Berlin

Brandenburgertor
Das Brandenburger Tor = De Brandenburgse Poort in te­gen­licht.

Menu – 05/09: BeginEinde.

Brandenburgertor
Das Brandenburger Tor = De Brandenburgse Poort in het zon­licht.

Menu – 05/09: BeginEinde.

Brandenburgertor
Das Brandenburger Tor = De Brandenburgse Poort in het zon­licht. (De­tail.)

Menu – 05/09: BeginEinde.

Berlin

Karl-Marx-Allee
DDR-architectuur langs de Karl-Marx-Allee.
Wikipedia: DDR.

Menu – 04/09: BeginEinde.

Karl-Marx-Allee

DDR-architectuur langs de Karl-Marx-Allee. Door het res­tau­rant ziet het er toch ge­zel­lig uit.
Wikipedia: DDR.

Menu – 04/09: BeginEinde.

Karl-Marx-Allee

DDR-architectuur langs de Karl-Marx-Allee.
Er was over kilometers lengte een fes­ti­val gaan­de met veel bands, zang, mu­ziek, maar voor­al veel bier. (4 augustus 2018.)

Menu – 04/09: BeginEinde.

Karl-Marx-Allee

De Karl Marx Boekhandel langs de Karl-Marx-Allee. Ik ben er niet bin­nen ge­weest, maar ik ver­moed dat het aan­bod nog­al een­zij­dig is.

Menu – 04/09: BeginEinde.

Berlin

Monument
Titel: The Monument. (Brons. 2015)
Kunstenaar: Atelier Van Lieshout.
Plaats: Kolonnadenhof, Museumsinsel.
Wikimedia: The Monument.

Menu – 02/09: BeginEinde.

Monument
Titel: The Monument. (Brons. 2015)
Kunstenaar: Atelier Van Lieshout.
Plaats: Kolonnadenhof, Museumsinsel.

Menu – 02/09: BeginEinde.

Monument
Titel: The Monument. (Brons. 2015)
Kunstenaar: Atelier Van Lieshout.
Plaats: Kolonnadenhof, Museumsinsel.

Menu – 02/09: BeginEinde.

Monument
Titel: The Monument. (Brons. 2015)
Kunstenaar: Atelier Van Lieshout.
Plaats: Kolonnadenhof, Museumsinsel.

Menu – 02/09: BeginEinde.

Monument
Titel: The Monument. (Brons. 2015)
Kunstenaar: Atelier Van Lieshout.
Plaats: Kolonnadenhof, Museumsinsel.

Menu – 02/09: BeginEinde.

Berlin

Hunne
Titel: Hunne zu Pferde. (Brons. 1895)
Kunstenaar: Erich Hösel. (1869-1953)
Plaats: Kolonnadenhof, Museumsinsel.

Menu – 01/09: BeginEinde.

Hunne
Titel: Hunne zu Pferde. (Brons. 1895)
Kunstenaar: Erich Hösel. (1869-1953)
Plaats: Kolonnadenhof, Museumsinsel.

Menu – 01/09: BeginEinde.

Hunne
Titel: Hunne zu Pferde. (Brons. 1895)
Kunstenaar: Erich Hösel. (1869-1953)
Plaats: Kolonnadenhof, Museumsinsel.

Menu – 01/09: BeginEinde.

Hunne
Titel: Hunne zu Pferde. (Brons. 1895)
Kunstenaar: Erich Hösel. (1869-1953)
Plaats: Kolonnadenhof, Museumsinsel.

Menu – 01/09: BeginEinde.

Hunne
Titel: Hunne zu Pferde. (Brons. 1895)
Kunstenaar: Erich Hösel. (1869-1953)
Plaats: Kolonnadenhof, Museumsinsel.

Menu – 01/09: BeginEinde.

30 september 1976

Meski
On­der­weg tus­sen Ris­sa­ni en Mes­ki, eer­gis­te­ren.

Dagboek 1976

(Dag 1706) Cees en ik zijn sa­men op va­kan­tie in Ma­rok­ko. Eer­gis­te­ren­avond kwa­men we in Er­ra­chi­dia [Ksar as-Souk] aan. Van­daag rei­zen we van­daar met een lijn­bus naar de stad Mek­nes, die zo’n 350 km noor­de­lij­ker ligt.

Naar de index en het einde.

