Dit is mijn werkplek op het terras dat bij mijn kamer in het Gaṣr al-Goebba-hotel hoort en zich dus achter de lakens bevindt die op de dia van gisteren te zien zijn. De doeken dienen om overdag mijn werkplek tegen de koperen ploert te beschermen.
Deze dia is in de avond genomen, want de lamp brandt. Op de tafel staat mijn Toshiba-laptop en links ernaast de temperatuurmeter die tot op een tiende graad nauwkeurig meet. Hier werk ik vaak tot in de kleine uurtjes aan de verbetering van de Access-database voor de Aḥgāf-bibliotheek.
Het Tarīm-project 1997
1997 – 2017: twintig jaar geleden
Tarīm: Hadramaut, Jemen
Dagboek 1997
(Dag 9434) Ik ben in de Ḥaḍramaut (Zuid-Jemen) in de plaats Tarīm. De komende weken logeer ik daar in het Gaṣr al-Goebba-hotel (Koepelpaleis-hotel) en zal er werken in de al-Aḥgāf-bibliotheek voor handschriften. – De bibliotheek is tot maandag gesloten. Het is vandaag 27 Raǧab, een islamitische feestdag. – In Leiden, mijn woonplaats, ga ik op vrijdagavond altijd dansen in het Leids Vrijetijdscentrum (LVC). Daar zag ik een paar keer een mooie jonge vrouw, wier naam ik niet weet en daarom ‘Ennefea’ heb genoemd. Ik droom deze nacht indirect van haar. – Mijn verslag, op mijn laptop geschreven, bevat meer (achtergrond)informatie dan mijn dagboekverslag. – De munteenheid in Jemen is de Rial (YER). (1 rial = f. 0,015 (anderhalve cent), dus 100 rial = f. 1,50.)
Donderdag, 27 november 1997.
Tariem: 9/39.
Het is 27 Raǧab: het feest van al-Isrā’ wa-l-Miᶜrāǧ* genoemd: de Nachtreis van de profeet Muḥammad. Iedereen in de bibliotheek heeft vrij en het gebouw is gesloten.
Ik droomde dat ik voor de PTT-Telecom (mijn voormalige werkgever van medio 1966 tot en met 1989) een storing moest oplossen in een gebouw met een alarminstallatie. Ik wist niet hoe ik het alarm moest omzeilen, maar [collega] BG. had een plattegrond waar op stond hoe je moest lopen. (BG. vond ik altijd intrigerend en bijzonder aardig, maar niet mooi.) BG. ging naast me op de vloer zitten om me de route te wijzen. Toen vlijde hij zich tegen mij aan. Hij was [in deze droom] niet ouder dan twintig jaar. Ik pakte zijn hoofd vast en zoende hem. Hij zuchtte van genot. Ik vroeg hem, terwijl mijn hoofd op zijn ontblote borst lag, wat hij met zo’n oude kerel als ik moest. Hij zei dat hij van mijn manier van doen hield. (Alles wat hij zei en deed, was dat wat Anna bij mij in het verleden in werkelijkheid zei en deed.) Ik knuffelde hem om hem een plezier te doen. Hij was verschrikkelijk sexy, maar het deed me niet veel. Ik overwoog hem te vertellen dat er ook nog iemand anders is, namelijk Ennefea, op wie ik verliefd ben, maar zag daar om verschillende redenen van af. Een en ander zou de zaak ernstig compliceren. Meer geredeneerd vanuit de verwachting van deze jongeman dan dat ik er zelf behoefte aan had, maakte ik zijn broek open. Zelf trok hij snel zijn slipje omlaag. Ik wilde niet verder gaan. Voordat de jongeman teleurgesteld kon raken over mijn afwijzende reactie, werd ik gelukkig wakker. Nu ligt hij daar in dromenland half naakt op mijn tong te wachten, die nooit zal komen. Het was net 06.00 uur.
Daarna sliep ik nog tot 8.00 uur en nam een hotelontbijt.
De temperaturen, afgelopen nacht buiten (minimum) 29,4°C, binnen: 22,6°C.)
Er is weer eens geen elektriciteit. Ik wil de benzine van de generator betalen, maar niemand begrijpt me.
De generator zal om 12.00 uur gerepareerd worden en, zowaar, om 13.00 uur is er elektriciteit. Hij zal, zo is mij beloofd, niet meer onderbroken worden.
Van Ḥusayn al-K., de manager, neem ik de servo-gestuurde volledig automatische spanningsregulator over. Dit apparaat stond nog in de verpakking. Hij zal een nieuwe kopen en mij de rekening overhandigen, die ik dan zal betalen: circa 80 US$.
Na 13.00 uur maak ik op de computer de administratie van het project en mijzelf.
Persoonlijk gaf ik in de eerste week al circa 500 US$ uit. Ik heb maar 1.745 dollars meegenomen voor mijzelf, dus ik moet voorzichtig zijn. Het grootste deel verdween bij Taj Sheba in Ṣanaᶜā’ en de aanschaf van een extra koffer. Overnachting 185 US$ (per ongeluk gaf ik 5 US$ te veel, zo bleek achteraf.) Diners f. 200,00 (100 US$) en het koffer: 6.500 YER (f. 97,50, circa 50 US$.) Al-Gasmi-hotel: 50 US$.
Namiddag: verbeteringen aanbrengen in de database van de bibliotheek.
Avondeten met vis (erg droog) in het restaurant.
Doorwerken tot circa 23.00 uur.
Bed circa 00.30 uur.
De temperatuur is dan nog zo’n 25°C. Rond 12.00 uur was het 40°C in de zon. (En ook in de schaduw.) Rond 16.00 uur: 35°C.
De eerste drie weken van dit verblijf in Jemen hield ik op mijn laptopcomputer ook een verslag bij, waarin soms dingen staan die niet in mijn dagboek voorkomen.
Hier volgt een uittreksel daarvan.
Niets doen
Om zes uur stopte de energievoorziening en ik dacht dat de ellende van een jaar geleden weer begon. Toen was er alleen tussen half twee en half vier ’s nachts elektriciteit. Ik wist meteen weer wat ik vergeten had aan te schaffen in Nederland: een zonnestroomvoorziening voor mijn computer. Nu was ik gedwongen tot niets doen tot na 13 uur.
Natuurlijk kan ik het stadje ingaan, maar bij 40°C is dat geen pretje. Er is bijna geen schaduw, of die is in beslag genomen door groepen mannen, met wie ik niets te bepraten heb, want het is vandaag een religieuze feestdag.
Van dit stadje heb ik het meeste al gezien. Wat ik nog niet gezien heb, daar ben ik ook niet welkom. Verleden jaar werd ik uit de binnenstad met een regen van stenen verdreven door kinderen, meisjes en jongens. De volwassenen zaten erbij en keken ernaar, maar ondernamen niets. Het gebeurde dus kennelijk met hun toestemming.
De omgeving wil ik nog wel bereizen, maar zal dat doen als [collega] Tawfīq hier is, samen met hem en in een auto.
Zodra de elektriciteit er weer is (rond 13 uur) ga ik aan het werk. Zwemmen is niet mogelijk omdat het bad wordt schoongemaakt. Gisteren vond ik dat al nodig. Er wordt geen reinigingsmiddel gebruikt omdat het water de dadelplantages bevloeit.
Ik maak een overzicht van de financiën. Het blijkt dat ik privé veel meer geld gebruikt heb dan mag op grond van het meegenomen bedrag voor de hele tijd. Ik zal het dus een beetje rustiger aan moeten doen. Ik nam ongeveer drieënhalf duizend gulden mee.
Ik pas de database aan aan de mogelijkheden die Microsoft Access biedt en die het gebruikersgemak ten goede komen.
Eerst was ik van plan te koken, maar omdat ik vanochtend al de hele tijd verloor met niets doen, besluit ik om toch maar weer in het restaurant te eten.
Koude, harde patatten, dezelfde groenteprut als altijd en een grote homp droge vis. Salade als gisteren en eergisteren, maar nu ook nog grote stukken komkommer erbij. Als toetje een sinaasappel. Eergisteren kreeg ik een banaan en een sinaasappel, gisteren niks.
Er zit een groep Fransen in het hotel. Gisteren waren hier Oostenrijkers, die ook in al-Gasmi-hotel zaten in Ṣanaᶜā’.
Temperaturen: nu 23°C buiten. Overdag was het 41°C rond 12.00 uur. Later in de middag werd het 35°C. Nu is het aangenaam en doodstil, op krekels, kikkers en een af en toe balkende ezel na.
al-Isrā’ wa-l-Miᶜrāǧ. Raǧab is de zevende maand van de islamitische maankalender. Op 27 Raǧab wordt al-Isrā’ wa’l-Miᶜrāǧ gevierd. In de nacht van deze dag vond de Nachtreis van de profeet Muḥammad naar de zeven hemelen plaats.
Wikipedia: Nachtreis.
Transcriptie van de klinkers in Arabische woorden.
A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.
Klik hier voor het overzicht van de transcriptie in Arabische woorden.
De auteur dezes kan niet garanderen dat alle links naar externe websites (dus die van derde partijen) altijd zullen blijven bestaan. Foto’s in Google Maps, bijvoorbeeld, kunnen verdwijnen wanneer de eigenaar ze weghaalt. Ook aan andere links kan een einde komen, of kunnen in ongebruik raken. Wanneer u een niet werkende link constateert kunt u dat melden in het reactieveld. Bij voorbaat dank.
Dit is het dakterras dat bij mijn kamer in het Gaṣr al-Goebba-hotel hoort. Mijn kamer ligt achter de doeken, maar tussen de kamer en de doeken is nog voldoende terrasruimte om te werken. Daar staat een tafel (met stoel), waaraan ik mijn administratieve verplichtingen kan verrichten.
Het Tarīm-project 1997
1997 – 2017: twintig jaar geleden
Tarīm: Hadramaut, Jemen
Dagboek 1997
(Dag 9433) Ik ben in de Ḥaḍramaut (Zuid-Jemen) in de plaats Tarīm. De komende weken logeer ik daar in het Gaṣr al-Goebba-hotel (Koepelpaleis-hotel) en er werken in de al-Aḥgāf-bibliotheek voor handschriften. – Mijn verslag, op mijn laptop geschreven, bevat meer (achtergrond)informatie dan mijn dagboekverslag. – De munteenheid in Jemen is de Rial (YER). (1 rial = f. 0,015 (anderhalve cent), dus 100 rial = f. 1,50.)
Woensdag, 26 november 1997.
Tariem: 8/40.
Goed geslapen.
Op 7.00 uur.
Dagboek bijwerken.
Circa 9.00 op weg naar de [al-Aḥgāf-] bibliotheek. Ik ontmoet Ḥassan al-A., de oom van Ḥusayn al-A. (Niet de receptionist van het hotel, maar die knappe, sexy boy van de telefoonwinkel, verleden jaar.)
Deze Hassan al-A. brengt mij in zijn persoonlijk wrak naar de bibliotheek. Desgevraagd wil hij me wel helpen bij het afdingen als ik een sarong wil kopen.
We rijden de vijftig meter met veel moeite achteruit, ernaartoe. Ik mag niet uitstappen.
Het door hem behaalde voordeel voor twee goede sarongs (merk Atlas uit Indonesië) wil hij niet aannemen, maar ik laat het bedrag in zijn auto vallen: 400 rial. Ik betaalde 1.600 rial. (Circa 24 gulden.)
Ik print de fax die ik gisteren op mijn laptop maakte en verstuur die via de fax van het postkantoor*(1) naar de Ambassade met het verzoek aan DK. om die door te sturen naar Jan Just Witkam.
Als ik om 11.30 uur naar huis ga vraagt Ḥusayn al-Ḥ. of hij me een van deze dagen (er is vakantie tot maandag) mag komen opzoeken. Omdat ik vrees dat hij vandaag al daad bij het woord zal voegen, luister ik na het zwemmen alleen nog maar luide Walkman-muziek, zodat ik een excuus heb waarom ik zijn geklop niet hoorde. Ik heb nog zoveel te doen. (Dagboek bijwerken, de database op een fout testen, het dagelijks verslag schrijven.) Ik wil niet gestoord worden.
Temperatuur vandaag: afgelopen nacht buiten circa 19°C buiten en 27°C binnen.
Circa 13.00 uur buiten 35°C, ook in de schaduw!
Circa 16.00 uur: zon en schaduw: 30°C.
Circa 17.20: onder het afdakje [bij mijn kamer] 28,1°C, rest 26,3°C. De zon is al bijna onder.
Nu 17.25 uur. Het wordt nu snel donker.
Goede Vegas en Underworld Techno-muziek op de Walkman [mini radio-cassetterecorder].
Ik moet naar een fout in de database voor de Aḥgāf-bibliotheek zoeken. Als je meerdere sorteeracties hebt ondernomen, wordt op gegeven moment niet meer gesorteerd.
Vóór het diner lukt het me niet de oorzaak te vinden.
Diner: soep, een soort pasta met kip en een beetje (deze keer wel, gisteren niet) warme groente.
Na het diner ontdek ik op gegeven moment dat de tellers [database], die het adres in een array bepalen, na gebruik niet op nul gezet worden. Met een extra programmaregel is het probleem opgelost.
Bed rond 01.00 uur. Het is dan nog 20°C buiten.
De eerste drie weken van dit verblijf in Jemen hield ik op mijn laptopcomputer ook een verslag bij, waarin soms dingen staan die niet in mijn dagboek voorkomen.
