27 november 1997

Computertafel

Dit is mijn werk­plek op het ter­ras dat bij mijn ka­mer in het Gaṣr al-Goeb­ba-ho­tel hoort en zich dus ach­ter de la­kens be­vindt die op de dia van gis­te­ren te zien zijn. De doe­ken die­nen om over­dag mijn werk­plek te­gen de ko­pe­ren ploert te be­scher­men.
Deze dia is in de avond ge­no­men, want de lamp brandt. Op de ta­fel staat mijn To­shi­ba-lap­top en links er­naast de tem­pe­ra­tuur­meter die tot op een tien­de graad nauw­keu­rig meet. Hier werk ik vaak tot in de klei­ne uurt­jes aan de ver­be­te­ring van de Ac­cess-da­ta­ba­se voor de Aḥ­gāf-bi­blio­theek.

Het Tarīm-project 1997

1997 – 2017: twin­tig jaar ge­le­den

Tarīm: Hadramaut, Jemen

Dagboek 1997

(Dag 9434) Ik ben in de Ḥaḍramaut (Zuid-Je­men) in de plaats Tarīm. De ko­men­de we­ken lo­geer ik daar in het Gaṣr al-Goeb­ba-ho­tel (Koe­pel­pa­leis-ho­tel) en zal er wer­ken in de al-Aḥgāf-bi­blio­theek voor hand­schrif­ten. – De bi­blio­theek is tot maan­dag ge­slo­ten. Het is van­daag 27 Raǧab, een is­la­mi­tische feest­dag. – In Lei­den, mijn woon­plaats, ga ik op vrij­dag­avond al­tijd dan­sen in het Leids Vrije­tijds­cen­trum (LVC). Daar zag ik een paar keer een mooie jon­ge vrouw, wier naam ik niet weet en daar­om ‘Enne­fea’ heb ge­noemd. Ik droom de­ze nacht in­di­rect van haar. – Mijn ver­slag, op mijn lap­top ge­schre­ven, be­vat meer (ach­ter­grond)­in­for­ma­tie dan mijn dag­boek­ver­slag. – De munt­een­heid in Je­men is de Rial (YER). (1 rial = f. 0,015 (an­der­hal­ve cent), dus 100 rial = f. 1,50.)

MenuFo­toIndex en het eindeTrans­criptie.

 
 

Donderdag, 27 november 1997.
Tariem: 9/39.
Het is 27 Raǧab: het feest van al-Isrā’ wa-l-Miᶜrāǧ* ge­noemd: de Nacht­reis van de pro­feet Muḥ­am­mad. Ieder­een in de bi­blio­theek heeft vrij en het ge­bouw is ge­slo­ten.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Mijn nacht­reis

Ik droomde dat ik voor de PTT-Te­le­com (mijn voor­ma­li­ge werk­ge­ver van me­dio 1966 tot en met 1989) een sto­ring moest op­los­sen in een ge­bouw met een alarm­in­stal­la­tie. Ik wist niet hoe ik het alarm moest om­zei­len, maar [col­le­ga] BG. had een plat­te­grond waar op stond hoe je moest lo­pen. (BG. vond ik al­tijd in­tri­ge­rend en bij­zon­der aar­dig, maar niet mooi.) BG. ging naast me op de vloer zit­ten om me de rou­te te wij­zen. Toen vlij­de hij zich tegen mij aan. Hij was [in de­ze droom] niet ou­der dan twin­tig jaar. Ik pak­te zijn hoofd vast en zoen­de hem. Hij zucht­te van ge­not. Ik vroeg hem, ter­wijl mijn hoofd op zijn ont­blo­te borst lag, wat hij met zo’n ou­de ke­rel als ik moest. Hij zei dat hij van mijn ma­nier van doen hield. (Al­les wat hij zei en deed, was dat wat An­na bij mij in het ver­le­den in wer­ke­lijk­heid zei en deed.) Ik knuf­fel­de hem om hem een ple­zier te doen. Hij was ver­schrik­ke­lijk sexy, maar het deed me niet veel. Ik over­woog hem te ver­tel­len dat er ook nog ie­mand an­ders is, na­me­lijk Enne­fea, op wie ik ver­liefd ben, maar zag daar om ver­schil­len­de re­de­nen van af. Een en ander zou de zaak ern­stig com­pli­ce­ren. Meer ge­re­de­neerd van­uit de ver­wach­ting van de­ze jon­ge­man dan dat ik er zelf be­hoef­te aan had, maak­te ik zijn broek open. Zelf trok hij snel zijn slip­je om­laag. Ik wil­de niet ver­der gaan. Voor­dat de jon­ge­man te­leur­ge­steld kon ra­ken over mijn af­wij­zen­de re­actie, werd ik ge­luk­kig wak­ker. Nu ligt hij daar in dro­men­land half naakt op mijn tong te wach­ten, die nooit zal ko­men. Het was net 06.00 uur.
Daarna sliep ik nog tot 8.00 uur en nam een ho­tel­ont­bijt.
De temperaturen, af­ge­lo­pen nacht bui­ten (mi­ni­mum) 29,4°C, bin­nen: 22,6°C.)

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Geld

Er is weer eens geen elek­tri­ci­teit. Ik wil de ben­zi­ne van de ge­ne­ra­tor be­ta­len, maar nie­mand be­grijpt me.
De generator zal om 12.00 uur ge­re­pa­reerd wor­den en, zo­waar, om 13.00 uur is er elek­tri­ci­teit. Hij zal, zo is mij be­loofd, niet meer on­der­bro­ken wor­den.
Van Ḥu­sayn al-K., de ma­na­ger, neem ik de ser­vo-ge­stuur­de vol­le­dig au­to­ma­tische span­nings­re­gu­la­tor over. Dit ap­paraat stond nog in de ver­pak­king. Hij zal een nieuwe ko­pen en mij de re­ke­ning over­han­di­gen, die ik dan zal be­ta­len: cir­ca 80 US$.
Na 13.00 uur maak ik op de com­pu­ter de ad­mi­ni­stra­tie van het pro­ject en mij­zelf.
Persoonlijk gaf ik in de eer­ste week al cir­ca 500 US$ uit. Ik heb maar 1.745 dol­lars mee­ge­no­men voor mij­zelf, dus ik moet voor­zich­tig zijn. Het groot­ste deel ver­dween bij Taj She­ba in Ṣanaᶜā’ en de aan­schaf van een ex­tra kof­fer. Over­nach­ting 185 US$ (per on­ge­luk gaf ik 5 US$ te veel, zo bleek ach­ter­af.) Di­ners f. 200,00 (100 US$) en het kof­fer: 6.500 YER (f. 97,50, cir­ca 50 US$.) Al-Gas­mi-ho­tel: 50 US$.
Namiddag: ver­be­te­rin­gen aan­bren­gen in de da­ta­base van de bi­blio­theek.
Avondeten met vis (erg droog) in het re­stau­rant.
Doorwerken tot cir­ca 23.00 uur.
Bed circa 00.30 uur.
De temperatuur is dan nog zo’n 25°C. Rond 12.00 uur was het 40°C in de zon. (En ook in de scha­duw.) Rond 16.00 uur: 35°C.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.


Computerverslag

De eerste drie we­ken van dit ver­blijf in Je­men hield ik op mijn lap­top­com­pu­ter ook een ver­slag bij, waar­in soms din­gen staan die niet in mijn dag­boek voor­komen.
Hier volgt een uit­trek­sel daar­van.

Niets doen

Om zes uur stop­te de ener­gie­voor­zie­ning en ik dacht dat de el­len­de van een jaar ge­le­den weer be­gon. Toen was er al­leen tus­sen half twee en half vier ’s nachts elek­tri­ci­teit. Ik wist me­teen weer wat ik ver­ge­ten had aan te schaf­fen in Ne­der­land: een zon­ne­stroom­voor­zie­ning voor mijn com­pu­ter. Nu was ik ge­dwon­gen tot niets doen tot na 13 uur.
Natuurlijk kan ik het stad­je in­gaan, maar bij 40°C is dat geen pret­je. Er is bijna geen scha­duw, of die is in be­slag ge­no­men door groe­pen man­nen, met wie ik niets te be­pra­ten heb, want het is van­daag een re­li­gi­euze feest­dag.
Van dit stad­je heb ik het mees­te al ge­zien. Wat ik nog niet ge­zien heb, daar ben ik ook niet wel­kom. Ver­le­den jaar werd ik uit de bin­nen­stad met een re­gen van ste­nen ver­dre­ven door kin­de­ren, meis­jes en jon­gens. De vol­was­se­nen za­ten er­bij en ke­ken er­naar, maar on­der­na­men niets. Het ge­beur­de dus ken­ne­lijk met hun toe­stem­ming.
De omgeving wil ik nog wel be­rei­zen, maar zal dat doen als [col­le­ga] Taw­fīq hier is, sa­men met hem en in een au­to.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Werken

Zodra de elek­tri­ci­teit er weer is (rond 13 uur) ga ik aan het werk. Zwem­men is niet mo­ge­lijk om­dat het bad wordt schoon­ge­maakt. Gis­te­ren vond ik dat al no­dig. Er wordt geen rei­ni­gings­mid­del ge­bruikt om­dat het wa­ter de da­del­plan­ta­ges be­vloeit.
Ik maak een over­zicht van de fi­nan­ciën. Het blijkt dat ik pri­vé veel meer geld ge­bruikt heb dan mag op grond van het mee­ge­no­men be­drag voor de he­le tijd. Ik zal het dus een beet­je rus­ti­ger aan moeten doen. Ik nam on­ge­veer drie­ën­half dui­zend gul­den mee.
Ik pas de database aan aan de mo­ge­lijk­he­den die Mi­cro­soft Ac­cess biedt en die het ge­brui­kers­ge­mak ten goe­de ko­men.
Eerst was ik van plan te ko­ken, maar om­dat ik van­och­tend al de he­le tijd ver­loor met niets doen, be­sluit ik om toch maar weer in het res­tau­rant te eten.
Kou­de, har­de pa­tat­ten, de­zelf­de groen­te­prut als al­tijd en een gro­te homp dro­ge vis. Sa­la­de als gis­te­ren en eer­gis­te­ren, maar nu ook nog gro­te stuk­ken kom­kom­mer er­bij. Als toet­je een si­naas­ap­pel. Eer­gis­te­ren kreeg ik een ba­naan en een si­naas­ap­pel, gis­te­ren niks.
Er zit een groep Fransen in het ho­tel. Gis­te­ren wa­ren hier Oos­ten­rij­kers, die ook in al-Gas­mi-hotel za­ten in Ṣanaᶜā’.
Temperaturen: nu 23°C buiten. Over­dag was het 41°C rond 12.00 uur. La­ter in de mid­dag werd het 35°C. Nu is het aan­ge­naam en dood­stil, op kre­kels, kik­kers en een af en toe bal­ken­de ezel na.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Noten

*
al-Isrā’ wa-l-Miᶜrāǧ. Raǧab is de ze­ven­de maand van de is­la­mi­tische maan­ka­len­der. Op 27 Raǧab wordt al-Isrā’ wa’l-Miᶜrāǧ ge­vierd. In de nacht van de­ze dag vond de Nacht­reis van de pro­feet Mu­ḥam­mad naar de ze­ven he­me­len plaats.
Wi­ki­pe­dia: Nach­treis.

Te­rug.


MenuFo­toBe­ginEindeTrans­criptie.

Index

Index van ter­men:
Index van per­so­nen:
.
Index van lo­ca­ties:

Me­nuFo­toBe­ginHoofd­in­dex.

Trans­crip­tie van de klin­kers in Ara­bische woor­den.

A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.

Klik hier voor het over­zicht van de trans­crip­tie in Ara­bische woor­den.

Me­nuFo­toBe­ginHoofd­in­dex.


Jemen 1997
Jemen 1997 (be­knopt over­zicht).
Je­men 1997: de da­gen in chro­no­lo­gische volg­or­de.
Je­men 1997: al­le foto’s.


Jemen 1996
Jemen 1996 (be­knopt over­zicht).
Je­men 1996: de da­gen in chro­no­lo­gische volg­or­de.
Je­men 1996: al­le foto’s.


De au­teur de­zes kan niet ga­ran­de­ren dat al­le links naar ex­ter­ne web­si­tes (dus die van der­de par­tij­en) al­tijd zul­len blij­ven be­staan. Fo­to’s in Goog­le Maps, bij­voor­beeld, kun­nen ver­dwij­nen wan­neer de ei­ge­naar ze weg­haalt. Ook aan an­de­re links kan een ein­de ko­men, of kun­nen in on­ge­bruik ra­ken.
Wan­neer u een niet wer­ken­de link con­sta­teert kunt u dat mel­den in het re­ac­tie­veld. Bij voor­baat dank.

26 november 1997

Terras

Dit is het dak­ter­ras dat bij mijn ka­mer in het Gaṣr al-Goeb­ba-ho­tel hoort. Mijn ka­mer ligt ach­ter de doe­ken, maar tus­sen de kamer en de doe­ken is nog vol­doen­de ter­ras­ruim­te om te wer­ken. Daar staat een ta­fel (met stoel), waar­aan ik mijn ad­mi­ni­stra­tie­ve ver­plich­tin­gen kan ver­rich­ten.

Het Tarīm-project 1997

1997 – 2017: twin­tig jaar ge­le­den

Tarīm: Hadramaut, Jemen

Dagboek 1997

(Dag 9433) Ik ben in de Ḥaḍramaut (Zuid-Je­men) in de plaats Tarīm. De ko­men­de we­ken lo­geer ik daar in het Gaṣr al-Goeb­ba-ho­tel (Koe­pel­pa­leis-ho­tel) en er wer­ken in de al-Aḥgāf-bi­blio­theek voor hand­schrif­ten. – Mijn ver­slag, op mijn lap­top ge­schre­ven, be­vat meer (ach­ter­grond)­in­for­ma­tie dan mijn dag­boek­ver­slag. – De munt­een­heid in Je­men is de Rial (YER). (1 rial = f. 0,015 (an­der­hal­ve cent), dus 100 rial = f. 1,50.)

MenuFo­toIndex en het eindeTrans­criptie.

 
 

Woensdag, 26 november 1997.
Tariem: 8/40.
Goed geslapen.
Op 7.00 uur.
Dagboek bijwerken.
Circa 9.00 op weg naar de [al-Aḥgāf-] bi­blio­theek. Ik ont­moet Ḥas­san al-A., de oom van Ḥusayn al-A. (Niet de re­cep­tio­nist van het ho­tel, maar die knap­pe, sexy boy van de te­le­foon­win­kel, ver­le­den jaar.)
Deze Has­san al-A. brengt mij in zijn per­soon­lijk wrak naar de bi­blio­theek. Des­ge­vraagd wil hij me wel hel­pen bij het af­din­gen als ik een sa­rong wil ko­pen.
We rijden de vijf­tig me­ter met veel moei­te ach­ter­uit, er­naar­toe. Ik mag niet uit­stap­pen.
Het door hem behaal­de voor­deel voor twee goe­de sa­rongs (merk At­las uit In­do­ne­sië) wil hij niet aan­ne­men, maar ik laat het bed­rag in zijn au­to val­len: 400 rial. Ik be­taal­de 1.600 rial. (Cir­ca 24 gul­den.)
Ik print de fax die ik gis­te­ren op mijn lap­top maak­te en ver­stuur die via de fax van het post­kan­toor*(1) naar de Am­bas­sa­de met het ver­zoek aan DK. om die door te stu­ren naar Jan Just Wit­kam.
Als ik om 11.30 uur naar huis ga vraagt Ḥusayn al-Ḥ. of hij me een van de­ze da­gen (er is va­kan­tie tot maan­dag) mag ko­men op­zoe­ken. Om­dat ik vrees dat hij van­daag al daad bij het woord zal voe­gen, luis­ter ik na het zwem­men al­leen nog maar lui­de Walk­man-mu­ziek, zodat ik een ex­cuus heb waar­om ik zijn gek­lop niet hoor­de. Ik heb nog zo­veel te doen. (Dag­boek bij­wer­ken, de da­ta­ba­se op een fout tes­ten, het da­ge­lijks ver­slag schrij­ven.) Ik wil niet ge­stoord wor­den.
Temperatuur vandaag: af­ge­lo­pen nacht bui­ten cir­ca 19°C bui­ten en 27°C bin­nen.
Circa 13.00 uur bui­ten 35°C, ook in de scha­duw!
Circa 16.00 uur: zon en scha­duw: 30°C.
Circa 17.20: onder het af­dak­je [bij mijn ka­mer] 28,1°C, rest 26,3°C. De zon is al bij­na onder.
Nu 17.25 uur. Het wordt nu snel don­ker.
Goede Vegas en Un­der­world Tech­no-mu­ziek op de Wal­kman [mini ra­dio-cas­set­te­re­cor­der].
Ik moet naar een fout in de da­ta­ba­se voor de Aḥ­gāf-bi­blio­theek zoe­ken. Als je meer­de­re sor­teer­ac­ties hebt on­der­no­men, wordt op ge­ge­ven mo­ment niet meer ge­sor­teerd.
Vóór het diner lukt het me niet de oor­zaak te vin­den.
Diner: soep, een soort pas­ta met kip en een beet­je (de­ze keer wel, gis­te­ren niet) war­me groen­te.
Na het di­ner ont­dek ik op ge­ge­ven mo­ment dat de tel­lers [da­ta­ba­se], die het ad­res in een ar­ray be­pa­len, na ge­bruik niet op nul ge­zet wor­den. Met een ex­tra pro­gram­ma­regel is het pro­bleem op­ge­lost.
Bed rond 01.00 uur. Het is dan nog 20°C bui­ten.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Computerverslag: Fax

De eerste drie we­ken van dit ver­blijf in Je­men hield ik op mijn lap­top­com­pu­ter ook een ver­slag bij, waar­in soms din­gen staan die niet in mijn dag­boek voor­komen.
Hier volgt een uit­trek­sel daar­van.