Donderdag, 30 september 1976.
Op 5.30 uur. Op de ka­mer eten. We be­ta­len 25 Dh en gaan naar de CTM-bus­hal­te.
De jon­gen van dins­dag­avond komt langs ge­lo­pen en zegt: “Ma­rok­ko is nog al­tijd Ma­rok­ko en het zal nooit ver­an­de­ren.”
“Jawel, het zal ver­an­de­ren, na lan­ge tijd.”
“Ame­ri­ka maakt nu au­to’s, als Ame­ri­ka de zon kan ma­ken (en dat is on­mo­ge­lijk) dan is Ma­rok­ko zo ver dat het au­to’s kan ma­ken.”
Pessimistischer kan nau­we­lijks, denk ik, maar hij heeft wel ge­lijk.
Hij wil naar Eu­ro­pa en het is geen kwes­tie van geld, maar van … ja, een pas­poort, want daar zijn ze in Ma­rok­ko niet scheu­tig mee.
De bus die om 7.15 uur uit Ris­sa­ni zou ko­men en naar Mek­nes gaat komt pas om 8.45 uur. Nie­mand is on­ge­dul­dig.
We hebben 1e klas ge­no­men en die kost 24,75 Dh per per­soon over 350 km. Wat het ver­schil is met de 2e klas wordt niet dui­de­lijk. Wel­licht een an­de­re bus op een an­der tijd­stip. En­fin, we zit­ten goed, di­rect ach­ter de chauf­feur. Een dik­ke, goed­lach­se man van cir­ca 30 jaar, die de he­le weg mop­pen tapt (in het Ara­bisch).
Schuin ach­ter mij zit een mooie sol­daat.
Als de bus tot in zijn 4e ver­snel­ling is op­ge­trok­ken, wordt de ver­snel­lings­pook met een fiet­sen­band, die aan de be­stuur­der­stoel is be­ves­tigd, vast­ge­zet en komt er niet meer uit voor­dat de bus bij­na stil­staat en er dus te­rug­ge­scha­keld moet wor­den. Als de band ka­pot gaat, moet het hulp­je (de 2e man) de ver­snel­lings­hen­del vast­hou­den, an­ders schiet deze los.
Langzaam, soms heel lang­zaam, kruipt de bus om­hoog en stopt links en rechts om pas­sa­giers bij te la­den, of uit te la­ten.
In Midelt vraag ik wan­neer we in Mek­nes zijn en hij zegt dat al­leen god dat weet.
Ik stap uit om in een ca­fé te plas­sen. Ik be­dank de baas en hij zegt: ‘C’est ne rien.’ Het is niets. Ik be­taal een halve Dir­ham.
We ver­vol­gen onze weg tot Za­ï­da waar we even bui­ten het dorp halt hou­den en eten bij een ga­ra­ge – eet­huis. We zien een door­mid­den ge­bro­ken vracht­wa­gen.
In Midelt ver­ga­ten we een pas­sagier. Dat wil zeggen, de­ze was uit­ge­stapt en niet op tijd te­rug. De bus werd even la­ter in­ge­haald door een luid toe­te­ren­de ta­xi en wild ge­ba­ren­de in­zit­ten­den. De bus stop­te en de ver­lo­ren pas­sa­gier stap­te in. In Midelt werd zijn ge­mis al op­ge­merkt, maar de chauf­feur wil­de niet wach­ten.
Na het eten ver­vol­gen we on­ze weg en op de Col du Zad, 2.178 me­ter bo­ven de zee­spie­gel, wordt vijf li­ter olie in de mo­tor ge­gooid. In Mi­delt con­sta­teer­de Cees al olie­ver­lies.
In Azrou stap­pen en­ke­le nieuwe pas­sa­giers in waar­on­der een jon­gen die En­gels spreekt en een in Ne­der­land wer­ken­de en ook Ne­der­lands spre­ken­de Ma­rok­kaan. Hij is ge­trouwd met een Ne­der­land­se vrouw. We pra­ten wat en ver­vol­gen ons uit­kij­ken. Ik heb geen dia’s ge­maakt.
Tegen 17.15 uur zijn we in Mek­nes en ik zie de jon­ge mooie sol­daat nog één keer.
We hebben 350 km in 8,5 uur ge­re­den.
In een westers ge­o­ri­ën­teerd res­tau­rant drin­ken we kof­fie en vra­gen naar de rue Al­lal ben Abd­al­lah. Een moei­lij­ke uit­leg volgt en het moet ver weg zijn. Ja, ja.
We lo­pen een paar hon­derd me­ter en vra­gen weer: “Hier is het, me­neer” en we staan in de be­tref­fen­de straat.
Ho­tel Mo­der­ne is nu snel ge­von­den. 1 Ster, A 25 Dh per nacht, waar we ons nes­te­len.
We drin­ken thee en eten soep in de Me­di­na. Pra­ten er even met ie­mand en lo­pen er een beetje rond. Het is wel een aar­di­ge Me­di­na.
Weer: wis­se­lend over 350 km. In Er­ra­chi­dia lek­ker, tot ge­heel be­wolkt en fris in Mek­nes.

Index

In­dex van ter­men:
In­dex van per­so­nen:
Cees.
In­dex van lo­ca­ties:

Me­nuBe­ginHoofd­index Over­zicht 1972-1990Ma­rok­ko 1976 (over­zicht).

29 september 1976

Meski
Dit is een dia die ik gis­te­ren maak­te, tij­dens on­ze lift van Er­foud naar Mes­ki.

Dagboek 1976

(Dag 1705) Cees en ik zijn sa­men op va­kan­tie in Ma­rok­ko. Gis­te­ren­avond kwa­men we in Er­ra­chi­dia [Ksar as-Souk] aan. We over­nacht­ten in het du­re PLM-ho­tel, maar van­daag gaan we naar het goed­ko­pe­re ho­tel l’Oa­sis.

Naar de index en het einde.