Hier volgt een uittreksel daarvan.
Ik printte de fax, die ik gisteren maakte voor Nederland en verstuurde die vanuit het postkantoor naar de Nederlandse Ambassade in Ṣanaᶜā’ met het verzoek die door te sturen naar Nederland. Vanuit het postkantoor moest de fax tweemaal verstuurd worden om foutloos in Ṣanaᶜā’ aan te komen. Althans, dat mag ik hopen. De kosten waren beduidend minder dan een fax naar Nederland. Die kost per pagina 800 rial (verleden jaar) wat nu zo’n twaalf gulden zou zijn. Naar Ṣanaᶜā’ kosten twee pagina’s maar 70 rial, nog goedkoper dan een brief. (70 rial is ongeveer 1 gulden). Vanuit Ṣanaᶜā’ kan hopelijk wel foutloos gefaxed worden. Ik hoop dat DK. van de Nederlandse Ambassade enige medewerking wil verlenen.
Ik ontmoette Ḥassan al-A., een collega van Abd al-Raḥmān, onderweg naar de bibliotheek en hij reed me in zijn persoonlijk wrak naar de bibliotheek. Toen ik hem vertelde dat ik een sarong wilde kopen, (om in het hotel te dragen, dat is veel frisser dan een broek) zou hij me wel naar de winkel rijden, ongeveer dertig meter, die met veel moeite afgelegd moest worden en veel gesodemieter om iedereen aan de kant te krijgen, maar ik mocht niet uitstappen. Alleen gekken lopen hier.
Hij vertelde mij dat ik over de prijs zou moeten onderhandelen. Ik vroeg hem dat voor mij te doen. Dat deed hij met verve. Ik genoot ervan, hoewel ik bijna die sarong niet kreeg die ik wilde hebben. Uiteindelijk kreeg ik twee sarongs samen ruim 400 rial goedkoper. Het door hem behaalde voordeel wilde hij niet van mij aannemen, maar ik liet het in zijn auto vallen. Voor mij is dat een druppel op de gloeiende plaat, voor hem een half weekloon. Ik betaalde de marktkoopman 1.600 rial, ongeveer 24 gulden. Hij was erg tevreden.
De sarongs, koele kleding, draag ik alleen op mijn kamer en terras in het hotel. Niet daarbuiten. Ik ben geen Ḥaḍramī [inwoner van de Ḥaḍramaut], maar men heeft mij tot Moewallad gemaakt. Dat is een Ḥaḍramī van oorsprong (zijn roots liggen hier), maar die in den vreemde geboren is en die het Arabisch niet goed beheerst. Daar zijn er hier heel veel van. Studenten uit Maleisië, Singapore en Indonesië, die hier godsdienst studeren. Hun voorvaderen waren Ḥadārim [meervoud van Ḥaḍramī]. Die studenten moeten hier eerst Arabisch leren.
Na lang zoeken vond ik de oorzaak van de fout bij het sorteren in de database. Ik moest ervoor zorgen dat de sorteervolgordetellers op nul gezet worden als in het betreffende veld de sorteerfunctie wordt uitgeschakeld. Snap je? (??)
Ik voegde ook nog een extra veld toe bij de auteurs voor de šoehra.*(2)
Postkantoor. Ik vermeld het nergens in mijn dagboek maar Tarīm heeft dit jaar een postkantoor. Verleden jaar moest ik, om een fax te versturen, naar Say’ūn reizen, of die aan iemand meegeven die in die plaats woonde.
Šoehra. (ﺍﻟﺸﻬﺮﺓ) De šoehra is een onderdeel van het complexe persoonsnamen-systeem van de Arabische eigennamen. Zie voor een uitleg daarvan Wikipedia. De term šoehra wordt in dit Wikipedia-artikel niet genoemd, maar is dat deel van een naam van de persoon waarmee hij / zij algemeen bekend, of beroemd is.
Een beroemde Tunesische zangeres Ṣalīḥa (1914-1958 :ﺻﻠﻴﺤﺔ) kreeg een Tunesische / Algerijnse navolgster (1943-2005), die ook de naam Ṣalīḥa adopteerde, maar het publiek noemde haar Ṣalīḥa(t) al-ṣaġīra (ﺻﻠﻴﺤﺔ ﺍﻟﺻﻐﻴﺮﺓ): de kleine / de jonge Ṣalīḥa. Zij was dus bekend met de extra toevoeging al-ṣaġīra, dat was haar šoehra.
De Tunesische ṢalīḥaWikipedia (Frans). YouTube.
De Tunesische / Algerijnse Ṣalīḥa(t) al-ṣaġīraYouTube.
Transcriptie van de klinkers in Arabische woorden.
A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.
Klik hier voor het overzicht van de transcriptie in Arabische woorden.
De auteur dezes kan niet garanderen dat alle links naar externe websites (dus die van derde partijen) altijd zullen blijven bestaan. Foto’s in Google Maps, bijvoorbeeld, kunnen verdwijnen wanneer de eigenaar ze weghaalt. Ook aan andere links kan een einde komen, of kunnen in ongebruik raken. Wanneer u een niet werkende link constateert kunt u dat melden in het reactieveld. Bij voorbaat dank.
Het Gaṣr al-Goebba-hotel te Tarīm. Mijn ‘residentie’ in het voorjaar van 1996 en ook dit jaar, 1997.
Het Tarīm-project 1997
1997 – 2017: twintig jaar geleden
Tarīm: Hadramaut, Jemen
Dagboek 1997
(Dag 9432) Ik ben in de Ḥaḍramaut (Zuid-Jemen) in de plaats Tarīm. De komende weken zal ik daar logeren in het Gaṣr al-Goebba-hotel (Koepelpaleis-hotel) en er werken in de al-Aḥgāf-bibliotheek voor handschriften. – Ik heb veel contant geld bij me. Waar ik verleden jaar, met een nog veel groter bedrag aan baar geld, daar zorgeloos verbleef, ben ik vandaag uiterst bezorgd over mijn veiligheid. – Mijn verslag, op mijn laptop geschreven, bevat meer (achtergrond)informatie dan mijn dagboekverslag. – De munteenheid in Jemen is de Rial (YER). (1 rial = f. 0,015 (anderhalve cent), dus 100 rial = f. 1,50.)
Dinsdag, 25 november 1997.
Tariem: 7/41.
Op 7.00 uur. Koffie. Douche.
Goed geslapen.
Ontbijt van het hotel.
Dagboek bijwerken tot circa 10.00 uur.
Temperatuur binnen / buiten: 31°C.
Met Abd al-Raḥmān [directeur van al-Aḥgāf-bibliotheek] besprak ik het te volgen programma. (Het spreekt me niet aan dat ik instructie in boekbinden moet geven. Gelukkig komt er iemand uit Ṣanaᶜā’ die van wanten weet en die Arabisch en Engels spreekt.)
Ik werkte van circa 10.00 tot circa 23.00 uur in / aan de bibliotheek, slechts onderbroken door enkele korte pauzes. Verslagen maken en een fax-bericht voorbereiden.
Ik at in het restaurant van het hotel en werkte door.
Bed circa 00.00 uur. Ongeveer 20°C om 00.30 uur.
Ik voel me een stuk beter nu ik veel minder geld heb, maar weten potentiële bandieten dat wel?
De eerste drie weken van dit verblijf in Jemen hield ik op mijn laptopcomputer ook een verslag bij, waarin soms dingen staan die niet in mijn dagboek voorkomen.
Hier volgt een uittreksel daarvan.
Ik sliep als een blok.
De begroeting in de Aḥgāf-bibliotheek is hartelijk. Het lukt me zowaar om met Abd Allāh A. enkele woorden te wisselen, hoewel hij, als ik hem niet goed begrijp, geen andere woorden gaat gebruiken, maar harder begint te praten, alsof ik doof ben. Husayn al-K. is ook blij met mijn bezoek. Ik heb het gevoel niet weg te zijn geweest, hoewel er bijna anderhalf jaar zit tussen beide keren dat ik hier was. (Thuis, in Nederland, had ik al vaak het gevoel alsof ik door de deur uit te stappen en een hoekje om te lopen, al weer buiten het Gaṣr al-Goebba-hotel stond en de stoffige weg, met links en rechts de lemen muren, naar de Aḥgāf-bibliotheek voor mij lag).
Ik vroeg Abd al-Raḥmān naar de gezondheid van zijn vrouw. (Veel mannen reageren ongemakkelijk en lacherig als je naar (de gezondheid van) hun echtgenote informeert. Het is hier not done om over de echtgenote te spreken. Daar trek ik me niets van aan. Ook zij heeft recht op mijn belangstelling, vind ik. Abd al-Raḥmān, die al in Nederland is geweest, weet waarschijnlijk beter en reageert normaal.)
Gisteren zei hij dat hij mij niet naar Tarīm kon begeleiden omdat hij in de keuken nog vanalles moest doen. Ik veronderstelde toen, ten onrechte, dat hij zijn vrouw hielp met het huishouden. Hij zei dat Jemenitische vrouwen de eigenaardigheid hebben dat als ze ziek zijn er de voorkeur aan geven terug te keren naar het huis van hun vader. Ook zijn kinderen waren met de moeder meegegaan, maar kwamen af en toe nog op bezoek. Vooral zijn zoon Hassan trok erg naar hem, maar zijn dochter Miriam bleef liever bij de moeder. Wie zorgde dan nu voor Abd al-Raḥmān? De vrouw van zijn broer, die zelf al jaren in Canada woont en daar een bestaan probeert op te bouwen. Zijn vrouw zou hij dan later over laten komen.
Na enig zoeken vind ik een vertrouwd iemand die bereid is het grootste deel van het geldbedrag tegen ondertekening van een ontvangstbewijs over te nemen en op te bergen in een kluis.
Ik voel me meteen een stuk veiliger, maar is dat wel terecht? (De persoon in kwestie, niet meer, vertelde hij me later). Eventuele bandieten weten niet dat ik het geld niet meer heb. Ik kan moeilijk een groot spandoek op het hotel hangen met de mededeling dat Mister Hanis (zoals ik hier heet) geen geld meer heeft en dat hij, als hij wil wisselen eerst iemand anders moet verzoeken hem een bedrag te verstrekken.
Er zijn in dit dorp toch een heleboel mensen die weten dat ik verleden jaar veel geld bij mij had. Niet in de laatste plaats de geldwisselaars, die soms twee keer per week grote bedragen van mij ontvingen. Ook anderen hebben mij zien lopen met de enorme pakken Jemenitische rials in grote doorzichtige plastic zakken. (Toen 125 rial voor 1 dollar, het grootste biljet was toen 200 rial. Nu 500 rial.) De mensen die het geld ontvingen wisten dat ik over veel geld moest beschikken. Hun personeel, die arme sloebers, ook, want die stonden er vaak met de neus bovenop als ik hun patroons betaalde. Ik was ook ruim met de fooien. Ik heb me er nooit zorgen over gemaakt, ik vertrouwde hier zelfs de duivel en die heeft mij dan ook nooit bedrogen. Drie maanden was ik hier, dat doe je niet met een paar honderd gulden.
Allen zullen veronderstellen dat er weer veel geld is, nu ik hier voor de tweede keer ben.
Temperatuur binnen: 27,1°C, buiten: 22,1°C. Overdag was het lang niet zo heet als verleden voorjaar, maar toch nog altijd zo’n 32°C. Misschien was het verleden jaar wel veel warmer dan de door mij veronderstelde 40°C.
Abd al-Raḥmān en ik bespraken vandaag de streefdoelen van deze fase, zoals vastgelegd in mijn document ‘Doelstelling van de tweede fase.’
Er komt binnen anderhalve week, op kosten van het project, een ervaren boekbinder uit Ṣanaᶜā’ die zowel Engels en Arabisch spreekt en die samen met mij de instructie van het binden van boeken volgens westerse standaard zal uitvoeren.
Totdat die man hier is zal ik, samen met Ḥusayn al-Ḥ., het gebruik van de database aan het personeel uitleggen en in de praktijk brengen. Voor [collega] Tawfīq geldt dan dat hij moet uitleggen hoe de camera’s werken en hoe men op verantwoorde wijze goede foto’s kan maken. Daarna zullen we werken aan het catalogiseren van de handschriften. Door intensief onderzoek van alle handschriften zijn er sinds mijn vertrek, verleden jaar, een enorm aantal teksten gevonden die nu niet in de fihrist [catalogus] voorkomen. Die zal ik proberen allemaal aan de database toe te voegen.
De computers doen het nog allemaal. De nieuwe computer (die ik 1996 in Ṣanaᶜā’ kocht) wordt intensief gebruikt door Husayn al-H. die een opleiding in moderne technologieën in Kiev, Oekraïne, genoten heeft. Hij heeft behoefte aan een krachtigere wordprocessor. Ik zal op 26 november Windows 95 en Word 97 op de nieuwe computer installeren. Spoedig zullen we het geheugen van die computer ook moeten uitbreiden. (Zie hier beneden).
Abd al-Raḥmān en het personeel achten het geboden alternatief voor microfilms*, namelijk gewone camera’s en gewone kleinbeeldfilms, onwerkbaar. Als iemand een kopie wil hebben van een beetje handschrift zijn er een enorm aantal films nodig, omdat iedere film maar 36 pagina’s kan bevatten. Daarnaast is het, na dure ontwikkeling, niet goed mogelijk om te bepalen of de foto’s scherp zijn of niet. Het laten afdrukken van de foto’s kan de bibliotheek niet betalen. Er is geen mogelijkheid om de negatieven te controleren of te projecteren.