Ik printte de fax, die ik gis­te­ren maak­te voor Ne­der­land en ver­stuur­de die van­uit het post­kan­toor naar de Ne­der­land­se Am­bas­sa­de in Ṣanaᶜā’ met het ver­zoek die door te stu­ren naar Ne­der­land. Van­uit het post­kan­toor moest de fax twee­maal ver­stuurd wor­den om fout­loos in Ṣanaᶜā’ aan te ko­men. Al­thans, dat mag ik ho­pen. De kos­ten wa­ren be­dui­dend min­der dan een fax naar Ne­der­land. Die kost per pa­gi­na 800 rial (ver­le­den jaar) wat nu zo’n twaalf gul­den zou zijn. Naar Ṣanaᶜā’ kos­ten twee pa­gi­na’s maar 70 rial, nog goed­ko­per dan een brief. (70 rial is on­ge­veer 1 gul­den). Van­uit Ṣanaᶜā’ kan ho­pe­lijk wel fout­loos ge­fax­ed wor­den. Ik hoop dat DK. van de Ne­der­land­se Am­bas­sa­de eni­ge me­de­wer­king wil ver­le­nen.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Moewallad

Ik ont­moet­te Ḥas­san al-A., een col­le­ga van Abd al-Raḥmān, on­der­weg naar de bi­blio­theek en hij reed me in zijn per­soon­lijk wrak naar de bi­blio­theek. Toen ik hem ver­tel­de dat ik een sa­rong wil­de ko­pen, (om in het ho­tel te dra­gen, dat is veel fris­ser dan een broek) zou hij me wel naar de win­kel rij­den, on­ge­veer der­tig me­ter, die met veel moei­te af­ge­legd moest wor­den en veel ge­so­de­mie­ter om ieder­een aan de kant te krij­gen, maar ik mocht niet uit­stap­pen. Al­leen gek­ken lo­pen hier.
Hij vertelde mij dat ik over de prijs zou moe­ten on­der­han­de­len. Ik vroeg hem dat voor mij te doen. Dat deed hij met ver­ve. Ik ge­noot er­van, hoe­wel ik bij­na die sa­rong niet kreeg die ik wil­de heb­ben. Uit­ein­de­lijk kreeg ik twee sa­rongs sa­men ruim 400 rial goed­ko­per. Het door hem be­haal­de voor­deel wil­de hij niet van mij aan­ne­men, maar ik liet het in zijn au­to val­len. Voor mij is dat een drup­pel op de gloei­en­de plaat, voor hem een half week­loon. Ik be­taal­de de markt­koop­man 1.600 rial, on­ge­veer 24 gul­den. Hij was erg te­vre­den.
De sarongs, koe­le kle­ding, draag ik al­leen op mijn ka­mer en ter­ras in het ho­tel. Niet daar­bui­ten. Ik ben geen Ḥa­ḍra­mī [in­wo­ner van de Ḥa­ḍra­maut], maar men heeft mij tot Moe­wal­lad ge­maakt. Dat is een Ḥa­ḍra­mī van oor­sprong (zijn roots lig­gen hier), maar die in den vreem­de ge­bo­ren is en die het Ara­bisch niet goed be­heerst. Daar zijn er hier heel veel van. Stu­den­ten uit Ma­lei­sië, Sin­ga­po­re en In­do­ne­sië, die hier gods­dienst stu­de­ren. Hun voor­va­de­ren wa­ren Ḥa­dā­rim [meer­voud van Ḥa­ḍra­mī]. Die stu­den­ten moe­ten hier eerst Ara­bisch le­ren.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Šoehra

Na lang zoe­ken vond ik de oor­zaak van de fout bij het sor­te­ren in de da­ta­ba­se. Ik moest er­voor zor­gen dat de sor­teer­volg­or­de­tel­lers op nul ge­zet wor­den als in het be­tref­fen­de veld de sor­teer­func­tie wordt uit­ge­scha­keld. Snap je? (??)
Ik voeg­de ook nog een ex­tra veld toe bij de au­teurs voor de šoeh­ra.*(2)

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Noten

*(1)
Postkantoor. Ik ver­meld het ner­gens in mijn dag­boek maar Tarīm heeft dit jaar een post­kan­toor. Ver­le­den jaar moest ik, om een fax te ver­stu­ren, naar Say’ūn rei­zen, of die aan ie­mand mee­ge­ven die in die plaats woon­de.

Te­rug.

*(2)
Šoehra. (ﺍﻟﺸﻬﺮﺓ) De šoehra is een on­der­deel van het com­ple­xe per­soons­na­men-sys­teem van de Ara­bische eigen­na­men. Zie voor een uit­leg daar­van Wi­ki­pe­dia. De term šoehra wordt in dit Wi­ki­pe­dia-ar­ti­kel niet ge­noemd, maar is dat deel van een naam van de per­soon waar­mee hij / zij al­ge­meen be­kend, of be­roemd is.
Een be­roem­de Tu­ne­sische zan­ge­res Ṣa­lī­ḥa (1914-1958 :ﺻﻠﻴﺤﺔ) kreeg een Tu­ne­sische / Al­ge­rijn­se na­volg­ster (1943-2005), die ook de naam Ṣalīḥa adop­teer­de, maar het pu­bliek noem­de haar Ṣa­lī­ḥa(t) al-ṣa­ġī­ra (ﺻﻠﻴﺤﺔ ﺍﻟﺻﻐﻴﺮﺓ): de klei­ne / de jon­ge Ṣa­lī­ḥa. Zij was dus be­kend met de ex­tra toe­voe­ging al-ṣa­ġī­ra, dat was haar šoeh­ra.
De Tunesische Ṣalīḥa Wikipedia (Frans). YouTube.
De Tunesische / Algerijnse Ṣalīḥa(t) al-ṣaġīra YouTube.

Te­rug.


MenuFo­toBe­ginEindeTrans­criptie.

Index

Index van ter­men:
Index van per­so­nen:
Index van lo­ca­ties:

Me­nuFo­toBe­ginHoofd­in­dex.

Trans­crip­tie van de klin­kers in Ara­bische woor­den.

A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.

Klik hier voor het over­zicht van de trans­crip­tie in Ara­bische woor­den.

Me­nuFo­toBe­ginHoofd­in­dex.


Jemen 1997
Jemen 1997 (be­knopt over­zicht).
Je­men 1997: de da­gen in chro­no­lo­gische volg­or­de.
Je­men 1997: al­le foto’s.


Jemen 1996
Jemen 1996 (be­knopt over­zicht).
Je­men 1996: de da­gen in chro­no­lo­gische volg­or­de.
Je­men 1996: al­le foto’s.


De au­teur de­zes kan niet ga­ran­de­ren dat al­le links naar ex­ter­ne web­si­tes (dus die van der­de par­tij­en) al­tijd zul­len blij­ven be­staan. Fo­to’s in Goog­le Maps, bij­voor­beeld, kun­nen ver­dwij­nen wan­neer de ei­ge­naar ze weg­haalt. Ook aan an­de­re links kan een ein­de ko­men, of kun­nen in on­ge­bruik ra­ken.
Wan­neer u een niet wer­ken­de link con­sta­teert kunt u dat mel­den in het re­ac­tie­veld. Bij voor­baat dank.

25 november 1997

Hotel

Het Gaṣr al-Goeb­ba-ho­tel te Ta­rīm. Mijn ‘re­si­den­tie’ in het voor­jaar van 1996 en ook dit jaar, 1997.

Het Tarīm-project 1997

1997 – 2017: twin­tig jaar ge­le­den

Tarīm: Hadramaut, Jemen

Dagboek 1997

(Dag 9432) Ik ben in de Ḥaḍramaut (Zuid-Je­men) in de plaats Tarīm. De ko­men­de we­ken zal ik daar lo­ge­ren in het Gaṣr al-Goeb­ba-ho­tel (Koe­pel­pa­leis-ho­tel) en er wer­ken in de al-Aḥgāf-bi­blio­theek voor hand­schrif­ten. – Ik heb veel con­tant geld bij me. Waar ik ver­le­den jaar, met een nog veel gro­ter be­drag aan baar geld, daar zor­ge­loos ver­bleef, ben ik van­daag ui­terst be­zorgd over mijn vei­lig­heid. – Mijn ver­slag, op mijn lap­top ge­schre­ven, be­vat meer (ach­ter­grond)­in­for­ma­tie dan mijn dag­boek­ver­slag. – De munt­een­heid in Je­men is de Rial (YER). (1 rial = f. 0,015 (an­der­hal­ve cent), dus 100 rial = f. 1,50.)

MenuFo­toIndex en het eindeTrans­criptie.

 
 

Dinsdag, 25 november 1997.
Tariem: 7/41.
Op 7.00 uur. Koffie. Douche.
Goed geslapen.
Ontbijt van het ho­tel.
Dagboek bij­wer­ken tot cir­ca 10.00 uur.
Temperatuur binnen / buiten: 31°C.
Met Abd al-Raḥmān [di­rec­teur van al-Aḥgāf-bi­blio­theek] be­sprak ik het te vol­gen pro­gram­ma. (Het spreekt me niet aan dat ik in­struc­tie in boek­bin­den moet ge­ven. Ge­luk­kig komt er iemand uit Ṣanaᶜā’ die van wan­ten weet en die Ara­bisch en En­gels spreekt.)
Ik werkte van cir­ca 10.00 tot cir­ca 23.00 uur in / aan de bi­blio­theek, slechts on­der­bro­ken door en­ke­le kor­te pau­zes. Ver­sla­gen ma­ken en een fax-be­richt voor­be­rei­den.
Ik at in het res­tau­rant van het ho­tel en werk­te door.
Bed circa 00.00 uur. On­ge­veer 20°C om 00.30 uur.
Ik voel me een stuk be­ter nu ik veel min­der geld heb, maar we­ten po­ten­tiële ban­die­ten dat wel?

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.


Computerverslag

De eerste drie we­ken van dit ver­blijf in Je­men hield ik op mijn lap­top­com­pu­ter ook een ver­slag bij, waar­in soms din­gen staan die niet in mijn dag­boek voor­komen.
Hier volgt een uit­trek­sel daar­van.

Ik sliep als een blok.
De begroeting in de Aḥgāf-bi­blio­theek is har­te­lijk. Het lukt me zo­waar om met Abd Allāh A. en­ke­le woor­den te wis­se­len, hoe­wel hij, als ik hem niet goed be­grijp, geen an­de­re woor­den gaat ge­brui­ken, maar har­der be­gint te pra­ten, als­of ik doof ben. Husayn al-K. is ook blij met mijn be­zoek. Ik heb het ge­voel niet weg te zijn ge­weest, hoe­wel er bij­na an­der­half jaar zit tus­sen bei­de ke­ren dat ik hier was. (Thuis, in Ne­der­land, had ik al vaak het ge­voel als­of ik door de deur uit te stap­pen en een hoek­je om te lo­pen, al weer bui­ten het Gaṣr al-Goeb­ba-hotel stond en de stof­fi­ge weg, met links en rechts de le­men mu­ren, naar de Aḥgāf-bi­blio­theek voor mij lag).

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Huwelijksgeluk?

Ik vroeg Abd al-Raḥ­mān naar de ge­zond­heid van zijn vrouw. (Veel man­nen re­a­ge­ren on­ge­mak­ke­lijk en lache­rig als je naar (de ge­zond­heid van) hun echt­ge­no­te in­for­meert. Het is hier not done om over de echt­ge­no­te te spre­ken. Daar trek ik me niets van aan. Ook zij heeft recht op mijn be­lang­stel­ling, vind ik. Abd al-Raḥ­mān, die al in Ne­der­land is ge­weest, weet waar­schijn­lijk be­ter en re­a­geert nor­maal.)
Gis­te­ren zei hij dat hij mij niet naar Tarīm kon be­ge­lei­den om­dat hij in de keu­ken nog van­al­les moest doen. Ik ver­on­der­stel­de toen, ten on­rech­te, dat hij zijn vrouw hielp met het huis­hou­den. Hij zei dat Je­me­ni­tische vrou­wen de ei­gen­aar­dig­heid heb­ben dat als ze ziek zijn er de voor­keur aan ge­ven te­rug te ke­ren naar het huis van hun va­der. Ook zijn kin­de­ren wa­ren met de moe­der mee­ge­gaan, maar kwa­men af en toe nog op be­zoek. Voor­al zijn zoon Has­san trok erg naar hem, maar zijn doch­ter Mir­iam bleef lie­ver bij de moe­der. Wie zor­gde dan nu voor Abd al-Raḥ­mān? De vrouw van zijn broer, die zelf al ja­ren in Ca­na­da woont en daar een be­staan pro­beert op te bou­wen. Zijn vrouw zou hij dan la­ter over la­ten ko­men.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Geld

Na enig zoe­ken vind ik een ver­trouwd ie­mand die be­reid is het groot­ste deel van het geld­be­drag te­gen on­der­te­ke­ning van een ont­vangst­be­wijs over te ne­men en op te ber­gen in een kluis.
Ik voel me met­een een stuk vei­li­ger, maar is dat wel te­recht? (De per­soon in kwes­tie, niet meer, ver­tel­de hij me la­ter). Eventuele ban­die­ten we­ten niet dat ik het geld niet meer heb. Ik kan moei­lijk een groot span­doek op het ho­tel han­gen met de me­de­de­ling dat Mis­ter Ha­nis (zo­als ik hier heet) geen geld meer heeft en dat hij, als hij wil wis­se­len eerst ie­mand an­ders moet ver­zoe­ken hem een be­drag te ver­strek­ken.
Er zijn in dit dorp toch een he­le­boel men­sen die we­ten dat ik ver­le­den jaar veel geld bij mij had. Niet in de laat­ste plaats de geld­wis­se­laars, die soms twee keer per week gro­te be­dra­gen van mij ont­vin­gen. Ook an­de­ren heb­ben mij zien lo­pen met de enor­me pak­ken Je­me­ni­tische rials in gro­te door­zich­ti­ge plas­tic zak­ken. (Toen 125 rial voor 1 dol­lar, het groot­ste bil­jet was toen 200 rial. Nu 500 rial.) De men­sen die het geld ont­vin­gen wis­ten dat ik over veel geld moest be­schik­ken. Hun per­so­neel, die ar­me sloe­bers, ook, want die ston­den er vaak met de neus bo­ven­op als ik hun pa­troons be­taal­de. Ik was ook ruim met de fooi­en. Ik heb me er nooit zor­gen over ge­maakt, ik ver­trouw­de hier zelfs de dui­vel en die heeft mij dan ook nooit be­dro­gen. Drie maan­den was ik hier, dat doe je niet met een paar hon­derd gul­den.
Allen zul­len ver­on­der­stel­len dat er weer veel geld is, nu ik hier voor de twee­de keer ben.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Zon

