25 november 1997

Hotel

Het Gaṣr al-Goeb­ba-ho­tel te Ta­rīm. Mijn ‘re­si­den­tie’ in het voor­jaar van 1996 en ook dit jaar, 1997.

Het Tarīm-project 1997

1997 – 2017: twin­tig jaar ge­le­den

Tarīm: Hadramaut, Jemen

Dagboek 1997

(Dag 9432) Ik ben in de Ḥaḍramaut (Zuid-Je­men) in de plaats Tarīm. De ko­men­de we­ken zal ik daar lo­ge­ren in het Gaṣr al-Goeb­ba-ho­tel (Koe­pel­pa­leis-ho­tel) en er wer­ken in de al-Aḥgāf-bi­blio­theek voor hand­schrif­ten. – Ik heb veel con­tant geld bij me. Waar ik ver­le­den jaar, met een nog veel gro­ter be­drag aan baar geld, daar zor­ge­loos ver­bleef, ben ik van­daag ui­terst be­zorgd over mijn vei­lig­heid. – Mijn ver­slag, op mijn lap­top ge­schre­ven, be­vat meer (ach­ter­grond)­in­for­ma­tie dan mijn dag­boek­ver­slag. – De munt­een­heid in Je­men is de Rial (YER). (1 rial = f. 0,015 (an­der­hal­ve cent), dus 100 rial = f. 1,50.)

MenuFo­toIndex en het eindeTrans­criptie.

 
 

Dinsdag, 25 november 1997.
Tariem: 7/41.
Op 7.00 uur. Koffie. Douche.
Goed geslapen.
Ontbijt van het ho­tel.
Dagboek bij­wer­ken tot cir­ca 10.00 uur.
Temperatuur binnen / buiten: 31°C.
Met Abd al-Raḥmān [di­rec­teur van al-Aḥgāf-bi­blio­theek] be­sprak ik het te vol­gen pro­gram­ma. (Het spreekt me niet aan dat ik in­struc­tie in boek­bin­den moet ge­ven. Ge­luk­kig komt er iemand uit Ṣanaᶜā’ die van wan­ten weet en die Ara­bisch en En­gels spreekt.)
Ik werkte van cir­ca 10.00 tot cir­ca 23.00 uur in / aan de bi­blio­theek, slechts on­der­bro­ken door en­ke­le kor­te pau­zes. Ver­sla­gen ma­ken en een fax-be­richt voor­be­rei­den.
Ik at in het res­tau­rant van het ho­tel en werk­te door.
Bed circa 00.00 uur. On­ge­veer 20°C om 00.30 uur.
Ik voel me een stuk be­ter nu ik veel min­der geld heb, maar we­ten po­ten­tiële ban­die­ten dat wel?

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.


Computerverslag

De eerste drie we­ken van dit ver­blijf in Je­men hield ik op mijn lap­top­com­pu­ter ook een ver­slag bij, waar­in soms din­gen staan die niet in mijn dag­boek voor­komen.
Hier volgt een uit­trek­sel daar­van.

Ik sliep als een blok.
De begroeting in de Aḥgāf-bi­blio­theek is har­te­lijk. Het lukt me zo­waar om met Abd Allāh A. en­ke­le woor­den te wis­se­len, hoe­wel hij, als ik hem niet goed be­grijp, geen an­de­re woor­den gaat ge­brui­ken, maar har­der be­gint te pra­ten, als­of ik doof ben. Husayn al-K. is ook blij met mijn be­zoek. Ik heb het ge­voel niet weg te zijn ge­weest, hoe­wel er bij­na an­der­half jaar zit tus­sen bei­de ke­ren dat ik hier was. (Thuis, in Ne­der­land, had ik al vaak het ge­voel als­of ik door de deur uit te stap­pen en een hoek­je om te lo­pen, al weer bui­ten het Gaṣr al-Goeb­ba-hotel stond en de stof­fi­ge weg, met links en rechts de le­men mu­ren, naar de Aḥgāf-bi­blio­theek voor mij lag).

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Huwelijksgeluk?

Ik vroeg Abd al-Raḥ­mān naar de ge­zond­heid van zijn vrouw. (Veel man­nen re­a­ge­ren on­ge­mak­ke­lijk en lache­rig als je naar (de ge­zond­heid van) hun echt­ge­no­te in­for­meert. Het is hier not done om over de echt­ge­no­te te spre­ken. Daar trek ik me niets van aan. Ook zij heeft recht op mijn be­lang­stel­ling, vind ik. Abd al-Raḥ­mān, die al in Ne­der­land is ge­weest, weet waar­schijn­lijk be­ter en re­a­geert nor­maal.)
Gis­te­ren zei hij dat hij mij niet naar Tarīm kon be­ge­lei­den om­dat hij in de keu­ken nog van­al­les moest doen. Ik ver­on­der­stel­de toen, ten on­rech­te, dat hij zijn vrouw hielp met het huis­hou­den. Hij zei dat Je­me­ni­tische vrou­wen de ei­gen­aar­dig­heid heb­ben dat als ze ziek zijn er de voor­keur aan ge­ven te­rug te ke­ren naar het huis van hun va­der. Ook zijn kin­de­ren wa­ren met de moe­der mee­ge­gaan, maar kwa­men af en toe nog op be­zoek. Voor­al zijn zoon Has­san trok erg naar hem, maar zijn doch­ter Mir­iam bleef lie­ver bij de moe­der. Wie zor­gde dan nu voor Abd al-Raḥ­mān? De vrouw van zijn broer, die zelf al ja­ren in Ca­na­da woont en daar een be­staan pro­beert op te bou­wen. Zijn vrouw zou hij dan la­ter over la­ten ko­men.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Geld

Na enig zoe­ken vind ik een ver­trouwd ie­mand die be­reid is het groot­ste deel van het geld­be­drag te­gen on­der­te­ke­ning van een ont­vangst­be­wijs over te ne­men en op te ber­gen in een kluis.
Ik voel me met­een een stuk vei­li­ger, maar is dat wel te­recht? (De per­soon in kwes­tie, niet meer, ver­tel­de hij me la­ter). Eventuele ban­die­ten we­ten niet dat ik het geld niet meer heb. Ik kan moei­lijk een groot span­doek op het ho­tel han­gen met de me­de­de­ling dat Mis­ter Ha­nis (zo­als ik hier heet) geen geld meer heeft en dat hij, als hij wil wis­se­len eerst ie­mand an­ders moet ver­zoe­ken hem een be­drag te ver­strek­ken.
Er zijn in dit dorp toch een he­le­boel men­sen die we­ten dat ik ver­le­den jaar veel geld bij mij had. Niet in de laat­ste plaats de geld­wis­se­laars, die soms twee keer per week gro­te be­dra­gen van mij ont­vin­gen. Ook an­de­ren heb­ben mij zien lo­pen met de enor­me pak­ken Je­me­ni­tische rials in gro­te door­zich­ti­ge plas­tic zak­ken. (Toen 125 rial voor 1 dol­lar, het groot­ste bil­jet was toen 200 rial. Nu 500 rial.) De men­sen die het geld ont­vin­gen wis­ten dat ik over veel geld moest be­schik­ken. Hun per­so­neel, die ar­me sloe­bers, ook, want die ston­den er vaak met de neus bo­ven­op als ik hun pa­troons be­taal­de. Ik was ook ruim met de fooi­en. Ik heb me er nooit zor­gen over ge­maakt, ik ver­trouw­de hier zelfs de dui­vel en die heeft mij dan ook nooit be­dro­gen. Drie maan­den was ik hier, dat doe je niet met een paar hon­derd gul­den.
Allen zul­len ver­on­der­stel­len dat er weer veel geld is, nu ik hier voor de twee­de keer ben.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Zon

Temperatuur bin­nen: 27,1°C, bui­ten: 22,1°C. Over­dag was het lang niet zo heet als ver­le­den voor­jaar, maar toch nog al­tijd zo’n 32°C. Mis­schien was het ver­le­den jaar wel veel war­mer dan de door mij ver­on­der­stel­de 40°C.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Fax naar Nederland

Abd al-Raḥ­mān en ik be­spra­ken van­daag de streef­doe­len van deze fa­se, zo­als vast­ge­legd in mijn do­cu­ment ‘Doel­stel­ling van de twee­de fase.’
Er komt bin­nen an­der­hal­ve week, op kos­ten van het pro­ject, een er­va­ren boek­bin­der uit Ṣanaᶜā’ die zo­wel En­gels en Ara­bisch spreekt en die sa­men met mij de in­struc­tie van het bin­den van boe­ken vol­gens wes­ter­se stan­daard zal uit­voe­ren.
Totdat die man hier is zal ik, samen met Ḥusayn al-Ḥ., het ge­bruik van de da­ta­ba­se aan het per­so­neel uit­leg­gen en in de prak­tijk brengen. Voor [col­le­ga] Taw­fīq geldt dan dat hij moet uit­leg­gen hoe de ca­me­ra’s wer­ken en hoe men op ver­ant­woor­de wij­ze goe­de fo­to’s kan ma­ken. Daar­na zul­len we wer­ken aan het ca­ta­lo­gi­se­ren van de hand­schrif­ten. Door in­ten­sief on­der­zoek van al­le hand­schrif­ten zijn er sinds mijn ver­trek, ver­le­den jaar, een enorm aan­tal teks­ten ge­von­den die nu niet in de fih­rist [ca­ta­lo­gus] voor­ko­men. Die zal ik pro­be­ren al­le­maal aan de da­ta­ba­se toe te voe­gen.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Fax: microfilms