Onlangs kwam een Tarīmī in de bibliotheek met een digitale camera en hij maakte zonder veel poespas een mooie kopie van een foto op de laserprinter. Een digitale camera is via relaties in Dubai gemakkelijk aan te schaffen. We overwegen dat nu te doen. Digitaliseren van de collectie ligt nu binnen handbereik. Daar is ook de Nederlandse ambassadeur in Ṣanaᶜā’ een voorstander van. Een camera is te preferen boven een flatbed scanner wegens de breekbare ruggen van de handschriften. Voor gebrek aan adequate kennis hoeven we niet bang te zijn. In Tarīm zijn een heleboel mensen die het laatste jaar een computer hebben aangeschaft en er zijn er veel die over voldoende kennis beschikken van soft- en hardware.
Het probleem is dat het werkgeheugen van de computer en het vrije geheugen op de harde schijf te gering is. We overwegen nu het werkgeheugen uit te breiden tot 16 of 24 MB. Er is geen andere oplossing voor het geheugenprobleem van de harde schijf dan de aanschaf van een CD-ROM-lezer en schrijver. Naar de prijzen van deze spullen zal in Dubai geïnformeerd worden.
We zullen een geluidsarme generator van 3 KW aanschaffen, in overleg met de moskee.
Er wordt nu een nieuwe ingang gemaakt voor de bibliotheek. Het moskeebestuur protesteerde tegen de vele ‘schaamteloos‘ geklede toeristes, die hun klim naar de bibliotheek moeten maken vanaf de deur naar de moskee. De mannen raken er te opgewonden van. Een gedeelte van de kosten komt tijdelijk voor rekening van het project, omdat de metselaar al bezig is, maar de regering nog niet over de brug is gekomen. Dat zal nog enige tijd duren.
De kosten voor de ruimte voor de gewapende nachtwaker komt voor rekening van het project. Abd al-Raḥmān wil de nachtwaker niet in de bibliotheek hebben omdat die man niet zal stoppen met roken en er ook niet van zal afzien eten en drinken in de bibliotheek te gebruiken. Goede nachtwakers liggen niet voor het oprapen en men moet genoegen nemen met het exemplaar dat men nu al aangenomen heeft. [Tot zover een gedeelte uit mijn fax-bericht naar Nederland.]
Microfilms. Het vervaardigen van microfilms is vooral een wens uit de hoek van de bibliotheekpartners in Nederland. Er is in Tarīm geen goede werkomstandigheid om iets dergelijks te verwezenlijken, blijkt uit de tekst hierboven. Overigens is al 70% van de handschriften (manuscripten) ge-microfilmd. Zie 3 mei 1996.
Transcriptie van de klinkers in Arabische woorden.
A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.
Klik hier voor het overzicht van de transcriptie in Arabische woorden.
De auteur dezes kan niet garanderen dat alle links naar externe websites (dus die van derde partijen) altijd zullen blijven bestaan. Foto’s in Google Maps, bijvoorbeeld, kunnen verdwijnen wanneer de eigenaar ze weghaalt. Ook aan andere links kan een einde komen, of kunnen in ongebruik raken. Wanneer u een niet werkende link constateert kunt u dat melden in het reactieveld. Bij voorbaat dank.
Dit is een foto die ik vanuit het vliegtuig nam vanuit Ṣanaᶜā’ op weg naar de luchthaven van Say’ūn. Te zien is het dendritisch drainagepatroon*(1) van het landschap van de zogenoemde Yool.*(2) De Yool is de bovenkant van de heuvels die zo kenmerkend zijn voor de Ḥaḍramaut.
Het Tarīm-project 1997
1997 – 2017: twintig jaar geleden
Tarīm: Hadramaut, Jemen
Dagboek 1997
(Dag 9431) Ik ben in Sana’a, de hoofdstad van Jemen en ik logeer in het Gasmi-hotel. – In Leiden, mijn woonplaats, in het uitgaanscircuit zag ik een paar keer een mooie jonge vrouw, wier naam ik niet weet en daarom ‘Ennefea’ heb genoemd. Ik denk deze nacht een tijdje aan haar. – Vandaag ga ik per vliegtuig naar Say’ūn in de Ḥaḍramaut (Zuid-Jemen) en vandaar naar mijn bestemming Tarīm. De komende weken zal ik daar logeren in het Gaṣr al-Goebba-hotel (Koepelpaleis-hotel) en er werken in de al-Aḥgāf-bibliotheek voor handschriften. – Ik heb veel contant geld bij me. Waar ik verleden jaar, met een nog veel groter bedrag aan baar geld, daar zorgeloos verbleef, ben ik vandaag uiterst bezorgd over mijn veiligheid. – Mijn verslag, op mijn laptop geschreven, bevat meer (achtergrond)informatie dan mijn dagboekverslag. – De munteenheid in Jemen is de Rial (YER). (1 rial = f. 0,015 (anderhalve cent), dus 100 rial = f. 1,50.)
Maandag, 24 november 1997.
Sana’a – Say’oen – Tariem: 6/42.
Ik sliep weer slecht. Ik fantaseerde weer over Ennefea.
Op 5.45 uur. Met de grootste moeite sleepte ik mijn zware nieuwe koffer met computerboeken en UPS (voor de spanningsverzorging van een computer, na uitval van het net) van de vijfde verdieping naar beneden.
De taxichauffeur komt met zijn vehikel*(3) om 7.00 uur.
Ik betaalde 15 US$ aan Ǧasm, de Irakees van het hotel, waarvan de taxichauffeur 10 US$ krijgt.
Eerst haalt hij op het plein achter / binnen de Baab al-Yemen koffie (boenn) in een conservenpotje. (Hij spreekt alleen maar Arabisch.)
Naast taxichauffeur is hij ook ‘kunstenaar’. Hij maakt prullaria, zoals hij mij laat zien. Hij vertelt ongehuwd te zijn, want een vrouw kost 400.000 rial. (3.000 US$ = 6.000 gulden.) Een nicht [als vrouw] is niet goed, zegt hij. Ik vergeet te vragen waarom een nicht niet deugt.
Het passeren van de security van de luchthaven is een fluitje van een cent, in tegenstelling met andere keren, toen het erg arbeidsintensief was.
Ik moet 67 US$ overgewicht betalen voor de 20 kg. (In Amsterdam 420 US$ voor 15 kg!)
In de wachthal zit een sexy / knappe jongeman. Ik meen hem ergens van te kennen. Hij ziet er goed verzorgd uit.
We vliegen in vijftig minuten naar Say’ūn. Ik zit naast / tussen dokters uit de Elzas, die naar al-Mukalla moeten voor een klein medisch congres.
Voordat we vertrekken zie ik dat alleen mijn koffers nog op de grond staan. Ik spreek de purser erover aan en hij stuurt iemand die mij vraagt mee naar buiten te komen. Dan worden mijn koffers ingeladen. Ik vroeg of ik voor die diensten moest betalen, maar die wees dat af. Toch stopte de bus, die ons als passagiers naar het vliegtuig had gebracht bij de laders en niet aan de andere zijde, bij de trap naar het vliegtuig. Er bleek naast mijn koffer ook nog een aantal rugzakken te liggen, waarvan de eigenaar onbekend was. (Alsof de laders de eigenaar moeten kennen.) Uiteindelijk kwam alles in Say’ūn aan.
Ik maakte een tiental dia’s van de Djool [Yool] van boven. Op sommige plaatsen leek het zand zo dichtbij dat het net was alsof je zou kunnen uitstappen en een stukje meelopen.
In Say’ūn duurde het even voordat ik mijn bagage ontving. Ondertussen was Abd al-Raḥmān al binnengekomen. De ontvangst was vriendelijk en aardig. Hij was niet veranderd.
Later stond ook Ḥaimid B. naast me. Hij had op het terras gestaan en had me zien lopen. Ik was als laatste uitgestapt.
Abd al-Raḥmān had hem deze ochtend geprobeerd te bereiken, maar hij was niet thuis. Nu maak ik gebruik van de diensten van een andere chauffeur: Aḥmad MB. Die na veel vijven en zessen ’s avonds uiteindelijk 4.000 rial voor zijn diensten durft te vragen.
Ik had hem via Abd al-Raḥmān gezegd dat hij het bedrag moest noemen als ik hem zou vragen hoe hoog de kosten zijn en dat hij niet moest zeggen: “Jij weet wel wat mijn diensten waard zijn.” (Ik weet het niet.)
Ik bleef een tijdje op het kantoor van Abd al-Raḥmān [Museum Say’ūn] en probeerde hem de database uit te leggen.
Om met mij te kletsen stuurde hij iemand die alleen maar Arabisch sprak. Goed van hem, snel leerde ik bij wat ik vergeten was. (Of dat allemaal grammaticaal correct was, weet ik niet.)
Toen we [in het gesprek] bij echtgenotes uitkwamen vroeg ik hem naar zijn kinderen. Hij had er drie, twee meisjes en een jongen. De oudste, een meisje, heet Fayrūz.
Hij hield van de vrouwen van Ṣanaᶜā’.
Ik vroeg hem of hij van zijn vrouw hield en zij van hem. Hij antwoordde niet rechtstreeks, maar zei dat het nu, na zeven jaar huwelijk, wel ging tussen hen beiden.
Abd al-Raḥmān en een hulpje moeten het slot van een ruimte openbreken om bij mijn kist met ‘nagelaten’ spullen (uit 1996) te komen. De sleutel [van de ruimte] is bij Muḥammad al-H. en die is in al-Šiḥr [al-Shihr], een paar honderd kilometer van hier.
Daarna gaan we naar het huis van Abd al-Raḥmān, waar ook Ḥussain al-A. is, de receptionist van het Gaṣr al-Goebba-hotel. [in Tarīm: 1996.] Ik zag hem hedenochtend ook al op de luchthaven. Hij woont en werkt nu bij het Salama-hotel in Say’ūn, waar hij hetzelfde verdient, maar omdat het hotel van de staat is, heeft hij meer rechten dan in het in privébezit zijnde Gaṣr al-Goebba. Bovendien heeft hij nu recht op pensioen.
Ook hij spreekt alleen maar Arabisch.
Ik maak op dat hij nu een vier maanden oude baby heeft, zijn derde kind. Zijn vrouw is nog steeds onderwijzeres, maar leert nu zelf ook nog voor een diploma. (Hoe en wat, weet ik niet.)
In de afgelopen tijd overleed zijn vader, die ik eens in zijn huis ontmoette. Ḥussain doet er niet moeilijk over: het was zijn tijd.
Evenals verleden jaar is het eten bij Abd al-Raḥmān niet lekker (bij Ḥussain thuis wel), de vrouw van Abd al-Raḥmān kan er nog steeds niets van, van koken. (Op dinsdag hoor ik dat zijn vrouw (tijdelijk) niet meer bij hem woont en dat nu de vrouw van zijn broer, die in Canada woont, voor hem zorgt.)
Aḥmad MB. brengt me voor 4.000 rial naar Tarīm. In het hotel word ik allerhartelijkst ontvangen, want er zijn, hoewel veel nieuw personeel, toch nog enkele oude bekenden.
Het hotel is helemaal opgeknapt. (En zal dus duurder zijn, maar ik weet niet hoeveel mijn kamer kost, nog niet eens op 26-11-97.) Het is geschilderd. Nieuwe bedden en gordijnen, nieuwe vloerbedekking, mooi, nieuw mannelijk personeel, allemaal ongeveer hetzelfde gekleed. Verleden jaar liep iedereen erbij zoals hij wilde, ongewassen en in smerige kleren, waarin men ook sliep. Nu zijn er een paar schone en sexy jongens, met wie ik wel eens zou willen ‘spelen’, ondanks mijn verliefdheid op Ennefea.
’s Avonds herinnerde ik me de berichten die ik van collega’s van Abd al-Raḥmān hoorde. Mensen worden op klaarlichte dag op straat (in de steden) overvallen en gedwongen hun geld af te geven, aan gewapende bandieten, die ook al iemand doodschoten. Op last van Abd al-Raḥmān is het Museum [Say’ūn] gesloten, omdat de meest waardevolle stukken op onverklaarbare wijze gestolen werden.
Abd al-Raḥmān verstopte de waardevolle manuscripten [handschriften] van de al-Aḥgāf-bibliotheek tussen de andere. Hij toont alleen foto’s. Hij vreest dat gewapende soldaten de bibliotheek gewapenderhand van die stukken zal ontdoen om ze voor veel geld te verkopen.
De bibliotheek krijgt een bewaker, een ongewapende. (Maar in mijn verslag en fax naar Nederland op 26 november schreef ik bewust: een gewapende bewaker om de dramatische van het geheel te verhogen en de ernst van de situatie hier te benadrukken.) Wat moet een ongewapende bewaker tegen bewapende soldaten? (Wat moet een bewapende bewaker tegen soldaten?)
Met een nog veel groter geldbedrag sliep ik hier verleden jaar 89 van de 90 nachten zonder angst. (Slechts eenmaal, toen Ḥussain al-A. zei dat ik hier al zeven maanden was, kregen Ali Baba’s (noorderlingen) belangstelling voor mijn geld.) Ik sliep de laatste weken zonder angst buiten.