Woensdag, 29 september 1976.
Op rond 8.00 uur.
In bad, in bad, een lig­bad. Heer­lijk warm wa­ter en een heer­lijk lig­bad.
Ik maak ook weer de tra­di­ti­o­ne­le fo­to van­af het ho­tel van Ksar es-Souk [Er­ra­chi­dia].
We was­sen onze kle­ren en mijn broek.
We hebben een ont­bijt op bed ge­had, dat wil zeg­gen, we had­den uit­ge­breid be­steld, maar kre­gen min­der uit­ge­breid. We wil­den een keer sno­bis­tisch doen in een vier ster­ren B ho­tel. Toch kost­te het ont­bijt nog zo’n 20 Dir­ham (Dh). Toen we af­re­ken­den, werd slechts één ont­bijt in het res­tau­rant be­re­kend en mijn Frans is te slecht om die man iets an­ders te ver­dui­de­lij­ken. (Ik wil­de het ook niet.) 55 Dh voor één nacht in twee twee­per­soons­bed­den en 5,50 Dh voor één ont­bijt.
Als we weg­lo­pen komt hij, de re­cep­ti­o­nist, ons ach­ter­na en zegt dat we te wei­nig be­taald heb­ben. Gis­te­ren­avond, die snacks. Hij biedt zijn ver­ont­schul­di­gin­gen aan, na­dat ik hem ge­zegd heb, dat we in de Me­di­na heb­ben ge­ge­ten, wat waar is. In het ho­tel had­den we geen snacks ge­ge­ten.
We gaan naar ho­tel l’Oa­sis, 25 Dh per nacht.
We lig­gen op bed uit te rus­ten van de ver­moei­e­nis­sen die ko­men gaan. Zo­wat de he­le dag blij­ven we bin­nen.
Ik praat met Cees over het feit dat ik geen con­cre­te ge­we­tens­be­zwa­ren heb dat ik naar een recht­se dic­ta­tuur / staat op va­kan­tie ben ge­gaan.
In het dorp ko­men we de drie lif­ters van gis­te­ren te­gen. Als we zeg­gen dat we in PLM heb­ben ge­sla­pen: “Habt ihr so­viel Geld?”
Later rea­li­se­ren we ons dat zij hasj ko­pen en ro­ken. Bo­ven­dien zijn we zó zui­nig ge­weest dat we dat over­ge­hou­den heb­ben, maar de gro­te in­ko­pen ko­men nog: twee Ag­fa dia­films, 45 Dh per stuk, dat is 90 Dh, in­clu­sief [de af­zon­der­lij­ke dia’s bij de ont­wik­ke­ling van de film in] raam­pjes. An­de­re zijn niet te krij­gen.
In een ca­fé kof­fie drin­ken en we gaan [ver­vol­gens] naar een café dat voor toe­ris­ten is ge­bouwd. Er wordt Ara­bische mu­ziek ge­draaid.
Ik zeg: “Dat is goe­de mu­ziek.”
De eigenaar zet de mu­ziek af en zet een wes­ter­se schreeuw­plaat op.
“Wat nu? We wil­len Ara­bische mu­ziek ho­ren.”
“Goeie mu­ziek, hè”, zegt hij.
“Nee, na­tuur­lijk niet.”
“Wat wilt u drin­ken?”
“Ara­bische mu­ziek en kof­fie.”
Het kan niet. We gaan weg. Waar­om er geen Ara­bische mu­ziek op kan is on­dui­de­lijk.
In een ander ca­fé heb­ben we de in­druk weg te wor­den ge­ke­ken en de baas wil of kan geen Frans ver­staan.
Tegen kwart voor acht zijn we in het res­tau­rant van ons ho­tel.
“Is het mo­ge­lijk vlees­loos te eten?”
De ma­na­ger wordt erbij ge­haald en het is mo­ge­lijk.
Wat we drin­ken?
“Sidi Ha­ra­zem.” [Mi­ne­raal­wa­ter.]
Goed eten.
De ober doet na het eten po­gin­gen ons weg te kij­ken.
We krijgen des­sert, ie­der een rot­te ap­pel. Van bin­nen rot. We leg­gen die in stuk­ken de­mon­stra­tief op het bord. Na een lan­ge tijd wordt de re­ke­ning ge­bracht en krij­gen we ie­der een nieuwe ap­pel. We moe­ten die in het bij­zijn van de ober door­snij­den. De­ze zijn be­ter. Daar­na be­stel­len we kof­fie (café au lait: kof­fie ver­keerd!) en wach­ten drie kwar­tier. Als we wil­len weg­gaan, zegt de ober: “Vijf mi­nu­ten nog. Ik heb de kof­fie ver­ge­ten te be­stel­len.”
Na tien mi­nu­ten is er kof­fie, spe­ci­aal voor ons ge­maakt, maar er is geen melk. Een pro­bleem in heel Ma­rok­ko en we wei­ge­ren daar­op de kof­fie.
We betalen 29 Dh plus 4,50 Dh be­die­nings­geld.
Tegen 22.00 uur op bed.
Weer: het was van­daag smoor­heet, te­gen de 40°C. ’s Avonds (dat is nor­maal) fris­ser.

Index

In­dex van ter­men:
In­dex van per­so­nen:
Cees.
In­dex van lo­ca­ties:

Me­nuBe­ginHoofd­index Over­zicht 1972-1990Ma­rok­ko 1976 (over­zicht).

28 september 1976

Ezels
Dit is de noor­de­lij­ke rand van de Sa­ha­ra.
Deze man­nen zijn met ei­gen ver­voer on­der­weg en kun­nen stop­pen wan­neer ze wil­len. Wij zijn af­han­ke­lijk van an­de­ren.

Dagboek 1976

(Dag 1704) Cees en ik zijn sa­men op va­kan­tie in Ma­rok­ko. We zijn in de oa­se Erfoud en ver­trek­ken van­daag eerst in zui­de­lij­ke rich­ting naar Ris­sa­ni en la­ter in noor­de­lij­ke rich­ting, lo­pend en lif­tend, naar Er­ra­chi­dia.

MenuIndex en het einde.