De com­pu­ters doen het nog al­le­maal. De nieu­we com­pu­ter (die ik 1996 in Ṣanaᶜā’ kocht) wordt in­ten­sief ge­bruikt door Husayn al-H. die een op­lei­ding in mo­der­ne tech­no­lo­gie­ën in Kiev, Oe­kra­ïne, ge­no­ten heeft. Hij heeft be­hoef­te aan een krach­ti­ge­re word­pro­ces­sor. Ik zal op 26 no­vem­ber Win­dows 95 en Word 97 op de nieu­we com­pu­ter in­stal­le­ren. Spoe­dig zul­len we het ge­heu­gen van die com­pu­ter ook moe­ten uit­brei­den. (Zie hier be­ne­den).
Abd al-Raḥ­mān en het per­so­neel ach­ten het ge­bo­den al­ter­na­tief voor mi­cro­films*, na­me­lijk ge­wo­ne ca­me­ra’s en ge­wo­ne klein­beeld­films, on­werk­baar. Als ie­mand een ko­pie wil heb­ben van een beet­je hand­schrift zijn er een en­orm aan­tal films no­dig, om­dat ie­dere film maar 36 pa­gi­na’s kan be­vat­ten. Daar­naast is het, na du­re ont­wik­ke­ling, niet goed mo­ge­lijk om te be­pa­len of de fo­to’s scherp zijn of niet. Het la­ten af­druk­ken van de fo­to’s kan de bi­blio­theek niet be­ta­len. Er is geen mo­ge­lijk­heid om de ne­ga­tie­ven te con­tro­le­ren of te pro­jec­te­ren.
Onlangs kwam een Tarīmī in de bi­blio­theek met een di­gi­ta­le ca­me­ra en hij maak­te zon­der veel poes­pas een mooie ko­pie van een fo­to op de la­ser­prin­ter. Een di­gi­ta­le ca­me­ra is via re­la­ties in Du­bai ge­mak­ke­lijk aan te schaf­fen. We over­we­gen dat nu te doen. Di­gi­ta­li­se­ren van de col­lec­tie ligt nu bin­nen hand­be­reik. Daar is ook de Ne­der­land­se am­bas­sa­deur in Ṣanaᶜā’ een voor­stan­der van. Een ca­me­ra is te pre­fe­ren bo­ven een flat­bed scan­ner we­gens de breek­ba­re rug­gen van de hand­schrif­ten. Voor ge­brek aan ade­quate ken­nis hoe­ven we niet bang te zijn. In Tarīm zijn een he­le­boel men­sen die het laat­ste jaar een com­pu­ter heb­ben aan­ge­schaft en er zijn er veel die over vol­doen­de ken­nis be­schik­ken van soft- en hard­ware.
Het probleem is dat het werk­ge­heugen van de com­pu­ter en het vrije ge­heu­gen op de har­de schijf te ge­ring is. We over­we­gen nu het werk­ge­heu­gen uit te brei­den tot 16 of 24 MB. Er is geen an­de­re op­los­sing voor het ge­heu­gen­pro­bleem van de har­de schijf dan de aan­schaf van een CD-ROM-le­zer en schrij­ver. Naar de prij­zen van de­ze spul­len zal in Du­bai ge­ïn­for­meerd wor­den.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Fax: mannen!

We zul­len een ge­luids­ar­me ge­ne­ra­tor van 3 KW aan­schaf­fen, in over­leg met de mos­kee.
Er wordt nu een nieu­we in­gang ge­maakt voor de bi­blio­theek. Het mos­kee­be­stuur pro­tes­teer­de te­gen de ve­le ‘schaam­te­loos‘ ge­kle­de toe­ris­tes, die hun klim naar de bi­blio­theek moe­ten ma­ken van­af de deur naar de mos­kee. De man­nen ra­ken er te op­ge­won­den van. Een ge­deel­te van de kos­ten komt tij­de­lijk voor re­ke­ning van het pro­ject, om­dat de met­se­laar al be­zig is, maar de re­ge­ring nog niet over de brug is ge­ko­men. Dat zal nog eni­ge tijd du­ren.
De kosten voor de ruim­te voor de ge­wa­pen­de nacht­waker komt voor re­ke­ning van het pro­ject. Abd al-Raḥ­mān wil de nacht­wa­ker niet in de bi­blio­theek heb­ben om­dat die man niet zal stop­pen met ro­ken en er ook niet van zal af­zien eten en drin­ken in de bi­blio­theek te ge­brui­ken. Goe­de nacht­wa­kers lig­gen niet voor het op­ra­pen en men moet ge­noe­gen ne­men met het exem­plaar dat men nu al aan­ge­no­men heeft. [Tot zo­ver een ge­deel­te uit mijn fax-be­richt naar Ne­der­land.]

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Noten

*
Microfilms. Het ver­vaar­di­gen van mi­cro­films is voor­al een wens uit de hoek van de bi­blio­theek­part­ners in Ne­der­land. Er is in Tarīm geen goe­de wer­kom­stan­dig­heid om iets der­ge­lijks te ver­we­zen­lijken, blijkt uit de tekst hier­bo­ven. Ove­ri­gens is al 70% van de hand­schrif­ten (ma­nus­crip­ten) ge-mi­cro­filmd. Zie 3 mei 1996.

Te­rug.


MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Meer informatie.

GM.: Google Maps. – Wi.: Wi­ki­pe­dia. – Web.: website. – F.: foto’s in Google Maps.
Dubai:
GM., Wi.
:ﺩﺑﻲ

MenuFo­toBe­ginEindeTrans­criptie.

Index

Index van ter­men:
Index van per­so­nen:
Index van lo­ca­ties:

Me­nuFo­toBe­ginHoofd­in­dex.

Trans­crip­tie van de klin­kers in Ara­bische woor­den.

A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.

Klik hier voor het over­zicht van de trans­crip­tie in Ara­bische woor­den.

Me­nuFo­toBe­ginHoofd­in­dex.


Jemen 1997
Jemen 1997 (be­knopt over­zicht).
Je­men 1997: de da­gen in chro­no­lo­gische volg­or­de.
Je­men 1997: al­le foto’s.


Jemen 1996
Jemen 1996 (be­knopt over­zicht).
Je­men 1996: de da­gen in chro­no­lo­gische volg­or­de.
Je­men 1996: al­le foto’s.


De au­teur de­zes kan niet ga­ran­de­ren dat al­le links naar ex­ter­ne web­si­tes (dus die van der­de par­tij­en) al­tijd zul­len blij­ven be­staan. Fo­to’s in Goog­le Maps, bij­voor­beeld, kun­nen ver­dwij­nen wan­neer de ei­ge­naar ze weg­haalt. Ook aan an­de­re links kan een ein­de ko­men, of kun­nen in on­ge­bruik ra­ken.
Wan­neer u een niet wer­ken­de link con­sta­teert kunt u dat mel­den in het re­ac­tie­veld. Bij voor­baat dank.

24 november 1997

Drainagepatroon

Dit is een fo­to die ik van­uit het vlieg­tuig nam van­uit Ṣanaᶜā’ op weg naar de lucht­ha­ven van Say’ūn. Te zien is het den­dri­tisch drai­na­ge­pa­troon*(1) van het land­schap van de zo­ge­noem­de Yool.*(2) De Yool is de bo­ven­kant van de heu­vels die zo ken­mer­kend zijn voor de Ḥa­ḍra­maut.

Het Tarīm-project 1997

1997 – 2017: twin­tig jaar ge­le­den

Tarīm: Hadramaut, Jemen

Dagboek 1997

(Dag 9431) Ik ben in Sana’a, de hoofd­stad van Je­men en ik lo­geer in het Gas­mi-ho­tel. – In Lei­den, mijn woon­plaats, in het uit­gaans­cir­cuit zag ik een paar keer een mooie jon­ge vrouw, wier naam ik niet weet en daar­om ‘Enne­fea’ heb ge­noemd. Ik denk de­ze nacht een tijd­je aan haar. – Van­daag ga ik per vlieg­tuig naar Say’ūn in de Ḥaḍramaut (Zuid-Je­men) en van­daar naar mijn be­stem­ming Tarīm. De ko­men­de we­ken zal ik daar lo­ge­ren in het Gaṣr al-Goeb­ba-ho­tel (Koe­pel­pa­leis-ho­tel) en er wer­ken in de al-Aḥgāf-bi­blio­theek voor hand­schrif­ten. – Ik heb veel con­tant geld bij me. Waar ik ver­le­den jaar, met een nog veel gro­ter be­drag aan baar geld, daar zor­ge­loos ver­bleef, ben ik van­daag ui­terst be­zorgd over mijn vei­lig­heid. – Mijn ver­slag, op mijn lap­top ge­schre­ven, be­vat meer (ach­ter­grond)­in­for­ma­tie dan mijn dag­boek­ver­slag. – De munt­een­heid in Je­men is de Rial (YER). (1 rial = f. 0,015 (an­der­hal­ve cent), dus 100 rial = f. 1,50.)

MenuFo­toIndex en het eindeTrans­criptie.

 
 
 
 

Maandag, 24 november 1997.
Sana’a – Say’oen – Tariem: 6/42.
Ik sliep weer slecht. Ik fan­ta­seer­de weer over Enne­fea.
Op 5.45 uur. Met de grootste moeite sleep­te ik mijn zwa­re nieuwe kof­fer met com­pu­ter­boe­ken en UPS (voor de span­nings­ver­zor­ging van een com­pu­ter, na uit­val van het net) van de vijf­de ver­die­ping naar be­ne­den.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Taxi

De taxichauf­feur komt met zijn ve­hi­kel*(3) om 7.00 uur.
Ik betaalde 15 US$ aan Ǧasm, de Ira­kees van het ho­tel, waar­van de ta­xi­chauf­feur 10 US$ krijgt.
Eerst haalt hij op het plein ach­ter / bin­nen de Baab al-Ye­men kof­fie (boenn) in een con­ser­ven­pot­je. (Hij spreekt al­leen maar Ara­bisch.)
Naast taxichauffeur is hij ook ‘kun­ste­naar’. Hij maakt prul­la­ria, zoals hij mij laat zien. Hij ver­telt on­ge­huwd te zijn, want een vrouw kost 400.000 rial. (3.000 US$ = 6.000 gul­den.) Een nicht [als vrouw] is niet goed, zegt hij. Ik ver­geet te vra­gen waar­om een nicht niet deugt.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Say’ūn

Het passeren van de security van de lucht­haven is een fluit­je van een cent, in te­gen­stel­ling met an­dere ke­ren, toen het erg ar­beids­in­ten­sief was.
Ik moet 67 US$ over­ge­wicht be­ta­len voor de 20 kg. (In Am­ster­dam 420 US$ voor 15 kg!)
In de wacht­hal zit een sexy / knap­pe jon­ge­man. Ik meen hem er­gens van te ken­nen. Hij ziet er goed ver­zorgd uit.
We vliegen in vijf­tig mi­nu­ten naar Say’ūn. Ik zit naast / tus­sen dok­ters uit de El­zas, die naar al-Mu­kal­la moe­ten voor een klein me­disch con­gres.
Voordat we ver­trek­ken zie ik dat al­leen mijn kof­fers nog op de grond staan. Ik spreek de pur­ser er­over aan en hij stuurt iemand die mij vraagt mee naar bui­ten te ko­men. Dan wor­den mijn kof­fers in­ge­la­den. Ik vroeg of ik voor die diens­ten moest be­ta­len, maar die wees dat af. Toch stop­te de bus, die ons als pas­sa­giers naar het vlieg­tuig had ge­bracht bij de la­ders en niet aan de an­de­re zij­de, bij de trap naar het vlieg­tuig. Er bleek naast mijn kof­fer ook nog een aan­tal rug­zak­ken te lig­gen, waar­van de ei­ge­naar on­be­kend was. (Als­of de la­ders de ei­ge­naar moe­ten ken­nen.) Uit­ein­de­lijk kwam al­les in Say’ūn aan.
Ik maakte een tien­tal dia’s van de Djool [Yool] van bo­ven. Op som­mi­ge plaat­sen leek het zand zo dicht­bij dat het net was als­of je zou kun­nen uit­stap­pen en een stuk­je mee­lopen.
In Say’ūn duur­de het even voor­dat ik mijn ba­ga­ge ont­ving. On­der­tus­sen was Abd al-Raḥ­mān al bin­nen­ge­ko­men. De ont­vangst was vrien­de­lijk en aar­dig. Hij was niet ver­an­derd.
Later stond ook Ḥaimid B. naast me. Hij had op het ter­ras ge­staan en had me zien lo­pen. Ik was als laat­ste uit­ge­stapt.
Abd al-Raḥ­mān had hem deze och­tend ge­pro­beerd te be­rei­ken, maar hij was niet thuis. Nu maak ik ge­bruik van de diens­ten van een an­de­re chauf­feur: Aḥmad MB. Die na veel vij­ven en zes­sen ’s avonds uit­ein­de­lijk 4.000 rial voor zijn diens­ten durft te vra­gen.
Ik had hem via Abd al-Raḥ­mān ge­zegd dat hij het be­drag moest noe­men als ik hem zou vra­gen hoe hoog de kos­ten zijn en dat hij niet moest zeg­gen: “Jij weet wel wat mijn diens­ten waard zijn.” (Ik weet het niet.)