Temperatuur bin­nen: 27,1°C, bui­ten: 22,1°C. Over­dag was het lang niet zo heet als ver­le­den voor­jaar, maar toch nog al­tijd zo’n 32°C. Mis­schien was het ver­le­den jaar wel veel war­mer dan de door mij ver­on­der­stel­de 40°C.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Fax naar Nederland

Abd al-Raḥ­mān en ik be­spra­ken van­daag de streef­doe­len van deze fa­se, zo­als vast­ge­legd in mijn do­cu­ment ‘Doel­stel­ling van de twee­de fase.’
Er komt bin­nen an­der­hal­ve week, op kos­ten van het pro­ject, een er­va­ren boek­bin­der uit Ṣanaᶜā’ die zo­wel En­gels en Ara­bisch spreekt en die sa­men met mij de in­struc­tie van het bin­den van boe­ken vol­gens wes­ter­se stan­daard zal uit­voe­ren.
Totdat die man hier is zal ik, samen met Ḥusayn al-Ḥ., het ge­bruik van de da­ta­ba­se aan het per­so­neel uit­leg­gen en in de prak­tijk brengen. Voor [col­le­ga] Taw­fīq geldt dan dat hij moet uit­leg­gen hoe de ca­me­ra’s wer­ken en hoe men op ver­ant­woor­de wij­ze goe­de fo­to’s kan ma­ken. Daar­na zul­len we wer­ken aan het ca­ta­lo­gi­se­ren van de hand­schrif­ten. Door in­ten­sief on­der­zoek van al­le hand­schrif­ten zijn er sinds mijn ver­trek, ver­le­den jaar, een enorm aan­tal teks­ten ge­von­den die nu niet in de fih­rist [ca­ta­lo­gus] voor­ko­men. Die zal ik pro­be­ren al­le­maal aan de da­ta­ba­se toe te voe­gen.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Fax: microfilms

De com­pu­ters doen het nog al­le­maal. De nieu­we com­pu­ter (die ik 1996 in Ṣanaᶜā’ kocht) wordt in­ten­sief ge­bruikt door Husayn al-H. die een op­lei­ding in mo­der­ne tech­no­lo­gie­ën in Kiev, Oe­kra­ïne, ge­no­ten heeft. Hij heeft be­hoef­te aan een krach­ti­ge­re word­pro­ces­sor. Ik zal op 26 no­vem­ber Win­dows 95 en Word 97 op de nieu­we com­pu­ter in­stal­le­ren. Spoe­dig zul­len we het ge­heu­gen van die com­pu­ter ook moe­ten uit­brei­den. (Zie hier be­ne­den).
Abd al-Raḥ­mān en het per­so­neel ach­ten het ge­bo­den al­ter­na­tief voor mi­cro­films*, na­me­lijk ge­wo­ne ca­me­ra’s en ge­wo­ne klein­beeld­films, on­werk­baar. Als ie­mand een ko­pie wil heb­ben van een beet­je hand­schrift zijn er een en­orm aan­tal films no­dig, om­dat ie­dere film maar 36 pa­gi­na’s kan be­vat­ten. Daar­naast is het, na du­re ont­wik­ke­ling, niet goed mo­ge­lijk om te be­pa­len of de fo­to’s scherp zijn of niet. Het la­ten af­druk­ken van de fo­to’s kan de bi­blio­theek niet be­ta­len. Er is geen mo­ge­lijk­heid om de ne­ga­tie­ven te con­tro­le­ren of te pro­jec­te­ren.
Onlangs kwam een Tarīmī in de bi­blio­theek met een di­gi­ta­le ca­me­ra en hij maak­te zon­der veel poes­pas een mooie ko­pie van een fo­to op de la­ser­prin­ter. Een di­gi­ta­le ca­me­ra is via re­la­ties in Du­bai ge­mak­ke­lijk aan te schaf­fen. We over­we­gen dat nu te doen. Di­gi­ta­li­se­ren van de col­lec­tie ligt nu bin­nen hand­be­reik. Daar is ook de Ne­der­land­se am­bas­sa­deur in Ṣanaᶜā’ een voor­stan­der van. Een ca­me­ra is te pre­fe­ren bo­ven een flat­bed scan­ner we­gens de breek­ba­re rug­gen van de hand­schrif­ten. Voor ge­brek aan ade­quate ken­nis hoe­ven we niet bang te zijn. In Tarīm zijn een he­le­boel men­sen die het laat­ste jaar een com­pu­ter heb­ben aan­ge­schaft en er zijn er veel die over vol­doen­de ken­nis be­schik­ken van soft- en hard­ware.
Het probleem is dat het werk­ge­heugen van de com­pu­ter en het vrije ge­heu­gen op de har­de schijf te ge­ring is. We over­we­gen nu het werk­ge­heu­gen uit te brei­den tot 16 of 24 MB. Er is geen an­de­re op­los­sing voor het ge­heu­gen­pro­bleem van de har­de schijf dan de aan­schaf van een CD-ROM-le­zer en schrij­ver. Naar de prij­zen van de­ze spul­len zal in Du­bai ge­ïn­for­meerd wor­den.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Fax: mannen!

We zul­len een ge­luids­ar­me ge­ne­ra­tor van 3 KW aan­schaf­fen, in over­leg met de mos­kee.
Er wordt nu een nieu­we in­gang ge­maakt voor de bi­blio­theek. Het mos­kee­be­stuur pro­tes­teer­de te­gen de ve­le ‘schaam­te­loos‘ ge­kle­de toe­ris­tes, die hun klim naar de bi­blio­theek moe­ten ma­ken van­af de deur naar de mos­kee. De man­nen ra­ken er te op­ge­won­den van. Een ge­deel­te van de kos­ten komt tij­de­lijk voor re­ke­ning van het pro­ject, om­dat de met­se­laar al be­zig is, maar de re­ge­ring nog niet over de brug is ge­ko­men. Dat zal nog eni­ge tijd du­ren.
De kosten voor de ruim­te voor de ge­wa­pen­de nacht­waker komt voor re­ke­ning van het pro­ject. Abd al-Raḥ­mān wil de nacht­wa­ker niet in de bi­blio­theek heb­ben om­dat die man niet zal stop­pen met ro­ken en er ook niet van zal af­zien eten en drin­ken in de bi­blio­theek te ge­brui­ken. Goe­de nacht­wa­kers lig­gen niet voor het op­ra­pen en men moet ge­noe­gen ne­men met het exem­plaar dat men nu al aan­ge­no­men heeft. [Tot zo­ver een ge­deel­te uit mijn fax-be­richt naar Ne­der­land.]

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Noten

*
Microfilms. Het ver­vaar­di­gen van mi­cro­films is voor­al een wens uit de hoek van de bi­blio­theek­part­ners in Ne­der­land. Er is in Tarīm geen goe­de wer­kom­stan­dig­heid om iets der­ge­lijks te ver­we­zen­lijken, blijkt uit de tekst hier­bo­ven. Ove­ri­gens is al 70% van de hand­schrif­ten (ma­nus­crip­ten) ge-mi­cro­filmd. Zie 3 mei 1996.

Te­rug.


MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Meer informatie.

GM.: Google Maps. – Wi.: Wi­ki­pe­dia. – Web.: website. – F.: foto’s in Google Maps.
Dubai:
GM., Wi.
:ﺩﺑﻲ

MenuFo­toBe­ginEindeTrans­criptie.

Index

Index van ter­men:
Index van per­so­nen:
Index van lo­ca­ties:

Me­nuFo­toBe­ginHoofd­in­dex.

Trans­crip­tie van de klin­kers in Ara­bische woor­den.

A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.

Klik hier voor het over­zicht van de trans­crip­tie in Ara­bische woor­den.

Me­nuFo­toBe­ginHoofd­in­dex.


Jemen 1997
Jemen 1997 (be­knopt over­zicht).
Je­men 1997: de da­gen in chro­no­lo­gische volg­or­de.
Je­men 1997: al­le foto’s.


Jemen 1996
Jemen 1996 (be­knopt over­zicht).
Je­men 1996: de da­gen in chro­no­lo­gische volg­or­de.
Je­men 1996: al­le foto’s.


De au­teur de­zes kan niet ga­ran­de­ren dat al­le links naar ex­ter­ne web­si­tes (dus die van der­de par­tij­en) al­tijd zul­len blij­ven be­staan. Fo­to’s in Goog­le Maps, bij­voor­beeld, kun­nen ver­dwij­nen wan­neer de ei­ge­naar ze weg­haalt. Ook aan an­de­re links kan een ein­de ko­men, of kun­nen in on­ge­bruik ra­ken.
Wan­neer u een niet wer­ken­de link con­sta­teert kunt u dat mel­den in het re­ac­tie­veld. Bij voor­baat dank.

24 november 1997

Drainagepatroon

Dit is een fo­to die ik van­uit het vlieg­tuig nam van­uit Ṣanaᶜā’ op weg naar de lucht­ha­ven van Say’ūn. Te zien is het den­dri­tisch drai­na­ge­pa­troon*(1) van het land­schap van de zo­ge­noem­de Yool.*(2) De Yool is de bo­ven­kant van de heu­vels die zo ken­mer­kend zijn voor de Ḥa­ḍra­maut.

Het Tarīm-project 1997

1997 – 2017: twin­tig jaar ge­le­den

Tarīm: Hadramaut, Jemen

Dagboek 1997

(Dag 9431) Ik ben in Sana’a, de hoofd­stad van Je­men en ik lo­geer in het Gas­mi-ho­tel. – In Lei­den, mijn woon­plaats, in het uit­gaans­cir­cuit zag ik een paar keer een mooie jon­ge vrouw, wier naam ik niet weet en daar­om ‘Enne­fea’ heb ge­noemd. Ik denk de­ze nacht een tijd­je aan haar. – Van­daag ga ik per vlieg­tuig naar Say’ūn in de Ḥaḍramaut (Zuid-Je­men) en van­daar naar mijn be­stem­ming Tarīm. De ko­men­de we­ken zal ik daar lo­ge­ren in het Gaṣr al-Goeb­ba-ho­tel (Koe­pel­pa­leis-ho­tel) en er wer­ken in de al-Aḥgāf-bi­blio­theek voor hand­schrif­ten. – Ik heb veel con­tant geld bij me. Waar ik ver­le­den jaar, met een nog veel gro­ter be­drag aan baar geld, daar zor­ge­loos ver­bleef, ben ik van­daag ui­terst be­zorgd over mijn vei­lig­heid. – Mijn ver­slag, op mijn lap­top ge­schre­ven, be­vat meer (ach­ter­grond)­in­for­ma­tie dan mijn dag­boek­ver­slag. – De munt­een­heid in Je­men is de Rial (YER). (1 rial = f. 0,015 (an­der­hal­ve cent), dus 100 rial = f. 1,50.)

MenuFo­toIndex en het eindeTrans­criptie.

 
 
 
 

Maandag, 24 november 1997.
Sana’a – Say’oen – Tariem: 6/42.
Ik sliep weer slecht. Ik fan­ta­seer­de weer over Enne­fea.
Op 5.45 uur. Met de grootste moeite sleep­te ik mijn zwa­re nieuwe kof­fer met com­pu­ter­boe­ken en UPS (voor de span­nings­ver­zor­ging van een com­pu­ter, na uit­val van het net) van de vijf­de ver­die­ping naar be­ne­den.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Taxi

De taxichauf­feur komt met zijn ve­hi­kel*(3) om 7.00 uur.
Ik betaalde 15 US$ aan Ǧasm, de Ira­kees van het ho­tel, waar­van de ta­xi­chauf­feur 10 US$ krijgt.
Eerst haalt hij op het plein ach­ter / bin­nen de Baab al-Ye­men kof­fie (boenn) in een con­ser­ven­pot­je. (Hij spreekt al­leen maar Ara­bisch.)
Naast taxichauffeur is hij ook ‘kun­ste­naar’. Hij maakt prul­la­ria, zoals hij mij laat zien. Hij ver­telt on­ge­huwd te zijn, want een vrouw kost 400.000 rial. (3.000 US$ = 6.000 gul­den.) Een nicht [als vrouw] is niet goed, zegt hij. Ik ver­geet te vra­gen waar­om een nicht niet deugt.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Say’ūn

Het passeren van de security van de lucht­haven is een fluit­je van een cent, in te­gen­stel­ling met an­dere ke­ren, toen het erg ar­beids­in­ten­sief was.
Ik moet 67 US$ over­ge­wicht be­ta­len voor de 20 kg. (In Am­ster­dam 420 US$ voor 15 kg!)
In de wacht­hal zit een sexy / knap­pe jon­ge­man. Ik meen hem er­gens van te ken­nen. Hij ziet er goed ver­zorgd uit.
We vliegen in vijf­tig mi­nu­ten naar Say’ūn. Ik zit naast / tus­sen dok­ters uit de El­zas, die naar al-Mu­kal­la moe­ten voor een klein me­disch con­gres.
Voordat we ver­trek­ken zie ik dat al­leen mijn kof­fers nog op de grond staan. Ik spreek de pur­ser er­over aan en hij stuurt iemand die mij vraagt mee naar bui­ten te ko­men. Dan wor­den mijn kof­fers in­ge­la­den. Ik vroeg of ik voor die diens­ten moest be­ta­len, maar die wees dat af. Toch stop­te de bus, die ons als pas­sa­giers naar het vlieg­tuig had ge­bracht bij de la­ders en niet aan de an­de­re zij­de, bij de trap naar het vlieg­tuig. Er bleek naast mijn kof­fer ook nog een aan­tal rug­zak­ken te lig­gen, waar­van de ei­ge­naar on­be­kend was. (Als­of de la­ders de ei­ge­naar moe­ten ken­nen.) Uit­ein­de­lijk kwam al­les in Say’ūn aan.
Ik maakte een tien­tal dia’s van de Djool [Yool] van bo­ven. Op som­mi­ge plaat­sen leek het zand zo dicht­bij dat het net was als­of je zou kun­nen uit­stap­pen en een stuk­je mee­lopen.
In Say’ūn duur­de het even voor­dat ik mijn ba­ga­ge ont­ving. On­der­tus­sen was Abd al-Raḥ­mān al bin­nen­ge­ko­men. De ont­vangst was vrien­de­lijk en aar­dig. Hij was niet ver­an­derd.
Later stond ook Ḥaimid B. naast me. Hij had op het ter­ras ge­staan en had me zien lo­pen. Ik was als laat­ste uit­ge­stapt.
Abd al-Raḥ­mān had hem deze och­tend ge­pro­beerd te be­rei­ken, maar hij was niet thuis. Nu maak ik ge­bruik van de diens­ten van een an­de­re chauf­feur: Aḥmad MB. Die na veel vij­ven en zes­sen ’s avonds uit­ein­de­lijk 4.000 rial voor zijn diens­ten durft te vra­gen.
Ik had hem via Abd al-Raḥ­mān ge­zegd dat hij het be­drag moest noe­men als ik hem zou vra­gen hoe hoog de kos­ten zijn en dat hij niet moest zeg­gen: “Jij weet wel wat mijn diens­ten waard zijn.” (Ik weet het niet.)

