komt pas rond 16.20 uur.
We gaan nu eerst naar de een kantoorboekhandel waar we veel tijd verliezen omdat het personeel (twee sexy jongens) niet weet of ze nu wel of niet vijf­duizend systeemkaarten in voorraad hebben. Uiteindelijk hebben ze die wel. Dan moet er nog onderhandeld worden of de prijs: 1 of 2 rial per honderd kaarten. Dus 50 of 100 rial verschil op de totaalprijs, oftewel f. 0,65 of f. 1,30 verschil!
Met een paar pennen erbij kost alles 11.900 rial. (14 pennen à 100 rial.)
Ik bel met MN, van de Nederlandse ambassade, omdat ik niet op tijd kan zijn voor onze afspraak van 17.00 uur.
Naar de computerwinkel, waar de bediening langzaam te werk gaat en de financieel-directeur onvriendelijk is.
Diverse software is geïnstalleerd, maar er zijn geen diskettes bij. Wel de di­skettes van de tekstverwerker al-Ustadh.
Uiteindelijk ben ik circa 17.45 bij MN.
Ik liet haar wachten, zij laat mij nu wachten.
Ik bespreek de financiële kanten van de het werk. In haar huis is het gezellig druk: er is een bijeenkomst van allemaal ambassadepersoneel.
Het is de bedoeling dat we bij de broer van Abd al-Rahmaan, Solei­man, In­do­nesisch gaan eten.
Ik begrijp van MN dat het mogelijk is, dat als ik volgend jaar terugkom, ik een salaris van Buitenlandse Zaken kan krijgen om in Tarim te werken.
Ik heet de belangrijkste gast van de avond te zijn, maar als ik uit het toilet kom, zit iedereen al in de auto, om naar Soleiman te gaan, zonder aan mij gedacht te hebben.
Achteraf gezien had ik beter vijf minuten later uit het toilet kunnen komen.
De avond was niet echt gezellig. Hoewel we met veertien mensen waren vie­len er geregeld lange stil­tes. De uitnodiging zal een rib uit het lijf van So­leiman zijn geweest. Ik stelde aan MN voor om een bijdrage te geven, want Soleiman nodigde enkele mensen uit, geen tien of meer. De hele avond (van 20.00 tot 22.00 uur, vóór het diner) kregen we slechts één glaasje tamarinde aangeboden, verder niets.
Het diner, lekker, stond op de vloer. Er waren geen tafels. Veel was voor mij onbereikbaar en nog moeilijker te eten. Er was voldoende bestek. (Abd al-Rah­maan had me verteld dat de hele familie maar 5 lepels bezat. Die had zich nu dus in de onkosten gestort!)
Na de maaltijd krijgen we twee kopjes thee.
Tegen 00.00 ben ik in het hotel.
Het heeft vandaag niet geregend.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de za­kelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen in­te­res­sante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 15 mei.
Ik haal informatie bij The British Council over hun cursussen. Die kosten 250 USD, ongeacht het niveau. Drie dagen per week, twee uur per dag, zes weken lang.

[…]

Abd al-Rahmaan vertelt dat Sjeik AB tot adviseur benoemd zal worden. Iemand maakte de minister wijs dat de man in Tarim alle notabelen en alle bedoeïenenstammen achter zich heeft staan en dat een overplaatsing veel op­roer zou veroorzaken.
Volgens Abd al-Rahmaan is dat van die bedoeïenen niet waar. Boven­dien zou de Sjeik de belangen van de bibliotheek niet willen schaden.

[…]

Bij MN (van de Nederlandse Ambassade) thuis, informeer ik naar de vol­gende mogelijkheden.
1.) Ben ik gerechtigd het loon van twee nieuwe medewerkers enige tijd na mijn vertrek door te betalen?
2.) Het extra salaris dat Abd al-Rahmaan wenst te ontvangen, is dat ge­bruikelijk en mag ik dat betalen?

Ad 1.) MN heeft geen bezwaar.
Ad 2.) MN deelt mee dat dit niet gebruikelijk is en dat ik daarmee zeer terughoudend moet zijn. Geld geven schept op korte termijn financiële mogelijkheden, die na het einde van het project niet voorgezet kunnen worden. Niettemin vindt ze het goed dat ik een klein bedrag aan Abd al-Rahmaan uitkeer. (Helaas vergeet ik te informeren naar wat ‘klein’ is.)

[…]

MN meent dat ik volgend jaar, bij een eventuele terugkeer naar Tarim als ambtenaar van Buitenlandse Zaken betaald kan worden. (Dat is wel wat gunstiger dan het lage loontje dat ik nu krijg.)

[…]

De cassettebandjes die ik koop en het stu­die­boek Engels dat ik van Joe, de Amerikaanse archeoloog krijg, zijn voor mijn ‘samier‘(2) Mu­ham­mad al-S. in Tarim. Al eerder sprak ik voor hem een heel Engels stu­die­boek in, op een aantal cas­set­tes.

Dit is het einde van het verslag van 15 mei.

(1) Dat Jemenieten hun lemen huizen vervingen door betonnen woningen was vooral de klacht van Nico. Die wilde dat de Hadaarim hun traditionele levensstijl be­hiel­den. Ik meen te mogen stellen dat dit ook de wens van veel toeristen zal zijn geweest. Ze zouden nooit naar Jemen reizen als de lokale bevolking in betonnen woningen zou wonen.
Abd al-Rahmaan vertelde mij dat sommige mensen voor de on­der­houd van hun huis zoveel geld moesten uitgeven, dat er niets meer overbleef om voed­sel van te kopen. Mede daardoor hadden sommige mensen niets te eten.
Leemhuizen (mudbrick) zijn ex­treem onderhoudsgevoelig: na ie­de­re forse regenbui moeten er al herstelwerkzaamheden uitgevoerd worden. Gelukkig regent het niet zo vaak in de Hadramaut.

(2) ‘Samier‘ is iemand met wie je ’s avonds, als de zon onder is en de temperatuur tot een aangename waarde gedaald is, gezellig kletst en drinkt.

Dit is het einde van dag 60 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Door op de twee eerste letters van een link te klikken, opent een nieuw tab­blad waarin de geo­gra­fische locatie van de plaats in Google Maps wordt getoond.
Wanneer u op de derde en volgende letters klikt komt u in een nieuw tab­blad bij Wi­ki­pe­dia­pa­gi­na terecht met informatie over deze locatie.
Bij begrippen wordt alleen Wi­ki­pe­dia geopend.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.