Nu bekruipt me grote angst en ik wil van het geld af. Ik sluit me op in mijn kamer, alsof me dat zou helpen, achter deze bordkartonnen deuren, die niet of nauwelijks gesloten kunnen worden.
Op mijn kamer is het 28°C. Ik schakel de airco niet aan, want die maakt zoveel lawaai dat ik daar niet van slapen kan.
Bed 00.30 uur.
De eerste drie weken van dit verblijf in Jemen hield ik op mijn laptopcomputer ook een verslag bij, waarin soms dingen staan die niet in mijn dagboek voorkomen.
Hier volgt een uittreksel daarvan.
Steekpenningen?
Toen ik al lang en breed aan boord zat [vliegtuig] zag ik dat alle bagage ingeladen was behalve die van mij. Omdat ik me herinnerde de Abd ar-Raḥmān verleden jaar steekpenningen / fooi betaalde aan de laders, vroeg ik aan de purser of dat nu ook van mij verlangd werd. Ik werd naar buiten geleid en moest mijn bagage aanwijzen (er bleken nog enkele rugzakken te liggen). Alles werd netjes ingeladen. De purser en ander personeel ontkenden dat ik moest ‘schuiven’ dus deed ik het ook niet. (Maar dat iets dergelijks toch de bedoeling was bleek uit het feit dat de bus die de passagiers van de terminal naar het vliegtuig bracht niet bij de vliegtuigtrap stopte maar naar de andere kant van de machine reed waar de laders stonden te wachten op de betalende passagiers. Ik bedacht toen al dat Nico en ik verleden keer daar helemaal niet bij stilgestaan hadden en onze bagage toch aangekomen was). Uiteindelijk kwam alle bagage, ook de losliggende rugzakken, in Say’ūn aan.
Vijftig minuten deed de Boeing 737 erover om van Ṣanaᶜā’ naar Say’ūn te vliegen. Ik maakte een tiental dia’s van het landschap onder mij, voornamelijk van de Yool en de omgeving van Say’ūn. Op sommige plaatsen leek het zand zo dichtbij dat ik dacht dat ik kon uitstappen en een stukje erin lopen. Het was alsof je in de benedenverdieping van een dubbeldekstrein zat.
In Say’ūn duurde het even voordat ik de bagage had. Ondertussen was Abd al-Raḥmān, de directeur van de al-Aḥgāf-bibliotheek in Tarīm, al binnengekomen. Hij was niet veranderd, niet in uiterlijk en niet in gedrag. Nog altijd even vriendelijk en aardig.
Evenals in Nederland maakte men ook hier veel opmerkingen over mijn gemillimeterde haar. Dat is hier dus kennelijk even ongewoon als in Nederland.
Even later stond ook Ḥaimid B. naast me. Hij had boven op het terras gestaan en had me uit het vliegtuig zien komen, zo vertelde hij tegen Abd al-Raḥmān. Ik stond erbij en luisterde ernaar. Ik was als laatste uit het vliegtuig gekomen en het was dus niet moeilijk voor hem om mij waar te nemen.
Abd al-Raḥmān had hem deze ochtend geprobeerd te bereiken, maar hij was niet thuis. Nu was er een andere chauffeur: Aḥmad MB. Wat mij betreft ga ik deze fase [van het project] in zee met deze Aḥmad. Hij beschikt niet alleen over een veel betere auto, een Landcruiser (maar geen Layla Alwi*(4), omdat dat een nieuwer en sterker model is), maar is ook veel rustiger en rijdt erg bedachtzaam, want hij wil zijn dure auto natuurlijk niet in de prak rijden. Ik kan hem echter niet altijd verstaan, niettemin doet hij zijn best om zich verstaanbaar te maken.
Ik beschouwde Ḥaimid B. toch al als een klein probleem. Hij eiste voor een taxirit van Say’ūn naar Tarīm 1.500 rial, terwijl het normale tarief 800 rial is. Ik vroeg mij af hoe ik verlost kon worden van deze Ḥaimid. Dat is dus nu opgelost. Hij had het nakijken en keek dan ook teleurgesteld.
Abd al-Raḥmān stuurde Sālim naar mij toe die alleen maar Arabisch spreekt, om met mij te kletsen. Wat goed van hem. Snel leerde ik weer veel woorden die ik vergeten was. Toen de man de vrouwen van Ṣanaᶜā’ prees, vroeg ik hem expliciet of hij van zijn vrouw hield en zij van hem. Hij deed een beetje moeilijk daarover, maar ze waren nu zeven jaar bij elkaar en ze begonnen wel aan elkaar te wennen. Daar betaal je dan als man een bijna niet op te brengen bedrag voor, om na zeven jaar tot de conclusie te komen dat je inmiddels wel aan elkaar begint te wennen.
Maar het kan ook anders. Sālim T., die als receptionist bij het Gaṣr al-Goebba-hotel in Tarīm werkt, vertelde me de vorige keer (1996) dat hij misschien bij een oliemaatschappij een baantje zou kunnen krijgen. Daar werd veel betaald. Hij rekende zich binnen vijf jaar miljonair (in Jemeni rials). Toen ik hem daarop zei dat hij dan genoeg geld had om een tweede vrouw te nemen, riep hij verontwaardigd: “Ik wil geen tweede vrouw, ik hou van mijn vrouw!” Hij had haar op school ontmoet, want hij is leraar Engels. (Het baantje bij de oliemaatschappij is niet doorgegaan, vertelt hij me desgevraagd enkele dagen later. Daarvoor had hij een kruiwagen nodig. Die had hij niet).
De Sālim van vanochtend had drie kinderen bij de vrouw waar hij niet van hield, twee meisjes en een jongen. Het oudste kind, een meisje heet Fayrūz, naar die Libanese zangeres*(5), die hij zeer bewonderde.
Ook hier [Tarīm] zijn de vrouwen duur, maar niet zo duur als in Ṣanaᶜā’, bleek mij.
Een jongeman, Abd Allāh, die in Bulgarije architectuur gestudeerd had wist het klappen van de zweep in Europa, nietemin kon hij voorlopig nog niet trouwen omdat hij nog geen geld genoeg had om de mahr, de bruidsprijs, te betalen voor een vrouw van de ‘Alawī, zijn familieclan, waartoe ook Abd al-Raḥmān blijkt te behoren. Sāda [Sayyid’s]*(6) dus.
Rond kwart over vier brengt de bedachtzaam rijdende Aḥmad MB. mij naar Tarīm. Ik voel het als een soort thuiskomst.
De ontvangst in het hotel is allerhartelijkst, hoewel er veel nieuwe mensen werken, maar die zijn ook allemaal vriendelijk, zoals alle Arabieren. Sālim, de leraar Engels, is er nog en de bawwāb [poortwachter], wiens naam ik niet meer weet. De directeur is er nog … al-Kāff. Hij stelt mij voor aan de eigenaar. Ook een al-Kāff. Van hem zie ik later een foto in de gang hangen, waarop deze bij een theesessie op één na naast de president van Jemen zit.
Aan Abd al-Raḥmān had ik de opdracht gegeven tegen Aḥmad MB., de chauffeur die mij naar Tarīm zou brengen, te zeggen dat als ik vraag: “kam?” [hoeveel?] ik niet zoiets horen wil als: “Je weet wel wat mijn diensten waard zijn”. Dat weet ik niet. Ik wil het bedrag horen dat hij van mij wil ontvangen. Ik ben Nederlander en zo gaat dat bij ons. Dat heeft nogal wat voeten in de aarde, Aḥmad wordt er verlegen van, maar uiteindelijk blijkt dat hij voor zijn diensten aan toeristen 5.000 rial vraagt. Hij vraagt nu 4.000 rial, want hij wil graag in de toekomst ook aan mij zijn diensten aanbieden. Ik wil wel van zijn diensten gebruik maken.
In het hotel pak ik de spullen uit de houten kist uit, die ik meenam uit Say’ūn. Er blijken nog ‘verrassingen’ in te zitten, zoals theedoeken, afwasmiddel en verlengsnoeren. Er is ook nog een echte gaslamp. Die gebruikten Nico en ik verleden jaar, maar nadat Nico vertrokken was kocht ik een elektrische lamp met twee TL-buizen en een ingebouwde accu. Die lamp doet het meteen als ik hem aanschakel. Na anderhalf jaar is de accu nog niet leeg.
In het restaurant van het hotel gebruik ik een ‘lichte’ maaltijd. Brood, gebakken ei en rauwe tomaat. Er zitten Nederlanders op het terras die uit een reisgids Arabisch leren. Ik maak geen contact. Ik ben nog niet lang genoeg hier om weer eens Nederlands te willen kletsen. Ik wil nu wel Arabisch praten, in tegenstelling met Ṣanaᶜā’, waar ik dat niet wilde.
Ik moest denken aan de berichten die ik vandaag hoorde over het gewelddadige klimaat hier in de Ḥaḍramaut. Overvallen op argeloze reizigers op klaarlichte dag, midden op straat in de steden, die gewapenderhand van al hun geld worden ontdaan. (Abd ar-Raḥmān vertelde op dinsdag 25 november van een dodelijk slachtoffer van zulk een overval.) Hoe groter de stilte rond het hotel, hoe onveiliger ik me voelde. Van de gemoedelijke rust die ik hier verleden jaar voelde was niets meer over. Ik zit hier in een hotel met groot geldbedrag in contanten in een kunststoffen koffer, met een simpel nummerslot, in een kamer waarvan het slot niet naar behoren werkt. De twee achterdeuren zijn voorzien van twee simpele schuifjes, als vergrendeling. Die achterdeuren zelf zijn nog net niet van bordkarton.
Het bedrag is groot genoeg om de directeur van de bibliotheek meer dan negen en een half jaar maandelijks van zijn reguliere salaris te voorzien. Een medewerker van het hotel kan ik met dit bedrag zelfs bijna zesentwintig jaar zijn maandelijkse salaris uitbetalen, vooropgesteld dat ik geen rente ontvang, hij geen loonsverhoging krijgt en de koers van de dollar op 132 rial blijft staan.
Verleden jaar sliep ik zorgeloos buiten, met een nog veel groter bedrag (negenendertig jaar salaris voor een hotelmedewerker, vijftien jaar voor de directeur,) in mijn koffer in dezelfde kamer met hetzelfde slechte slot, zonder me ook maar een moment onveilig te voelen. Ik wilde dit jaar weer buiten slapen, maar dat durfde ik plotseling niet meer. Ik sloot mij op (zover daar sprake van kon zijn in dit kaartenhuis) in mijn kamer. De gordijnen stijf dicht. Ik kroop snel onder de klamboe, als extra beveiliging, tegen de zwaar bewapende muggen.
Buiten slapen zou geen succes zijn geweest. De temperatuur zakte deze nacht tot 18°C, zo bleek dinsdag. Niet echt koud, maar toch ook niet erg aangenaam. Maar ook niet erg aangenaam was de temperatuur in mijn kamer. Ongeveer 28°C. De airco gebruik ik niet want die maakt een hels kabaal. Dan lig ik wakker van het lawaai.
Een dendritisch drainagepatroon ontstaat wanneer waterstromen in de bodem minder of meer diepe geulen uitslijten: erosie. Daar waar die stroompjes samenvloeien ontstaan bredere geulen. Uiteindelijk zullen veel in een gezamenlijke bedding terecht komen. De structuur van al die stroompjes samen lijkt op de takken van een boom of struik. Dat heet dan dendritisch en dat woord stamt uit het Grieks. Wikipedia.
al-Yool. (ﺍﻟﺟﻮﻝ) De Yool is de naam van de bovenkant van de heuvels die over de hele Ḥaḍramaut verspreidt liggen. Het patroon van deze bovenkant is het hierboven besproken dendritisch drainagepatroon.
Wanneer het op de Yool regent ontstaat een dramatische situatie in de dalen, zoals hier te zien is in Wādī Doeᶜan in een (schokkerige, maar vooral schokkende amateur-) video op YouTube. Duidelijk is de vernietigende kracht van het water te zien en de schade die het aanricht in dit dal van de Ḥaḍramaut. Er zijn huizen van golfplaten die volledig ondergelopen zijn, maar in deze regio zijn heel veel huizen gebouwd van in de zon gebakken lemen tichels: (Mud brick). Die constructies kunnen zo’n zware regenbui nauwelijks aan en veel huizen storten er dan ook (gedeeltelijk) in. Wat een drama! Bovendien zijn die kleine dorpsgemeenschappen vaak op zichzelf aangewezen. Burenhulp is ontzettend belangrijk.
Layla Alwi. Laila Alwi, de naar dikke, zeer populaire, Egyptische actrice vernoemde (door het volk, niet officieel) four-wheel drive van elk Japans merk.
Fayrūz / Fayroez (ﻓﻴﺮﻭﺯ). Fayroez is niet alleen in Libanon, of in de Arabische wereld bekend. Zij treed op in alle grote zalen in de wereld. Wikipedia: Fayruz.
Sayyid (meerv., meer dan twee: sāda). Een sayyid behoort tot de elite binnen een islamitische gemeenschap, want is een rechtstreekse afstammeling van de profeet Muhammad, via zijn dochter Fatima. Sayyids trouwen alleen onder elkaar. Zo verwatert de (vermeende) bloedverwantschap niet.
Transcriptie van de klinkers in Arabische woorden.
A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.
Klik hier voor het overzicht van de transcriptie in Arabische woorden.