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Abd al-Raḥ­mān

Ik bleef een tijdje op het kantoor van Abd al-Raḥ­mān [Mu­seum Say’ūn] en pro­beer­de hem de da­ta­base uit te leg­gen.
Om met mij te kletsen stuur­de hij iemand die al­leen maar Ara­bisch sprak. Goed van hem, snel leer­de ik bij wat ik ver­ge­ten was. (Of dat al­le­maal gram­ma­ti­caal cor­rect was, weet ik niet.)
Toen we [in het ge­sprek] bij echt­ge­no­tes uit­kwa­men vroeg ik hem naar zijn kin­de­ren. Hij had er drie, twee meis­jes en een jon­gen. De oud­ste, een meis­je, heet Fayrūz.
Hij hield van de vrouwen van Ṣanaᶜā’.
Ik vroeg hem of hij van zijn vrouw hield en zij van hem. Hij ant­woord­de niet recht­streeks, maar zei dat het nu, na ze­ven jaar hu­we­lijk, wel ging tus­sen hen bei­den.
Abd al-Raḥ­mān en een hulp­je moeten het slot van een ruim­te open­bre­ken om bij mijn kist met ‘na­ge­la­ten’ spul­len (uit 1996) te ko­men. De sleu­tel [van de ruim­te] is bij Mu­ḥam­mad al-H. en die is in al-Šiḥr [al-Shihr], een paar hon­derd ki­lo­me­ter van hier.
Daarna gaan we naar het huis van Abd al-Raḥ­mān, waar ook Ḥus­sain al-A. is, de re­cep­ti­o­nist van het Gaṣr al-Goeb­ba-ho­tel. [in Tarīm: 1996.] Ik zag hem he­den­och­tend ook al op de lucht­ha­ven. Hij woont en werkt nu bij het Sa­la­ma-ho­tel in Say’ūn, waar hij het­zelf­de ver­dient, maar om­dat het ho­tel van de staat is, heeft hij meer rech­ten dan in het in pri­vé­be­zit zijn­de Gaṣr al-Goeb­ba. Bo­ven­dien heeft hij nu recht op pen­sioen.
Ook hij spreekt al­leen maar Ara­bisch.
Ik maak op dat hij nu een vier maan­den ou­de ba­by heeft, zijn der­de kind. Zijn vrouw is nog steeds on­der­wij­ze­res, maar leert nu zelf ook nog voor een di­plo­ma. (Hoe en wat, weet ik niet.)
In de afgelopen tijd over­leed zijn va­der, die ik eens in zijn huis ont­moet­te. Ḥus­sain doet er niet moei­lijk over: het was zijn tijd.
Evenals verleden jaar is het eten bij Abd al-Raḥ­mān niet lek­ker (bij Ḥus­sain thuis wel), de vrouw van Abd al-Raḥ­mān kan er nog steeds niets van, van ko­ken. (Op dins­dag hoor ik dat zijn vrouw (tij­de­lijk) niet meer bij hem woont en dat nu de vrouw van zijn broer, die in Ca­na­da woont, voor hem zorgt.)

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Tarīm

Aḥmad MB. brengt me voor 4.000 rial naar Tarīm. In het ho­tel word ik al­ler­har­te­lijkst ont­van­gen, want er zijn, hoe­wel veel nieuw per­so­neel, toch nog en­ke­le ou­de be­ken­den.
Het hotel is helemaal op­ge­knapt. (En zal dus duur­der zijn, maar ik weet niet hoe­veel mijn ka­mer kost, nog niet eens op 26-11-97.) Het is ge­schil­derd. Nieu­we bed­den en gor­dij­nen, nieuwe vloer­be­dek­king, mooi, nieuw man­ne­lijk per­so­neel, al­le­maal on­ge­veer het­zelf­de ge­kleed. Ver­le­den jaar liep ieder­een er­bij zo­als hij wil­de, on­ge­was­sen en in sme­ri­ge kle­ren, waar­in men ook sliep. Nu zijn er een paar scho­ne en sexy jon­gens, met wie ik wel eens zou wil­len ‘spe­len’, on­danks mijn ver­liefd­heid op Enne­fea.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Gevaar?

’s Avonds her­in­ner­de ik me de be­rich­ten die ik van col­le­ga’s van Abd al-Raḥ­mān hoor­de. Men­sen wor­den op klaar­lich­te dag op straat (in de ste­den) over­val­len en ge­dwon­gen hun geld af te geven, aan ge­wa­pen­de ban­die­ten, die ook al iemand dood­scho­ten. Op last van Abd al-Raḥ­mān is het Mu­seum [Say’ūn] ge­slo­ten, om­dat de meest waar­de­vol­le stuk­ken op on­ver­klaar­ba­re wij­ze ge­sto­len wer­den.
Abd al-Raḥ­mān ver­stop­te de waar­de­vol­le ma­nu­scrip­ten [hand­schrif­ten] van de al-Aḥgāf-bi­blio­theek tussen de an­de­re. Hij toont al­leen fo­to’s. Hij vreest dat ge­wa­pen­de sol­da­ten de bi­blio­theek ge­wa­pen­der­hand van die stuk­ken zal ont­doen om ze voor veel geld te ver­kopen.
De bibliotheek krijgt een be­wa­ker, een on­ge­wa­pen­de. (Maar in mijn ver­slag en fax naar Ne­der­land op 26 no­vem­ber schreef ik be­wust: een ge­wa­pen­de be­wa­ker om de dra­ma­tische van het ge­heel te ver­ho­gen en de ernst van de si­tua­tie hier te be­na­druk­ken.) Wat moet een on­ge­wa­pen­de be­wa­ker tegen be­wa­pen­de sol­da­ten? (Wat moet een be­wa­pen­de be­wa­ker te­gen sol­da­ten?)
Met een nog veel gro­ter geld­be­drag sliep ik hier ver­le­den jaar 89 van de 90 nach­ten zonder angst. (Slechts een­maal, toen Ḥus­sain al-A. zei dat ik hier al ze­ven maan­den was, kregen Ali Baba’s (noor­der­lin­gen) be­lang­stel­ling voor mijn geld.) Ik sliep de laat­ste we­ken zon­der angst bui­ten.
Nu bekruipt me gro­te angst en ik wil van het geld af. Ik sluit me op in mijn ka­mer, als­of me dat zou hel­pen, ach­ter deze bord­kar­ton­nen deu­ren, die niet of nau­we­lijks ge­sloten kun­nen wor­den.
Op mijn kamer is het 28°C. Ik scha­kel de air­co niet aan, want die maakt zo­veel la­waai dat ik daar niet van sla­pen kan.
Bed 00.30 uur.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.


Computerverslag

De eerste drie we­ken van dit ver­blijf in Je­men hield ik op mijn lap­top­com­pu­ter ook een ver­slag bij, waar­in soms din­gen staan die niet in mijn dag­boek voor­komen.
Hier volgt een uit­trek­sel daar­van.

Steekpenningen?

Toen ik al lang en breed aan boord zat [vlieg­tuig] zag ik dat al­le ba­ga­ge in­ge­la­den was be­hal­ve die van mij. Om­dat ik me her­in­ner­de de Abd ar-Raḥ­mān ver­le­den jaar steek­pen­nin­gen / fooi be­taal­de aan de la­ders, vroeg ik aan de pur­ser of dat nu ook van mij ver­langd werd. Ik werd naar bui­ten ge­leid en moest mijn ba­ga­ge aan­wij­zen (er ble­ken nog en­ke­le rug­zak­ken te lig­gen). Al­les werd net­jes in­ge­la­den. De purser en an­der per­so­neel ont­ken­den dat ik moest ‘schui­ven’ dus deed ik het ook niet. (Maar dat iets der­ge­lijks toch de be­doe­ling was bleek uit het feit dat de bus die de pas­sa­giers van de ter­mi­nal naar het vlieg­tuig bracht niet bij de vlieg­tuig­trap stop­te maar naar de an­de­re kant van de ma­chi­ne reed waar de la­ders ston­den te wach­ten op de be­ta­len­de pas­sa­giers. Ik be­dacht toen al dat Nico en ik ver­le­den keer daar he­le­maal niet bij stil­ge­staan had­den en on­ze ba­ga­ge toch aan­ge­ko­men was). Uit­ein­de­lijk kwam al­le ba­ga­ge, ook de los­lig­gen­de rug­zak­ken, in Say’ūn aan.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Layla Alwi

Vijftig minuten deed de Boeing 737 er­over om van Ṣanaᶜā’ naar Say’ūn te vlie­gen. Ik maak­te een tien­tal dia’s van het land­schap on­der mij, voor­na­me­lijk van de Yool en de om­ge­ving van Say’ūn. Op som­mi­ge plaat­sen leek het zand zo dicht­bij dat ik dacht dat ik kon uit­stap­pen en een stuk­je erin lo­pen. Het was alsof je in de be­ne­den­ver­die­ping van een dub­bel­deks­trein zat.
In Say’ūn duur­de het even voor­dat ik de ba­ga­ge had. On­der­tus­sen was Abd al-Raḥ­mān, de di­rec­teur van de al-Aḥgāf-bi­blio­theek in Tarīm, al bin­nen­ge­komen. Hij was niet ver­an­derd, niet in ui­ter­lijk en niet in ge­drag. Nog al­tijd even vrien­de­lijk en aar­dig.
Evenals in Ne­der­land maak­te men ook hier veel op­mer­kin­gen over mijn ge­mil­li­me­ter­de haar. Dat is hier dus ken­ne­lijk even on­ge­woon als in Ne­der­land.
Even later stond ook Ḥaimid B. naast me. Hij had bo­ven op het ter­ras ge­staan en had me uit het vlieg­tuig zien ko­men, zo ver­tel­de hij te­gen Abd al-Raḥ­mān. Ik stond er­bij en luis­ter­de er­naar. Ik was als laat­ste uit het vlieg­tuig ge­ko­men en het was dus niet moei­lijk voor hem om mij waar te nemen.
Abd al-Raḥ­mān had hem de­ze och­tend ge­pro­beerd te be­rei­ken, maar hij was niet thuis. Nu was er een an­de­re chauf­feur: Aḥmad MB. Wat mij be­treft ga ik de­ze fa­se [van het pro­ject] in zee met deze Aḥmad. Hij be­schikt niet al­leen over een veel be­te­re au­to, een Land­cruiser (maar geen Layla Alwi*(4), om­dat dat een nieu­wer en ster­ker mo­del is), maar is ook veel rus­ti­ger en rijdt erg be­dacht­zaam, want hij wil zijn du­re au­to na­tuur­lijk niet in de prak rij­den. Ik kan hem ech­ter niet al­tijd ver­staan, niet­te­min doet hij zijn best om zich ver­staan­baar te ma­ken.
Ik beschouwde Ḥaimid B. toch al als een klein pro­bleem. Hij eis­te voor een taxi­rit van Say’ūn naar Tarīm 1.500 rial, ter­wijl het nor­ma­le ta­rief 800 rial is. Ik vroeg mij af hoe ik ver­lost kon wor­den van de­ze Ḥaimid. Dat is dus nu op­ge­lost. Hij had het na­kij­ken en keek dan ook te­leur­ge­steld.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Huwelijksgeluk

Abd al-Raḥ­mān stuur­de Sālim naar mij toe die al­leen maar Ara­bisch spreekt, om met mij te klet­sen. Wat goed van hem. Snel leer­de ik weer veel woor­den die ik ver­ge­ten was. Toen de man de vrou­wen van Ṣanaᶜā’ prees, vroeg ik hem ex­pli­ciet of hij van zijn vrouw hield en zij van hem. Hij deed een beet­je moei­lijk daar­over, maar ze wa­ren nu ze­ven jaar bij el­kaar en ze be­gon­nen wel aan el­kaar te wen­nen. Daar be­taal je dan als man een bij­na niet op te bren­gen be­drag voor, om na ze­ven jaar tot de con­clu­sie te ko­men dat je in­mid­dels wel aan el­kaar be­gint te wen­nen.
Maar het kan ook an­ders. Sālim T., die als re­cep­ti­o­nist bij het Gaṣr al-Goeb­ba-ho­tel in Tarīm werkt, ver­tel­de me de vo­ri­ge keer (1996) dat hij mis­schien bij een olie­maat­schap­pij een baan­tje zou kun­nen krij­gen. Daar werd veel be­taald. Hij re­ken­de zich bin­nen vijf jaar mil­jo­nair (in Je­me­ni rials). Toen ik hem daar­op zei dat hij dan ge­noeg geld had om een twee­de vrouw te ne­men, riep hij ver­ont­waar­digd: “Ik wil geen twee­de vrouw, ik hou van mijn vrouw!” Hij had haar op school ont­moet, want hij is le­raar En­gels. (Het baan­tje bij de olie­maat­schap­pij is niet door­ge­gaan, ver­telt hij me des­ge­vraagd en­ke­le da­gen la­ter. Daar­voor had hij een krui­wa­gen no­dig. Die had hij niet).
De Sālim van van­och­tend had drie kin­de­ren bij de vrouw waar hij niet van hield, twee meis­jes en een jon­gen. Het oud­ste kind, een meis­je heet Fay­rūz, naar die Libanese zangeres*(5), die hij zeer bewonderde.
Ook hier [Tarīm] zijn de vrou­wen duur, maar niet zo duur als in Ṣanaᶜā’, bleek mij.
Een jongeman, Abd Allāh, die in Bul­ga­rije ar­chi­tec­tuur ge­stu­deerd had wist het klap­pen van de zweep in Eu­ro­pa, nie­te­min kon hij voor­lo­pig nog niet trou­wen om­dat hij nog geen geld ge­noeg had om de mahr, de bruidsprijs, te betalen voor een vrouw van de ‘Alawī, zijn familieclan, waartoe ook Abd al-Raḥ­mān blijkt te be­ho­ren. Sāda [Say­yid’s]*(6) dus.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Gaṣr al-Goebba

Rond kwart over vier brengt de be­dacht­zaam rij­dende Aḥmad MB. mij naar Tarīm. Ik voel het als een soort thuis­komst.
De ont­vangst in het ho­tel is al­ler­har­te­lijkst, hoe­wel er veel nieuwe men­sen wer­ken, maar die zijn ook al­le­maal vrien­de­lijk, zo­als al­le Ara­bieren. Sālim, de le­raar En­gels, is er nog en de bawwāb [poortwachter], wiens naam ik niet meer weet. De di­rec­teur is er nog … al-Kāff. Hij stelt mij voor aan de ei­ge­naar. Ook een al-Kāff. Van hem zie ik la­ter een fo­to in de gang han­gen, waar­op de­ze bij een thee­ses­sie op één na naast de pre­si­dent van Je­men zit.
Aan Abd al-Raḥ­mān had ik de op­dracht ge­ge­ven te­gen Aḥmad MB., de chauf­feur die mij naar Tarīm zou brengen, te zeg­gen dat als ik vraag: “kam?” [hoe­veel?] ik niet zo­iets ho­ren wil als: “Je weet wel wat mijn diens­ten waard zijn”. Dat weet ik niet. Ik wil het be­drag ho­ren dat hij van mij wil ont­van­gen. Ik ben Ne­der­lan­der en zo gaat dat bij ons. Dat heeft no­gal wat voe­ten in de aar­de, Aḥmad wordt er ver­le­gen van, maar uit­ein­de­lijk blijkt dat hij voor zijn diens­ten aan toe­ris­ten 5.000 rial vraagt. Hij vraagt nu 4.000 rial, want hij wil graag in de toe­komst ook aan mij zijn diens­ten aan­bie­den. Ik wil wel van zijn diens­ten ge­bruik ma­ken.
In het hotel pak ik de spul­len uit de hou­ten kist uit, die ik mee­nam uit Say’ūn. Er blij­ken nog ‘ver­ras­sin­gen’ in te zit­ten, zo­als thee­doe­ken, af­was­mid­del en ver­leng­snoe­ren. Er is ook nog een ech­te gas­lamp. Die ge­bruik­ten Nico en ik ver­le­den jaar, maar na­dat Nico ver­trok­ken was kocht ik een elek­tri­sche lamp met twee TL-bui­zen en een in­ge­bouw­de ac­cu. Die lamp doet het me­teen als ik hem aan­scha­kel. Na an­der­half jaar is de ac­cu nog niet leeg.
In het res­tau­rant van het ho­tel ge­bruik ik een ‘lich­te’ maal­tijd. Brood, ge­bak­ken ei en rau­we to­maat. Er zit­ten Ne­der­lan­ders op het ter­ras die uit een reis­gids Ara­bisch le­ren. Ik maak geen con­tact. Ik ben nog niet lang ge­noeg hier om weer eens Ne­der­lands te wil­len klet­sen. Ik wil nu wel Ara­bisch pra­ten, in te­gen­stel­ling met Ṣanaᶜā’, waar ik dat niet wilde.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Veiligheid