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Abd al-Raḥ­mān

Ik bleef een tijdje op het kantoor van Abd al-Raḥ­mān [Mu­seum Say’ūn] en pro­beer­de hem de da­ta­base uit te leg­gen.
Om met mij te kletsen stuur­de hij iemand die al­leen maar Ara­bisch sprak. Goed van hem, snel leer­de ik bij wat ik ver­ge­ten was. (Of dat al­le­maal gram­ma­ti­caal cor­rect was, weet ik niet.)
Toen we [in het ge­sprek] bij echt­ge­no­tes uit­kwa­men vroeg ik hem naar zijn kin­de­ren. Hij had er drie, twee meis­jes en een jon­gen. De oud­ste, een meis­je, heet Fayrūz.
Hij hield van de vrouwen van Ṣanaᶜā’.
Ik vroeg hem of hij van zijn vrouw hield en zij van hem. Hij ant­woord­de niet recht­streeks, maar zei dat het nu, na ze­ven jaar hu­we­lijk, wel ging tus­sen hen bei­den.
Abd al-Raḥ­mān en een hulp­je moeten het slot van een ruim­te open­bre­ken om bij mijn kist met ‘na­ge­la­ten’ spul­len (uit 1996) te ko­men. De sleu­tel [van de ruim­te] is bij Mu­ḥam­mad al-H. en die is in al-Šiḥr [al-Shihr], een paar hon­derd ki­lo­me­ter van hier.
Daarna gaan we naar het huis van Abd al-Raḥ­mān, waar ook Ḥus­sain al-A. is, de re­cep­ti­o­nist van het Gaṣr al-Goeb­ba-ho­tel. [in Tarīm: 1996.] Ik zag hem he­den­och­tend ook al op de lucht­ha­ven. Hij woont en werkt nu bij het Sa­la­ma-ho­tel in Say’ūn, waar hij het­zelf­de ver­dient, maar om­dat het ho­tel van de staat is, heeft hij meer rech­ten dan in het in pri­vé­be­zit zijn­de Gaṣr al-Goeb­ba. Bo­ven­dien heeft hij nu recht op pen­sioen.
Ook hij spreekt al­leen maar Ara­bisch.
Ik maak op dat hij nu een vier maan­den ou­de ba­by heeft, zijn der­de kind. Zijn vrouw is nog steeds on­der­wij­ze­res, maar leert nu zelf ook nog voor een di­plo­ma. (Hoe en wat, weet ik niet.)
In de afgelopen tijd over­leed zijn va­der, die ik eens in zijn huis ont­moet­te. Ḥus­sain doet er niet moei­lijk over: het was zijn tijd.
Evenals verleden jaar is het eten bij Abd al-Raḥ­mān niet lek­ker (bij Ḥus­sain thuis wel), de vrouw van Abd al-Raḥ­mān kan er nog steeds niets van, van ko­ken. (Op dins­dag hoor ik dat zijn vrouw (tij­de­lijk) niet meer bij hem woont en dat nu de vrouw van zijn broer, die in Ca­na­da woont, voor hem zorgt.)

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Tarīm

Aḥmad MB. brengt me voor 4.000 rial naar Tarīm. In het ho­tel word ik al­ler­har­te­lijkst ont­van­gen, want er zijn, hoe­wel veel nieuw per­so­neel, toch nog en­ke­le ou­de be­ken­den.
Het hotel is helemaal op­ge­knapt. (En zal dus duur­der zijn, maar ik weet niet hoe­veel mijn ka­mer kost, nog niet eens op 26-11-97.) Het is ge­schil­derd. Nieu­we bed­den en gor­dij­nen, nieuwe vloer­be­dek­king, mooi, nieuw man­ne­lijk per­so­neel, al­le­maal on­ge­veer het­zelf­de ge­kleed. Ver­le­den jaar liep ieder­een er­bij zo­als hij wil­de, on­ge­was­sen en in sme­ri­ge kle­ren, waar­in men ook sliep. Nu zijn er een paar scho­ne en sexy jon­gens, met wie ik wel eens zou wil­len ‘spe­len’, on­danks mijn ver­liefd­heid op Enne­fea.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Gevaar?

’s Avonds her­in­ner­de ik me de be­rich­ten die ik van col­le­ga’s van Abd al-Raḥ­mān hoor­de. Men­sen wor­den op klaar­lich­te dag op straat (in de ste­den) over­val­len en ge­dwon­gen hun geld af te geven, aan ge­wa­pen­de ban­die­ten, die ook al iemand dood­scho­ten. Op last van Abd al-Raḥ­mān is het Mu­seum [Say’ūn] ge­slo­ten, om­dat de meest waar­de­vol­le stuk­ken op on­ver­klaar­ba­re wij­ze ge­sto­len wer­den.
Abd al-Raḥ­mān ver­stop­te de waar­de­vol­le ma­nu­scrip­ten [hand­schrif­ten] van de al-Aḥgāf-bi­blio­theek tussen de an­de­re. Hij toont al­leen fo­to’s. Hij vreest dat ge­wa­pen­de sol­da­ten de bi­blio­theek ge­wa­pen­der­hand van die stuk­ken zal ont­doen om ze voor veel geld te ver­kopen.
De bibliotheek krijgt een be­wa­ker, een on­ge­wa­pen­de. (Maar in mijn ver­slag en fax naar Ne­der­land op 26 no­vem­ber schreef ik be­wust: een ge­wa­pen­de be­wa­ker om de dra­ma­tische van het ge­heel te ver­ho­gen en de ernst van de si­tua­tie hier te be­na­druk­ken.) Wat moet een on­ge­wa­pen­de be­wa­ker tegen be­wa­pen­de sol­da­ten? (Wat moet een be­wa­pen­de be­wa­ker te­gen sol­da­ten?)
Met een nog veel gro­ter geld­be­drag sliep ik hier ver­le­den jaar 89 van de 90 nach­ten zonder angst. (Slechts een­maal, toen Ḥus­sain al-A. zei dat ik hier al ze­ven maan­den was, kregen Ali Baba’s (noor­der­lin­gen) be­lang­stel­ling voor mijn geld.) Ik sliep de laat­ste we­ken zon­der angst bui­ten.
Nu bekruipt me gro­te angst en ik wil van het geld af. Ik sluit me op in mijn ka­mer, als­of me dat zou hel­pen, ach­ter deze bord­kar­ton­nen deu­ren, die niet of nau­we­lijks ge­sloten kun­nen wor­den.
Op mijn kamer is het 28°C. Ik scha­kel de air­co niet aan, want die maakt zo­veel la­waai dat ik daar niet van sla­pen kan.
Bed 00.30 uur.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.


Computerverslag

De eerste drie we­ken van dit ver­blijf in Je­men hield ik op mijn lap­top­com­pu­ter ook een ver­slag bij, waar­in soms din­gen staan die niet in mijn dag­boek voor­komen.
Hier volgt een uit­trek­sel daar­van.

Steekpenningen?

Toen ik al lang en breed aan boord zat [vlieg­tuig] zag ik dat al­le ba­ga­ge in­ge­la­den was be­hal­ve die van mij. Om­dat ik me her­in­ner­de de Abd ar-Raḥ­mān ver­le­den jaar steek­pen­nin­gen / fooi be­taal­de aan de la­ders, vroeg ik aan de pur­ser of dat nu ook van mij ver­langd werd. Ik werd naar bui­ten ge­leid en moest mijn ba­ga­ge aan­wij­zen (er ble­ken nog en­ke­le rug­zak­ken te lig­gen). Al­les werd net­jes in­ge­la­den. De purser en an­der per­so­neel ont­ken­den dat ik moest ‘schui­ven’ dus deed ik het ook niet. (Maar dat iets der­ge­lijks toch de be­doe­ling was bleek uit het feit dat de bus die de pas­sa­giers van de ter­mi­nal naar het vlieg­tuig bracht niet bij de vlieg­tuig­trap stop­te maar naar de an­de­re kant van de ma­chi­ne reed waar de la­ders ston­den te wach­ten op de be­ta­len­de pas­sa­giers. Ik be­dacht toen al dat Nico en ik ver­le­den keer daar he­le­maal niet bij stil­ge­staan had­den en on­ze ba­ga­ge toch aan­ge­ko­men was). Uit­ein­de­lijk kwam al­le ba­ga­ge, ook de los­lig­gen­de rug­zak­ken, in Say’ūn aan.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Layla Alwi

Vijftig minuten deed de Boeing 737 er­over om van Ṣanaᶜā’ naar Say’ūn te vlie­gen. Ik maak­te een tien­tal dia’s van het land­schap on­der mij, voor­na­me­lijk van de Yool en de om­ge­ving van Say’ūn. Op som­mi­ge plaat­sen leek het zand zo dicht­bij dat ik dacht dat ik kon uit­stap­pen en een stuk­je erin lo­pen. Het was alsof je in de be­ne­den­ver­die­ping van een dub­bel­deks­trein zat.
In Say’ūn duur­de het even voor­dat ik de ba­ga­ge had. On­der­tus­sen was Abd al-Raḥ­mān, de di­rec­teur van de al-Aḥgāf-bi­blio­theek in Tarīm, al bin­nen­ge­komen. Hij was niet ver­an­derd, niet in ui­ter­lijk en niet in ge­drag. Nog al­tijd even vrien­de­lijk en aar­dig.
Evenals in Ne­der­land maak­te men ook hier veel op­mer­kin­gen over mijn ge­mil­li­me­ter­de haar. Dat is hier dus ken­ne­lijk even on­ge­woon als in Ne­der­land.
Even later stond ook Ḥaimid B. naast me. Hij had bo­ven op het ter­ras ge­staan en had me uit het vlieg­tuig zien ko­men, zo ver­tel­de hij te­gen Abd al-Raḥ­mān. Ik stond er­bij en luis­ter­de er­naar. Ik was als laat­ste uit het vlieg­tuig ge­ko­men en het was dus niet moei­lijk voor hem om mij waar te nemen.
Abd al-Raḥ­mān had hem de­ze och­tend ge­pro­beerd te be­rei­ken, maar hij was niet thuis. Nu was er een an­de­re chauf­feur: Aḥmad MB. Wat mij be­treft ga ik de­ze fa­se [van het pro­ject] in zee met deze Aḥmad. Hij be­schikt niet al­leen over een veel be­te­re au­to, een Land­cruiser (maar geen Layla Alwi*(4), om­dat dat een nieu­wer en ster­ker mo­del is), maar is ook veel rus­ti­ger en rijdt erg be­dacht­zaam, want hij wil zijn du­re au­to na­tuur­lijk niet in de prak rij­den. Ik kan hem ech­ter niet al­tijd ver­staan, niet­te­min doet hij zijn best om zich ver­staan­baar te ma­ken.
Ik beschouwde Ḥaimid B. toch al als een klein pro­bleem. Hij eis­te voor een taxi­rit van Say’ūn naar Tarīm 1.500 rial, ter­wijl het nor­ma­le ta­rief 800 rial is. Ik vroeg mij af hoe ik ver­lost kon wor­den van de­ze Ḥaimid. Dat is dus nu op­ge­lost. Hij had het na­kij­ken en keek dan ook te­leur­ge­steld.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Huwelijksgeluk

