27 september 1976

Tinghir
Een beeld van de oa­se Tin­ghir en de in­gang van de Tod­gha­kloof.

Dagboek 1976

(Dag 1703) Cees en ik zijn sa­men op va­kan­tie in Ma­rok­ko. We zijn in de oa­se Tin­ghir en ver­trek­ken van­daag in zuid­oos­te­lij­ke rich­ting, lo­pend en lif­tend, wat een fan­tas­tisch avon­tuur op­le­vert, om in Er­foud te ge­ra­ken.

MenuIndex en het einde.

Maandag, 27 september 1976.
Op tegen 8.15 uur. Ont­bijt in het ho­tel. Prijs: circa 78 Dir­ham (Dh). Dat is 30 Dh per nacht plus ont­bijt.
We ver­trek­ken te voet rich­ting Ti­nej­dad dat 53 km oos­te­lijker ligt. We wil­len naar Er­foud. Als we ver­trek­ken be­gint het te re­ge­nen en we doen on­ze jas­sen aan. Even la­ter stroomt de re­gen naar be­ne­den. Deels ge­de­mo­ra­li­seerd sjok ik ver­der. Mijn rug­zak als een zware last mee tor­send. Ik denk dat die meer dan 25 kg weegt. Hij zit niet goed en lang knoei­en helpt niet veel. Dan weer draagt hij he­le­maal op mijn schou­ders, dan weer op mijn heu­pen, mijn broek­riem zit er hin­der­lijk en pijn­lijk tus­sen. Als ik die riem af doe, zakt mijn broek la­ger. Ik ben ma­ger­der ge­wor­den. Maar plot­se­ling zit hij goed en vind ik de kracht. Ik loop de op mijn ze­nu­wen wer­ken­de slof­fen­de Cees voor­bij. In en­ke­le ki­lo­me­ters bouw ik een voor­sprong van een vijf­tig­tal me­ters op. Cees heeft last met zijn rug­zak en als ik op hem wacht en hij aan komt slof­fen, ben ik mijn mo­reel weer kwijt en loop weer te han­ne­sen en raak ach­ter­op. Na een poos vind ik het mo­reel weer en loop de nog al­tijd slof­fen­de Cees voor­bij. (Ik kan niet tegen dat slof­fen) Zo’n gro­te voor­sprong als eerst haal ik niet meer, maar we schie­ten aar­dig op. In twee uur lo­pen we 11 km, met een flin­ke hel­ling er­tus­sen.
Au­to’s die de goe­de kant uit gaan komen er wei­nig en die ko­men, zijn al­le­maal vol.
We gaan langs de kant van de weg zit­ten en eten twee bo­ter­ham­men, vijf me­ter vóór en te­gen­over ki­lo­me­ter­paal 11. We lif­ten etend ver­der. Een Frans­man en zijn vrouw stopt.
Of we mee kun­nen naar Ti­nej­dad. Ja, zij gaan naar Ksar es-Souk. [Er­ra­chi­dia] We krui­pen in de au­to. De ba­ga­ge komt on­ge­luk­kig op ons te lig­gen, maar ge­luk­kig hoe­ven we niet te lo­pen.
In Tinejdad vragen we of ze een kop kof­fie van ons wil­len, maar die wil­len ze niet, want ze wil­len door.
In Tinejdad leidt een of an­de­re gast ons naar een ca­fé. (Waar we om ge­vraagd had­den.)
We bieden hem kof­fie aan, maar meer dan één drinkt hij niet.
Een taxi naar Er­foud rijdt niet.
We kopen een fles Si­di Ha­ra­zem, waar­van we in deze va­kan­tie meer dan 40 li­ter zul­len drin­ken. Na­tuur­lijk mi­ne­raal­wa­ter en gaan weer op stap.
On­der­weg pro­be­ren we in een bus te ko­men, maar de chauf­feur laat blij­ken dat we bij de hal­te moe­ten zijn. We lo­pen er ‘snel’ naar toe en daar staan nog twin­tig Ma­rok­ka­nen om een plaats­je te drin­gen. Zij ko­men niet meer mee en wij ook niet. Mor­gen komt er weer een bus. Mis­schien heb­ben we dan meer ge­luk.
We lopen naar de ta­xi­stand­plaats. We zijn niet de eni­gen die op een ta­xi wach­ten.
Op het Post­kan­toor ligt de amb­te­naar op de grond te sla­pen. “Het kan­toor is ge­slo­ten.” Er wor­den dus ook geen post­ze­gels ver­kocht.
Er rijdt blijkbaar maar één ta­xi, want er ge­beurt een he­le tijd niets. We lo­pen dus maar ver­der. 23 km verder ligt Goul­mi­ma. We lo­pen tot de split­sing Ksar es-Souk, Er­foud, Ti­nej­dad en we be­slui­ten of naar Ksar es-Souk [Er­ra­chi­dia] of naar Er­foud te gaan, al naar ge­lang de lift gaat, hoe­wel Er­foud pre­va­leert.