Ik moest den­ken aan de be­rich­ten die ik van­daag hoor­de over het geweld­da­di­ge kli­maat hier in de Ḥa­ḍra­maut. Over­val­len op ar­ge­lo­ze rei­zi­gers op klaar­lich­te dag, mid­den op straat in de ste­den, die ge­wa­pen­der­hand van al hun geld wor­den ont­daan. (Abd ar-Raḥmān ver­tel­de op dins­dag 25 no­vem­ber van een do­de­lijk slacht­of­fer van zulk een over­val.) Hoe gro­ter de stil­te rond het ho­tel, hoe on­vei­li­ger ik me voel­de. Van de ge­moe­de­lij­ke rust die ik hier ver­le­den jaar voel­de was niets meer over. Ik zit hier in een ho­tel met groot geld­be­drag in con­tan­ten in een kunst­stof­fen kof­fer, met een sim­pel num­mer­slot, in een ka­mer waar­van het slot niet naar be­ho­ren werkt. De twee ach­ter­deu­ren zijn voor­zien van twee sim­pe­le schuif­jes, als ver­gren­de­ling. Die ach­ter­deu­ren zelf zijn nog net niet van bord­kar­ton.
Het bedrag is groot ge­noeg om de di­rec­teur van de bi­blio­theek meer dan ne­gen en een half jaar maan­de­lijks van zijn re­gu­lie­re sa­la­ris te voor­zien. Een me­de­wer­ker van het ho­tel kan ik met dit be­drag zelfs bijna zes­en­twin­tig jaar zijn maan­de­lijk­se sa­la­ris uit­be­ta­len, voor­op­ge­steld dat ik geen ren­te ont­vang, hij geen loons­ver­ho­ging krijgt en de koers van de dol­lar op 132 rial blijft staan.
Verleden jaar sliep ik zor­ge­loos buiten, met een nog veel gro­ter be­drag (ne­gen­en­der­tig jaar sa­la­ris voor een ho­tel­me­de­wer­ker, vijf­tien jaar voor de di­rec­teur,) in mijn kof­fer in de­zelf­de ka­mer met het­zelf­de slech­te slot, zon­der me ook maar een mo­ment on­vei­lig te voe­len. Ik wil­de dit jaar weer bui­ten sla­pen, maar dat durf­de ik plot­se­ling niet meer. Ik sloot mij op (zo­ver daar spra­ke van kon zijn in dit kaar­ten­huis) in mijn ka­mer. De gor­dij­nen stijf dicht. Ik kroop snel onder de klam­boe, als ex­tra be­vei­li­ging, tegen de zwaar be­wa­pen­de mug­gen.
Buiten slapen zou geen suc­ces zijn ge­weest. De tem­pe­ra­tuur zak­te de­ze nacht tot 18°C, zo bleek dins­dag. Niet echt koud, maar toch ook niet erg aan­ge­naam. Maar ook niet erg aan­ge­naam was de tem­pe­ra­tuur in mijn ka­mer. On­ge­veer 28°C. De air­co ge­bruik ik niet want die maakt een hels ka­baal. Dan lig ik wak­ker van het la­waai.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Noten

*(1)
Een dend­ri­tisch drai­na­ge­pa­troon ont­staat wan­neer wa­ter­stro­men in de bo­dem min­der of meer die­pe geu­len uit­slij­ten: ero­sie. Daar waar die stroomp­jes sa­men­vloei­en ont­staan bre­de­re geu­len. Uit­ein­de­lijk zul­len veel in een ge­za­men­lij­ke bed­ding te­recht ko­men. De struc­tuur van al die stroom­pjes sa­men lijkt op de tak­ken van een boom of struik. Dat heet dan den­dri­tisch en dat woord stamt uit het Grieks. Wikipedia.

Te­rug.

*(2)
al-Yool. (ﺍﻟﺟﻮﻝ) De Yool is de naam van de bo­ven­kant van de heu­vels die over de he­le Ḥaḍ­ra­maut ver­spreidt lig­gen. Het pa­troon van de­ze bo­ven­kant is het hier­bo­ven be­spro­ken den­dri­tisch drai­na­ge­pa­troon.
Wan­neer het op de Yool re­gent ont­staat een dra­ma­tische si­tu­a­tie in de da­len, zo­als hier te zien is in Wā­dī Doe­ᶜan in een (schok­ke­ri­ge, maar vooral schok­ken­de ama­teur-) vi­deo op You­Tube. Dui­de­lijk is de ver­nie­ti­gen­de kracht van het wa­ter te zien en de scha­de die het aan­richt in dit dal van de Ḥaḍ­ra­maut. Er zijn hui­zen van golf­pla­ten die vol­le­dig on­der­ge­lo­pen zijn, maar in de­ze re­gio zijn heel veel hui­zen ge­bouwd van in de zon ge­bak­ken le­men ti­chels: (Mud brick). Die con­struc­ties kun­nen zo’n zwa­re re­gen­bui nau­we­lijks aan en veel hui­zen stor­ten er dan ook (ge­deel­te­lijk) in. Wat een dra­ma! Bo­ven­dien zijn die klei­ne dorps­ge­meen­schap­pen vaak op zich­zelf aan­ge­we­zen. Bu­ren­hulp is ont­zet­tend be­lang­rijk.

Te­rug.

*(3)
Taxi’s. Zie over de taxi’s in Je­men de be­tref­fen­de bij­dra­ge over dit ver­voer­mid­del, gis­te­ren, 23 no­vem­ber.

Te­rug.

*(4)
Layla Alwi. Laila Alwi, de naar dik­ke, zeer po­pu­lai­re, Egyp­tische ac­tri­ce ver­noem­de (door het volk, niet of­fi­ci­eel) four-wheel drive van elk Ja­pans merk.

Te­rug.

*(5)
Fayrūz / Fayroez (ﻓﻴﺮﻭﺯ). Fay­roez is niet al­leen in Li­ba­non, of in de Ara­bische we­reld be­kend. Zij treed op in al­le gro­te za­len in de we­reld. Wi­ki­pe­dia: Fay­ruz.

Te­rug.

*(6)
Sayyid (meerv., meer dan twee: sā­da). Een say­yid be­hoort tot de eli­te bin­nen een is­lami­tische ge­meen­schap, want is een recht­streek­se af­stam­me­ling van de pro­feet Mu­ham­mad, via zijn doch­ter Fa­ti­ma. Say­yids trou­wen al­leen on­der el­kaar. Zo ver­wa­tert de (ver­meen­de) bloed­ver­want­schap niet.

Te­rug.


MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Meer informatie.

GM.: Google Maps. – Wi.: Wi­ki­pe­dia. – Web.: website. – F.: foto’s in Google Maps.
Wādī Doeᶜan:
:ﻭﺍﺩﻱ ﺩﻭﻋﻦ
al-Mukallā:
GM., Wi.
:ﺍﻟﻤﻜﻠﺎ
al-Šiḥr:
GM., Wi.
:ﺍﻟﺸﺤﺮ

MenuFo­toBe­ginEindeTrans­criptie.

Index

Index van ter­men:
Index van per­so­nen:
Index van lo­ca­ties:

Me­nuFo­toBe­ginHoofd­in­dex.

Trans­crip­tie van de klin­kers in Ara­bische woor­den.

A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.

Klik hier voor het over­zicht van de trans­crip­tie in Ara­bische woor­den.

Me­nuFo­toBe­ginHoofd­in­dex.


Jemen 1997
Jemen 1997 (be­knopt over­zicht).
Je­men 1997: de da­gen in chro­no­lo­gische volg­or­de.
Je­men 1997: al­le foto’s.


Jemen 1996
Jemen 1996 (be­knopt over­zicht).
Je­men 1996: de da­gen in chro­no­lo­gische volg­or­de.
Je­men 1996: al­le foto’s.


De au­teur de­zes kan niet ga­ran­de­ren dat al­le links naar ex­ter­ne web­si­tes (dus die van der­de par­tij­en) al­tijd zul­len blij­ven be­staan. Fo­to’s in Goog­le Maps, bij­voor­beeld, kun­nen ver­dwij­nen wan­neer de ei­ge­naar ze weg­haalt. Ook aan an­de­re links kan een ein­de ko­men, of kun­nen in on­ge­bruik ra­ken.
Wan­neer u een niet wer­ken­de link con­sta­teert kunt u dat mel­den in het re­ac­tie­veld. Bij voor­baat dank.

Jemen, 11 juni 1996

Gasr al-goebba-hotel.
Abd al-Rahmaan A. (l) en ondergetekende op 10 juni 1996 op de trappen van het Gasr al-goebba-hotel in Tariem.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 11 juni 1996 (dinsdag).

Naar het einde of de index.

Tariem – Say’oen.
Om 01.00 uur stopt de airco. Dit komt omdat de netspanning uitvalt.
Om 01.30 gaat de ventilator weer draaien, de airco start niet meer. Dat wil zeggen dat de generator van het hotel gestart wordt. Om 6.00 wordt deze ook gestopt en zal er tot zonsondergang geen elektriciteit meer zijn.
De hele nacht was het zwaar bewolkt en dus benauwd. Er viel geen regen.
Ik sta om 5.00 uur op en pak in tot circa 8.45 uur.
Rond 9.30 uur ben ik in de biblio­theek en maak er nog wat foto’s, ook van de medewerkers.
Hoesein B. wil weten welk geloof ik heb en ik zeg hem dat hem dat niets aangaat. (“Mish shoerlak.)” Dat ver­oorzaakt een groot misverstand en het komende uur is hij, tot vervelens toe, bezig met het aanbieden van zijn excuses, hoewel Abd al-Rah­maan A. hem uitlegt dat wij over ons geloof niet praten.
Ik betaalde hedenochtend de hotel­rekening en deze was voor zeven dagen, wat niet kan, omdat ik op een woensdag arriveerde (27 maart) en ik op dinsdag vertrek. Ik wilde ech­ter niet zeuren.
De rekening van Mansoer (cafetaria) bevatte over de afgelopen twee we­ken negen bier à 130 rial, terwijl ik er maar twee dronk. Ik wil niet zeuren. Ik geef Mansoer 200 rial fooi en Hoesein al-A, van de receptie, 100 rial.
Ik heb alle bedragen altijd ruim naar boven afgerond. Soms was de fooi voor het hotel meer dan 600 rial. Maar de fooi was niet voor het hotel. Hoesein nam die altijd persoonlijk in ontvangst, zo werd me een keer duidelijk, een paar weken geleden. Ik liet het maar zo en bleef bij hem betalen, hoewel ik ook zou hebben kunnen betalen bij Salim al-T.
Toen ik uit de bibliotheek terug­kwam om mijn spullen op te halen, kreeg ik weer een rekening gepre­senteerd. De appelsappen waren geen 50 rial per stuk, maar 60 rial en ik moest ongeveer 400 rial bijlappen. Daar was ik toch teleurgesteld over. Verdient hij (Mansoer) bijna 1.000 rial (f. 13,00) door bier op de reke­ning te schrijven dat ik niet gebruik­te en gaf ik altijd ruim fooi, nu wil­len hij hier die laatste stuivers ook nog hebben!

Ik rij met Abd al-Rahmaan naar Say’oen.
Hij pakte alle levensmiddelen voor zich zelf. Ik had hem willen laten kiezen, maar hij kon alles gebruiken.
Een blik met ravioli, waar ook wijn in zat, sloeg ik op in een kist. (Houdbaar tot 1998.) De levens­mid­delen met varkensvlees had ik weggegooid, maar Abd al-Rahmaan stelde geen vragen over de inhoud. ‘Wat niet weet, dat niet deert’, zal hij gedacht hebben.
De resterende whisky (1 liter) en een beetje jonge jenever had ik sinds gis­terenavond in fases door het toilet gespoeld.
We rusten in Say’oen en ik drink het water dat naar stof smaakt, zoals het stof ruikt. Een maand geleden vond ik het niet lekker, nu vind ik het heel lekker.
We vragen naar de wisselkoers van de dollar op de markt en volgens mij zei de man: 115 rial, maar Abd al-Rahmaan brengt zijn zwager 118 rial in rekening. (Vergistte ik mij?) Ik zeg nu echter niets en wissel 600 dollar en krijg 70.800 rial.

Ik vertel Abd al-Rahmaan over mijn fout bij de chauffeur Moe­ham­mad van de Landcruiser en we gaan die al eerder op vrijdag jl. (7 juni) betaalde 2.100 rial terugvragen. Ik liet die nu aan Abd al-Rahmaan, maar Moe­ham­mad heeft het geld niet. Hij zal dat later brengen.

Zowel het middagmaal als het avondmaal bij Abd al-Rahmaan was heerlijk. Ik at verse rijpe dadels. De dadels zijn volgende week pas rijp. Deze nu al.

Ik zag het mooie kleine meisje weer: wat een schoonheid. (Zie 6 juni jl.)

We nuttigden het avondmaal op het erf, tussen de enorme kasten van huizen, in het donker, want Abd al-Rahmaan wil niet laten zien dat hij te eten heeft, omdat veel mensen hier dat niet hebben.

Ik slaap, evenals verleden week, buiten, op de binnenplaats.
Ik hoor Arabische muziek en staar naar de zwarte hemel. Dit is de laatste nacht in dit wonderlijk mooie gebied. Ik heb tranen in mijn ogen.
Het is ongeveer 00.00 uur en de dag in dit prachtige land is weer ver­schrikkelijk heet geweest.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 11 juni.
Uit de reeks feiten en feitjes, van Abd al-Rahmaan A. krijg ik te horen dat het mogelijk is dat je een groep soldaten huurt, na overleg met de betreffende commandant, om je persoonlijke problemen met iemand te beslechten, of om je persoonlijke ambities uit te werken. Als je ruzie met iemand hebt, of je wilt het huis van iemand anders bezitten en de eigenaar verjagen, kun je een le­gertje huren. Die gaan dan dreigend naar de tegenpartij en, zodra die het vuur opent, wordt er terugge­schoten. Ongelooflijk, maar waar.

[…]

Ik vraag of er geen rassenprobleem bestaat tussen al die verschillende huidskleuren en soorten koppen: Arabieren, Indonesiërs, Chinezen, Afrikanen. Ik ben kennelijk niet duidelijk genoeg want het duurt wel een uur voordat ik, na herhaaldelijk doorvragen, begrijp dat de soort kop niet van invloed is op discriminatie. Of nu Chinees, of Indonesiër, Arabier of Afrikaan, dat maakt niets uit. Die zijn allemaal lid van een stam. Dat de vader een andere vrouw huwde dan een Arabische is niet van invloed. De discriminatie (door Abd al-Rahmaan niet zo genoemd) zit tussen de stammen onderling. Er zijn betere stammen en slechtere. Dat komt bijvoorbeeld sterk naar voren bij het huwelijk. De ene of andere van die of die stam zal nooit met iemand van een lagere stam kunnen trouwen. In een hogere stam is dan ook onmogelijk, omdat dat voor iemand uit die stam een trapje omlaag is.
Met de sayyids is nog een ander probleem, die ‘mogen’ alleen maar met andere sayyids trouwen. Zo komt er van het egalitaire karakter van de islam dus niets terecht. Alle moslims zijn gelijk, de meesten echter niet helemaal. Volgens Abd al-Rahmaan heeft dat niets met de islam te maken, maar alles met nog veel oudere tradities.