Abd al-Raḥ­mān stuur­de Sālim naar mij toe die al­leen maar Ara­bisch spreekt, om met mij te klet­sen. Wat goed van hem. Snel leer­de ik weer veel woor­den die ik ver­ge­ten was. Toen de man de vrou­wen van Ṣanaᶜā’ prees, vroeg ik hem ex­pli­ciet of hij van zijn vrouw hield en zij van hem. Hij deed een beet­je moei­lijk daar­over, maar ze wa­ren nu ze­ven jaar bij el­kaar en ze be­gon­nen wel aan el­kaar te wen­nen. Daar be­taal je dan als man een bij­na niet op te bren­gen be­drag voor, om na ze­ven jaar tot de con­clu­sie te ko­men dat je in­mid­dels wel aan el­kaar be­gint te wen­nen.
Maar het kan ook an­ders. Sālim T., die als re­cep­ti­o­nist bij het Gaṣr al-Goeb­ba-ho­tel in Tarīm werkt, ver­tel­de me de vo­ri­ge keer (1996) dat hij mis­schien bij een olie­maat­schap­pij een baan­tje zou kun­nen krij­gen. Daar werd veel be­taald. Hij re­ken­de zich bin­nen vijf jaar mil­jo­nair (in Je­me­ni rials). Toen ik hem daar­op zei dat hij dan ge­noeg geld had om een twee­de vrouw te ne­men, riep hij ver­ont­waar­digd: “Ik wil geen twee­de vrouw, ik hou van mijn vrouw!” Hij had haar op school ont­moet, want hij is le­raar En­gels. (Het baan­tje bij de olie­maat­schap­pij is niet door­ge­gaan, ver­telt hij me des­ge­vraagd en­ke­le da­gen la­ter. Daar­voor had hij een krui­wa­gen no­dig. Die had hij niet).
De Sālim van van­och­tend had drie kin­de­ren bij de vrouw waar hij niet van hield, twee meis­jes en een jon­gen. Het oud­ste kind, een meis­je heet Fay­rūz, naar die Libanese zangeres*(5), die hij zeer bewonderde.
Ook hier [Tarīm] zijn de vrou­wen duur, maar niet zo duur als in Ṣanaᶜā’, bleek mij.
Een jongeman, Abd Allāh, die in Bul­ga­rije ar­chi­tec­tuur ge­stu­deerd had wist het klap­pen van de zweep in Eu­ro­pa, nie­te­min kon hij voor­lo­pig nog niet trou­wen om­dat hij nog geen geld ge­noeg had om de mahr, de bruidsprijs, te betalen voor een vrouw van de ‘Alawī, zijn familieclan, waartoe ook Abd al-Raḥ­mān blijkt te be­ho­ren. Sāda [Say­yid’s]*(6) dus.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Gaṣr al-Goebba

Rond kwart over vier brengt de be­dacht­zaam rij­dende Aḥmad MB. mij naar Tarīm. Ik voel het als een soort thuis­komst.
De ont­vangst in het ho­tel is al­ler­har­te­lijkst, hoe­wel er veel nieuwe men­sen wer­ken, maar die zijn ook al­le­maal vrien­de­lijk, zo­als al­le Ara­bieren. Sālim, de le­raar En­gels, is er nog en de bawwāb [poortwachter], wiens naam ik niet meer weet. De di­rec­teur is er nog … al-Kāff. Hij stelt mij voor aan de ei­ge­naar. Ook een al-Kāff. Van hem zie ik la­ter een fo­to in de gang han­gen, waar­op de­ze bij een thee­ses­sie op één na naast de pre­si­dent van Je­men zit.
Aan Abd al-Raḥ­mān had ik de op­dracht ge­ge­ven te­gen Aḥmad MB., de chauf­feur die mij naar Tarīm zou brengen, te zeg­gen dat als ik vraag: “kam?” [hoe­veel?] ik niet zo­iets ho­ren wil als: “Je weet wel wat mijn diens­ten waard zijn”. Dat weet ik niet. Ik wil het be­drag ho­ren dat hij van mij wil ont­van­gen. Ik ben Ne­der­lan­der en zo gaat dat bij ons. Dat heeft no­gal wat voe­ten in de aar­de, Aḥmad wordt er ver­le­gen van, maar uit­ein­de­lijk blijkt dat hij voor zijn diens­ten aan toe­ris­ten 5.000 rial vraagt. Hij vraagt nu 4.000 rial, want hij wil graag in de toe­komst ook aan mij zijn diens­ten aan­bie­den. Ik wil wel van zijn diens­ten ge­bruik ma­ken.
In het hotel pak ik de spul­len uit de hou­ten kist uit, die ik mee­nam uit Say’ūn. Er blij­ken nog ‘ver­ras­sin­gen’ in te zit­ten, zo­als thee­doe­ken, af­was­mid­del en ver­leng­snoe­ren. Er is ook nog een ech­te gas­lamp. Die ge­bruik­ten Nico en ik ver­le­den jaar, maar na­dat Nico ver­trok­ken was kocht ik een elek­tri­sche lamp met twee TL-bui­zen en een in­ge­bouw­de ac­cu. Die lamp doet het me­teen als ik hem aan­scha­kel. Na an­der­half jaar is de ac­cu nog niet leeg.
In het res­tau­rant van het ho­tel ge­bruik ik een ‘lich­te’ maal­tijd. Brood, ge­bak­ken ei en rau­we to­maat. Er zit­ten Ne­der­lan­ders op het ter­ras die uit een reis­gids Ara­bisch le­ren. Ik maak geen con­tact. Ik ben nog niet lang ge­noeg hier om weer eens Ne­der­lands te wil­len klet­sen. Ik wil nu wel Ara­bisch pra­ten, in te­gen­stel­ling met Ṣanaᶜā’, waar ik dat niet wilde.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Veiligheid

Ik moest den­ken aan de be­rich­ten die ik van­daag hoor­de over het geweld­da­di­ge kli­maat hier in de Ḥa­ḍra­maut. Over­val­len op ar­ge­lo­ze rei­zi­gers op klaar­lich­te dag, mid­den op straat in de ste­den, die ge­wa­pen­der­hand van al hun geld wor­den ont­daan. (Abd ar-Raḥmān ver­tel­de op dins­dag 25 no­vem­ber van een do­de­lijk slacht­of­fer van zulk een over­val.) Hoe gro­ter de stil­te rond het ho­tel, hoe on­vei­li­ger ik me voel­de. Van de ge­moe­de­lij­ke rust die ik hier ver­le­den jaar voel­de was niets meer over. Ik zit hier in een ho­tel met groot geld­be­drag in con­tan­ten in een kunst­stof­fen kof­fer, met een sim­pel num­mer­slot, in een ka­mer waar­van het slot niet naar be­ho­ren werkt. De twee ach­ter­deu­ren zijn voor­zien van twee sim­pe­le schuif­jes, als ver­gren­de­ling. Die ach­ter­deu­ren zelf zijn nog net niet van bord­kar­ton.
Het bedrag is groot ge­noeg om de di­rec­teur van de bi­blio­theek meer dan ne­gen en een half jaar maan­de­lijks van zijn re­gu­lie­re sa­la­ris te voor­zien. Een me­de­wer­ker van het ho­tel kan ik met dit be­drag zelfs bijna zes­en­twin­tig jaar zijn maan­de­lijk­se sa­la­ris uit­be­ta­len, voor­op­ge­steld dat ik geen ren­te ont­vang, hij geen loons­ver­ho­ging krijgt en de koers van de dol­lar op 132 rial blijft staan.
Verleden jaar sliep ik zor­ge­loos buiten, met een nog veel gro­ter be­drag (ne­gen­en­der­tig jaar sa­la­ris voor een ho­tel­me­de­wer­ker, vijf­tien jaar voor de di­rec­teur,) in mijn kof­fer in de­zelf­de ka­mer met het­zelf­de slech­te slot, zon­der me ook maar een mo­ment on­vei­lig te voe­len. Ik wil­de dit jaar weer bui­ten sla­pen, maar dat durf­de ik plot­se­ling niet meer. Ik sloot mij op (zo­ver daar spra­ke van kon zijn in dit kaar­ten­huis) in mijn ka­mer. De gor­dij­nen stijf dicht. Ik kroop snel onder de klam­boe, als ex­tra be­vei­li­ging, tegen de zwaar be­wa­pen­de mug­gen.
Buiten slapen zou geen suc­ces zijn ge­weest. De tem­pe­ra­tuur zak­te de­ze nacht tot 18°C, zo bleek dins­dag. Niet echt koud, maar toch ook niet erg aan­ge­naam. Maar ook niet erg aan­ge­naam was de tem­pe­ra­tuur in mijn ka­mer. On­ge­veer 28°C. De air­co ge­bruik ik niet want die maakt een hels ka­baal. Dan lig ik wak­ker van het la­waai.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Noten

*(1)
Een dend­ri­tisch drai­na­ge­pa­troon ont­staat wan­neer wa­ter­stro­men in de bo­dem min­der of meer die­pe geu­len uit­slij­ten: ero­sie. Daar waar die stroomp­jes sa­men­vloei­en ont­staan bre­de­re geu­len. Uit­ein­de­lijk zul­len veel in een ge­za­men­lij­ke bed­ding te­recht ko­men. De struc­tuur van al die stroom­pjes sa­men lijkt op de tak­ken van een boom of struik. Dat heet dan den­dri­tisch en dat woord stamt uit het Grieks. Wikipedia.

Te­rug.