De auteur dezes kan niet garanderen dat alle links naar externe websites (dus die van derde partijen) altijd zullen blijven bestaan. Foto’s in Google Maps, bijvoorbeeld, kunnen verdwijnen wanneer de eigenaar ze weghaalt. Ook aan andere links kan een einde komen, of kunnen in ongebruik raken. Wanneer u een niet werkende link constateert kunt u dat melden in het reactieveld. Bij voorbaat dank.
Tariem – Say’oen.
Om 01.00 uur stopt de airco. Dit komt omdat de netspanning uitvalt.
Om 01.30 gaat de ventilator weer draaien, de airco start niet meer. Dat wil zeggen dat de generator van het hotel gestart wordt. Om 6.00 wordt deze ook gestopt en zal er tot zonsondergang geen elektriciteit meer zijn.
De hele nacht was het zwaar bewolkt en dus benauwd. Er viel geen regen.
Ik sta om 5.00 uur op en pak in tot circa 8.45 uur.
Rond 9.30 uur ben ik in de bibliotheek en maak er nog wat foto’s, ook van de medewerkers.
Hoesein B. wil weten welk geloof ik heb en ik zeg hem dat hem dat niets aangaat. (“Mish shoerlak.)” Dat veroorzaakt een groot misverstand en het komende uur is hij, tot vervelens toe, bezig met het aanbieden van zijn excuses, hoewel Abd al-Rahmaan A. hem uitlegt dat wij over ons geloof niet praten.
Ik betaalde hedenochtend de hotelrekening en deze was voor zeven dagen, wat niet kan, omdat ik op een woensdag arriveerde (27 maart) en ik op dinsdag vertrek. Ik wilde echter niet zeuren.
De rekening van Mansoer (cafetaria) bevatte over de afgelopen twee weken negen bier à 130 rial, terwijl ik er maar twee dronk. Ik wil niet zeuren. Ik geef Mansoer 200 rial fooi en Hoesein al-A, van de receptie, 100 rial.
Ik heb alle bedragen altijd ruim naar boven afgerond. Soms was de fooi voor het hotel meer dan 600 rial. Maar de fooi was niet voor het hotel. Hoesein nam die altijd persoonlijk in ontvangst, zo werd me een keer duidelijk, een paar weken geleden. Ik liet het maar zo en bleef bij hem betalen, hoewel ik ook zou hebben kunnen betalen bij Salim al-T.
Toen ik uit de bibliotheek terugkwam om mijn spullen op te halen, kreeg ik weer een rekening gepresenteerd. De appelsappen waren geen 50 rial per stuk, maar 60 rial en ik moest ongeveer 400 rial bijlappen. Daar was ik toch teleurgesteld over. Verdient hij (Mansoer) bijna 1.000 rial (f. 13,00) door bier op de rekening te schrijven dat ik niet gebruikte en gaf ik altijd ruim fooi, nu willen hij hier die laatste stuivers ook nog hebben!
–
Ik rij met Abd al-Rahmaan naar Say’oen.
Hij pakte alle levensmiddelen voor zich zelf. Ik had hem willen laten kiezen, maar hij kon alles gebruiken.
Een blik met ravioli, waar ook wijn in zat, sloeg ik op in een kist. (Houdbaar tot 1998.) De levensmiddelen met varkensvlees had ik weggegooid, maar Abd al-Rahmaan stelde geen vragen over de inhoud. ‘Wat niet weet, dat niet deert’, zal hij gedacht hebben.
De resterende whisky (1 liter) en een beetje jonge jenever had ik sinds gisterenavond in fases door het toilet gespoeld.
We rusten in Say’oen en ik drink het water dat naar stof smaakt, zoals het stof ruikt. Een maand geleden vond ik het niet lekker, nu vind ik het heel lekker.
We vragen naar de wisselkoers van de dollar op de markt en volgens mij zei de man: 115 rial, maar Abd al-Rahmaan brengt zijn zwager 118 rial in rekening. (Vergistte ik mij?) Ik zeg nu echter niets en wissel 600 dollar en krijg 70.800 rial.
–
Ik vertel Abd al-Rahmaan over mijn fout bij de chauffeur Moehammad van de Landcruiser en we gaan die al eerder op vrijdag jl. (7 juni) betaalde 2.100 rial terugvragen. Ik liet die nu aan Abd al-Rahmaan, maar Moehammad heeft het geld niet. Hij zal dat later brengen.
–
Zowel het middagmaal als het avondmaal bij Abd al-Rahmaan was heerlijk. Ik at verse rijpe dadels. De dadels zijn volgende week pas rijp. Deze nu al.
–
Ik zag het mooie kleine meisje weer: wat een schoonheid. (Zie 6 juni jl.)
–
We nuttigden het avondmaal op het erf, tussen de enorme kasten van huizen, in het donker, want Abd al-Rahmaan wil niet laten zien dat hij te eten heeft, omdat veel mensen hier dat niet hebben.
–
Ik slaap, evenals verleden week, buiten, op de binnenplaats.
Ik hoor Arabische muziek en staar naar de zwarte hemel. Dit is de laatste nacht in dit wonderlijk mooie gebied. Ik heb tranen in mijn ogen.
Het is ongeveer 00.00 uur en de dag in dit prachtige land is weer verschrikkelijk heet geweest.
Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.
Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.
Fragment uit het verslag van 11 juni.
Uit de reeks feiten en feitjes, van Abd al-Rahmaan A. krijg ik te horen dat het mogelijk is dat je een groep soldaten huurt, na overleg met de betreffende commandant, om je persoonlijke problemen met iemand te beslechten, of om je persoonlijke ambities uit te werken. Als je ruzie met iemand hebt, of je wilt het huis van iemand anders bezitten en de eigenaar verjagen, kun je een legertje huren. Die gaan dan dreigend naar de tegenpartij en, zodra die het vuur opent, wordt er teruggeschoten. Ongelooflijk, maar waar.
[…]
Ik vraag of er geen rassenprobleem bestaat tussen al die verschillende huidskleuren en soorten koppen: Arabieren, Indonesiërs, Chinezen, Afrikanen. Ik ben kennelijk niet duidelijk genoeg want het duurt wel een uur voordat ik, na herhaaldelijk doorvragen, begrijp dat de soort kop niet van invloed is op discriminatie. Of nu Chinees, of Indonesiër, Arabier of Afrikaan, dat maakt niets uit. Die zijn allemaal lid van een stam. Dat de vader een andere vrouw huwde dan een Arabische is niet van invloed. De discriminatie (door Abd al-Rahmaan niet zo genoemd) zit tussen de stammen onderling. Er zijn betere stammen en slechtere. Dat komt bijvoorbeeld sterk naar voren bij het huwelijk. De ene of andere van die of die stam zal nooit met iemand van een lagere stam kunnen trouwen. In een hogere stam is dan ook onmogelijk, omdat dat voor iemand uit die stam een trapje omlaag is.
Met de sayyids is nog een ander probleem, die ‘mogen’ alleen maar met andere sayyids trouwen. Zo komt er van het egalitaire karakter van de islam dus niets terecht. Alle moslims zijn gelijk, de meesten echter niet helemaal. Volgens Abd al-Rahmaan heeft dat niets met de islam te maken, maar alles met nog veel oudere tradities.
[…]
’s Avonds vertelt Abd al-Rahmaan dat er al enkele dagen een oproer gaande is in al-Moekalla. Enige tijd geleden pakte de veiligheidspolitie (de politie van Goede Zeden en Goed Gedrag) twee vrouwen op, die in een taxi zaten zonder dat er een mannelijk familielid in de buurt was. De vrouwen werden beschuldigd van prostitutie. Hun leeftijd was 30 en 15 jaar: moeder en dochter. De officier van de politie greep zijn kans en verkrachtte het vijftienjarig meisje. (Abd al-Rahmaan gebruikte het woord ‘fuck’, maar ik had hem dat nog nooit horen gebruiken en ik had ook niet verwacht dat hij het ooit zou gebruiken, zodat het een hele tijd duurde voordat ik wist waar hij het over had.)
Volgens Abd al-Rahmaan houden de meeste vrouwen zich na zo’n voorval stil, om geen problemen in de familie te krijgen(1) en ook uit schaamte. Deze vrouwen lieten er echter geen gras over groeien en dienden een aanklacht in. Deze zaak diende voor de rechter en de chef van de verkrachter, tevens zijn verdediger, had de euvele moed om alle vrouwen van de Hadramaut als hoeren te beschrijven en vijftig procent van de mannen als homoseksuelen. Nog tijdens de rechtszitting kwam het tot ongeregeldheden.
De dader en zijn verdediger zijn Noorderlingen en het slachtoffer en haar zeven(!) advocaten zijn Zuiderlingen. In deze zaak komt alle wrok tegen de overheersende Noorderlingen tot uiting.
Tijdens de ‘oorlog’ (van 1994) bleek plotseling dat veel winkeleigenaren, veelal Noorderlingen, over een uniform beschikten met een militaire rang. Dat verbaasde veel Zuiderlingen, die zich verraden voelden door deze mensen. Wraak voor dat gedrag speelt een rol en gewapend optreden van de wild geworden bevolking is nu het geval in al-Moekalla.
(Een dag later vertelt Abd al-Rahmaan dat hij niet helemaal zeker is van dat wat hij een dag ervoor vertelde, want berichtgeving uit officiële kanalen is er niet. Hij weet alleen wat mensen vertellen en dat is vaak niet helemaal zuiver. Uit het verslag van The Yemen Times van 10 juni, die ik kocht, blijkt echter dat hij niet ver naast de feiten zat.)
[…]
Een van de broers van Abd al-Rahmaan studeert computertechnologie in de Verenigde Staten van Amerika. Toen hij na het behalen van zijn B.A. twee jaar in Jemen bij een Amerikaanse firma kwam werken, kreeg hij niet hetzelfde loon als de Amerikanen hier in Jemen, die hetzelfde werk deden. Hij verdiende een veel lager loon, volgens de Jemenitische standaard, echter in dollars uitbetaald, die de bank zonder pardon in rial uitbetaalde, tegen de officiële koers, die ruim onder de prijs op de markt lag. Zulke discriminatie bestaat dus wel.
[…]
Abd al-Rahmaan kwam ongeveer negen maanden geleden terug in zijn geboortestreek.(2) Een van de (niet onbelangrijke) drijfveren om Sana’a te verlaten was de politieke strijd die er gevoerd wordt over het onrecht dat de mensen geschied in Jemen. Enkele Hadaarim met dezelfde familienaam als Abd al-Rahmaan, die meer dan 150 jaar geleden naar een dorp in het Noorden verhuisden, zijn verwikkeld in een vete met een ander dorp. Deze familie, vrijwel allemaal met een goede maatschappelijke positie, voeren een campagne tegen de regering wegens wanbeleid.
Volgens Abd al-Rahmaan hebben veiligheidsmensen de vete met een naburig dorp veroorzaakt. Nu worden over en weer mensen vermoord. Een collega van Abd al-Rahmaan, een archeoloog, werd in die strijd om het leven gebracht. Hij woonde in dat dorp en werd in de week van zijn geplande vertrek (wegens de moeilijkheden, veroorzaakt door die vete) naar een van de Golfstaten, vermoord. Enkele andere leden van de familie in Sana’a werden door agenten van de veiligheidsdienst op niet al te zachtzinnige wijze aan het verstand gebracht dat ze hun verzet tegen de regering moesten stoppen.
Abd al-Rahmaan vreest een persoonsverwisseling. Hij wil zich verre houden van politiek.
[…]
Als we door Say’oen rijden komen we te spreken over de zinloze brief die Hoesein al-A. (leraar Engels) aan mij liet bezorgen om geld van de Nederlandse Ambassade te krijgen voor zijn privéclub.
Abd al-Rahmaan heeft een veel beter idee. Hij wil graag de bevolking helpen de uiterst belangrijke dadelteelt weer te doen opleven. Tegenwoordig vinden de mensen het werken in de dadelteelt nutteloos werk, omdat het veel energie vergt en weinig opbrengt. Hoe meer bomen verwaarloosd worden, hoe meer zorg er aan de overgebleven moet worden besteed. Minder bomen betekent minder regenval, dus meer waterproblemen voor de andere bomen.
Vroeger bracht een boom wel 300 pond vruchten per seizoen op. Nu wordt die hoeveelheid door meer dan vijf, soms wel tien bomen geproduceerd. In Saoedi-Arabië brengen de meeste bomen nog steeds 300 pond per boom op, maar die bomen zijn genetisch gemanipuleerd en ziekteresistent.
Abd al-Rahmaan kaartte een dergelijk project aan bij de Nederlandse ambassadeur tijdens diens bezoek aan de Hadramaut. Die vroeg om een rapport, dat er nog niet is, want de deskundige die dat moet produceren, is ziek.
[…]
Mijn suggestie dat Hoesein al-A. voor zijn club geld van de vele rijke Hadaarim zou kunnen vragen wordt door Abd al-Rahmaan als niet realistisch van de hand gedaan.
Rijke Hadaarim helpen geen arme Hadaarim. Rijken laten liever weer een nieuwe moskee bouwen.
Geldverspilling, vind Abd al-Rahmaan. Moskeeën van nog geen vijftig jaar oud en nog in uitstekende staat worden met de grond gelijk gemaakt om er een nieuwe neer te zetten.
[…]
Ik bewonder de omliggende huizen. Het zijn enorme kasten van huizen. Prachtig mooi en zo groot.
De huizen zijn zo groot omdat alle zonen van een gezin er hun woonkwartier hebben met vrouw en kinderen. Dochters verlaten het huis en gaan bij de familie van de echtgenoot wonen.