[…]

’s Avonds vertelt Abd al-Rahmaan dat er al enkele dagen een oproer gaande is in al-Moekalla. Enige tijd geleden pakte de veiligheidspolitie (de politie van Goede Zeden en Goed Gedrag) twee vrouwen op, die in een taxi zaten zonder dat er een man­nelijk familielid in de buurt was. De vrouwen werden beschuldigd van prostitutie. Hun leeftijd was 30 en 15 jaar: moeder en dochter. De officier van de politie greep zijn kans en verkrachtte het vijftienjarig meis­je. (Abd al-Rahmaan gebruikte het woord ‘fuck’, maar ik had hem dat nog nooit horen gebruiken en ik had ook niet verwacht dat hij het ooit zou gebruiken, zodat het een hele tijd duurde voordat ik wist waar hij het over had.)
Volgens Abd al-Rahmaan houden de meeste vrouwen zich na zo’n voorval stil, om geen problemen in de fa­milie te krijgen(1) en ook uit schaamte. Deze vrouwen lieten er echter geen gras over groeien en dienden een aanklacht in. Deze zaak diende voor de rechter en de chef van de verkrachter, tevens zijn ver­dediger, had de euvele moed om alle vrouwen van de Hadramaut als hoeren te beschrijven en vijftig procent van de mannen als homo­seksuelen. Nog tijdens de rechts­zitting kwam het tot ongeregeld­heden.
De dader en zijn verdediger zijn Noorderlin­gen en het slachtoffer en haar zeven(!) advocaten zijn Zuider­lingen. In deze zaak komt alle wrok tegen de overheersende Noorderlin­gen tot uiting.
Tijdens de ‘oorlog’ (van 1994) bleek plotseling dat veel winkeleigenaren, veelal Noorderlingen, over een uni­form beschikten met een militaire rang. Dat verbaasde veel Zuider­lingen, die zich verraden voelden door deze mensen. Wraak voor dat gedrag speelt een rol en gewapend optreden van de wild geworden bevolking is nu het geval in al-Moekalla.
(Een dag later vertelt Abd al-Rahmaan dat hij niet helemaal zeker is van dat wat hij een dag ervoor vertelde, want berichtgeving uit officiële kanalen is er niet. Hij weet alleen wat mensen vertellen en dat is vaak niet helemaal zuiver. Uit het verslag van The Yemen Times  van 10 juni, die ik kocht, blijkt echter dat hij niet ver naast de feiten zat.)

[…]

Een van de broers van Abd al-Rahmaan studeert computertech­nologie in de Verenigde Staten van Amerika. Toen hij na het behalen van zijn B.A. twee jaar in Jemen bij een Amerikaanse firma kwam werken, kreeg hij niet hetzelfde loon als de Amerikanen hier in Jemen, die hetzelfde werk deden. Hij verdiende een veel lager loon, volgens de Jemenitische standaard, echter in dollars uitbetaald, die de bank zonder pardon in rial uitbetaalde, tegen de officiële koers, die ruim onder de prijs op de markt lag. Zulke discriminatie bestaat dus wel.

[…]

Abd al-Rahmaan kwam ongeveer negen maanden geleden terug in zijn geboortestreek.(2) Een van de (niet onbelangrijke) drijfveren om Sana’a te verlaten was de politieke strijd die er gevoerd wordt over het onrecht dat de mensen geschied in Jemen. Enkele Hadaarim met de­zelfde familienaam als Abd al-Rahmaan, die meer dan 150 jaar geleden naar een dorp in het Noorden verhuisden, zijn verwik­keld in een vete met een ander dorp. Deze familie, vrijwel allemaal met een goede maatschappelijke positie, voeren een campagne tegen de regering wegens wanbeleid.
Volgens Abd al-Rahmaan hebben veiligheidsmensen de vete met een naburig dorp veroorzaakt. Nu wor­den over en weer mensen vermoord. Een collega van Abd al-Rahmaan, een archeoloog, werd in die strijd om het leven gebracht. Hij woonde in dat dorp en werd in de week van zijn geplande vertrek (wegens de moeilijkheden, veroorzaakt door die vete) naar een van de Golfstaten, vermoord. Enkele andere leden van de familie in Sana’a werden door agenten van de veiligheidsdienst op niet al te zachtzinnige wijze aan het verstand gebracht dat ze hun verzet tegen de regering moesten stoppen.
Abd al-Rahmaan vreest een persoons­verwisseling. Hij wil zich verre houden van politiek.

[…]

Als we door Say’oen rijden komen we te spreken over de zinloze brief die Hoesein al-A. (leraar Engels) aan mij liet bezorgen om geld van de Nederlandse Ambassade te krijgen voor zijn privéclub.
Abd al-Rahmaan heeft een veel beter idee. Hij wil graag de bevolking hel­pen de uiterst belangrijke dadelteelt weer te doen opleven. Tegenwoordig vinden de mensen het werken in de dadelteelt nutteloos werk, omdat het veel energie vergt en weinig opbrengt. Hoe meer bomen ver­waarloosd worden, hoe meer zorg er aan de overgebleven moet worden besteed. Minder bomen betekent minder regenval, dus meer waterproblemen voor de andere bomen.
Vroeger bracht een boom wel 300 pond vruchten per seizoen op. Nu wordt die hoeveelheid door meer dan vijf, soms wel tien bomen ge­produceerd. In Saoedi-Arabië bren­gen de meeste bomen nog steeds 300 pond per boom op, maar die bomen zijn genetisch gemani­puleerd en ziekteresistent.
Abd al-Rahmaan kaartte een derge­lijk project aan bij de Nederlandse ambassadeur tijdens diens bezoek aan de Hadramaut. Die vroeg om een rapport, dat er nog niet is, want de deskundige die dat moet pro­duceren, is ziek.

[…]

Mijn suggestie dat Hoesein al-A. voor zijn club geld van de vele rijke Hadaarim zou kunnen vragen wordt door Abd al-Rahmaan als niet realistisch van de hand gedaan.
Rijke Hadaarim helpen geen arme Hadaarim. Rijken laten liever weer een nieuwe moskee bouwen.
Geldverspilling, vind Abd al-Rah­maan. Moskeeën van nog geen vijftig jaar oud en nog in uitstekende staat worden met de grond gelijk gemaakt om er een nieuwe neer te zetten.

[…]

Ik bewonder de omliggende huizen. Het zijn enorme kasten van huizen. Prachtig mooi en zo groot.
De huizen zijn zo groot omdat alle zonen van een gezin er hun woonkwartier hebben met vrouw en kinderen. Dochters verlaten het huis en gaan bij de familie van de echtgenoot wonen.
Abd al-Rahmaan wijst mij er echter op dat de kamers in de grote huizen erg klein zijn. Niet alleen zijn de muren meer dan een el dik (circa 70 cm), ook staan er in iedere ruimte veel en grote pilaren die veel ruimte in beslag nemen. Ik herinner me dat ook van zijn eigen huis, waar dat het geval is en ook in het huis van Hoesein al-A, de receptionist van het Gasr al-goebba-hotel in Tariem. Daar stonden ook grote en dikke pilaren in de ontvangstkamer.

[…]

Een muziekprogramma, ergens op de Tv, is een mooie afsluiting van mijn verblijf in de Hadramaut. Ik staar naar de zwarte, met stof gevulde hemel vanaf mijn matras op de binnenplaats van het huis van Abd al-Rahmaan en denk aan de mooie, maar vreselijk hete, tijd in deze prachtige landstreek en krijg bij de gedachte aan het afscheid tranen in mijn ogen.
Al in het begin van mijn verblijf hier, schreef ik in brieven naar vrienden en vriendinnen:
Als je in Tariem de auto’s, de vele motorfietsen, de sporadische verlichting en de rubberbanden onder de ezelkarren wegdenkt, waan je je in de middel­eeuwen. Afgezien van de verzengende hitte en de gesluierde vrou­wen, moet het er bij ons ook zo ongeveer hebben uitgezien, vijfhonderd jaar geleden. Tariem: time machine!
Dat is de romantiek van Tariem. Dit stadje stoot me aan de ene kant af, aan de andere kant trekt het me aan. In zekere zin ben ik verliefd geworden op deze plaats. Deze plaats en zijn ontberingen roepen een nu nog moeilijk defini­eerbare emotie in mij op
.
Deze nu nog steeds niet defini­eerbare emotie komt door de vele geheimen van dit land, volgens Abd al-Rahmaan. Geheimen dat het niet vlug zal prijsgeven. Ik ben bereid hem te geloven.

Dit is het einde van het verslag van 11 juni.

(1) Problemen voor vrouwen in de familie na een verkrachting. Wat speelt is dan dat de verkrachte vrouw geen maagd meer is en zij vaak door de familie uit huis wordt gezet. Wat rest is dan een leven als bedelaarster (mutasawwila).
Wat in deze zaak nog veel ernstiger is, is dat, als zij toegeeft dat zij verkracht is, zij seks buiten het huwelijk heeft gehad (zina). Dan zijn er geen getuigen meer nodig om dat te bewijzen, want ze bekent immers zelf. Wanneer ze ongehuwd is komt ze er met een afranseling van af, maar als ze wel gehuwd is of is geweest, volgt steniging. (Over deze aberratie in de islamitische wet verschijnen vaker publicaties in westerse media.)

(2) Er staat: Abd al-Rahmaan keerde terug naar zijn geboortestreek, maar dat slaat op de ‘roots’ van de familie, die in de Hadramaut liggen. Zelf werd hij in Djedda, in Saoedi-Arabië, geboren.

Indexal-Ahgaaf-bibliotheek, muta­sawwila.

Index van personen: Abd al-Rahmaan A., Hoesein al-A.: leraar EngelsHoesein al-A.: hotel, Moehammad: Landcruiser, Salim al-T.

Index van plaatsnamen: Djedda, Gasr al-goebba-hotel, Hadramaut, al-MoekallaSay’oen, Tariem, Wadi.

Dit is het einde van dag 87 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voor­komt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Neder­lands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 10 juni 1996

Vader met dochter en zoon.
Het zevenjarig meisje Djihaad en haar vier­jarig broertje Moedjaahid. Hun vader is Hoe­sein al-A., een van de twee receptionisten van het Gasr al-goebba-hotel. Bij hem thuis werd ik twee keer ten eten uitgenodigd.
Deze dia is op 10 juni 1996 gemaakt op het ter­ras van mijn hotelkamer.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 10 juni 1996 (maandag).

Naar het einde of de index.

De laatste volledige dag in Tariem.
Rond 9.30 komt Abd al-Rahmaan A. om me op te halen. Ik zat toen al drie kwartier buiten naar de zwemmers te kijken. Er zijn niet veel mooie mannen bij. Veel zijn erg mager.
Ik ga niet mee naar de bibliotheek, want het geld overhandigen kan Abd al-Rahmaan ook. Daar hoef ik niet bij te zijn.
Ik ga anderhalf uur in het zwembad liggen.
Ik fotografeer nog de mensen van het hotel. Sommigen ken ik alleen van gezicht.
Sommigen zien het, geloof ik, als een plicht, terwijl anderen het prach­tig vinden, zoals Mansoer van de cafetaria en Hoesein al-A. van de receptie, die na de middag zelfs zijn dochtertje Djihaad (7 jaar) en zoontje Moedjahid (4 jaar) brengt om te fo­tograferen.
Een van de twee stevige, sterke mannen wil niet op de foto. De ander is er niet. Moehammad al-S., mijn samier, ging verleden week al terug naar zijn dorp, ten oosten van Shihr.
Na de middag ga nog anderhalf uur in het zwembad liggen.
Als na het avondeten een zandstorm opsteekt controleer ik of de airco het doet. Dat is het geval, dus trek ik met terug op mijn kamer, in een koele en nu zelfs koude ruimte.
Ik ruim mijn bagage in. De kamer wordt er een puinhoop door. Mor­gen­ochtend kan ik de boel definitief opruimen.
Nu 21.30 uur.
Weer: een zandstorm, maar niet gevolgd door regen.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 10 juni.
Elektriciteit van het openbare net was er vannacht alleen tussen 00.00 en 04.30 uur. Gisterennacht alleen tussen 03.00 en 05.30 uur, ongeveer. Vanaf zonsondergang tot het in­scha­kelen van de net-elektriciteit is er in het hotel elektriciteit van de hotelgenerator, maar die heeft een erg laag vermogen, net genoeg voor een paar lampjes.

[…]

Vandaag blijf ik in het hotel om mijn vertrek voor te bereiden. Ik maak van de rest van de medewerkers van het hotel foto’s en ga zwemmen.

[…]

Abd al-Rahmaan A. vertelde mij eens dat Sjeik Zaki al-Yamani(1) ook tot zijn kennissenkring behoort en dat hij enkele notabelen kent die ook zeer goed bevriend zijn met de sjeik. Deze zou in al-Moekalla de particuliere universiteit sponsoren, waar op dit moment nog Hoesein al-H. werkt. (De toekomstige nieuwe medewerker in de bibliotheek.)

Dit is het einde van het verslag van 10 juni.

(1) Sjeik Zaki al-Yamani is ook de oprichter van de al-Foerqaan-stich­ting in Londen, waar ik, en op diens kosten, een zesweekse cursus volgde om het catalogiseren van Arabische handschriften te leren. Sjeik al-Yamani was de olieminister van Saoedi-Arabië in de jaren zestig en zeventig.
Hij werd mede bekend omdat hij in 1975 in Wenen gegijzeld werd door de beruchte terrorist Carlos.

Index: djihaad, al-Foerqaan-stichting, moedjaahid, samier.

Index van personen: Abd al-Rah­maan A., Carlos, Djihaad, Hoesein al-A: hotel, Hoesein al-H.: biblio­theek, Mansoer: hotel, Moedjaahid, Yamani, Zaki al-.

Index van plaatsnamen: al-Moe­kalla, Shihr, Tariem.

Dit is het einde van dag 86 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voor­komt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Neder­lands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 9 juni 1996

Nieuwe houten deur voor de  al-Ahgaaf-bibliotheek.
Een detailopname van de deur. In de boven­balk staat rechts de datum van de aanmaak en links de naam van de timmerman. Respectievelijk: shahr moeharram sana 1417 hidjriyya (Maand Moe­har­ram van het jaar 1417 AH.) en amal ‘iwad mahfoez balghaith (Het werk van Iwad Mahfoez Balghaith).
Let op de “schaarvormige” quasischarnieren.
(Ik heb de dia in 2016 elektronisch iets be­werkt om de tekst en de abstracte figuren in het hout duidelijker te laten uitkomen. Bij een diaprojector levert de projectielamp vol­doen­de licht om alles goed te zien, maar de lamp van de diascanner is niet krachtig genoeg om dat effect te be­reiken.)

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 9 juni 1996 (zondag).

Naar het einde of de index.

Tariem.
Op 7.00 uur.
Van 10.00 tot 13.00 in de bibliotheek.
Hotel: financiën afhandelen en ik ga daarna naar het zwembad.
Verder deze elektriciteit-loze tijd vul­len met niets doen. Het schijnt dat de algemene elektriciteit pas van­nacht om 03.00 kwam. Dat moet toch een verschrikking zijn voor mensen die afhankelijk zijn, voor koeling en water, van de stroom­voor­ziening.
Nu is het rond 18.00 uur. De ge­ne­rator van het hotel draait.

Weer: de laatste twee of tweeënhalve week is er veel bewolking. Soms is het erg benauwd.

Ik probeer het programma waarmee ik mijn financiën bereken bij te stellen. Volgens mijn berekening verloor ik alleen al gedurende de laatste zes weken 560 dollar door koersverschillen.

Abd al-Rahmaan A. gaf me verleden week, als dank voor mijn bijdrage aan zijn keuken, met levens­mid­delen die ik niet op krijg voor de uiterste houdbaarheidsdatum (als die voor mei 1997 ligt), een kom dadels, van verleden jaar, maar nog goed.
Ik merk dat ik er diarree van krijg, maar zeg, voor de goede orde, dat ze zo lekker zijn dat ik er nauwelijks van af kan blijven. Vandaag kreeg ik er nog een pot bij. Nog meer om weg te gooien!

De autan-stick tegen de muggen werkt fantastisch.

Nu 21.00 uur.
Weer: een lucht vol stof.
Vandaag ontmoette ik een toe­ris­tengids die Italiaans sprak tegen twee Italianen, die met hem reisden. Tegen hem sprak ik Arabisch en hij vertaalde dat naar Italiaans.
Hij komt oorspronkelijk uit Somalië. Hij vertelt dat hij twee nichten heeft die in Nederland (Utrecht) wonen. Hij geeft me van één van hen de naam en het telefoonnummer.
Hij heet Abd al-Gaadir A. en woont in Sana’a.
Ik zal haar op zijn verzoek eens bellen.

Ik sliep, zolang de airco het deed, binnen. Tegen 03.00 houdt alles op en ga ik buiten slapen. Later loopt de hotelgenerator.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 9 juni.
In de bibliotheek is er, zoals ge­woon­lijk, alleen spanning rond de salaat al-zoehoer.

[…]

Abd al-Rahmaan A. stelt voor om geen handschriften tentoon te stel­len, maar slechts fotokopiën. Hij vreest, evenals de Nederlandse Ambassadeur, enige weken geleden, dat er op een gegeven ogenblik een aantal soldaten met wapens de bibliotheek zal betreden om het tentoongestelde werk te stelen. Daar is niets tegen te ondernemen, want dit land, Jemen, is een land zonder regering: een chaos.