*(2)
al-Yool. (ﺍﻟﺟﻮﻝ) De Yool is de naam van de bo­ven­kant van de heu­vels die over de he­le Ḥaḍ­ra­maut ver­spreidt lig­gen. Het pa­troon van de­ze bo­ven­kant is het hier­bo­ven be­spro­ken den­dri­tisch drai­na­ge­pa­troon.
Wan­neer het op de Yool re­gent ont­staat een dra­ma­tische si­tu­a­tie in de da­len, zo­als hier te zien is in Wā­dī Doe­ᶜan in een (schok­ke­ri­ge, maar vooral schok­ken­de ama­teur-) vi­deo op You­Tube. Dui­de­lijk is de ver­nie­ti­gen­de kracht van het wa­ter te zien en de scha­de die het aan­richt in dit dal van de Ḥaḍ­ra­maut. Er zijn hui­zen van golf­pla­ten die vol­le­dig on­der­ge­lo­pen zijn, maar in de­ze re­gio zijn heel veel hui­zen ge­bouwd van in de zon ge­bak­ken le­men ti­chels: (Mud brick). Die con­struc­ties kun­nen zo’n zwa­re re­gen­bui nau­we­lijks aan en veel hui­zen stor­ten er dan ook (ge­deel­te­lijk) in. Wat een dra­ma! Bo­ven­dien zijn die klei­ne dorps­ge­meen­schap­pen vaak op zich­zelf aan­ge­we­zen. Bu­ren­hulp is ont­zet­tend be­lang­rijk.

Te­rug.

*(3)
Taxi’s. Zie over de taxi’s in Je­men de be­tref­fen­de bij­dra­ge over dit ver­voer­mid­del, gis­te­ren, 23 no­vem­ber.

Te­rug.

*(4)
Layla Alwi. Laila Alwi, de naar dik­ke, zeer po­pu­lai­re, Egyp­tische ac­tri­ce ver­noem­de (door het volk, niet of­fi­ci­eel) four-wheel drive van elk Ja­pans merk.

Te­rug.

*(5)
Fayrūz / Fayroez (ﻓﻴﺮﻭﺯ). Fay­roez is niet al­leen in Li­ba­non, of in de Ara­bische we­reld be­kend. Zij treed op in al­le gro­te za­len in de we­reld. Wi­ki­pe­dia: Fay­ruz.

Te­rug.

*(6)
Sayyid (meerv., meer dan twee: sā­da). Een say­yid be­hoort tot de eli­te bin­nen een is­lami­tische ge­meen­schap, want is een recht­streek­se af­stam­me­ling van de pro­feet Mu­ham­mad, via zijn doch­ter Fa­ti­ma. Say­yids trou­wen al­leen on­der el­kaar. Zo ver­wa­tert de (ver­meen­de) bloed­ver­want­schap niet.

Te­rug.


MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Meer informatie.

GM.: Google Maps. – Wi.: Wi­ki­pe­dia. – Web.: website. – F.: foto’s in Google Maps.
Wādī Doeᶜan:
:ﻭﺍﺩﻱ ﺩﻭﻋﻦ
al-Mukallā:
GM., Wi.
:ﺍﻟﻤﻜﻠﺎ
al-Šiḥr:
GM., Wi.
:ﺍﻟﺸﺤﺮ

MenuFo­toBe­ginEindeTrans­criptie.

Index

Index van ter­men:
Index van per­so­nen:
Index van lo­ca­ties:

Me­nuFo­toBe­ginHoofd­in­dex.

Trans­crip­tie van de klin­kers in Ara­bische woor­den.

A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.

Klik hier voor het over­zicht van de trans­crip­tie in Ara­bische woor­den.

Me­nuFo­toBe­ginHoofd­in­dex.


Jemen 1997
Jemen 1997 (be­knopt over­zicht).
Je­men 1997: de da­gen in chro­no­lo­gische volg­or­de.
Je­men 1997: al­le foto’s.


Jemen 1996
Jemen 1996 (be­knopt over­zicht).
Je­men 1996: de da­gen in chro­no­lo­gische volg­or­de.
Je­men 1996: al­le foto’s.


De au­teur de­zes kan niet ga­ran­de­ren dat al­le links naar ex­ter­ne web­si­tes (dus die van der­de par­tij­en) al­tijd zul­len blij­ven be­staan. Fo­to’s in Goog­le Maps, bij­voor­beeld, kun­nen ver­dwij­nen wan­neer de ei­ge­naar ze weg­haalt. Ook aan an­de­re links kan een ein­de ko­men, of kun­nen in on­ge­bruik ra­ken.
Wan­neer u een niet wer­ken­de link con­sta­teert kunt u dat mel­den in het re­ac­tie­veld. Bij voor­baat dank.

23 november 1997

Sana'a
Huis in de oude stad van Sana’a, de hoofd­stad van Jemen.

Het Tarīm-project 1997

1997 – 2017: twin­tig jaar ge­le­den

Tarīm: Hadramaut, Jemen

Dagboek 1997

(Dag 9430) Ik ben in Sana’a, de hoofd­stad van Je­men en ik lo­geer in het Gas­mi-ho­tel. – Ik maak ’s nachts en in de ochtend ge­luids­op­na­mes van­uit mijn ho­tel­kamer. – In Lei­den, mijn woon­plaats, ga ik op vrij­dag­avond al­tijd dan­sen in het Leids Vrije­tijds­cen­trum (LVC). Daar zag ik een paar keer een mooie jon­ge vrouw, wier naam ik niet weet en daar­om ‘Enne­fea’ heb ge­noemd. Ik denk de­ze nacht een tijdje aan haar. – Mijn ver­slag, op mijn lap­top ge­schre­ven, be­vat meer (ach­ter­grond)­in­for­ma­tie dan mijn dag­boek­ver­slag. – De munt­een­heid in Je­men is de Rial (YER). (1 rial = f. 0,015 (an­der­hal­ve cent), dus 100 rial = f. 1,50.)

MenuFo­toIndex en het eindeTrans­criptie.

 
 

Zondag, 23 november 1997.
Sana’a: 5/43.
Ik lig lang wakker en dag­droom over Enne­fea.
Om 4.00 uur start ik met het ma­ken van een ge­luids­op­name ’s nachts tot 05.30 uur. Er zit één mooie ge­beds­op­roep bij van een moe’az­zin met licht tril­len­de stem.
Ik ‘verdenk’ één moskee er­van ge­bruik te ma­ken van een band­op­name, want zo­wel de lof­prij­zin­gen als de ge­beds­op­roep is iden­tiek met gis­te­ren­nacht en ook ver­le­den jaar.
Op circa 8.00 uur, weer moe.
Nu pas begint lang­zaam het ge­voel te ko­men dat ik ‘in den vreem­de’ ben.
Maar ook komt het ge­voel dat ik er ge­noeg van heb, met na­me de hoofd­stad be­gint me de keel uit te han­gen, de­ze gro­te, kri­oe­len­de mie­ren­hoop, men­sen die door het stof krui­pen of er zelfs in sla­pen. Ik heb er ge­noeg van en ben blij dat ik nu naar de Ḥaḍramaut kan.
Wat moet ik hier in eigen­lijk doen in de Ra­ma­ḍān, van 28 de­cem­ber tot 4 ja­nu­a­ri. Ge­luids­op­na­mes ma­ken? Ja!
Op zoek naar een geld­wis­se­laar, dwaal ik een tijd­je door de soek. Ik zie een zwart ge­slui­erd meis­je ko­ket, vlot, zelf­be­wust be­we­gend door de stra­ten lo­pen. Dus niet al­leen maar on­der­da­nig­heid!
Ik wissel US-dollar 200 voor 26.400 YER. Tel­len is niet no­dig, het klopt al­tijd. Wat zou er niet al­le­maal ge­beu­ren als je de geld­wis­se­laar niet meer zou kun­nen ver­trou­wen? Dan zou de eco­no­mie in­stor­ten.
Het hotel kost 6.215 YER. Ik geef 6.500 YER.
Het Bilquis-res­tau­rant van Taj She­ba kost cir­ca 3.477 YER. Ik geef 3.700 YER en loop naar huis. [Hotel.]
Spullen in­pak­ken en over twee kof­fers ver­de­len.
De database*(1) voor de Aḥgāf-bi­blio­theek sor­teert niet al­tijd goed. Moet ik op­nieuw con­tro­le­ren.
Nu 22.30 uur.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.


Computerverslag

De eerste drie we­ken van dit ver­blijf in Je­men hield ik op mijn lap­top­com­pu­ter ook een ver­slag bij, waar­in soms din­gen staan die niet in mijn dag­boek voor­komen.
Hier volgt een uit­trek­sel daar­van.

Geluidsopnames

Om kwart voor vier stond ik op en be­gon om vier uur met het ma­ken van ge­luids­op­na­mes van het gods­dien­stig ont­wa­ken van Sana’a. Ver­le­den jaar maak­te ik over twee nach­ten ver­spreid een on­ge­veer twee uur du­rend ge­luids­do­cu­ment van Sana’a in het och­tend­glo­ren, wan­neer de moe’az­zin wak­ker wordt en vindt dat de rest van de stad ook wak­ker moet wor­den.
Aan die geluids­op­na­mes voeg­de ik van­nacht an­der­half uur toe. Het lijkt er­op dat er niet veel ver­an­derd is ver­ge­le­ken met ver­le­den jaar. De moe’az­zins van de di­ver­se mos­kee­ën prij­zen om de beurt de groots­heid van God. Ze moe­ten al­le­maal (?) aan de beurt zijn ge­weest voor­dat rond 5.00 uur de ge­beds­op­roep be­gint. Ken­ne­lijk niet he­le­maal bij de tijd riep één moe’az­zin al even na vie­ren op voor het ge­bed. Hij had ze­ker nog last van ‘zo­mer­tijd’.
Ik verdenk één mos­kee er­van een cas­set­te­ta­pe te ge­brui­ken. Een even­wich­ti­ge lof­prij­zing zon­der ha­pe­ren of ge­luid van het ram­me­len van de mi­cro­foon. Ook de ge­beds­op­roep ge­beurt daar au­to­ma­tisch. Geen ver­schil met gis­te­ren. In al­le an­de­re mos­kee­ën roept de moe’az­zin per­soon­lijk op. Vaak hoor je een kuch­je voor­dat hij be­gint. Een­tje maak­te er een be­wo­gen op­roep van met een enigs­zins tril­len­de stem.
Al dat vroe­ge ge­doe maakt dat ik een be­hoor­lijk slaap­te­kort heb en ik zak­te dan ook ach­ter mijn com­pu­ter, toen ik be­zig was de da­ta­ba­se van Tarīm aan te pas­sen, in slaap.
YouTube: de ge­beds­op­roep (al-aḏān) in Ṣanaᶜā’ voor het och­tend­ge­bed ṣa­lāt al-faǧr van­af al­le ac­tie­ve mos­kee­ën die de ou­de stad rijk is.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Reservering