Dinsdag, 28 september 1976.
Om 8.00 uur op­ge­staan. We be­ta­len on­ze kamer: 10 Dir­ham (Dh) en eten aan de rand van het dorp, circa 5.000 in­wo­ners. In Er­foud pos­ten we de kaar­ten uit Ouar­za­za­te.
Ik zie de jon­gen van het ho­tel nog een keer.
Cees ziet zijn boy van gis­te­ren en ze groe­ten el­kaar. Die jon­gen lacht vrien­de­lijk. Hij heeft een hel­de­re blik.
We lo­pen cir­ca één uur in een steeds he­ter wor­den­de zon de Sa­ha­ra in, naar Ris­sa­ni.
Circa vijf ki­lo­me­ter heb­ben we ge­lo­pen als we een lift krij­gen van een vracht­wa­gen. We kun­nen drie ki­lo­me­ter voor Ris­sa­ni uit­stap­pen en lo­pen nog 100 me­ter. We ko­men de Hol­lan­ders uit Tin­ghir te­gen en pra­ten nog even. We had­den ze ’s mor­gens, toen we za­ten te eten, zien rij­den in hun groe­ne VW Por­sche.
We blij­ven een uur ge­de­mo­ra­li­seerd langs de rand van de weg zit­ten. Een jon­get­je be­delt en ik geef hem een hal­ve Dir­ham. We heb­ben geen puf om ver­der te gaan. De post­ze­gels, 8 stuks (4 van 0,65 Dh en 4 van 0,40 Dh) zijn weg.
Die van 0,40 Dh zijn zo te­rug­ge­von­den. Die an­de­re niet.
Cees kijkt rond en ik zoek on­der het brug­get­je waar we op zit­ten. Cir­ca 20 me­ter ver­der ziet Cees ze lig­gen, te­gen een stuik en met de beeld­zij­de naar vo­ren, als een mooi vier­kant­je. Het waait af en toe en zand zit tus­sen de on­ze tan­den.
Na een uur bes­lui­ten we ver­der te gaan en na cir­ca een half uur lo­pen zijn we in Ris­sa­ni, waar wel en geen, of wel een ho­tel is. Gid­sen wil­len ons naar de ka­me­len­markt stu­ren. Er zijn er die je niet meer met rust la­ten en we ne­ge­ren ze maar he­le­maal.
In een café drin­ken we kof­fie en co­la.
Ik wandel het dorpje in. Cees blijft bij de ba­ga­ge. Ik koop een fles Si­di Ha­ra­zem-wa­ter. Ga kij­ken of ik dia’s kan ko­pen, want ik ben aan de laat­ste rol­let­jes be­zig. Ik spreek even met een Zwit­ser.
In­for­meer hoe laat de bus naar Ksar es-Souk [Er­ra­chi­dia] ver­trekt: “Om 6.00 uur.” En ga te­rug naar Cees.
We ver­la­ten het ca­fé en gaan sa­men naar de bus­hal­te om kaart­jes te ko­pen. Er ver­trekt plot­se­ling niet eer­der dan om 24.00 uur een bus.
We zullen pro­be­ren een ta­xi naar Er­foud te krij­gen, want ik heb mijn buik vol van dit gat in de woes­tijn.
Cees spreekt met de Zwit­ser en we kun­nen met zijn lift­ge­vers mee. Duit­sers (ro­kers van hasj, “Das ver­steht sich, ja.”)
Als we Ris­sa­ni ver­la­ten heb­ben we geen ka­me­len­markt ge­zien, zijn er nog geen an­der­half uur ge­ble­ven, maar we zijn wel in de Sa­ha­ra ge­weest.
De lift­ge­vers: twee Duit­sers, dat wil zeg­gen man en vrouw met een Volks­wa­gen-bus, oud mo­del. Vijf lif­ters: de Zwit­ser, een Schot, een Duit­ser en twee Ne­der­lan­ders (wij).
We rijden door Er­foud en vra­gen of we ver­der mee noord­waarts kun­nen. En ja hoor, zij gaan naar Mes­ki, 40 km voor Ksar es-Souk en wij gaan mee. On­der­weg maak ik di­ver­se foto’s [dia’s] van kash­bahs.
In Meski rij­den we mee tot op de cam­ping, maar wij kun­nen daar zon­der tent niet over­nach­ten. De be­wa­kers: “Weg, weg, vi­te [snel!].”
We kun­nen van hen een één vier­kan­te me­ter over­dekt hok hu­ren voor 20 Dh per per­soon.
We besluiten te gaan en wil­len naar de gro­te weg lo­pen. De trap op en we wan­de­len op een rond­weg. Er komt een man aan­ge­lo­pen: “Toe­ris­ten! Waar ko­men jul­lie van­daan?”
“Hoe­lan­da.””
“Kom bij mij. Ik heb net ver­se munt ge­plukt. Moet je eens rui­ken. Kom een kop thee drin­ken. Vijf mi­nuut­jes maar.”
Cees aarzelt, maar ik stem toe. We lopen achter hem aan.
“Deze kant op,” zegt hij nors.
‘He, oei,” denk ik, ‘dat kost geld.’
We lopen met hem mee, be­tre­den zijn aar­den huis in de Ksar. Hij gaat thee zet­ten. Klopt met een ha­mer gro­te stuk­ken sui­ker van een brood­vor­mi­ge sui­ker­klomp af, zoekt wel tien mi­nu­ten naar lu­ci­fers. Wij heb­ben er ook geen.
We drin­ken on­ze eer­ste kop thee van hem. De whis­ky van Ma­rok­ko. “Shuk­ran” is “proost”.
“Geef me jul­lie ad­res, dan krij­gen jul­lie het mij­ne.” Ik schrijf on­ze ad­res­sen op en krijg van hem een brief met het zij­ne. Het ad­res mag ik over­schrij­ven. Hij laat tien­tal­len fo­to’s zien en ad­res­sen van vrien­den.
We krij­gen elk een ket­ting om­ge­han­gen, van da­dels, rood ge­verfd.
Zijn adres is: Mon­sieur Ali B M., Mes­ki, Er­ra­chi­dia, Ma­roc.
Hij ver­telt dat zijn doch­ter bin­nen­kort gaat trou­wen.