[…]

De timmerman dient zijn rekening in, mondeling. Ik betaal nu 50.000 rial. Hij kreeg al eerder 40.000 rial van Nico. Het inhangen van de deur kostte 4.000 rial. (1.000 rial is f. 13,00)

[…]

Ik maakte foto’s van de meeste me­de­werkers van het Gasr al-goebba-hotel. Ik krijg ook een lijst met hun volledige namen.

Dit is het einde van het verslag van 9 juni.

Index: autan, Islamitische kalender, salaat.

Index van personen: Abd al-Gaadir A., Abd al-Rahmaan A., Iwad Mah­foez Balghaith: timmerman

Index van plaatsnamen: Gasr al-goebba-hotel, Sana’a, Tariem.

Dit is het einde van dag 85 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voor­komt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 8 juni 1996

Een nieuwe traditionele deur.
Dit is de nieuwe deur van de al-Ahgaaf-bi­blio­theek, die vandaag werd geplaatst. Deze is ge­maakt naar traditioneel voorbeeld. Helaas is het hout is niet van lokale oor­sprong, maar Ma­leis Meranti.
De timmerman en metselaar hebben alles erg netjes afgewerkt.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 8 juni 1996 (zaterdag).

Naar het einde of de index.

Tariem.
Ik ga pas rond 10.00 naar de bibliotheek. De timmerman heeft de deur dan al staan en een metselaar is bezig met het afwerken van het meesterwerk. Morgen zal ik de details fotograferen.
Na de middag kommunikeer (zie gisteren) ik met de Belgen in het zwembad.
Voor de rest ben ik vooral bezig met slaap inhalen, want ik sliep de afge­lopen dagen weinig.
Ook met de computeradministratie in de weer. Ik pas de foute formules aan.
Bed 23.00 uur.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 8 juni.
De timmerman is om 10.00 uur, als ik bij de bibliotheek kom, al zover dat de deur in het kozijn zit. Ik maak enkele dia’s van zijn werk. Morgen zal ik de deur in zijn geheel foto­graferen.

[…]

Vorige week stelde Abd al-Gaadir voor om een afdakje te maken boven de deur om die tegen direct zonlicht te beschermen. Dit idee werd door Abd al-Rahmaan A. op kunstzinnige wijze uitgewerkt. Volgend jaar moet dat er komen.

[…]

Hoesein al-K. (60 jaar) vertelt dat hij afstamt van Sayyid Aboe Bakr al-K. Al eerder vertelde hij dat hij zijn jeugd doorbracht in het koepel­pa­leis, dat paleis dat tegenwoordig het Gasr al-goebba-hotel is. Al zijn ooms en andere familieleden, ook zijn vrouw, behoren tot die familie. Zijn vrouw is een nicht van va­derszijde. (Bint al-amm.)

[…]

Hoesein al-K. zegt dat Aboe Alawi een stamlid is die in de wijk Dam­moen woont. Die stam eet voor­na­melijk dadels. Die hebben geen beschaving, zoals hij, Hoesein, die in de stad, vlakbij de Mihdaar-moskee woont. Die stam bezit ook wapens en gebruikte die in de begindagen van de revolutie. Zij hebben toen, gezien in het huidige licht van de geschiedenis geen glorieuze rol gespeeld. Gezien in het rood licht van de geschiedenis (so­cia­lisme) natuurlijk wel. Ik begrijp het verhaal van Hoesein niet helemaal, maar ik geloof dat die stam meehielp met het verdrijven van de landeigenaren.
(Abd al-Rahmaan spreekt dit later tegen. Aboe Alawi is ook een sayyid. Zijn vader was gadi in Say’oen.)
Volgens Hoesein spreekt de stam van Aboe Alawi een dialect dat sterk afwijkt van het dialect dat in Tariem wordt gesproken. Ik vraag aan Hoesein (voor de grap) of hij Aboe Alawi wel kan verstaan. Dat is het geval.

[…]

Ik constateer dat de printer intern begint te jammeren. (Piepen.) Hij staat wel onder een stofkap, maar dat helpt niet. Het stof gaat overal doorheen. Ik vrees het ergste voor al die elektronische apparatuur. Hitte en stof verrichten hun vernietigende werk al, nog voordat ik weg ben.
Ook mijn Toshiba draagbare com­pu­ter vertoond stofkuren. Veel toetsen weigeren naar beneden te gaan als ik erop druk. Extra kracht is dan nodig. Waarschijnlijk zit het hele toet­sen­bord vol met stof.

Dit is het einde van het verslag van 8 juni.

Index: bint al-amm, bint al-chaalgadi, Mihdaar-moskeesayyid, stofZuid-Jemen: socialisme.

Index van personen: Abd al-Gaadir, Abd al-Rahmaan A., Aboe Alawi, Hoesein al-K..

Index van plaatsnamen: Dammoen, Gasr al-goebba-hotel, Say’oen, Ta­riem.

Dit is het einde van dag 84 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voor­komt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 7 juni 1996

Wadi Du'an.
Een impressie van het landschap nabij de stad Hadjarain in de Wadi Do’an.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 7 juni 1996 (vrijdag).

Naar het einde of de index.

Say’oen, Wadi Do’an, Tariem.
Nu, 9 juni, zondag, heb ik niet veel zin meer deze dag te beschrijven. Ik maakte een verslag in mijn com­puter over onze trip naar Wadi Do’an.
Onze trip: Abd al-Rahmaan A., ik en de chauffeur van de Landcruiser: Moe­hammad.
We vertrekken rond 6.30 en wat opvalt, voorbij Shibaam, in wes­telijke richting, is dat de vrouwen daar zelf ezels berijden of ezelkarren besturen. Dat heb ik hier nog niet gezien. Hier is: ten oosten van Shibaam. (In Sana’a zag ik zelfs een vrouw achter het stuur van een auto.)
Wat ook opvalt is dat er zonder elektriciteit geen benzine beschik­baar is. Nog veel erger is dat er in Shibaam ook geen water is zonder elektriciteit.
Wat verder blijkt is dat erg weinig mensen en dus nog minder vrou­wen, op straat zijn. (Er zijn vaak niet eens straten!)
We zouden oorspronkelijk twee dagen naar de Wadi gaan en over­nachten bij een vriend van Abd al-Rahmaan, maar overstromingen maakten het zuidelijke gedeelte van de Wadi onbereikbaar. Het zuiden is niet ver van de zee en daar regent het vaak. Het water stroomt dan van de tafelbergen de rivierbedding (wadi) in.

Overdag, onderweg, komen we in een zandstorm terecht, minder dan drie meter zicht!
Ook onderweg heb ik liters kraan­water gedronken en nergens last van gehad. Wat dat betreft ben ik dus een Hadrami geworden.

We hadden als ritprijs een on­dui­delijk bedrag afgesproken (op z’n Arabisch), nu wilde Moehammad ongeveer 9.000 rial hebben en ik zegde hem dat toe. Als we terug in Tariem zijn, heb ik mijn handen vol spullen en een pakje van 10.000 rial in mijn broekzak. Ik wil daar in het aardedonker niet duizend rial gaan staan aftellen. Bovendien had hij de moeite genomen om veel met mij te vertellen over de vijftien jaar die hij in de Arabische Emiraten woonde. Ik geef hem dus die 10.000 rial. Pas op mijn kamer herinner ik me dat we hem al 2.100 rial in de loop van de dag gegeven hadden!

In het Gasr al-goebba-hotel in Tariem, op het terras, zit een jong Belgisch stel (midden dertig), dat hier kwam met een opzichtige BMW-motor, met typisch Belgische problemen.
Wat ze hier doen is me niet helemaal duidelijk, want in Tariem foto­gra­feren ze ‘tempels’.
Ze vlogen met hun BMW-motor naar Sana’a en wilden vervolgens door Saoedi-Arabië naar Jordanië rijden. In België hadden ze geen visum gekregen voor Saoedi-Arabië, maar de Belgische(!) consul in Sana’a zou wel wat kunnen regelen, werd hen verteld. Mooi niet dus.
Een rit door de woestijn eindigde op het politiebureau, want niemand (ocharm) had hen verteld dat je daarvoor toestemming van de auto­riteiten nodig hebt. Typisch Belgisch, nergens naar informeren!

Op mijn kamer ben ik nog tot 01.30 uur vruchteloos bezig om fouten uit formules van het financiële programma te halen.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 7 juni.
Om 6.00 komt de chauffeur Moe­hammad en wordt er weer over de prijs onderhandeld. De chauffeur krijgt uiteindelijk wat hij vraagt.
We gaan eerst naar Rayboen, naar de zonne- en maantempel. Abd al-Rahmaan deed hier enige tijd geleden, samen met Russen, opgra­vingen. Het landschap ziet eruit als de Yool, met de wadi in het midden.

[…]

Hadjarain is ons volgende doel. Er zijn inderdaad overstromingen ge­weest, want er staat veel water in de wadi. Het is een erg lange wadi, die tot bijna aan de zee loopt en daar valt veel regen, die noordwaarts stroomt in de richting van Hadjarain.
Onderweg stoppen we op ver­schil­lende plaatsen om gebouwen te fotograferen die Daniel van der Meulen vijfenzestig jaar geleden ook fotografeerde. Abd al-Rahmaan heeft fotokopieën van die foto’s bij zich en we proberen dezelfde positie in te nemen. Het blijkt dat er in die tijd, in dit middeleeuws landschap, toch enorm veel veranderd is. De tijd staat hier dus niet stil.
We bekijken enkele opmerkelijke hoekjes in Hadjarain en ik merk op dat ze daar eveneens talloze mooi bewerkte houten deuren hebben, nog veel indrukwekkender dan in Shibaam. Volgens Abd al-Rahmaan komen die deuren in de hele Wadi Do’an voor.
(Do’an komt van het Perzisch Do = twee en An zou Wadi betekenen. Wadi Do’an bestaat eigelijk uit twee wadi’s die elk een eigen naam hebben: al-Ayman (uitspraak: lay­man) en al-Aysar (uitspraak: laysar)).

[…]

Onderweg lunchen we daar waar we ook het ontbijt gebruikten: Mat’am al-machnag (Restaurant de Nek) we­gens de versmalling van de wadi daar. Verder is hij heel breed.
Ik koop onderweg ook een ratl bachoer (een bepaald gewicht wie­rook), dat volgens Abd al-Rahmaan goed zou zijn voor de hersenen als je het eet. Je voelt je er filosoof van worden. Ook in water opgelost, zou een glaasje per dag, goed voor de gezondheid zijn. Verder, en daar koop ik het spul voor, kun je het branden en de rook ruiken.

[…]

Onderweg naar Hurayda nemen we een sayyid mee en we zetten hem in die stad weer af. Ook daar proberen we enkele van de Van der Meulen-foto’s te reconstrueren.
De lucht wordt grijszwart en op weg naar Shibaam komen we in een zware zandstorm terecht. Het is alsof we in een zeer dichte mist rijden. Het zicht is minder dan drie meter. Fantastisch. Ik maak foto’s. De hele dag al, want mijn diafilms zijn op.

[…]

Ik laat me voorlichten over de mahr (huwelijksgift). Voor honderddui­zend rial kan je een vrouw kopen. Zij moet goud ontvangen van de aanstaande echtgenoot en ook haar vader moet het nodige goud fourneren. (1.000 rial is f. 13,00.)
Een vrouw kan ook goedkoper zijn. Hoesein al-A. van de hotelreceptie vertelde me dat hij maar 10.000 rial betaalde. Zij was zo goedkoop omdat zij zijn nicht is: bint al-chaal. (Bint: dochter, chaal: broer van de moeder, dus een oom aan moederszijde.)

[…]

Ook Abd al-Rahmaan vindt dat de moe’azzin (diegene die bij een mos­kee tot het gebed oproept, middels een luidspreker) veel te veel lawaai maakt en hij is niet alleen. Hij zou willen dat het oude systeem weer terugkwam: man in de minaret. Het is echter een gevoelig onderwerp.
Hij is erg gelovig. Voorheen dacht ik dat hij in Tariem voor de vorm naar de moskee ging, maar dat is niet het geval. Overal waar hij kan bidt hij. Met Moehammad werd onderhan­deld welke moskee onderweg het best in aanmerking kwam voor het gebed.

[…]

’s Avonds koop ik in Shibaam twee diafilms. “Een niet goed lopend artikel,” zegt de winkelier, een kennis van Abd al-Rahmaan.
Een andere kennis vertelt dat er geen elektriciteit is in Shibaam. Dat betekent ook dat er geen water is. De mensen kunnen, volgens Abd al-Rahmaan niet zelf iets organiseren, want dan doet de regering er niets meer aan en zegt dat er elektriciteit genoeg is.
Geen water. Het komt voor dat men doden niet kan afleggen omdat er geen water is. Zieke mensen kunnen niet adequaat geholpen worden en gaan eerder dood.
Geen elektriciteit. Veel van die grote kasten van huizen herbergen meer­dere families. Maar één familie kan op het dak wonen. (In verband met de maharim (vrouwen), die niet door andere bewoners gezien mogen worden.) De anderen moeten in deze hitte, zonder koeling in huis doorbrengen. Dat veroorzaakt veel problemen.

[…]

Moehammad, onze chauffeur kauwt onderweg gaat. Dat wil hij niet thuis doen, want hij wil niet dat zijn vier kinderen, de oudste 12 en de jongste 1, allemaal jongens, weten dat vader gaat gebruikt. Hij lijkt verslaafd aan thee want bij iedere gelegenheid drinkt hij veel daarvan. (Misschien komt dat door de gaat.)

Onderweg naar het hotel in Tariem vertelt over zijn leven als admini­stratief militair in al-Ayn in de Emiraten. Hij is een slachtoffer van de Golfoorlog. Toen zijn contract in 1993 afliep werd dat niet verlengd en moest hij met vrouw en kinderen de Emiraten verlaten. Van een luxe leventje met overal airco, zelfs op de markt, naar het arme, hete Jemen. Zijn vrouw en kinderen lijden eronder. Zijn vrouw heeft de nationaliteit van Aboe Dhabi, maar is van Jemenitische oorsprong. Moehammad werkt eraan om nog voor de winter terug te kunnen naar het ‘paradijs op aarde’. Alle straten zijn er geasfalteerd en niet vol met gaten, zoals hier in Jemen. Vierentwintig uur per dag elektriciteit, maar zestien jaar gevangenisstraf op het gebruik van gaat, net zoals in Saoedi-Arabië. Wel in een nieuwe, moderne gevangenis. De blaadjes worden in die landen gezien als een verdovend middel, hoewel je in die landen ook drugs en alcohol kunt kopen.
(Abd al-Rahmaan vertelde eens dat een vader uit Say’oen zijn jonge, aan wijn verslaafde, zoon naar Saoedi-Arabië stuurde om zijn leven te beteren. Na twintig jaar kwam die terug. Al die tijd had hij wijn gedronken!)
Moehammad verdiende in Aboe Dhabi zoveel dat hij er deze Landcruiser aan overhield.
In 1985 bezocht hij als toerist Syrië en Jordanië.