Abd al-Rahmaan wijst mij er echter op dat de kamers in de grote huizen erg klein zijn. Niet alleen zijn de muren meer dan een el dik (circa 70 cm), ook staan er in iedere ruimte veel en grote pilaren die veel ruimte in beslag nemen. Ik herinner me dat ook van zijn eigen huis, waar dat het geval is en ook in het huis van Hoesein al-A, de receptionist van het Gasr al-goebba-hotel in Tariem. Daar stonden ook grote en dikke pilaren in de ontvangstkamer.
[…]
Een muziekprogramma, ergens op de Tv, is een mooie afsluiting van mijn verblijf in de Hadramaut. Ik staar naar de zwarte, met stof gevulde hemel vanaf mijn matras op de binnenplaats van het huis van Abd al-Rahmaan en denk aan de mooie, maar vreselijk hete, tijd in deze prachtige landstreek en krijg bij de gedachte aan het afscheid tranen in mijn ogen.
Al in het begin van mijn verblijf hier, schreef ik in brieven naar vrienden en vriendinnen: Als je in Tariem de auto’s, de vele motorfietsen, de sporadische verlichting en de rubberbanden onder de ezelkarren wegdenkt, waan je je in de middeleeuwen. Afgezien van de verzengende hitte en de gesluierde vrouwen, moet het er bij ons ook zo ongeveer hebben uitgezien, vijfhonderd jaar geleden. Tariem: time machine!
Dat is de romantiek van Tariem. Dit stadje stoot me aan de ene kant af, aan de andere kant trekt het me aan. In zekere zin ben ik verliefd geworden op deze plaats. Deze plaats en zijn ontberingen roepen een nu nog moeilijk definieerbare emotie in mij op.
Deze nu nog steeds niet definieerbare emotie komt door de vele geheimen van dit land, volgens Abd al-Rahmaan. Geheimen dat het niet vlug zal prijsgeven. Ik ben bereid hem te geloven.
Dit is het einde van het verslag van 11 juni.
(1) Problemen voor vrouwen in de familie na een verkrachting. Wat speelt is dan dat de verkrachte vrouw geen maagd meer is en zij vaak door de familie uit huis wordt gezet. Wat rest is dan een leven als bedelaarster (mutasawwila).
Wat in deze zaak nog veel ernstiger is, is dat, als zij toegeeft dat zij verkracht is, zij seks buiten het huwelijk heeft gehad (zina). Dan zijn er geen getuigen meer nodig om dat te bewijzen, want ze bekent immers zelf. Wanneer ze ongehuwd is komt ze er met een afranseling van af, maar als ze wel gehuwd is of is geweest, volgt steniging. (Over deze aberratie in de islamitische wet verschijnen vaker publicaties in westerse media.)
(2) Er staat: Abd al-Rahmaan keerde terug naar zijn geboortestreek, maar dat slaat op de ‘roots’ van de familie, die in de Hadramaut liggen. Zelf werd hij in Djedda, in Saoedi-Arabië, geboren.
In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voorkomt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadramaut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitgesproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.
Het zevenjarig meisje Djihaad en haar vierjarig broertje Moedjaahid. Hun vader is Hoesein al-A., een van de twee receptionisten van het Gasr al-goebba-hotel. Bij hem thuis werd ik twee keer ten eten uitgenodigd. Deze dia is op 10 juni 1996 gemaakt op het terras van mijn hotelkamer.
Twintig jaar geleden: dagboekfragment 10 juni 1996 (maandag).
De laatste volledige dag in Tariem.
Rond 9.30 komt Abd al-Rahmaan A. om me op te halen. Ik zat toen al drie kwartier buiten naar de zwemmers te kijken. Er zijn niet veel mooie mannen bij. Veel zijn erg mager.
Ik ga niet mee naar de bibliotheek, want het geld overhandigen kan Abd al-Rahmaan ook. Daar hoef ik niet bij te zijn.
Ik ga anderhalf uur in het zwembad liggen.
Ik fotografeer nog de mensen van het hotel. Sommigen ken ik alleen van gezicht.
Sommigen zien het, geloof ik, als een plicht, terwijl anderen het prachtig vinden, zoals Mansoer van de cafetaria en Hoesein al-A. van de receptie, die na de middag zelfs zijn dochtertje Djihaad (7 jaar) en zoontje Moedjahid (4 jaar) brengt om te fotograferen.
Een van de twee stevige, sterke mannen wil niet op de foto. De ander is er niet. Moehammad al-S., mijn samier, ging verleden week al terug naar zijn dorp, ten oosten van Shihr.
Na de middag ga nog anderhalf uur in het zwembad liggen.
Als na het avondeten een zandstorm opsteekt controleer ik of de airco het doet. Dat is het geval, dus trek ik met terug op mijn kamer, in een koele en nu zelfs koude ruimte.
Ik ruim mijn bagage in. De kamer wordt er een puinhoop door. Morgenochtend kan ik de boel definitief opruimen.
Nu 21.30 uur.
Weer: een zandstorm, maar niet gevolgd door regen.
Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.
Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.
Fragment uit het verslag van 10 juni.
Elektriciteit van het openbare net was er vannacht alleen tussen 00.00 en 04.30 uur. Gisterennacht alleen tussen 03.00 en 05.30 uur, ongeveer. Vanaf zonsondergang tot het inschakelen van de net-elektriciteit is er in het hotel elektriciteit van de hotelgenerator, maar die heeft een erg laag vermogen, net genoeg voor een paar lampjes.
[…]
Vandaag blijf ik in het hotel om mijn vertrek voor te bereiden. Ik maak van de rest van de medewerkers van het hotel foto’s en ga zwemmen.
[…]
Abd al-Rahmaan A. vertelde mij eens dat Sjeik Zaki al-Yamani(1) ook tot zijn kennissenkring behoort en dat hij enkele notabelen kent die ook zeer goed bevriend zijn met de sjeik. Deze zou in al-Moekalla de particuliere universiteit sponsoren, waar op dit moment nog Hoesein al-H. werkt. (De toekomstige nieuwe medewerker in de bibliotheek.)
Dit is het einde van het verslag van 10 juni.
(1) Sjeik Zaki al-Yamani is ook de oprichter van de al-Foerqaan-stichting in Londen, waar ik, en op diens kosten, een zesweekse cursus volgde om het catalogiseren van Arabische handschriften te leren. Sjeik al-Yamani was de olieminister van Saoedi-Arabië in de jaren zestig en zeventig.
Hij werd mede bekend omdat hij in 1975 in Wenen gegijzeld werd door de beruchte terrorist Carlos.
In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voorkomt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadramaut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitgesproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.
Een detailopname van de deur. In de bovenbalk staat rechts de datum van de aanmaak en links de naam van de timmerman. Respectievelijk: shahr moeharram sana 1417 hidjriyya (Maand Moeharram van het jaar 1417 AH.) en amal ‘iwad mahfoez balghaith (Het werk van Iwad Mahfoez Balghaith). Let op de “schaarvormige” quasischarnieren. (Ik heb de dia in 2016 elektronisch iets bewerkt om de tekst en de abstracte figuren in het hout duidelijker te laten uitkomen. Bij een diaprojector levert de projectielamp voldoende licht om alles goed te zien, maar de lamp van de diascanner is niet krachtig genoeg om dat effect te bereiken.)
Twintig jaar geleden: dagboekfragment 9 juni 1996 (zondag).
Tariem.
Op 7.00 uur.
Van 10.00 tot 13.00 in de bibliotheek.
Hotel: financiën afhandelen en ik ga daarna naar het zwembad.
Verder deze elektriciteit-loze tijd vullen met niets doen. Het schijnt dat de algemene elektriciteit pas vannacht om 03.00 kwam. Dat moet toch een verschrikking zijn voor mensen die afhankelijk zijn, voor koeling en water, van de stroomvoorziening.
Nu is het rond 18.00 uur. De generator van het hotel draait.
–
Weer: de laatste twee of tweeënhalve week is er veel bewolking. Soms is het erg benauwd.
–
Ik probeer het programma waarmee ik mijn financiën bereken bij te stellen. Volgens mijn berekening verloor ik alleen al gedurende de laatste zes weken 560 dollar door koersverschillen.
–
Abd al-Rahmaan A. gaf me verleden week, als dank voor mijn bijdrage aan zijn keuken, met levensmiddelen die ik niet op krijg voor de uiterste houdbaarheidsdatum (als die voor mei 1997 ligt), een kom dadels, van verleden jaar, maar nog goed.
Ik merk dat ik er diarree van krijg, maar zeg, voor de goede orde, dat ze zo lekker zijn dat ik er nauwelijks van af kan blijven. Vandaag kreeg ik er nog een pot bij. Nog meer om weg te gooien!
–
De autan-stick tegen de muggen werkt fantastisch.
–
Nu 21.00 uur.
Weer: een lucht vol stof.
Vandaag ontmoette ik een toeristengids die Italiaans sprak tegen twee Italianen, die met hem reisden. Tegen hem sprak ik Arabisch en hij vertaalde dat naar Italiaans.
Hij komt oorspronkelijk uit Somalië. Hij vertelt dat hij twee nichten heeft die in Nederland (Utrecht) wonen. Hij geeft me van één van hen de naam en het telefoonnummer.
Hij heet Abd al-Gaadir A. en woont in Sana’a.
Ik zal haar op zijn verzoek eens bellen.
–
Ik sliep, zolang de airco het deed, binnen. Tegen 03.00 houdt alles op en ga ik buiten slapen. Later loopt de hotelgenerator.
Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.
Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.
Fragment uit het verslag van 9 juni.
In de bibliotheek is er, zoals gewoonlijk, alleen spanning rond de salaat al-zoehoer.
[…]
Abd al-Rahmaan A. stelt voor om geen handschriften tentoon te stellen, maar slechts fotokopiën. Hij vreest, evenals de Nederlandse Ambassadeur, enige weken geleden, dat er op een gegeven ogenblik een aantal soldaten met wapens de bibliotheek zal betreden om het tentoongestelde werk te stelen. Daar is niets tegen te ondernemen, want dit land, Jemen, is een land zonder regering: een chaos.
[…]
De timmerman dient zijn rekening in, mondeling. Ik betaal nu 50.000 rial. Hij kreeg al eerder 40.000 rial van Nico. Het inhangen van de deur kostte 4.000 rial. (1.000 rial is f. 13,00)
[…]
Ik maakte foto’s van de meeste medewerkers van het Gasr al-goebba-hotel. Ik krijg ook een lijst met hun volledige namen.
In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voorkomt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadramaut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitgesproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.
Dit is de nieuwe deur van de al-Ahgaaf-bibliotheek, die vandaag werd geplaatst. Deze is gemaakt naar traditioneel voorbeeld. Helaas is het hout is niet van lokale oorsprong, maar Maleis Meranti. De timmerman en metselaar hebben alles erg netjes afgewerkt.
Twintig jaar geleden: dagboekfragment 8 juni 1996 (zaterdag).
Tariem.
Ik ga pas rond 10.00 naar de bibliotheek. De timmerman heeft de deur dan al staan en een metselaar is bezig met het afwerken van het meesterwerk. Morgen zal ik de details fotograferen.
Na de middag kommunikeer (zie gisteren) ik met de Belgen in het zwembad.
Voor de rest ben ik vooral bezig met slaap inhalen, want ik sliep de afgelopen dagen weinig.
Ook met de computeradministratie in de weer. Ik pas de foute formules aan.
Bed 23.00 uur.
Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.
Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.
Fragment uit het verslag van 8 juni.
De timmerman is om 10.00 uur, als ik bij de bibliotheek kom, al zover dat de deur in het kozijn zit. Ik maak enkele dia’s van zijn werk. Morgen zal ik de deur in zijn geheel fotograferen.
[…]
Vorige week stelde Abd al-Gaadir voor om een afdakje te maken boven de deur om die tegen direct zonlicht te beschermen. Dit idee werd door Abd al-Rahmaan A. op kunstzinnige wijze uitgewerkt. Volgend jaar moet dat er komen.
[…]
Hoesein al-K. (60 jaar) vertelt dat hij afstamt van Sayyid Aboe Bakr al-K. Al eerder vertelde hij dat hij zijn jeugd doorbracht in het koepelpaleis, dat paleis dat tegenwoordig het Gasr al-goebba-hotel is. Al zijn ooms en andere familieleden, ook zijn vrouw, behoren tot die familie. Zijn vrouw is een nicht van vaderszijde. (Bint al-amm.)
[…]
Hoesein al-K. zegt dat Aboe Alawi een stamlid is die in de wijk Dammoen woont. Die stam eet voornamelijk dadels. Die hebben geen beschaving, zoals hij, Hoesein, die in de stad, vlakbij de Mihdaar-moskee woont. Die stam bezit ook wapens en gebruikte die in de begindagen van de revolutie. Zij hebben toen, gezien in het huidige licht van de geschiedenis geen glorieuze rol gespeeld. Gezien in het rood licht van de geschiedenis (socialisme) natuurlijk wel. Ik begrijp het verhaal van Hoesein niet helemaal, maar ik geloof dat die stam meehielp met het verdrijven van de landeigenaren.
(Abd al-Rahmaan spreekt dit later tegen. Aboe Alawi is ook een sayyid. Zijn vader was gadi in Say’oen.)