Er ko­men jon­get­jes bij ons staan die naar Goul­mi­ma wil­len. Een kust zijn mooi vriend­je goeie­dag. Een nor­maal ver­schijn­sel in Ma­rok­ko: man­nen hand in hand, el­kaar kus­sen­de man­nen en jon­gens, maar man en vrouw of jon­gens en meis­jes hand in hand heb ik er niet ge­zien.
Zij bie­den ons si­ga­ret­ten aan, maar we ro­ken bei­den niet. We krij­gen da­dels van één van hen. Vol­op da­dels. Eén heeft het koud en ik bied hem mijn jas­je aan, maar het is niet no­dig, zegt hij.
Er komen au­to’s zat langs, maar geen stopt. We spre­ken Frans te­gen el­kaar, dat wil zeg­gen, die jon­gens en ik. De leef­tijd va­ri­eert van cir­ca 10 tot 16 jaar. Eén van hen zegt dat als we in Goul­mi­ma zijn, we bij hem thuis thee kun­nen drin­ken en er kun­nen sla­pen.
Er komt een Zwit­ser langs stui­ven. Hij stopt. De jon­gens vlie­gen er op af, maar hij rijdt snel ach­ter­uit. (Een Peu­geot 404) Cees en ik be­slui­ten niet zon­der die jon­get­jes rich­ting Ksar es-Souk te gaan. De­zen moe­ten ech­ter naar Er­foud en we be­slui­ten mee te gaan. Ik neem af­scheid van die jon­gens en be­dank nog eens ex­tra voor de da­dels en ik wijs die Zwit­sers de weg naar Er­foud.
Cees kan bij twee Duit­sers in een Volks­wa­gen-bus, die met de Zwit­ser en zijn vrien­din mee­rij­den.
Ik zwaai nog naar de, vol­gens mij, be­teu­terd te kij­ken staan­de jon­gens en met een leeg hart ga ik van dit punt weg.
We rij­den de woes­tijn in, met Bob Dy­lan op de ach­ter­grond. Oum Kal­soum* zou me dui­zend keer lie­ver zijn ge­weest.
Of ik even een si­ga­ret wil vast­hou­den. Een fil­ter­si­ga­ret, slechts half vol. Ik kijk er in, vreemd groen spul zit er in. Hasj of zoiets. Het ding wordt ge­vuld en op­ge­rookt.
We rijden tot Tou­roug (on­ge­veer 35 km voor­bij Ti­nej­dad) en wor­den er te­gen­ge­hou­den. Er volgt een om­leiding. Er is iets met een ri­vier, de Oued el-Rhe­ris.
“Om­lei­ding zon­der gids is on­mo­ge­lijk.” Toch pro­beert de Zwit­ser het. Het lukt niet. Te­rug. Over­al zijn men­sen die je wil­len te­gen­hou­den. We rij­den tot de ri­vier, die een stuk van de weg heeft weg­ge­sla­gen. Een jon­get­je is gids. We rij­den te­rug.
De jon­gens, waar Cees in de wa­gen zit, zijn twee Duit­sers en erg mooi.
Het jongetje leidt ons naar een door­waad­ba­re plaats en krijgt ru­zie met een al­daar op­pas­sen­de man, die hem ach­ter­na loopt. Na een poos­je komt de man te­rug en ge­biedt hem te vol­gen. Een klei­ne plas en dan de Oued (ri­vier). Hij ver­dwijnt bij­na tot zijn knie­ën in het wa­ter.
‘Als dat maar goed gaat’ denk ik. Hal­ver­we­ge slaat de mo­tor af. (De uit­laat is on­der wa­ter ver­dwe­nen.) Star­ten helpt niets.
“Aus­stei­gen”, zegt de Zwit­ser. Ik doe de deur open en het wa­ter gutst naar bin­nen.
Tot mijn knie­ën in het wa­ter help ik met het meis­je en de Ma­rok­kaan de wa­gen op het dro­ge.
“Der Zünd­ver­tei­ler ist wahr­schein­lich nass”, zeg ik. (De stroom­ver­de­ler is waar­schijn­lijk nat.) De­ze wordt af­ge­droogd. Als even la­ter het wa­ter uit de knal­pot is, start de wa­gen op­nieuw.
Een derde poel, het wa­ter is min­der diep, wordt zon­der pro­ble­men ge­no­men.
De Volks­wa­gen-bus heeft geen pro­ble­men. De uit­laat zit ho­ger en hij rijdt har­der. We rij­den een stuk door en stop­pen dan om kle­ren te ver­scho­nen.
Cees en ik ver­zor­gen met mijn ver­band een al ou­de­re wond op het rech­ter­been van het meis­je.
Het is lek­ker dro­ge kle­ren aan te heb­ben.
Een Frans­man stopt en zegt dat het verder op, rich­ting Er­foud, een jan­boel is door­dat een ri­vier over de weg stroomt. Wij waar­schu­wen hem ook.