[…]

In het hotel ontmoet ik een stel dat aansluit bij het rijtje gekken dat ik in Jemen ben tegengekomen.
Uitgerekend een Belgisch stel (de Belgen die ik gedurende al mijn reizen in het buitenland ontmoette hadden altijd wel iets van pro­blemen, voortkomende uit eigen stommiteit of niet goed ingewonnen informatie.) Deze twee, man en vrouw met een BMW-motor, kwamen hier met de bedoeling van Sana’a door Saoedi-Arabië naar Jordanië te rijden. In België hadden ze geen visum kunnen krijgen voor Saoedi-Arabië, maar de Belgische consul in Sana’a zou dat wel kunnen regelen, hadden kennissen verteld. Nou, mooi niet dus. Bovendien kwamen ze hier aan met de motor en niemand op de luchthaven had hen verteld dat ze, als ze door de woestijn wilden, toestemming van de autoriteiten nodig hadden. (In onze moderne westerse maat­schappij wordt ons alles voor­gekauwd, dan kun je een maatschappij waar je zelf alles moet uitzoeken niet meer functioneren.)
Wat die mensen hier doen is me een raadsel, deze zijn zelfs niet matig geïnteresseerd in de islamitische cultuur en weten nog minder dan al die anderen die ik in Jemen ontmoette.
Hij, heftruckmonteur, weet alles van motoren. Zij is verpleegster in een Brussels ziekenhuis. Er werken daar Arabische dokters en die hadden gezegd dat zij wel in korte mouwen door Jemen en Saoedi-Arabië kon reizen. Dat doet ze ook en begrijpt niet waarom alle mannen be­lang­stelling voor haar hebben.
Zijn motor wordt voortdurend betast door allerlei handen. Hij ergert zich eraan.
In Tariem fotograferen ze wat ‘tempels’.
Zij vindt het jammer dat je hier niet met de mensen kan communikeren. (sic.)
Hij, tegen een Tarimi: “De Ramadaan is verschrikkelijk.”
Gelukkig begrijpt de jongeman hem niet, anders was een religieuze dis­cussie onvermijdelijk geworden.

Dit is het einde van het verslag van 7 juni.

Index: bachoer, bint al-amm, bint al-chaal, gaat, Hadrami, mahr, mahram / mahaarim, mat’am al-machnag, moe­’azzin, Ramadaan, salaat, sayyid, wierook.

Index van personen: Daniel van der Meulen, Moe­hammad al-S.

Index van plaatsnamen: Aboe Dhabi, al-Ayn, Gasr al-goebba-hotel, Hadjarain, Hoeraida, Rayboen, Sana’a, Say’oen, Shibaam, Tariem, Wadi Do’an, Yool.

Dit is het einde van dag 83 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voor­komt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 6 juni 1996

Een nieuwe deur.
De timmerman heeft vandaag, donderdag, de nieuwe voordeur afgeleverd voor de biblio­theek. Hij zal die zaterdag plaatsen. Die deur zal de oude grijze, rechts op de foto te zien, vervangen.
De man op de foto, links, is Abd al-Rahmaan A. de directeur van de al-Ahgaaf-bibliotheek in Tariem.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 6 juni 1996 (donderdag).

Naar het einde of de index.

Tariem, Say’oen.
Enkele weken geleden deed ik de whisky in de appelsap-flessen en de jonge jenever in waterflessen. Gis­terenavond dronk ik twee jonge jenever aan­gelengd met lemontina. Ik zette de fles jonge jenever zonder na te denken in de koelkast. Toen ik later een slok water wilde hebben … ja, toen dronk ik een flinke teug jonge.
Ik was in staat tot 7.45 uur te slapen, wel met veel onderbrekingen, want het is vanaf 05.00 uur klaarlichte dag. Mijn bed (buiten) komt echter pas na achten in de volle zon te staan.
Vanavond slaap ik in Say’oen.
Nu 8.30 uur.

In de bibliotheek wacht ik tot 11.45 uur. Dan is er een kwartiertje span­ning. Ik print de fax voor Jan Just Witkam uit en laad in beide com­puters dat deel van de fihrist (catalogus) dat ik thuis overtypte, in de computer. (Thuis: september – december 1995 in Nederland.)
Nadat ik de nieuwe koers heb gevraagd (106 rial voor 1 US$) voeg ik enkele regels met de hand aan de fax toe. Ik besluit om 400 of 500 dollar te wisselen, maar de geldwisselaars zijn al vertrokken. Gelukkig, want in Say’oen, waar ik naar toe ga, krijg ik 109 rial en wissel daar vijftien­honderd dollar bij de zwager van Abd al-Rahmaan A. Die heeft een be­drijf voor reparatie van auto-uit­la­ten en kan dat bedrag in rial zonder problemen op tafel leggen.

Bij Abd al-Rahmaan thuis zie ik een prachtig mooie vrouw, slechts met hoofddoek en ik reken me al rijk: ik zag de vrouw van Abd al-Rahmaan, maar later blijkt deze schoonheid een jong buurmeisje in donker­groene jurk en grote zwarte hoofd­doek. Zonder al die stof zal ze waarschijnlijk zeer mager zijn.
’s Avond krijg ik een eenvoudige, maar goede maaltijd voorgezet.
We zitten buiten nog wat te ver­tellen en rond 23.30 ga ik naar bed.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 6 juni.
De timmerman levert de houten deur af, gemaakt van Maleis meran­ti. Ahmad, de elektricien uit Tariem, wijst me erop dat meranti niet gevrijwaard kan worden van hout­worm. Er is harder hout ibal(?) (eik?) dat onverwoestbaar is en in de winter nog harder. (Volgens Abd al-Rahmaan.) Dat hout wordt alleen in de winter gezaagd.

[…]

Gezien de omvang en het soort kleding vermoedde ik al dat het een Nederlandse was. Ze kwam in mijn richting gesjokt. Toen ze dichterbij was uitte ze een paar onverstaan­bare klanken, zodat ik niet meer wist met welke nationaliteit ik nu weer te doen had, maar mijn eerste indruk bleek toch correct en ze stelde meteen gerichte vragen, alsof zij het geschenk aan de bibliotheek gegeven had en alsof ze hier al vele malen geweest was. Vragen in de trant van: “Heeft dit nu nut? Is dit geen weggegooid geld? Kunnen die mensen wel met dit spul omgaan? Hebben ze wel enige benul wat er gebeurt? Kennen ze de waarde van dit alles wel?”
Ik vroeg haar wie ze was en wat ze kwam doen. Haar voornaam was M., ze was journalist voor een polytech­nisch tijdschrift, maar hier was ze slechts op vakantie, met Djoser.
Toen wist ik genoeg. Hun reis­begeleider, MvM, is hier al ver­schillende keren geweest en in het begin hadden Nico en ik het idee dat dit geschenk ‘paarlen voor de zwijnen’ was. In onze teleurstelling hadden we dat idee niet onder stoelen of banken gestoken en ook MvM deelgenoot gemaakt in onze verbitterde gevoelens.
Ik vertelde haar (een goede vriendin van MvM) dat het idee waarop haar vragen stoelden niet meer van toepassing was. Dat al die negatieve woorden niet meer op hun plaats waren en dat ik nu vrijwel zeker wist dat dit een groot succes zou worden, zeker nu er een nieuwe directeur is met enkele enthousiaste medewer­kers. Toen MvM later ook kwam heb ik hem apart genomen en hem mijn nieuwe opvatting verteld, maar hij bleef sceptisch.
Hij heeft een wrok tegen enkele mensen van de Nederlandse Ambas­sade. (De heer M. van de Ambassade heeft een negatief reisadvies voor Marib en omgeving afgegeven en Djoser, als lid van de ANVR, moet zich daaraan houden, terwijl alle andere reisbureaus die regio zonder problemen doorkrui­sen. M. zou, vol­gens MvM, zijn criteria niet willen toelichten.)
Om die reden blijft het voor MvM moeilijk beslissingen van de Ambas­sade (de­ze gift bijvoorbeeld) te ac­cep­­teren. MvM is ook persoonlijk betrok­ken bij de financiering van een tehuis voor geestelijk gehandicapte kinderen (in Jemen), waar­voor de Nederlandse regering geen geld over heeft. Zijn scepsis heeft daarmee te maken: waarom wel geld voor ‘oud papier’, maar niet voor gehandicapte kin­deren.
De Nederlanders, ook dezen ‘zeer geïnteresseerd’ in de islamitische cultuur, gezien hun geringe belang­stelling voor handschriften, maar wel voor mijn fax aan Jan Just Witkam, die ik op dat moment uitprintte: allemaal stonden ze die te lezen en nadat ze een deel uit dat bericht geciteerd hadden, zei ik: “U bent wel erg nieuwsgierig.”
“Daarvoor zijn we hier,” kreeg ik als antwoord.
Om computers te komen bekijken, zeker, en persoonlijke brieven hard­op mee te lezen!

[…]

Ik ga met Abd al-Rahmaan mee naar Say’oen. Onderweg wijst hij me op de vele witte stenen op de berghel­lingen. Die staan allemaal in grote vierkanten opgesteld. Het zijn stuk­ken land die bestemd zijn voor huizenbouw. Nu de regering niet meer toeziet op wat er in het land gebeurt, komt iedereen zomaar een stuk land claimen, eventueel met vervalste documenten.
Toen de regering nog wel toezag, gebeurde dit ook, toen claimden politici grond, niet voor henzelf maar voor de partij of de regering.
Het enige verschil met vroeger is dat het toen volgens een bepaald sys­teem gebeurde en nu in het wilde weg.
Bovendien claimt niemand meer voor een ander (de partij of rege­ring), maar wel voor zichzelf.
Taxichauffeur Hamid had me ook al op deze praktijken gewezen.
Veel mensen verlangen terug naar de socialistische tijden, hoewel dat een slechte tijd was en men van die regering verlost wilde zijn. Muham­mad al-H. citeerde ver­leden week al uit een gedicht:

Vroeger huilde men over haar, nu huilt men om haar. (De regering.)

[…]

Ik informeer naar de wisselkoers van de dollar en krijg te horen dat die 109 rial is. Drie meer dan in Tariem. Abd al-Rahmaan wil dat ik bij zijn zwager geld wissel tegen de geldende koers. Daar heb ik geen bezwaar tegen. We rijden een eind en stoppen bij een garage voor de reparatie van knalpijpen. (Spe­cialisme!) Daar hebben ze een prachtige poortdeur van bewerkt hout, die staat weg te rotten.
Abd al-Rahmaan zegt dat ik hier maar moet wisselen. Ik kijk hem verbaasd aan en zeg: “Ik dacht dat ik bij je zwager moest wisselen?”
“Dat is hier.”
Ik stap uit en er staat een of ander onduidelijk figuur op mij te wachten. Ik zeg tegen hem dat ik geld wil wisselen, maar hij com­mandeert me om naar binnen te gaan. Ik denk dat hij me niet begrepen heeft, maar met nog meer ongeduld zegt hij dat ik naar binnen moet gaan. Achter het bureau van het kantoor vind ik de schoonvader van Abd al-Rahmaan. (Ik zag hem op de luchthaven van Sana’a, toen we terugkeerde van ons kort bezoek aan de hoofdstad.) Tegen hem zeg ik dat ik geld wil wisselen en weer wordt er wat gecommandeerd. Dan komt een ietwat gezette jongeman achter het bureau zitten en hij blijkt de zwager te zijn. Bij hem wissel ik vijf­tienhonderd dollar voor 109 rial per dollar. Hij behoort tot de al-Kaaf familie en het blijkt voor hen geen moeite het juiste geldbedrag op tafel te leggen.
Het voorgaande vage gedoe kom ik steeds weer tegen en het blijft moei­lijk om daaraan te wennen. Telkens wordt je in het onge­wisse gelaten over prijzen. Als je iets koopt zegt de verkoper niet: “Zoveel,”, maar je moet naar de prijs vragen.
Mensen die diensten verlenen, zeggen vaak niet: “Ik krijg zoveel van je,” maar “Jij weet wel wat mijn dienst waard is.”
Ook Abd al-Rahmaan heeft moeite om concreet te zijn over geld. Iedereen ver­onderstelt maar dat je alles weet en iedereen kent.

[…]

We gaan onderhandelen met de chauffeur van de Landcruiser, die ons twee dagen lang in Wadi Do’an zal rondrijden. Ook hier weer een staaltje van vaagheid. Iemand an­ders dan de chauffeur had gezegd dat hij het wel voor 12.000 rial zou doen en Abd al-Rahmaan had mij dat als zekerheid gepresenteerd, maar de chauffeur denkt er anders over en wil 15.000 rial. Na lang gesteggel moet ik de knoop door­hakken en gaan we dus voor dat laatste bedrag.
Abd al-Rahmaan had me op weg van Tariem naar Say’oen al verteld dat hij slachtoffer was geworden van onduidelijke afspraken. Zesduizend rial had hem dat gekost. Voor me­nigeen een maandloon.

[…]

We bezoeken het ouderlijk huis te midden van een rijk gevulde planta­ge van dadelpalmen op het plat­teland, even buiten Say’oen. Hoewel het al bijna donker is kan ik zien dat het een prachtig stuk grond is. De weg erheen was al een fotoreportage waard.
Op dat land werken een aantal boeren. De opbrengst van de dadel­palmen is voor de helft voor de familie A., de andere helft voor de boeren, die niet op het land wonen. Van de helft voor de familie gaat 35% op aan de instandhouding van de plantage.
De boeren bezitten de waterpomp, maar het waterwiel is van de familie. De boeren zijn kennelijk niet hele­maal betrouwbaar, want ze doen nogal eens alsof ze niet weten hoe een en ander onderhouden moet worden, in het deel van de familie, wel te verstaan. In hun deel van de plantage komen die problemen niet voor, hoewel deze niet de slechtsten zijn. De familie bezit kennelijk meer land, want daar zitten boeren die veel problemen veroorzaken.
Verder veroorzaken ook militairen uit de naburige legerplaats proble­men. Die komen bij nacht en ontij met hun wapens en pakken wat ze te pakken kunnen krijgen. Zij richten meer schade aan dan ze wegnemen. Dit is een land zonder regering. Iedereen doet maar wat hij wil.

[…]

Abd al-Rahmaan wil van het huis dat bij de plantage hoort twee appar­temen­ten maken en die verhuren aan toeris­ten.
In een cafetaria, ongeveer Europese stijl, bespreken we zijn idee.
In ieder geval zal er constant elektriciteit en koel water beschik­baar moeten zijn. Ik wijs hem op het bestaan van de ‘veteranenziekte’, ge­volg van bacteriegroei in water­pijpen waar altijd lauw water doorheen gaat. Ook komen we tot de conclusie dat de naast het huis staande waterpomp elektrisch moet worden, want iedereen wordt gek van het getakketak van de tweetakt­motor.

[…]

Onderweg vertelde Abd al-Rahmaan over de opkomst van de Islah-partij, die steeds machtiger wordt in dit economisch steeds verder achteruit­gaande Jemen. De basis van de verbetering van de economie van het land ligt in beter onderwijs, terwijl de Islah-partij, die nu ook het onderwijs verzorgt, afziet van het onderwijzen in de westerse weten­schappen en kennis en zelfs afziet in het onderwijzen van wiskunde. Belangrijk voor hen is de gods­dienstwetenschap.
Voor Jemenitische arbeiders is er niet veel kans en hoop op verbe­tering van de arbeidsomstandighe­den. Ze zijn slecht onderwezen en niet allemaal bereidt even hard te werken. Westerse oliemaatschappij­en nemen geen Jemenieten in dienst, maar Oost-Afrikanen, omdat die Engels zouden spreken en, na­tuurlijk, eerder bereid zijn een order op te volgen, dan de socia­listisch onderwezen Zuid-Jemenieten.

[…]

Bij Abd al-Rahmaan thuis hoor ik dat sommige Jemenieten grote hoe­veelheden valiumpillen leveren in Saoedi-Arabië, tegen woekerwins­ten. Dat sluit mooi aan bij het verhaal dat ik eens in een Egyptisch damesblad las over vrouwen in de Golfstaten en omstreken. Die hebben niets zinvols te doen in hun leven. Ze kijken Tv, bellen urenlang met vriendinnen en slikken vooral veel verdovende pillen om de dag door te komen.

[…]

De chauffeur van de Landcruiser komt vertellen dat er overstromin­gen zijn in Wadi Do’an en dat hij niet zo ver kan gaan als Abd al-Rahmaan wil. We zullen nu maar één dag gaan, in plaats van twee. Weer begint natuurlijk het gesteggel over de prijs, maar daar ben ik niet bij. Dat hoor ik achteraf.

Dit is het einde van het verslag van 6 juni.

Index: fihrist, ibal, Islah-partij, VeteranenziekteZuid-Jemen: com­munisme.

Index van personen: Abd al-Rah­maan A., Hamid B. taxichauf­feur, al-Kaaf, Nico, Jan Just Witkam.

Index van plaatsen: Jemen, Marib, Sana’a, Say’oen, Tariem, Wadi Do’an.

Dit is het einde van dag 82 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

De uitspraak van enkele letters en klanken in Arabische woorden.
In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voorkomt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ق) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.