Vanmid­dag bel­de ik met DK. [Ne­der­land­se Am­bas­sa­de] en ver­zocht haar een e-mail naar Jan Just Wit­kam te stu­ren met een me­de­de­ling voor [col­le­ga] Tawfīq.
Een reservering voor een tic­ket op 6 de­cem­ber naar Say’ūn ligt voor hem ge­reed op het kan­toor van Ye­me­nia in Had­da Street, on­der num­mer RG98C.
Ik reserveerde een ka­mer in het Taj She­ba-ho­tel voor hem voor 3 de­cem­ber aan de zwem­bad­zij­de van het ho­tel, zo­als hij me ge­vraagd had. Ik laat hem me­de­de­len dat een ka­mer 180 US$ kost.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Database

Ik ont­dek­te dat de sor­teer­func­tie van de da­ta­ba­se in be­paal­de si­tu­a­ties niet goed werkt. Daar moet ik in Tarīm eens goed naar kij­ken. Ik hoop dat ik daar, net als ver­le­den jaar een stoel en een ta­fel ter be­schik­king heb (uit de bi­blio­theek). Als ik op de grond moet zit­ten wer­ken, naar Ara­bische ge­woon­te, doe ik er niet veel aan. (Dan is de com­pu­ter geen lap­top maar een ground­top). Ik kan al­leen maar aan een ta­fel wer­ken.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Taxi’s

De taxi’s van Sana’a en ook die van het Zui­den zijn een apar­te be­schrij­ving waard. Ik zat in taxi’s waar­van een van de ach­ter­wie­len waar­schijn­lijk ovaal van vorm was want bij ie­de­re om­wen­te­ling werd de auto iets om­hoog ge­wor­pen. Dat hin­der­de de chauf­feur niet om toch hard te rij­den. Een an­de­re taxi had ken­ne­lijk een los ach­ter­wiel, want de au­to slin­ger­de heen en weer. Ook de­ze chauf­feur taal­de niet om toch hard te scheu­ren. Ik zat in een taxi waar je door de vloer de straat kon zien. Ik zag een taxi waar­van, ter­wijl hij mij pas­seer­de, iets los­raak­te en als ge­volg daar­van vuur en von­ken in het rond vlo­gen. Ik zat in een taxi die een bot­sing met ruim voor hem dwars op de weg staan­de an­de­re au­to al­leen maar kon voor­ko­men door uit te wij­ken naar de an­de­re weg­helft, om­dat zijn rem­men het niet of nau­we­lijks de­den. Ge­luk­kig was er geen ver­keer op de an­de­re weg­helft, hoe­wel dat mis­schien he­le­maal niet ge­vaar­lijk zou zijn ge­weest. Die chauf­feurs zou­den dan ook een kunst­stuk­je heb­ben uit­ge­haald om ons te ont­wij­ken.
De verlichting van de au­to’s doet het over het al­ge­meen niet, wat geen be­zwaar is, want ook au­to’s waar­van de ver­lich­ting wel in or­de is (een won­der) rij­den vaak zon­der licht in het aar­de­don­ker. Ver­lich­ting komt hier in al­ler­lei denk­ba­re en on­denk­ba­re com­bi­na­ties voor.
Er zijn auto’s waar­van je zou den­ken dat die he­le­maal in or­de zijn, om­dat ze zo nieuw uit­zien. Dat zijn de gro­te land­crui­sers waar­van er hier veel zijn en die wor­den ge­bruikt voor het trans­port van toe­ris­ten. Maar ik zag al vaak chauf­feurs on­der die auto’s lig­gen om met ijze­ren sta­ven en tou­wen al­le ge­bro­ken de­len weer aan el­kaar te ‘kno­pen’.
Er is hier, volgens mij, geen en­kel ver­voer­mid­del in or­de. De vlieg­tui­gen voor bin­nen­lands ver­voer zien er be­hoor­lijk ver­zorgd uit. Ik heb de pi­lo­ten nog niet on­der hun ma­chi­nes zien lig­gen, maar ik denk dat uiter­lij­ke schijn, net zo­als bij de land­crui­sers, be­driegt.
Van die machines moet ik toch ge­bruik maken. Ik heb geen keus. An­ders moet ik met zo’n au­to­wrak door de woes­tijn om in Tarīm te ko­men, waar on­der­weg ook nog het ge­vaar van kid­nap­ping door ‘wil­de’ no­ma­den­stam­men*(2) schuilt.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Hotelrekening

Ik vroeg de re­ke­ning van het ho­tel en ik moet 6.215 rial be­ta­len. On­ge­veer ne­gen­tig gul­den, in­clu­sief die slech­te lunch­kip van gis­te­ren.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Noten

*(1)
Database en cata­lo­gus. Ik maak­te in Ne­der­land al een da­ta­base van de ca­ta­lo­gus van de Aḥgāf-bi­blio­theek in Ta­rīm. Die is nog niet he­le­maal af. Ik moet er nog enig werk aan ver­rich­ten.

Te­rug.

*(2)
Woestijn en ‘wilde’ no­ma­den­stam­men. Het ge­beurt in Je­men ge­re­geld dat toe­ris­ten ge­kid­napt wor­den, wan­neer die en reis door de woes­tijn ma­ken. Dit is een mid­del van de no­ma­den om de re­ge­ring on­der druk te zetten, om ei­sen in­ge­wil­ligd te krij­gen. De toe­ris­ten in kwes­tie wor­den meest­al goed be­han­deld en over­komt niets. In de laat­ste ja­ren van de twin­tig­ste eeuw is er maar één toe­rist ver­moord, ter­wijl er ve­le tien­tal­len ont­voerd zijn. Na on­der­han­de­lin­gen met de over­heid ko­men al­le toe­ris­ten weer on­ge­schon­den vrij.

Te­rug.


MenuFo­toBe­ginEindeTrans­criptie.

Index

Index van ter­men:
Index van per­so­nen:
Index van lo­ca­ties:

Me­nuFo­toBe­ginHoofd­in­dex.

Trans­crip­tie van de klin­kers in Ara­bische woor­den.

A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.

Klik hier voor het over­zicht van de trans­crip­tie in Ara­bische woor­den.

Me­nuFo­toBe­ginHoofd­in­dex.


Jemen 1997
Jemen 1997 (be­knopt over­zicht).
Je­men 1997: de da­gen in chro­no­lo­gische volg­or­de.
Je­men 1997: al­le foto’s.


Jemen 1996
Jemen 1996 (be­knopt over­zicht).
Je­men 1996: de da­gen in chro­no­lo­gische volg­or­de.
Je­men 1996: al­le foto’s.


De au­teur de­zes kan niet ga­ran­de­ren dat al­le links naar ex­ter­ne web­si­tes (dus die van der­de par­tij­en) al­tijd zul­len blij­ven be­staan. Fo­to’s in Goog­le Maps, bij­voor­beeld, kun­nen ver­dwij­nen wan­neer de ei­ge­naar ze weg­haalt. Ook aan an­de­re links kan een ein­de ko­men, of kun­nen in on­ge­bruik ra­ken.
Wan­neer u een niet wer­ken­de link con­sta­teert kunt u dat mel­den in het re­ac­tie­veld. Bij voor­baat dank.

22 november 1997

Sana'a
Sfeer­beeld in de ou­de stad van Sa­na’a.

Het Tarīm-project 1997

1997 – 2017: twin­tig jaar ge­le­den

Tarīm: Hadramaut, Jemen

Dagboek 1997

(Dag 9429) Ik ben in Ṣanaᶜā’, de hoofd­stad van Je­men en ik lo­geer in het Gas­mi-ho­tel. – In Lei­den, mijn woon­plaats, ga ik op vrij­dag­avond al­tijd dan­sen in het Leids Vrije­tijds­cen­trum (LVC). Daar zag ik een paar keer een mooie jon­ge vrouw, wier naam ik niet weet en daar­om ‘Enne­fea’ heb ge­noemd. Ik denk de­ze nacht aan haar en het LVC. – Het tijds­ver­schil met Ne­der­land is (in ‘on­ze’ win­ter) twee uur. – Mijn ver­slag, op mijn lap­top ge­schre­ven, be­vat meer (ach­ter­grond)­in­for­ma­tie dan mijn dag­boek­ver­slag. – De munt­een­heid in Je­men is de Rial (YER). (1 rial = f. 0,015 (an­der­hal­ve cent), dus 100 rial = f. 1,50.)

MenuFo­toIndex en het eindeTrans­criptie.

 
 

Zaterdag, 22 november 1997.
Sana’a: 4/44.
Ik word al om 4.00 uur wakker. Het LVC loopt leeg (02.00 uur), maar dat is niet de re­den dat ik wak­ker word. Het zijn de di­ver­se ge­beds­op­roe­pen die mijn slaap ver­sto­ren. Dit duurt tot cir­ca 05.30 uur.
Ik slaap niet meer, maar dag­droom over Enne­fea.
Op 7.30 uur.
Ontbijt van het hotel.
Yemenia. Ambas­sade. UPS. Ho­tel. Am­bas­sa­de: DK.: een stuk! Ye­me­nia. Ho­tel. Ye­me­nia. Kof­fer. Ho­tel. Taj She­ba: di­ner.
Hotel circa 21.30.
Deze dag ver­schil­len­de ma­len naar Ye­me­nia in Had­da Street. Uit­ein­de­lijk krijg ik een tic­ket naar Say’ūn voor US-dol­lar 127, de­zelf­de prijs als in 1996.
Ik kocht een kof­fer voor 6.500 rial (circa f. 95,00), re­de­lijk ste­vig, maar het num­mer­slot werkt niet, blijkt in het ho­tel.
Ik was twee keer in de [Ne­der­land­se] Am­bas­sa­de. DK. (Eer­ste se­cre­ta­ris) was er pas rond 13.00 uur. Wat een mooie, leu­ke, jon­ge vrouw en vlot! Ik bleef er an­der­half uur.
Ik ontmoette ook de am­bas­sa­deur Alex …?
Hij blijkt een voor­stan­der van het scan­nen van de ma­nus­crip­ten van Tarīm. (Ik na­me­lijk ook. In het na­jaar van 1995 pro­beer­de ik dat er voor dit pro­ject al door te druk­ken.)
Ik lunchte in het ho­tel: pa­tat en kip. Wat een vre­se­lijk sma­ken­de kip!
Diner in Taj Sheba. De taxi­chauf­feur vroeg 400 rial. Na een paar wei­ge­rin­gen be­taal­de ik. Een rit van Bāb al-Ye­men naar Taj She­ba kost niet meer dan 100 rial. (f. 1,50) Mijn mi­ni­mum­be­drag is ech­ter 200 rial. Ik vind 100 YER wel erg wei­nig.
Bed rond 21.30 uur, moe, maar ik kan niet sla­pen.
Ik kocht voor US-dol­lar 257 een UPS voor de Ahgāf-bi­blio­theek van 500 AV. Daar­mee kan na een span­nings­uit­val nog even door­ge­werkt wor­den. (Com­pu­ter.) UPS = Un­inter­rup­tible Power Sup­ply, voor de com­pu­ter. [of ook: Un­inter­rup­tible Power Sour­ce.]