“Wat heb jij een mooi hor­lo­ge,”* zegt hij, wij­zend op het mij­ne. Cees laat het zij­ne zien en praat ver­der. We drin­ken drie kop­pen thee en eten brood met anijs er­in. En hij begint weer over het hor­lo­ge.
Ik zeg: “Het is van mijn vader.” [Dat is de waar­heid.] Hij be­grijpt het ver­keerd: “Een sou­ve­nir van jouw va­der.” en hij praat niet meer over het hor­lo­ge.
Of we fo­to’s wil­len ma­ken. Met zijn doch­ter Fa­ti­ma er­op, een meis­je van cir­ca vijf jaar en of we niet wat geld over heb­ben voor zijn oud­ste doch­ter, die bin­nen­kort gaat trou­wen.
‘Wat had ik gedacht.’
We maken fo­to’s met de flit­ser.
“Zijn dat niet toe­val­lig de­zelf­de bat­te­rij­en als in zijn ra­dio”, vraagt Cees en ja hoor, het zijn de­zelf­de. Ik heb vier re­ser­ve­bat­te­rij­en en geef er twee aan Cees, die ze aan Ali geeft.
Fo­to’s bin­nen, fo­to’s bui­ten, fo­to’s van de ezel, fo­to’s van de scha­pen.
“Heb­ben jul­lie geen zoem, zoem, zoem.” Hij maakt het ge­baar van elek­trisch sche­ren.
“Nee, dat heb­ben we niet.”
“En een ander sou­ve­nir?”
“Nou, we kun­nen niets mis­sen. Dit is onze over­le­ving.”
We geven 15 Dh. (F. 9,00)
Hij vraagt of we niet wil­len blij­ven sla­pen en of we niet cous­cous wil­len eten.
“We wil­len voor het don­ker in Ksar es-Souk [Er­ra­chi­dia] zijn.”
“Ja, ik stuur jul­lie da­dels, als jul­lie die fo­to’s stu­ren.”
We gaan en zien een prach­ti­ge zons­on­der­gang met er te­gen­over gou­den wol­ken. Geen fo­to’s ge­maakt, om­dat dat vol­gens Cees te veel tijd in be­slag zou ne­men.
Ach­ter­na ge­ze­ten door be­de­len­de kin­de­ren, ver­la­ten we Mes­ki en lo­pen rich­ting Ksar es-Souk.
Een jon­gen biedt ons da­dels aan en zegt: “Er is een Oued [ri­vier] over de weg en je kunt be­ter naar de cam­ping gaan.”
“We heb­ben geen tent.” En we lo­pen door en groe­ten vrien­de­lijk.
We heb­ben zo’n goed mo­reel dat ik best nog tot Ksar es-Souk zou wil­len lo­pen.
Na cir­ca drie ki­lo­me­ter krij­gen we een lift van een vracht­wa­gen. Ik help Cees mijn zak in de bak te gooi­en en wil ook met de zij­ne hel­pen. Hij snauwt dat ik moet in­stap­pen en ik be­grijp dat hij bang is dat de vracht­wa­gen zon­der ons, maar met ba­ga­ge zou kun­nen door­rij­den.
On­der­weg komt er nog een lif­ter bij.
We rij­den door een ho­ge Oued. Het gro­te voor­deel van de­ze lift: geen nat­te voe­ten.
In Ksar es-Souk stap­pen we bij de mos­kee uit en lo­pen te­rug naar het duur­ste ho­tel uit on­ze va­kan­tie: 55 Dh per nacht (f. 33,00) Het is er een be­kak­te boel, zon­der warm wa­ter.
“Warm wa­ter is er wel.”
“Nee, dat is er niet.” De re­cep­ti­o­nist gaat voe­len en wa­rem­pel, er is geen warm wa­ter.
“Mor­gen is er warm wa­ter.
“Hoe laat?”
“Morgen.”
En kwart voor twaalf is er nog geen warm wa­ter, maar om vijf over mid­der­nacht wel, maar zo­ver was het nog niet.
Tegen 20.00 uur gaan we in het dorp in­ko­pen doen voor mor­gen en soep eten. We ver­ge­ten kof­fie te drin­ken en gaan te­rug. We ko­men de twee Hol­lan­ders te­gen en een jon­gen die ze van twee jaar ge­le­den ken­den.
Ze spre­ken bij­na geen Frans en de sym­pa­thiek­ste van de twee kent een paar woord­jes Ara­bisch. We gaan kof­fie drinken in een ca­fé en pra­ten er wat.
De jon­gen (zijn naam weet ik niet) vraagt wat ik van Ma­rok­ko vind.
Ik zeg: “Na­tuur: een prach­tig land, maar veel ar­moede en veel be­de­laars.”
Hij ver­telt dat er geen ech­te mos­lims zijn, dat ie­der­een in de ko­ran ge­lijk is. Dat de rij­ken van de ar­men ste­len. Dat veel Ma­rok­ka­nen lui zijn. Ze gaan in het leger om be­taald niets te doen. Dat die luie Ma­rok­kanen ui­ter­aard kin­de­ren heb­ben die nog lui­er zijn en die hun kin­de­ren nog lui­er. Hij ver­telt mij dat hij zich op­ge­slo­ten had en zich voor­be­reid had op de ge­van­ge­nis en ik be­grijp er uit dat hij zich te­gen het re­gi­me wil­de ver­zet­ten. Kor­tom, hij noemt al­le­maal din­gen die in on­ze ‘Chris­te­lij­ke’ we­reld niet an­ders zijn.
Ik kan hem moei­lijk vol­gen, mijn Frans is erg slecht, bovendien heb ik wei­nig zin in een zo zwaar ge­sprek, maar wil niet zo on­be­leefd zijn door het af te bre­ken en ik word ge­hin­derd door Cees en die twee Hol­lan­ders die het in het Ne­der­lands ook on­der an­de­re over po­li­tiek en Den Uyl hebb­en.
Tegen 00.45 uur op bed. Cees zit in bad.
(Ik heb een Ko­dak­film voor 50 Dh. (f. 30,00) ge­kocht. In Er­foud kost­ten ze van­mor­gen 45 Dh en dat vond ik al te duur.)
Weer: de he­le dag droog. Tus­sen Ris­sa­ni en Mes­ki veel zand­stor­men.