Een rare ge­dach­te: da­de­lijk weer een nat pak. We ver­vol­gen on­ze weg door en­ke­le dorp­jes en de woes­tijn. Vreem­de mu­ziek (elek­tro­nisch) en Bob Dy­lan wis­se­len el­kaar af. Waar is toch die mooie Ara­bische mu­ziek?
De ri­vier is de­zelf­de als eerst, maar het valt hier no­gal mee.
’s Avonds laat, rond 20.00 uur zijn we in Er­foud.
Ik vond het jam­mer om te zien hoe de­ze men­sen, waar­mee we lif­ten, met de kin­de­ren omgingen. In Tou­roug, voor de ri­vier, kwa­men tien­tal­len kin­de­ren op ons af en rie­pen van al­les door el­kaar. De Zwit­ser schreeuw­de heel hard: “Si­len­ce” (in het Frans) en ie­der­een was ver­bluft. Hier­na bood hij zijn ver­ont­schul­di­gin­gen aan in de vorm van dat hij zei dat hij maar naar één te­ge­lijk kon luis­te­ren. Dat viel me mee van hem.
We nemen in ho­tel es-Sa­laam een ka­mer, twee bed­den (een zand­bak op de grond) en een was­bak, voor 10 Dh per nacht.
Er zijn enkele mooie boys. Een van hen be­heert het ho­tel. Hij kijkt bru­taal wild uit de ogen, maar is mooi. We eten (met jus van vlees) ve­ge­ta­risch en lek­ker in de Me­di­na van het dorp­je. Hier­na gaan we te­rug naar het ho­tel en ha­len de zak­lamp. We lo­pen naar de cam­ping, waar de Zwit­sers en de Duit­sers (ook hasj­ro­kers) zit­ten. We gaan bij de Zwit­sers naar bin­nen. Er staan geen ten­ten, maar je kunt een slaap­hok hu­ren.
We pra­ten en ver­tel­len en zij ro­ken een hasj­si­ga­ret. Ik drink een slok wran­ge wijn. Cees maakt een hasj­si­ga­ret klaar die Star­let (want zo heet het meis­je) op­rookt. We gaan het dorp in, Cees, Star­let en ik. Zij is “zu” (is sto­ned) en zegt nu de weg naar haar on­der­be­wust­zijn te vin­den en te kun­nen fi­lo­so­fe­ren.
We lo­pen on­der een fan­tas­tische ster­ren­hemel in een ver­re­gend Er­foud, naar een ca­fé. We drin­ken er thee, co­la en kof­fie en Star­let eet.
Zij raakt in ge­sprek met en­ke­le in­woners, in het Spaans. (Zij woont in Span­je.)
Er komt een mooie rus­ti­ge jon­gen bin­nen met een licht paars hoed­je op.
Starlet be­gint steeds va­ker en steeds lan­ger te la­chen. Het hangt me de keel uit en ik ga weg. Al­leen Cees blijft met die meid ach­ter en ik denk: ‘Dat wordt een leuk avon­tuurt­je voor hem.’ Ik wil ei­gen­lijk ook wel aan­ge­rand wor­den door een mooie boy, maar eerst moet ik naar het toi­let.
In het ho­tel zie ik die mooie knaap niet meer.
Ik ga op bed. Ik lig te luis­te­ren of er nie­mand wil bin­nen­drin­gen, die mij wil heb­ben. Ik ben een beet­je ja­loers op Cees, die wel­licht aan zijn seks­trek­ken komt en ik niet. Het is tegen 01.00 uur.
Cees komt circa 02.00 uur. Hij ver­telt sa­men met Star­let naar de cam­ping te zijn ge­gaan, ver­ge­zeld door die jon­gen met dat vreem­de hoed­je en ook op de te­rug­weg. Hij wil­de we­ten waar Star­let sliep. Dat be­greep Cees uit zijn ge­ba­ren.
“Met haar vrien­den” wist Cees hem dui­de­lijk te ma­ken. (Ze zou ech­ter in een au­to al­leen sla­pen.) Dan wil­de hij met Cees in bed. Dat sloeg Cees af. Ik zou dat niet ge­daan heb­ben, maar hij heeft mij niet ge­vraagd.
Weer: ’s mor­gens re­gen en fris. ’s Mid­dags smoor­heet en ’s avonds fris tot koud in de Sa­ha­ra!

*
Oum Kalsoum. Wi. Oum Kal­soum (1904-1975) Een in de ge­he­le Ara­bische we­reld hoogst ge­waar­deer­de Egyp­tische zan­ge­res, con­tra-alt, voor wie de men­sen thuis ble­ven als ze voor de ra­dio live zong. Haar gen­re was de klas­sie­ke Ara­bische zang. Haar gram­mo­foon­pla­ten gaan als zoe­te brood­jes over de plank.

Index

In­dex van ter­men:
In­dex van per­so­nen:
Cees.
In­dex van lo­ca­ties:

Me­nuBe­ginHoofd­in­dex Over­zicht 1972-1990Ma­rok­ko 1976 (over­zicht).

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.