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.


Computerverslag

De eerste drie we­ken van dit ver­blijf in Je­men hield ik op mijn lap­top­com­pu­ter ook een ver­slag bij, waar­in soms din­gen staan die niet in mijn dag­boek voor­komen.
Hier volgt een uit­trek­sel daar­van.

Ik werd al om kwart over vier wak­ker en luis­ter­de tot on­ge­veer zes uur naar al­ler­lei ui­tin­gen van god-prij­zen en ge­beds­op­roe­pen [el­ke van de vele mos­kee­ën een op­roep]. Ko­men­de nacht zal ik weer ge­luids­op­na­mes ma­ken, zo­als ik ook an­der­half jaar ge­le­den deed. Ik ge­loof dat er niet zo­veel ver­an­derd is in de wij­ze van nach­te­lijk la­waai ma­ken.
Na het ontbijt ga ik de stad in en probeer een vlucht naar Say’ūn te boe­ken. Dat lukt niet, om­dat het com­pu­ter­ge­stuurd boe­kings­sys­teem nog steeds bui­ten dienst is. Al min­stens sinds don­der­dag. Ik over­weeg een reis door de woes­tijn te ma­ken, met mijn zwa­re spul­len, in plaats van bij de lucht­vaart­maat­schap­pij weer over­ge­wicht te moe­ten be­ta­len.
DK. is niet op de am­bas­sa­de maar ik maak een af­spraak via PD. Ik zal om 13.00 uur te­rug­ko­men.
Bij twee be­drij­ven be­kijk ik de UPS’en. Po­wer sup­ply bij span­nings­uit­val voor com­pu­ters. Op een plaats kost 500 VA (volt­/­ampere) 500 US$, op een an­de­re plaats 257 US$. Ik koop er een voor 250 US$ en 927 YER (= 7 US$). Elf ki­lo ge­wicht er­bij. Nu meer dan 60 kg bij me!
Om het Gasmi-ho­tel ook een keer de eer te gun­nen, neem ik de lunch hier. Ik be­stel een hal­ve kip met pa­tat. Dat zal ik dus niet meer doen. Een half­zwar­te kip, ge­bar­be­cu­ed, half­ga­re kip, van on­dui­de­lij­ke ma­ke­lij en waar­schijn­lijk al lang over de uiter­ste da­tum heen krijg ik voor­ge­zet. (Van een ver­de­re be­schrij­ving zie ik af).
Over het al­ge­meen lunch ik hier niet. Ik eet uit Ne­der­land mee­ge­brach­te ver­ant­woor­de koe­ken als ik na de mid­dag hon­ger krijg. In Tarīm zal ik, als ge­schikt eten ten­min­ste ver­krijg­baar is, weer mid­dag­maal­tij­den ‘sco­ren’.
Rond 13.00 uur be­treed ik het Ne­der­lands grond­ge­bied in den vreem­de voor de twee­de maal van­daag. Ik word ont­van­gen door de ui­terst char­man­te DK., met wie ik de stand van za­ken door­spreek. Via haar be­mid­de­ling en iemand in de am­bas­sa­de kan ik een vlucht naar Say’ūn boeken op maan­dag 24 no­vem­ber.
Ik ontmoet de am­bas­sa­deur die met be­lang­stel­ling in­for­meert naar de stand van za­ken van het Tarīm-pro­ject. Ook hij denkt, net als ik, dat het in­te­res­san­ter is om al­le hand­schrif­ten te scan­nen in plaats van te mi­cro­fil­men. In het najaar van 1995 deed ik al re­search naar de mo­ge­lijk­he­den op dat ge­bied, maar een en ander strui­kel­de over de kos­ten van de ap­pa­ra­tuur. Ge­di­gi­ta­li­seer­de ma­nus­crip­ten / hand­schrif­ten kun­nen als plaat­jes op in­ter­net ge­zet wor­den.


MenuFo­toBe­ginEindeTrans­criptie.

Index

Index van ter­men:
Index van per­so­nen:
.
Index van lo­ca­ties:

Me­nuFo­toBe­ginHoofd­in­dex.

Trans­crip­tie van de klin­kers in Ara­bische woor­den.

A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.

Klik hier voor het over­zicht van de trans­crip­tie in Ara­bische woor­den.

Me­nuFo­toBe­ginHoofd­in­dex.


Jemen 1997
Jemen 1997 (be­knopt over­zicht).
Je­men 1997: de da­gen in chro­no­lo­gische volg­or­de.
Je­men 1997: al­le foto’s.


Jemen 1996
Jemen 1996 (be­knopt over­zicht).
Je­men 1996: de da­gen in chro­no­lo­gische volg­or­de.
Je­men 1996: al­le foto’s.


De au­teur de­zes kan niet ga­ran­de­ren dat al­le links naar ex­ter­ne web­si­tes (dus die van der­de par­tij­en) al­tijd zul­len blij­ven be­staan. Fo­to’s in Goog­le Maps, bij­voor­beeld, kun­nen ver­dwij­nen wan­neer de ei­ge­naar ze weg­haalt. Ook aan an­de­re links kan een ein­de ko­men, of kun­nen in on­ge­bruik ra­ken.
Wan­neer u een niet wer­ken­de link con­sta­teert kunt u dat mel­den in het re­ac­tie­veld. Bij voor­baat dank.

21 november 1997

Sana'a-huis
Tra­di­tio­ne­le ho­ge hui­zen in Sa­na’a, de hoofd­stad van Je­men.

Het Tarīm-project 1997

1997 – 2017: twin­tig jaar ge­le­den

Tarīm: Hadramaut, Jemen

Dagboek 1997

(Dag 9428) Ik ar­ri­veer­de eer­gis­te­ren in Sana’a, de hoofd­stad van Je­men en ik lo­geer in het Gas­mi-ho­tel. – Mijn ver­slag, op mijn lap­top ge­schre­ven, be­vat meer (ach­ter­grond)­in­for­ma­tie dan mijn dag­boek­ver­slag. – De munt­een­heid in Je­men is de Rial (YER). (1 rial = f. 0,015 (an­der­hal­ve cent), dus 100 rial = f. 1,50.)

MenuFo­toIndex en het eindeTrans­criptie.

 
 

Vrijdag, 21 november 1997.
Sana’a: 3/45.
Ik kan de slaap slecht vat­ten, maar als het dan ook lukt, slaap ik een gat in de dag. Om 10.45 sta ik op.
Ontbijt: het laatste brood uit Ne­der­land.
Beneden: data­ba­se­boe­ken be­stu­de­ren.
De Irakees, die me nog ken­de van de vo­ri­ge keer [1996], bood me kamer 501 aan, vre­se­lijk hoog, maar erg rus­tig en twee ra­men.*(1)
Lopen naar Baab al-Yemen.
Eten in Taj Sheba. (Buffet: 2.300 YER, plus 300 YER fooi.)
Terug via Bab al-Yemen.
Thuis [hotel]: ver­slag schrij­ven [op mijn lap­top] en een stuk­je brief voor de men­sen thuis.
Nu 00.00 uur.
Het begint nu pas lang­zaam tot me door te drin­gen dat ik niet meer thuis ben, maar in de mid­del­eeu­wen in de hoofd­stad van Je­men: Sana’a.
Temperatuur op mijn ka­mer: circa 21°C, bui­ten, op cir­ca 20 me­ter hoog, 17°C.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.


Computerverslag

De eerste drie we­ken van dit ver­blijf in Je­men hield ik op mijn lap­top­com­pu­ter ook een ver­slag bij, waar­in soms din­gen staan die niet in mijn dag­boek voor­komen.
Hier volgt een uit­trek­sel daar­van.

Ik ging gis­te­ren­avond rond mid­der­nacht naar bed en sliep tot on­ge­veer 11 uur. Gis­te­ren over­dag sliep ik ook al drie uur. Waar komt die ver­moeid­heid van­daan? Komt het door het zuur­stof­ge­brek? Sana’a ligt namelijk 2.200 meter hoog in de ber­gen. Hoe­wel de stad in de tro­pen ligt, kan het hier ’s win­ters wel vrie­zen. Soms valt er sneeuw. Op de berg­top­pen die de stad om­ge­ven ligt ’s win­ters soms lan­ge­re tijd sneeuw.
De buitentemperatuur zak­te af­ge­lo­pen nacht naar 14,5°C, maar is nu 23°C. In mijn ka­mer is het on­ver­an­der­lijk 20,5°C.
Overdag lekker weer, met een beet­je zon. ‘s Avonds zag ik een keer een blik­sem­schicht maar het bleef droog. Tem­pe­ra­tuur rond 23.00 uur: bin­nen 20,9°C, bui­ten: 16,9°C.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Geheimen van Jemen

Het duurt weer even voor­dat ik in de ga­ten heb hoe het wa­ter­kra­nen­sys­teem hier in el­kaar zit. Ik vrees­de weer een kou­de dou­che, zo­als gis­te­ren in het Taj She­ba-ho­tel. Maar na een poosje wist ik het weer. Ik had in dit ho­tel al eer­der ge­lo­geerd, in 1996.
De rode kraan kan de warme zijn, maar ook de kou­de. Ik be­grijp niet waar­om hier in de ene dou­che de ro­de kraan de warm­wa­ter­kraan is en in de dou­che vlak er­naast de koud­wa­ter­kraan. Daar­naast zit in de ene dou­che de ro­de kraan links en in de an­de­re dou­che rechts. Ara­bische lo­gi­ca? Mis­schien zijn we in het over­ge­re­gu­leer­de Ne­der­land wel te zeer ver­wend.
Wat ik ook niet be­grijp is waar­om in Noord-Je­men, dat nooit on­der Eu­ro­pees ko­lo­ni­aal be­stuur heeft ge­staan, de stop­con­tac­ten al­le­maal van het En­gel­se mo­del zijn en in Zuid-Je­men, dat ja­ren­lang on­der En­gels be­stuur stond, al­le stop­con­tac­ten Eu­ro­pees zijn.
Verleden jaar lie­pen Nico en ik ve­le ma­len door smal­le stra­ten en ste­gen van de ou­de stad Sana’a, maar we klets­ten dan veel en had­den geen oog voor de om­ge­ving. Toen is me in ie­der ge­val niet op­ge­val­len wat me nu wel op­valt als ik ’s avonds al­leen door de on­ver­lich­te stra­ten van de ou­de bin­nen­stad loop, op weg naar de Baab al-Ye­men. Daar neem ik dan een ta­xi naar een re­stau­rant. Ook op de te­rug­weg loop ik van­af deze poort naar het ho­tel, hoe­wel de taxi best be­reid is me voor de deur van het ho­tel af te le­ve­ren, voor 1,50 gul­den. Ik ge­niet van de bij­zon­de­re sfeer die in de­ze bij­zon­de­re stad hangt.
De oude bin­nen­stad van Sana’a is een stad in de mid­del­eeu­wen. Dit deel wordt om­ge­ven door een le­men stads­wal, die mo­men­teel met geld van de UNESCO weer ge­heel ge­res­tau­reerd wordt.
De hoofdingang van de ou­de stad is de Baab al-Ye­men, de Poort van Je­men. Dit is het sym­bo­lische cen­trum van het land. Op het plein voor en bin­nen de poort is het een druk­te van be­lang. Dui­zen­den men­sen bie­den van al­les te koop aan. Hier kun je de Je­me­nie­ten be­stu­de­ren. De Sana’ani man­nen en vrou­wen zijn ten­ger, ma­ger en klein van stuk. Niet gro­ter dan 1,50 m of 1,60 m. Ze­ker komt dat voor een deel door de slech­te voe­ding, maar ook de ver­sla­ving aan gaat*(2) speelt een rol.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Kleding