*
Be­gin ja­ren ne­gen­tig, toen ik Sy­rië be­zocht, leer­de ik, dat wan­neer je iets van ie­mand prijst, een ding, een goed, of een klei­nood, de­ze per­soon ver­plicht is dat goed aan jou te ge­ven. Mo­ge­lijk speel­de dit prin­ci­pe ook mee bij de­ze boer, die mijn hor­lo­ge prees. Ik weet het niet, maar acht het mo­ge­lijk.

Index

In­dex van ter­men:
In­dex van per­so­nen:
Cees.
In­dex van lo­ca­ties:

Me­nuBe­ginHoofd­in­dex Over­zicht 1972-1990Ma­rok­ko 1976 (over­zicht).

27 september 1976

Tinghir
Een beeld van de oa­se Tin­ghir en de in­gang van de Tod­gha­kloof.

Dagboek 1976

(Dag 1703) Cees en ik zijn sa­men op va­kan­tie in Ma­rok­ko. We zijn in de oa­se Tin­ghir en ver­trek­ken van­daag in zuid­oos­te­lij­ke rich­ting, lo­pend en lif­tend, wat een fan­tas­tisch avon­tuur op­le­vert, om in Er­foud te ge­ra­ken.

MenuIndex en het einde.

Maandag, 27 september 1976.
Op tegen 8.15 uur. Ont­bijt in het ho­tel. Prijs: circa 78 Dir­ham (Dh). Dat is 30 Dh per nacht plus ont­bijt.
We ver­trek­ken te voet rich­ting Ti­nej­dad dat 53 km oos­te­lijker ligt. We wil­len naar Er­foud. Als we ver­trek­ken be­gint het te re­ge­nen en we doen on­ze jas­sen aan. Even la­ter stroomt de re­gen naar be­ne­den. Deels ge­de­mo­ra­li­seerd sjok ik ver­der. Mijn rug­zak als een zware last mee tor­send. Ik denk dat die meer dan 25 kg weegt. Hij zit niet goed en lang knoei­en helpt niet veel. Dan weer draagt hij he­le­maal op mijn schou­ders, dan weer op mijn heu­pen, mijn broek­riem zit er hin­der­lijk en pijn­lijk tus­sen. Als ik die riem af doe, zakt mijn broek la­ger. Ik ben ma­ger­der ge­wor­den. Maar plot­se­ling zit hij goed en vind ik de kracht. Ik loop de op mijn ze­nu­wen wer­ken­de slof­fen­de Cees voor­bij. In en­ke­le ki­lo­me­ters bouw ik een voor­sprong van een vijf­tig­tal me­ters op. Cees heeft last met zijn rug­zak en als ik op hem wacht en hij aan komt slof­fen, ben ik mijn mo­reel weer kwijt en loop weer te han­ne­sen en raak ach­ter­op. Na een poos vind ik het mo­reel weer en loop de nog al­tijd slof­fen­de Cees voor­bij. (Ik kan niet tegen dat slof­fen) Zo’n gro­te voor­sprong als eerst haal ik niet meer, maar we schie­ten aar­dig op. In twee uur lo­pen we 11 km, met een flin­ke hel­ling er­tus­sen.
Au­to’s die de goe­de kant uit gaan komen er wei­nig en die ko­men, zijn al­le­maal vol.
We gaan langs de kant van de weg zit­ten en eten twee bo­ter­ham­men, vijf me­ter vóór en te­gen­over ki­lo­me­ter­paal 11. We lif­ten etend ver­der. Een Frans­man en zijn vrouw stopt.
Of we mee kun­nen naar Ti­nej­dad. Ja, zij gaan naar Ksar es-Souk. [Er­ra­chi­dia] We krui­pen in de au­to. De ba­ga­ge komt on­ge­luk­kig op ons te lig­gen, maar ge­luk­kig hoe­ven we niet te lo­pen.
In Tinejdad vragen we of ze een kop kof­fie van ons wil­len, maar die wil­len ze niet, want ze wil­len door.
In Tinejdad leidt een of an­de­re gast ons naar een ca­fé. (Waar we om ge­vraagd had­den.)
We bieden hem kof­fie aan, maar meer dan één drinkt hij niet.
Een taxi naar Er­foud rijdt niet.
We kopen een fles Si­di Ha­ra­zem, waar­van we in deze va­kan­tie meer dan 40 li­ter zul­len drin­ken. Na­tuur­lijk mi­ne­raal­wa­ter en gaan weer op stap.
On­der­weg pro­be­ren we in een bus te ko­men, maar de chauf­feur laat blij­ken dat we bij de hal­te moe­ten zijn. We lo­pen er ‘snel’ naar toe en daar staan nog twin­tig Ma­rok­ka­nen om een plaats­je te drin­gen. Zij ko­men niet meer mee en wij ook niet. Mor­gen komt er weer een bus. Mis­schien heb­ben we dan meer ge­luk.
We lopen naar de ta­xi­stand­plaats. We zijn niet de eni­gen die op een ta­xi wach­ten.
Op het Post­kan­toor ligt de amb­te­naar op de grond te sla­pen. “Het kan­toor is ge­slo­ten.” Er wor­den dus ook geen post­ze­gels ver­kocht.
Er rijdt blijkbaar maar één ta­xi, want er ge­beurt een he­le tijd niets. We lo­pen dus maar ver­der. 23 km verder ligt Goul­mi­ma. We lo­pen tot de split­sing Ksar es-Souk, Er­foud, Ti­nej­dad en we be­slui­ten of naar Ksar es-Souk [Er­ra­chi­dia] of naar Er­foud te gaan, al naar ge­lang de lift gaat, hoe­wel Er­foud pre­va­leert.
Er ko­men jon­get­jes bij ons staan die naar Goul­mi­ma wil­len. Een kust zijn mooi vriend­je goeie­dag. Een nor­maal ver­schijn­sel in Ma­rok­ko: man­nen hand in hand, el­kaar kus­sen­de man­nen en jon­gens, maar man en vrouw of jon­gens en meis­jes hand in hand heb ik er niet ge­zien.
Zij bie­den ons si­ga­ret­ten aan, maar we ro­ken bei­den niet. We krij­gen da­dels van één van hen. Vol­op da­dels. Eén heeft het koud en ik bied hem mijn jas­je aan, maar het is niet no­dig, zegt hij.
Er komen au­to’s zat langs, maar geen stopt. We spre­ken Frans te­gen el­kaar, dat wil zeg­gen, die jon­gens en ik. De leef­tijd va­ri­eert van cir­ca 10 tot 16 jaar. Eén van hen zegt dat als we in Goul­mi­ma zijn, we bij hem thuis thee kun­nen drin­ken en er kun­nen sla­pen.
Er komt een Zwit­ser langs stui­ven. Hij stopt. De jon­gens vlie­gen er op af, maar hij rijdt snel ach­ter­uit. (Een Peu­geot 404) Cees en ik be­slui­ten niet zon­der die jon­get­jes rich­ting Ksar es-Souk te gaan. De­zen moe­ten ech­ter naar Er­foud en we be­slui­ten mee te gaan. Ik neem af­scheid van die jon­gens en be­dank nog eens ex­tra voor de da­dels en ik wijs die Zwit­sers de weg naar Er­foud.
Cees kan bij twee Duit­sers in een Volks­wa­gen-bus, die met de Zwit­ser en zijn vrien­din mee­rij­den.