Volgens Hoesein spreekt de stam van Aboe Alawi een dialect dat sterk afwijkt van het dialect dat in Tariem wordt gesproken. Ik vraag aan Hoesein (voor de grap) of hij Aboe Alawi wel kan verstaan. Dat is het geval.
[…]
Ik constateer dat de printer intern begint te jammeren. (Piepen.) Hij staat wel onder een stofkap, maar dat helpt niet. Het stof gaat overal doorheen. Ik vrees het ergste voor al die elektronische apparatuur. Hitte en stof verrichten hun vernietigende werk al, nog voordat ik weg ben.
Ook mijn Toshiba draagbare computer vertoond stofkuren. Veel toetsen weigeren naar beneden te gaan als ik erop druk. Extra kracht is dan nodig. Waarschijnlijk zit het hele toetsenbord vol met stof.
In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voorkomt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadramaut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitgesproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.
Say’oen, Wadi Do’an, Tariem.
Nu, 9 juni, zondag, heb ik niet veel zin meer deze dag te beschrijven. Ik maakte een verslag in mijn computer over onze trip naar Wadi Do’an.
Onze trip: Abd al-Rahmaan A., ik en de chauffeur van de Landcruiser: Moehammad.
We vertrekken rond 6.30 en wat opvalt, voorbij Shibaam, in westelijke richting, is dat de vrouwen daar zelf ezels berijden of ezelkarren besturen. Dat heb ik hier nog niet gezien. Hier is: ten oosten van Shibaam. (In Sana’a zag ik zelfs een vrouw achter het stuur van een auto.)
Wat ook opvalt is dat er zonder elektriciteit geen benzine beschikbaar is. Nog veel erger is dat er in Shibaam ook geen water is zonder elektriciteit.
Wat verder blijkt is dat erg weinig mensen en dus nog minder vrouwen, op straat zijn. (Er zijn vaak niet eens straten!)
We zouden oorspronkelijk twee dagen naar de Wadi gaan en overnachten bij een vriend van Abd al-Rahmaan, maar overstromingen maakten het zuidelijke gedeelte van de Wadi onbereikbaar. Het zuiden is niet ver van de zee en daar regent het vaak. Het water stroomt dan van de tafelbergen de rivierbedding (wadi) in.
–
Overdag, onderweg, komen we in een zandstorm terecht, minder dan drie meter zicht!
Ook onderweg heb ik liters kraanwater gedronken en nergens last van gehad. Wat dat betreft ben ik dus een Hadrami geworden.
–
We hadden als ritprijs een onduidelijk bedrag afgesproken (op z’n Arabisch), nu wilde Moehammad ongeveer 9.000 rial hebben en ik zegde hem dat toe. Als we terug in Tariem zijn, heb ik mijn handen vol spullen en een pakje van 10.000 rial in mijn broekzak. Ik wil daar in het aardedonker niet duizend rial gaan staan aftellen. Bovendien had hij de moeite genomen om veel met mij te vertellen over de vijftien jaar die hij in de Arabische Emiraten woonde. Ik geef hem dus die 10.000 rial. Pas op mijn kamer herinner ik me dat we hem al 2.100 rial in de loop van de dag gegeven hadden!
–
In het Gasr al-goebba-hotel in Tariem, op het terras, zit een jong Belgisch stel (midden dertig), dat hier kwam met een opzichtige BMW-motor, met typisch Belgische problemen.
Wat ze hier doen is me niet helemaal duidelijk, want in Tariem fotograferen ze ‘tempels’.
Ze vlogen met hun BMW-motor naar Sana’a en wilden vervolgens door Saoedi-Arabië naar Jordanië rijden. In België hadden ze geen visum gekregen voor Saoedi-Arabië, maar de Belgische(!) consul in Sana’a zou wel wat kunnen regelen, werd hen verteld. Mooi niet dus.
Een rit door de woestijn eindigde op het politiebureau, want niemand (ocharm) had hen verteld dat je daarvoor toestemming van de autoriteiten nodig hebt. Typisch Belgisch, nergens naar informeren!
–
Op mijn kamer ben ik nog tot 01.30 uur vruchteloos bezig om fouten uit formules van het financiële programma te halen.
Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.
Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.
Fragment uit het verslag van 7 juni.
Om 6.00 komt de chauffeur Moehammad en wordt er weer over de prijs onderhandeld. De chauffeur krijgt uiteindelijk wat hij vraagt.
We gaan eerst naar Rayboen, naar de zonne- en maantempel. Abd al-Rahmaan deed hier enige tijd geleden, samen met Russen, opgravingen. Het landschap ziet eruit als de Yool, met de wadi in het midden.
[…]
Hadjarain is ons volgende doel. Er zijn inderdaad overstromingen geweest, want er staat veel water in de wadi. Het is een erg lange wadi, die tot bijna aan de zee loopt en daar valt veel regen, die noordwaarts stroomt in de richting van Hadjarain.
Onderweg stoppen we op verschillende plaatsen om gebouwen te fotograferen die Daniel van der Meulen vijfenzestig jaar geleden ook fotografeerde. Abd al-Rahmaan heeft fotokopieën van die foto’s bij zich en we proberen dezelfde positie in te nemen. Het blijkt dat er in die tijd, in dit middeleeuws landschap, toch enorm veel veranderd is. De tijd staat hier dus niet stil.
We bekijken enkele opmerkelijke hoekjes in Hadjarain en ik merk op dat ze daar eveneens talloze mooi bewerkte houten deuren hebben, nog veel indrukwekkender dan in Shibaam. Volgens Abd al-Rahmaan komen die deuren in de hele Wadi Do’an voor.
(Do’an komt van het Perzisch Do = twee en An zou Wadi betekenen. Wadi Do’an bestaat eigelijk uit twee wadi’s die elk een eigen naam hebben: al-Ayman (uitspraak: layman) en al-Aysar (uitspraak: laysar)).
[…]
Onderweg lunchen we daar waar we ook het ontbijt gebruikten: Mat’am al-machnag (Restaurant de Nek) wegens de versmalling van de wadi daar. Verder is hij heel breed.
Ik koop onderweg ook een ratlbachoer (een bepaald gewicht wierook), dat volgens Abd al-Rahmaan goed zou zijn voor de hersenen als je het eet. Je voelt je er filosoof van worden. Ook in water opgelost, zou een glaasje per dag, goed voor de gezondheid zijn. Verder, en daar koop ik het spul voor, kun je het branden en de rook ruiken.
[…]
Onderweg naar Hurayda nemen we een sayyid mee en we zetten hem in die stad weer af. Ook daar proberen we enkele van de Van der Meulen-foto’s te reconstrueren.
De lucht wordt grijszwart en op weg naar Shibaam komen we in een zware zandstorm terecht. Het is alsof we in een zeer dichte mist rijden. Het zicht is minder dan drie meter. Fantastisch. Ik maak foto’s. De hele dag al, want mijn diafilms zijn op.
[…]
Ik laat me voorlichten over de mahr (huwelijksgift). Voor honderdduizend rial kan je een vrouw kopen. Zij moet goud ontvangen van de aanstaande echtgenoot en ook haar vader moet het nodige goud fourneren. (1.000 rial is f. 13,00.)
Een vrouw kan ook goedkoper zijn. Hoesein al-A. van de hotelreceptie vertelde me dat hij maar 10.000 rial betaalde. Zij was zo goedkoop omdat zij zijn nicht is: bint al-chaal. (Bint: dochter, chaal: broer van de moeder, dus een oom aan moederszijde.)
[…]
Ook Abd al-Rahmaan vindt dat de moe’azzin (diegene die bij een moskee tot het gebed oproept, middels een luidspreker) veel te veel lawaai maakt en hij is niet alleen. Hij zou willen dat het oude systeem weer terugkwam: man in de minaret. Het is echter een gevoelig onderwerp.
Hij is erg gelovig. Voorheen dacht ik dat hij in Tariem voor de vorm naar de moskee ging, maar dat is niet het geval. Overal waar hij kan bidt hij. Met Moehammad werd onderhandeld welke moskee onderweg het best in aanmerking kwam voor het gebed.
[…]
’s Avonds koop ik in Shibaam twee diafilms. “Een niet goed lopend artikel,” zegt de winkelier, een kennis van Abd al-Rahmaan.
Een andere kennis vertelt dat er geen elektriciteit is in Shibaam. Dat betekent ook dat er geen water is. De mensen kunnen, volgens Abd al-Rahmaan niet zelf iets organiseren, want dan doet de regering er niets meer aan en zegt dat er elektriciteit genoeg is.
Geen water. Het komt voor dat men doden niet kan afleggen omdat er geen water is. Zieke mensen kunnen niet adequaat geholpen worden en gaan eerder dood.
Geen elektriciteit. Veel van die grote kasten van huizen herbergen meerdere families. Maar één familie kan op het dak wonen. (In verband met de maharim (vrouwen), die niet door andere bewoners gezien mogen worden.) De anderen moeten in deze hitte, zonder koeling in huis doorbrengen. Dat veroorzaakt veel problemen.
[…]
Moehammad, onze chauffeur kauwt onderweg gaat. Dat wil hij niet thuis doen, want hij wil niet dat zijn vier kinderen, de oudste 12 en de jongste 1, allemaal jongens, weten dat vader gaat gebruikt. Hij lijkt verslaafd aan thee want bij iedere gelegenheid drinkt hij veel daarvan. (Misschien komt dat door de gaat.)
–
Onderweg naar het hotel in Tariem vertelt over zijn leven als administratief militair in al-Ayn in de Emiraten. Hij is een slachtoffer van de Golfoorlog. Toen zijn contract in 1993 afliep werd dat niet verlengd en moest hij met vrouw en kinderen de Emiraten verlaten. Van een luxe leventje met overal airco, zelfs op de markt, naar het arme, hete Jemen. Zijn vrouw en kinderen lijden eronder. Zijn vrouw heeft de nationaliteit van Aboe Dhabi, maar is van Jemenitische oorsprong. Moehammad werkt eraan om nog voor de winter terug te kunnen naar het ‘paradijs op aarde’. Alle straten zijn er geasfalteerd en niet vol met gaten, zoals hier in Jemen. Vierentwintig uur per dag elektriciteit, maar zestien jaar gevangenisstraf op het gebruik van gaat, net zoals in Saoedi-Arabië. Wel in een nieuwe, moderne gevangenis. De blaadjes worden in die landen gezien als een verdovend middel, hoewel je in die landen ook drugs en alcohol kunt kopen.
(Abd al-Rahmaan vertelde eens dat een vader uit Say’oen zijn jonge, aan wijn verslaafde, zoon naar Saoedi-Arabië stuurde om zijn leven te beteren. Na twintig jaar kwam die terug. Al die tijd had hij wijn gedronken!)
Moehammad verdiende in Aboe Dhabi zoveel dat hij er deze Landcruiser aan overhield.
In 1985 bezocht hij als toerist Syrië en Jordanië.
[…]
In het hotel ontmoet ik een stel dat aansluit bij het rijtje gekken dat ik in Jemen ben tegengekomen.
Uitgerekend een Belgisch stel (de Belgen die ik gedurende al mijn reizen in het buitenland ontmoette hadden altijd wel iets van problemen, voortkomende uit eigen stommiteit of niet goed ingewonnen informatie.) Deze twee, man en vrouw met een BMW-motor, kwamen hier met de bedoeling van Sana’a door Saoedi-Arabië naar Jordanië te rijden. In België hadden ze geen visum kunnen krijgen voor Saoedi-Arabië, maar de Belgische consul in Sana’a zou dat wel kunnen regelen, hadden kennissen verteld. Nou, mooi niet dus. Bovendien kwamen ze hier aan met de motor en niemand op de luchthaven had hen verteld dat ze, als ze door de woestijn wilden, toestemming van de autoriteiten nodig hadden. (In onze moderne westerse maatschappij wordt ons alles voorgekauwd, dan kun je een maatschappij waar je zelf alles moet uitzoeken niet meer functioneren.)
Wat die mensen hier doen is me een raadsel, deze zijn zelfs niet matig geïnteresseerd in de islamitische cultuur en weten nog minder dan al die anderen die ik in Jemen ontmoette.
Hij, heftruckmonteur, weet alles van motoren. Zij is verpleegster in een Brussels ziekenhuis. Er werken daar Arabische dokters en die hadden gezegd dat zij wel in korte mouwen door Jemen en Saoedi-Arabië kon reizen. Dat doet ze ook en begrijpt niet waarom alle mannen belangstelling voor haar hebben.
Zijn motor wordt voortdurend betast door allerlei handen. Hij ergert zich eraan.
In Tariem fotograferen ze wat ‘tempels’.
Zij vindt het jammer dat je hier niet met de mensen kan communikeren. (sic.)
Hij, tegen een Tarimi: “De Ramadaan is verschrikkelijk.”
Gelukkig begrijpt de jongeman hem niet, anders was een religieuze discussie onvermijdelijk geworden.
In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voorkomt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadramaut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitgesproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.
De timmerman heeft vandaag, donderdag, de nieuwe voordeur afgeleverd voor de bibliotheek. Hij zal die zaterdag plaatsen. Die deur zal de oude grijze, rechts op de foto te zien, vervangen. De man op de foto, links, is Abd al-Rahmaan A. de directeur van de al-Ahgaaf-bibliotheek in Tariem.
Twintig jaar geleden: dagboekfragment 6 juni 1996 (donderdag).
Tariem, Say’oen.