Ik zwaai nog naar de, vol­gens mij, be­teu­terd te kij­ken staan­de jon­gens en met een leeg hart ga ik van dit punt weg.
We rij­den de woes­tijn in, met Bob Dy­lan op de ach­ter­grond. Oum Kal­soum* zou me dui­zend keer lie­ver zijn ge­weest.
Of ik even een si­ga­ret wil vast­hou­den. Een fil­ter­si­ga­ret, slechts half vol. Ik kijk er in, vreemd groen spul zit er in. Hasj of zoiets. Het ding wordt ge­vuld en op­ge­rookt.
We rijden tot Tou­roug (on­ge­veer 35 km voor­bij Ti­nej­dad) en wor­den er te­gen­ge­hou­den. Er volgt een om­leiding. Er is iets met een ri­vier, de Oued el-Rhe­ris.
“Om­lei­ding zon­der gids is on­mo­ge­lijk.” Toch pro­beert de Zwit­ser het. Het lukt niet. Te­rug. Over­al zijn men­sen die je wil­len te­gen­hou­den. We rij­den tot de ri­vier, die een stuk van de weg heeft weg­ge­sla­gen. Een jon­get­je is gids. We rij­den te­rug.
De jon­gens, waar Cees in de wa­gen zit, zijn twee Duit­sers en erg mooi.
Het jongetje leidt ons naar een door­waad­ba­re plaats en krijgt ru­zie met een al­daar op­pas­sen­de man, die hem ach­ter­na loopt. Na een poos­je komt de man te­rug en ge­biedt hem te vol­gen. Een klei­ne plas en dan de Oued (ri­vier). Hij ver­dwijnt bij­na tot zijn knie­ën in het wa­ter.
‘Als dat maar goed gaat’ denk ik. Hal­ver­we­ge slaat de mo­tor af. (De uit­laat is on­der wa­ter ver­dwe­nen.) Star­ten helpt niets.
“Aus­stei­gen”, zegt de Zwit­ser. Ik doe de deur open en het wa­ter gutst naar bin­nen.
Tot mijn knie­ën in het wa­ter help ik met het meis­je en de Ma­rok­kaan de wa­gen op het dro­ge.
“Der Zünd­ver­tei­ler ist wahr­schein­lich nass”, zeg ik. (De stroom­ver­de­ler is waar­schijn­lijk nat.) De­ze wordt af­ge­droogd. Als even la­ter het wa­ter uit de knal­pot is, start de wa­gen op­nieuw.
Een derde poel, het wa­ter is min­der diep, wordt zon­der pro­ble­men ge­no­men.
De Volks­wa­gen-bus heeft geen pro­ble­men. De uit­laat zit ho­ger en hij rijdt har­der. We rij­den een stuk door en stop­pen dan om kle­ren te ver­scho­nen.
Cees en ik ver­zor­gen met mijn ver­band een al ou­de­re wond op het rech­ter­been van het meis­je.
Het is lek­ker dro­ge kle­ren aan te heb­ben.
Een Frans­man stopt en zegt dat het verder op, rich­ting Er­foud, een jan­boel is door­dat een ri­vier over de weg stroomt. Wij waar­schu­wen hem ook.
Een rare ge­dach­te: da­de­lijk weer een nat pak. We ver­vol­gen on­ze weg door en­ke­le dorp­jes en de woes­tijn. Vreem­de mu­ziek (elek­tro­nisch) en Bob Dy­lan wis­se­len el­kaar af. Waar is toch die mooie Ara­bische mu­ziek?
De ri­vier is de­zelf­de als eerst, maar het valt hier no­gal mee.
’s Avonds laat, rond 20.00 uur zijn we in Er­foud.
Ik vond het jam­mer om te zien hoe de­ze men­sen, waar­mee we lif­ten, met de kin­de­ren omgingen. In Tou­roug, voor de ri­vier, kwa­men tien­tal­len kin­de­ren op ons af en rie­pen van al­les door el­kaar. De Zwit­ser schreeuw­de heel hard: “Si­len­ce” (in het Frans) en ie­der­een was ver­bluft. Hier­na bood hij zijn ver­ont­schul­di­gin­gen aan in de vorm van dat hij zei dat hij maar naar één te­ge­lijk kon luis­te­ren. Dat viel me mee van hem.
We nemen in ho­tel es-Sa­laam een ka­mer, twee bed­den (een zand­bak op de grond) en een was­bak, voor 10 Dh per nacht.
Er zijn enkele mooie boys. Een van hen be­heert het ho­tel. Hij kijkt bru­taal wild uit de ogen, maar is mooi. We eten (met jus van vlees) ve­ge­ta­risch en lek­ker in de Me­di­na van het dorp­je. Hier­na gaan we te­rug naar het ho­tel en ha­len de zak­lamp. We lo­pen naar de cam­ping, waar de Zwit­sers en de Duit­sers (ook hasj­ro­kers) zit­ten. We gaan bij de Zwit­sers naar bin­nen. Er staan geen ten­ten, maar je kunt een slaap­hok hu­ren.
We pra­ten en ver­tel­len en zij ro­ken een hasj­si­ga­ret. Ik drink een slok wran­ge wijn. Cees maakt een hasj­si­ga­ret klaar die Star­let (want zo heet het meis­je) op­rookt. We gaan het dorp in, Cees, Star­let en ik. Zij is “zu” (is sto­ned) en zegt nu de weg naar haar on­der­be­wust­zijn te vin­den en te kun­nen fi­lo­so­fe­ren.
We lo­pen on­der een fan­tas­tische ster­ren­hemel in een ver­re­gend Er­foud, naar een ca­fé. We drin­ken er thee, co­la en kof­fie en Star­let eet.
Zij raakt in ge­sprek met en­ke­le in­woners, in het Spaans. (Zij woont in Span­je.)
Er komt een mooie rus­ti­ge jon­gen bin­nen met een licht paars hoed­je op.
Starlet be­gint steeds va­ker en steeds lan­ger te la­chen. Het hangt me de keel uit en ik ga weg. Al­leen Cees blijft met die meid ach­ter en ik denk: ‘Dat wordt een leuk avon­tuurt­je voor hem.’ Ik wil ei­gen­lijk ook wel aan­ge­rand wor­den door een mooie boy, maar eerst moet ik naar het toi­let.
In het ho­tel zie ik die mooie knaap niet meer.
Ik ga op bed. Ik lig te luis­te­ren of er nie­mand wil bin­nen­drin­gen, die mij wil heb­ben. Ik ben een beet­je ja­loers op Cees, die wel­licht aan zijn seks­trek­ken komt en ik niet. Het is tegen 01.00 uur.
Cees komt circa 02.00 uur. Hij ver­telt sa­men met Star­let naar de cam­ping te zijn ge­gaan, ver­ge­zeld door die jon­gen met dat vreem­de hoed­je en ook op de te­rug­weg. Hij wil­de we­ten waar Star­let sliep. Dat be­greep Cees uit zijn ge­ba­ren.
“Met haar vrien­den” wist Cees hem dui­de­lijk te ma­ken. (Ze zou ech­ter in een au­to al­leen sla­pen.) Dan wil­de hij met Cees in bed. Dat sloeg Cees af. Ik zou dat niet ge­daan heb­ben, maar hij heeft mij niet ge­vraagd.
Weer: ’s mor­gens re­gen en fris. ’s Mid­dags smoor­heet en ’s avonds fris tot koud in de Sa­ha­ra!