Enkele weken geleden deed ik de whisky in de appelsap-flessen en de jonge jenever in waterflessen. Gisterenavond dronk ik twee jonge jenever aangelengd met lemontina. Ik zette de fles jonge jenever zonder na te denken in de koelkast. Toen ik later een slok water wilde hebben … ja, toen dronk ik een flinke teug jonge.
Ik was in staat tot 7.45 uur te slapen, wel met veel onderbrekingen, want het is vanaf 05.00 uur klaarlichte dag. Mijn bed (buiten) komt echter pas na achten in de volle zon te staan.
Vanavond slaap ik in Say’oen.
Nu 8.30 uur.
–
In de bibliotheek wacht ik tot 11.45 uur. Dan is er een kwartiertje spanning. Ik print de fax voor Jan Just Witkam uit en laad in beide computers dat deel van de fihrist (catalogus) dat ik thuis overtypte, in de computer. (Thuis: september – december 1995 in Nederland.)
Nadat ik de nieuwe koers heb gevraagd (106 rial voor 1 US$) voeg ik enkele regels met de hand aan de fax toe. Ik besluit om 400 of 500 dollar te wisselen, maar de geldwisselaars zijn al vertrokken. Gelukkig, want in Say’oen, waar ik naar toe ga, krijg ik 109 rial en wissel daar vijftienhonderd dollar bij de zwager van Abd al-Rahmaan A. Die heeft een bedrijf voor reparatie van auto-uitlaten en kan dat bedrag in rial zonder problemen op tafel leggen.
–
Bij Abd al-Rahmaan thuis zie ik een prachtig mooie vrouw, slechts met hoofddoek en ik reken me al rijk: ik zag de vrouw van Abd al-Rahmaan, maar later blijkt deze schoonheid een jong buurmeisje in donkergroene jurk en grote zwarte hoofddoek. Zonder al die stof zal ze waarschijnlijk zeer mager zijn.
’s Avond krijg ik een eenvoudige, maar goede maaltijd voorgezet.
We zitten buiten nog wat te vertellen en rond 23.30 ga ik naar bed.
Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.
Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.
Fragment uit het verslag van 6 juni.
De timmerman levert de houten deur af, gemaakt van Maleis meranti. Ahmad, de elektricien uit Tariem, wijst me erop dat meranti niet gevrijwaard kan worden van houtworm. Er is harder hout ibal(?) (eik?) dat onverwoestbaar is en in de winter nog harder. (Volgens Abd al-Rahmaan.) Dat hout wordt alleen in de winter gezaagd.
[…]
Gezien de omvang en het soort kleding vermoedde ik al dat het een Nederlandse was. Ze kwam in mijn richting gesjokt. Toen ze dichterbij was uitte ze een paar onverstaanbare klanken, zodat ik niet meer wist met welke nationaliteit ik nu weer te doen had, maar mijn eerste indruk bleek toch correct en ze stelde meteen gerichte vragen, alsof zij het geschenk aan de bibliotheek gegeven had en alsof ze hier al vele malen geweest was. Vragen in de trant van: “Heeft dit nu nut? Is dit geen weggegooid geld? Kunnen die mensen wel met dit spul omgaan? Hebben ze wel enige benul wat er gebeurt? Kennen ze de waarde van dit alles wel?”
Ik vroeg haar wie ze was en wat ze kwam doen. Haar voornaam was M., ze was journalist voor een polytechnisch tijdschrift, maar hier was ze slechts op vakantie, met Djoser.
Toen wist ik genoeg. Hun reisbegeleider, MvM, is hier al verschillende keren geweest en in het begin hadden Nico en ik het idee dat dit geschenk ‘paarlen voor de zwijnen’ was. In onze teleurstelling hadden we dat idee niet onder stoelen of banken gestoken en ook MvM deelgenoot gemaakt in onze verbitterde gevoelens.
Ik vertelde haar (een goede vriendin van MvM) dat het idee waarop haar vragen stoelden niet meer van toepassing was. Dat al die negatieve woorden niet meer op hun plaats waren en dat ik nu vrijwel zeker wist dat dit een groot succes zou worden, zeker nu er een nieuwe directeur is met enkele enthousiaste medewerkers. Toen MvM later ook kwam heb ik hem apart genomen en hem mijn nieuwe opvatting verteld, maar hij bleef sceptisch.
Hij heeft een wrok tegen enkele mensen van de Nederlandse Ambassade. (De heer M. van de Ambassade heeft een negatief reisadvies voor Marib en omgeving afgegeven en Djoser, als lid van de ANVR, moet zich daaraan houden, terwijl alle andere reisbureaus die regio zonder problemen doorkruisen. M. zou, volgens MvM, zijn criteria niet willen toelichten.)
Om die reden blijft het voor MvM moeilijk beslissingen van de Ambassade (deze gift bijvoorbeeld) te accepteren. MvM is ook persoonlijk betrokken bij de financiering van een tehuis voor geestelijk gehandicapte kinderen (in Jemen), waarvoor de Nederlandse regering geen geld over heeft. Zijn scepsis heeft daarmee te maken: waarom wel geld voor ‘oud papier’, maar niet voor gehandicapte kinderen.
De Nederlanders, ook dezen ‘zeer geïnteresseerd’ in de islamitische cultuur, gezien hun geringe belangstelling voor handschriften, maar wel voor mijn fax aan Jan Just Witkam, die ik op dat moment uitprintte: allemaal stonden ze die te lezen en nadat ze een deel uit dat bericht geciteerd hadden, zei ik: “U bent wel erg nieuwsgierig.”
“Daarvoor zijn we hier,” kreeg ik als antwoord.
Om computers te komen bekijken, zeker, en persoonlijke brieven hardop mee te lezen!
[…]
Ik ga met Abd al-Rahmaan mee naar Say’oen. Onderweg wijst hij me op de vele witte stenen op de berghellingen. Die staan allemaal in grote vierkanten opgesteld. Het zijn stukken land die bestemd zijn voor huizenbouw. Nu de regering niet meer toeziet op wat er in het land gebeurt, komt iedereen zomaar een stuk land claimen, eventueel met vervalste documenten.
Toen de regering nog wel toezag, gebeurde dit ook, toen claimden politici grond, niet voor henzelf maar voor de partij of de regering.
Het enige verschil met vroeger is dat het toen volgens een bepaald systeem gebeurde en nu in het wilde weg.
Bovendien claimt niemand meer voor een ander (de partij of regering), maar wel voor zichzelf.
Taxichauffeur Hamid had me ook al op deze praktijken gewezen.
Veel mensen verlangen terug naar de socialistische tijden, hoewel dat een slechte tijd was en men van die regering verlost wilde zijn. Muhammad al-H. citeerde verleden week al uit een gedicht:
Vroeger huilde men over haar, nu huilt men om haar. (De regering.)
[…]
Ik informeer naar de wisselkoers van de dollar en krijg te horen dat die 109 rial is. Drie meer dan in Tariem. Abd al-Rahmaan wil dat ik bij zijn zwager geld wissel tegen de geldende koers. Daar heb ik geen bezwaar tegen. We rijden een eind en stoppen bij een garage voor de reparatie van knalpijpen. (Specialisme!) Daar hebben ze een prachtige poortdeur van bewerkt hout, die staat weg te rotten.
Abd al-Rahmaan zegt dat ik hier maar moet wisselen. Ik kijk hem verbaasd aan en zeg: “Ik dacht dat ik bij je zwager moest wisselen?”
“Dat is hier.”
Ik stap uit en er staat een of ander onduidelijk figuur op mij te wachten. Ik zeg tegen hem dat ik geld wil wisselen, maar hij commandeert me om naar binnen te gaan. Ik denk dat hij me niet begrepen heeft, maar met nog meer ongeduld zegt hij dat ik naar binnen moet gaan. Achter het bureau van het kantoor vind ik de schoonvader van Abd al-Rahmaan. (Ik zag hem op de luchthaven van Sana’a, toen we terugkeerde van ons kort bezoek aan de hoofdstad.) Tegen hem zeg ik dat ik geld wil wisselen en weer wordt er wat gecommandeerd. Dan komt een ietwat gezette jongeman achter het bureau zitten en hij blijkt de zwager te zijn. Bij hem wissel ik vijftienhonderd dollar voor 109 rial per dollar. Hij behoort tot de al-Kaaf familie en het blijkt voor hen geen moeite het juiste geldbedrag op tafel te leggen.
Het voorgaande vage gedoe kom ik steeds weer tegen en het blijft moeilijk om daaraan te wennen. Telkens wordt je in het ongewisse gelaten over prijzen. Als je iets koopt zegt de verkoper niet: “Zoveel,”, maar je moet naar de prijs vragen.
Mensen die diensten verlenen, zeggen vaak niet: “Ik krijg zoveel van je,” maar “Jij weet wel wat mijn dienst waard is.”
Ook Abd al-Rahmaan heeft moeite om concreet te zijn over geld. Iedereen veronderstelt maar dat je alles weet en iedereen kent.
[…]
We gaan onderhandelen met de chauffeur van de Landcruiser, die ons twee dagen lang in Wadi Do’an zal rondrijden. Ook hier weer een staaltje van vaagheid. Iemand anders dan de chauffeur had gezegd dat hij het wel voor 12.000 rial zou doen en Abd al-Rahmaan had mij dat als zekerheid gepresenteerd, maar de chauffeur denkt er anders over en wil 15.000 rial. Na lang gesteggel moet ik de knoop doorhakken en gaan we dus voor dat laatste bedrag.
Abd al-Rahmaan had me op weg van Tariem naar Say’oen al verteld dat hij slachtoffer was geworden van onduidelijke afspraken. Zesduizend rial had hem dat gekost. Voor menigeen een maandloon.
[…]
We bezoeken het ouderlijk huis te midden van een rijk gevulde plantage van dadelpalmen op het platteland, even buiten Say’oen. Hoewel het al bijna donker is kan ik zien dat het een prachtig stuk grond is. De weg erheen was al een fotoreportage waard.
Op dat land werken een aantal boeren. De opbrengst van de dadelpalmen is voor de helft voor de familie A., de andere helft voor de boeren, die niet op het land wonen. Van de helft voor de familie gaat 35% op aan de instandhouding van de plantage.
De boeren bezitten de waterpomp, maar het waterwiel is van de familie. De boeren zijn kennelijk niet helemaal betrouwbaar, want ze doen nogal eens alsof ze niet weten hoe een en ander onderhouden moet worden, in het deel van de familie, wel te verstaan. In hun deel van de plantage komen die problemen niet voor, hoewel deze niet de slechtsten zijn. De familie bezit kennelijk meer land, want daar zitten boeren die veel problemen veroorzaken.
Verder veroorzaken ook militairen uit de naburige legerplaats problemen. Die komen bij nacht en ontij met hun wapens en pakken wat ze te pakken kunnen krijgen. Zij richten meer schade aan dan ze wegnemen. Dit is een land zonder regering. Iedereen doet maar wat hij wil.
[…]
Abd al-Rahmaan wil van het huis dat bij de plantage hoort twee appartementen maken en die verhuren aan toeristen.
In een cafetaria, ongeveer Europese stijl, bespreken we zijn idee.
In ieder geval zal er constant elektriciteit en koel water beschikbaar moeten zijn. Ik wijs hem op het bestaan van de ‘veteranenziekte’, gevolg van bacteriegroei in waterpijpen waar altijd lauw water doorheen gaat. Ook komen we tot de conclusie dat de naast het huis staande waterpomp elektrisch moet worden, want iedereen wordt gek van het getakketak van de tweetaktmotor.
[…]
Onderweg vertelde Abd al-Rahmaan over de opkomst van de Islah-partij, die steeds machtiger wordt in dit economisch steeds verder achteruitgaande Jemen. De basis van de verbetering van de economie van het land ligt in beter onderwijs, terwijl de Islah-partij, die nu ook het onderwijs verzorgt, afziet van het onderwijzen in de westerse wetenschappen en kennis en zelfs afziet in het onderwijzen van wiskunde. Belangrijk voor hen is de godsdienstwetenschap.
Voor Jemenitische arbeiders is er niet veel kans en hoop op verbetering van de arbeidsomstandigheden. Ze zijn slecht onderwezen en niet allemaal bereidt even hard te werken. Westerse oliemaatschappijen nemen geen Jemenieten in dienst, maar Oost-Afrikanen, omdat die Engels zouden spreken en, natuurlijk, eerder bereid zijn een order op te volgen, dan de socialistisch onderwezen Zuid-Jemenieten.
[…]
Bij Abd al-Rahmaan thuis hoor ik dat sommige Jemenieten grote hoeveelheden valiumpillen leveren in Saoedi-Arabië, tegen woekerwinsten. Dat sluit mooi aan bij het verhaal dat ik eens in een Egyptisch damesblad las over vrouwen in de Golfstaten en omstreken. Die hebben niets zinvols te doen in hun leven. Ze kijken Tv, bellen urenlang met vriendinnen en slikken vooral veel verdovende pillen om de dag door te komen.
[…]
De chauffeur van de Landcruiser komt vertellen dat er overstromingen zijn in Wadi Do’an en dat hij niet zo ver kan gaan als Abd al-Rahmaan wil. We zullen nu maar één dag gaan, in plaats van twee. Weer begint natuurlijk het gesteggel over de prijs, maar daar ben ik niet bij. Dat hoor ik achteraf.
Dit is het einde van het verslag van 6 juni.
De uitspraak van enkele letters en klanken in Arabische woorden.
In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voorkomt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ق) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadramaut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitgesproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.