*
Oum Kalsoum. Wi. Oum Kal­soum (1904-1975) Een in de ge­he­le Ara­bische we­reld hoogst ge­waar­deer­de Egyp­tische zan­ge­res, con­tra-alt, voor wie de men­sen thuis ble­ven als ze voor de ra­dio live zong. Haar gen­re was de klas­sie­ke Ara­bische zang. Haar gram­mo­foon­pla­ten gaan als zoe­te brood­jes over de plank.

Index

In­dex van ter­men:
In­dex van per­so­nen:
Cees.
In­dex van lo­ca­ties:

Me­nuBe­ginHoofd­in­dex Over­zicht 1972-1990Ma­rok­ko 1976 (over­zicht).

26 september 1976

Todghakloof
De Tod­gha­kloof nabij Tin­ghir. Be­ne­den, rechts op de fo­to, is het ho­tel zicht­baar waar we soep aten.

Dagboek 1976

(Dag 1702) Cees en ik zijn sa­men op va­kan­tie in Ma­rok­ko. We zijn in de oa­se Tin­ghir en be­zoe­ken van­daag de Tod­gha­kloof (Gor­ges du Tod­ra). Daar ko­men we in een he­vige plens­bui te­recht.

MenuIndex en het einde.

Zondag, 26 september 1976.
Hotel: ontbijt.
Tegen 10.00 uur gaan te voet naar de Gor­ges du Tod­ra. We lo­pen on­ge­veer 9 km in 2,5 uur tijd, berg op en berg af. On­der­weg be­de­len­de kin­de­ren: we spre­ken Ne­der­lands en doen als­of we hun ge­vraag om geld niet ver­staan. La­ter gaan ze met ste­nen gooi­en.
We komen langs een dorp­je en krij­gen even voor­bij een an­der dorp­je een lift van twee Spaan­se vrou­wen en twee Span­jaar­den in een Land­ro­ver.
We rijden tot in de kloof, waar we dia’s ma­ken, ook van ezel­rui­ters.
De Span­jaar­den ver­trek­ken: of we mee wil­len? Nee, we gaan eten en te voet te­rug. Tij­dens dat eten komt een jon­gen bij ons zit­ten. We sme­ren brood en ge­ven hem ook. We wan­de­len te­rug.
Het begint te re­ge­nen en we wil­len schui­len. Een Ma­rok­kaan (niet de mee-eter) zegt dat het be­ter is door te lo­pen tot aan het be­gin van de kloof, naar het ho­tel, want als het blijft re­ge­nen, kan de ri­vier een ho­ge kol­ken­de stroom wor­den, nu is hij uit­ge­droogd. En­gel­se toe­ris­ten pro­beer ik te­ver­geefs te over­tui­gen. De Ma­rok­kaan­se jon­gen (de mee-eter) neemt het over en heeft meer re­sul­taat.
Door- en door­nat ko­men we bij het be­gin van de kloof aan. In een ho­tel eten we soep (die wordt spe­ci­aal ge­maakt) en drin­ken kof­fie. Het is dan te­gen 15.00 uur.
We gaan ver­der als het droog is. Ik maak dia’s. On­der­weg be­gint het weer te re­ge­nen. We heb­ben geen re­gen­jas­sen bij ons. Ma­rok­kanen pro­be­ren ons djel­la­ba’s te ver­ko­pen.
In een café drin­ken we kof­fie en hier­na ver­vol­gen we on­ze weg door de re­gen. We wor­den voor gek ver­klaard.
Het is al don­ker als we een lift krij­gen. Die zet ons voor het ho­tel af. We ver­wis­se­len nat­te voor dro­ge kle­ren. Cees heeft geen dro­ge broek en trekt zijn zwar­te djel­la­ba aan. We drin­ken kof­fie, eten op de ka­mer en gaan te­rug om thee te drin­ken.
Twee Hol­lan­ders, cir­ca 45 jaar, zit­ten er te eten en Cees spreekt hen aan. We ko­men te pra­ten. Cees en ik drin­ken on­ze thee. We krij­gen me­loen van hen en kof­fie. Ze ha­len hun Ma­rok­kaan­se Ber­ber­vriend­je er­bij. Een jon­gen van een jaar of 20. Een mooie jon­gen die ik me­zelf, in plaats van hen, in bed gun­de. Het gun­nen mag niet ba­ten. Zij heb­ben toch de voor­keur.
Ook pra­ten over po­li­tiek.
Na twee glaas­jes ro­sé ‘voel ik hem zit­ten’ en ga licht aan­ge­scho­ten op bed te­gen 00.00 uur.
We heb­ben niets van het einde-Ra­ma­dan­feest mee­ge­kre­gen. De he­mel ken­de ook ein­de re­gen­vas­ten. Dat heb­ben we wel mee­ge­kre­gen.
Weer: ’s mor­gens be­wolkt, toen vol­op en veel zon. Van­af 13.00 uur tot on­ein­dig ont­zet­tend veel re­gen, on­weer en ui­ter­aard koud.

Index

In­dex van ter­men:
In­dex van per­so­nen:
Cees.
In­dex van lo­ca­ties:

Me­nuBe­ginHoofd­index Over­zicht 1972-1990Ma­rok­ko 1976 (over­zicht).