Wat bin­nen de poort di­rect op­valt is de hon­der­den ver­ko­pers van col­bert­jas­jes. Al­le Noord-Je­me­nie­ten dra­gen over hun dish­da­sha*(3) (een lan­ge “jurk”) een col­bert­jas­je. Al­le man­nen dra­gen bo­ven­dien een djam­bia*(4) op hun buik, een gro­te krom­me dolk. Met man­nen be­doel ik ook kin­de­ren van­af een jaar of veer­tien.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Ar­chi­tec­tuur

De hui­zen van Sana’a zijn van steen. De be­gane grond en de eer­ste ver­dieping zijn van na­tuur­steen ge­maakt en heb­ben geen ra­men, wel uit­spa­rin­gen voor fris­se lucht. Ze die­nen als op­slag­plaats van goe­de­ren en in veel ge­val­len ook gei­ten.
Aan de straat­zijde heeft de be­ga­ne grond een of meer nis­sen, zo­als in de he­le Ara­bische we­reld, van Ma­rok­ko tot Sy­rië en dus ook Je­men. Hier­in zijn win­kels ge­ves­tigd. In die win­kels kan van al­les wor­den ver­kocht. Van de groot­ste rom­mel tot le­vens­mid­de­len of ge­reed­schap­pen. Zo­als ook in de he­le Ara­bische we­reld wor­den die nis­sen met een blauw ge­verf­de sta­len deur ge­slo­ten.
De twee­de ver­die­ping en ho­ger zijn van bak­steen, met ra­men. De hui­zen ste­ken hoog boven de stra­ten uit. Ze zien er­uit als mid­del­eeu­wse ves­tin­gen. Door die ho­ge, soms ran­ke, hui­zen lij­ken de stra­ten nog smal­ler dan ze al zijn. Soms zijn die hui­zen twin­tig me­ter breed.
De buitenwanden van vrij­wel al­le hui­zen in de bin­nen­stad van Sana’a zijn prach­tig ver­sierd met wit­te kalk in mooie ab­strac­te pa­tronen. Soms staan er tek­sten uit de ko­ran, in mooie cal­li­gra­fische let­ters op de mu­ren, even­eens met wit­te kalk ge­schre­ven. In het schaar­se licht krijgt dit al­les een sprook­jes­ach­ti­ge sfeer, zoals op ou­de te­ke­nin­gen van bij­voor­beeld bij [Duit­se schil­der] Al­brecht Dürer. Of zoals op plaat­jes die bij som­mi­ge 1001-nacht ver­haal­tjes staan. Mis­schien dien­de Sana’a wel als voor­beeld voor die te­ke­nin­gen.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Middeleeuwen

In deze mid­del­eeu­wse stad zit­ten, han­gen of lig­gen mid­del­eeu­wse man­nen in sjo­fe­le kle­ding in groep­jes of al­leen langs de mu­ren van de hui­zen, voor zich uit sta­rend vaak onder in­vloed van de gaat. Een ver­sle­ten tul­band (koefiyya/imama*(5)) op een ver­weer­de kop, vaak een ge­le. (Be­ter ge­si­tu­eer­den dra­gen een rode). Een grij­ze baard of een on­ge­scho­ren ge­zicht. In de mond slechts en­ke­le tan­den. Het on­ver­mij­de­lij­ke, maar sme­ri­ge col­bert­jas­je over hun even­eens reeds lang ge­le­den ge­was­sen dish­da­sha. De djam­bia man­haf­tig op de buik. Sme­ri­ge voe­ten in met touw­tjes aan el­kaar ge­bon­den stuk­jes leer dat een san­daal moet voor­stel­len. Ze schra­pen hun keel en spu­wen de laat­ste rest­jes gaat met een wij­de boog op straat. De straat­ste­nen glim­men er groen­ach­tig van in het licht van de pas­se­ren­de auto’s.
Kinderen ren­nen op blo­te voe­ten spe­lend door de stra­ten en sprin­gen over trap­pen en ber­gen rom­mel. Ook klei­ne meis­jes doen mee. Ou­de­re meis­jes en vrou­wen zie je na zons­on­der­gang niet meer op straat.
In deze middeleeuwse don­ke­re ste­gen gloeit hier en daar een oran­je neon­lamp of een TL-buis, soms wel tien me­ter boven het straat­ni­veau. Zon­der het licht van de au­to’s zou het moei­lijk zijn de weg naar huis te vin­den. Hoe­wel de stra­ten erg smal zijn ko­men over­al au­to’s. Au­to’s heb­ben al­tijd en over­al voor­rang. Al­les wat wie­len heeft gaat voor dat wat geen wie­len heeft.
De stra­ten zijn ge­pla­veid met gro­te vier­kan­te na­tuur­ste­nen, gro­te kin­der­kop­jes die het lo­pen ern­stig be­moei­lij­ken. Ho­pen vuil ver­sper­ren ver­der de weg. Over­al is vuil, huis­hou­de­lijk af­val, le­ge plas­tic wa­ter­fles­sen, pa­pier en an­de­re rom­mel. Ge­luk­kig stinkt het niet. Hon­den zijn er bij­na niet, maar wel veel brood­ma­ge­re poe­zen. Ook veel gei­ten die zich te­goed doen aan het af­val.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Veiligheid

Als man al­leen heb je hier ’s avonds in het don­ker niet veel te vre­zen. Ik ge­loof ech­ter niet dat het voor vrouwen al­leen zo laat nog aan­ge­naam is. Dit ba­seer ik op het feit dat er in het don­ker erg wei­nig vrou­wen te zien zijn en ook her­in­ner ik mij de woor­den van de mooie In­di­a­se re­cep­ti­o­nis­te bij het Taj Sheba-ho­tel die het voor­al ver­ve­lend vond dat je hier na zes­sen niet meer op straat kan ko­men. Na zes­sen be­te­kent: na in­val van de duis­ter­nis. Die valt hier zo­mer en win­ter al­tijd rond zes uur in.
In het moder­ne deel van Sana’a zie ik ver­schil­len­de vrou­wen on­ge­slui­erd. Het schijnt me toe dat het er veel meer zijn dan an­der­half jaar ge­le­den. De door de man­nen ge­plaat­ste stel­ling dat de Je­me­ni­tische vrou­wen de mooi­ste ter we­reld zijn lijkt mij sterk over­dre­ven. Of lo­pen al­leen die vrou­wen on­ge­slui­erd die toch niet voor een schoon­heids­prijs in aan­mer­king ko­men?
Gasmi-hotel: ik kreeg een ka­mer op de vijf­de ver­die­ping aan­ge­bo­den. Voor de klim, we­gens zuur­stof­ge­brek niet ge­wenst, wel voor de rust en de mo­ge­lijk­heid tot het ma­ken van band­op­na­mes van nach­te­lijk Sana’a.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Noten

*(1)
De Irakees ken­de mij nog van het voor­jaar 1996 toen ik ook en­ke­le ke­ren in het Gasmi-ho­tel lo­geer­de. De ka­mer ligt op de vijf­de ver­die­ping. Dat is in Sana’a vre­se­lijk hoog in een ho­tel zon­der lift. Dan moet je veel trap­pen klim­men. Bo­ven­dien ligt de­ze stad meer dan twee ki­lo­me­ter bo­ven de zee­spie­gel, dus is er spra­ke van zuur­stof­ge­brek. El­ke klei­ne in­span­ning ver­oor­zaakt dan ‘gro­te’ ver­moeid­heid.

Te­rug.

*(2)
De gaat / qat. (ﺍﻟﻗﺎﺕ) is een plant die in Je­men op gro­te schaal ver­bouwd wordt en waar­van op de blaad­jes ge­kauwd word­en voor een ver­do­vend ef­fect. Ik zal op 29 de­cem­ber 1997 bij een gaat-ses­sie met veel man­nen mee­ma­ken en ook en­ke­le blaad­jes kau­wen. In Wi­ki­pe­dia (Engels) wordt uit­ge­breid in­ge­gaan op dit roes­mid­del.

Te­rug.

*(3)
De dish­da­sha is de lan­ge wit­te ‘jurk’ die man­nen in de Ara­bische we­reld dra­gen en heeft ver­schil­lende na­men, die af­han­ke­lijk van de re­gio zijn. Zo wordt die dish­da­sha ge­noemd, of ook wel thawb. Bij Wi­ki­pe­dia wor­den ver­schil­len­de na­men op­ge­somd. (Engels)

Te­rug.

*(4)
De djam­bia is een krom­me dolk die er ver­vaar­lijk uit­ziet om­dat de sche­de nog­al groot is. Al­le man­nen, van­af veer­tien jaar (al­leen in Noord-Je­men) dra­gen de­ze dolk op hun buik. Zie Wikipedia voor meer in­for­ma­tie. (Engels.)

Te­rug.

*(5)
Een koefiyya / imama is de rood-wit of zwart-wit ge­blok­te Ara­bische hoofd­doek die met na­me in Sa­oedi-Ara­bië en de Golf­sta­ten door man­nen ge­dra­gen wordt. Soms met een zwar­te band op het hoofd als een soort ‘plaats­houder’, die agaal heet. Zie Wikipedia voor meer in­for­ma­tie. (Engels.)

Te­rug.


MenuFo­toBe­ginEindeTrans­criptie.

Index

Index van ter­men:
Index van per­so­nen:
Nico.
Index van lo­ca­ties:

Me­nuFo­toBe­ginHoofd­in­dex.

Trans­crip­tie van de klin­kers in Ara­bische woor­den.

A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.

Klik hier voor het over­zicht van de trans­crip­tie in Ara­bische woor­den.

Me­nuFo­toBe­ginHoofd­in­dex.


Jemen 1997
Jemen 1997 (be­knopt over­zicht).
Je­men 1997: de da­gen in chro­no­lo­gische volg­or­de.
Je­men 1997: al­le foto’s.


Jemen 1996
Jemen 1996 (be­knopt over­zicht).
Je­men 1996: de da­gen in chro­no­lo­gische volg­or­de.
Je­men 1996: al­le foto’s.


De au­teur de­zes kan niet ga­ran­de­ren dat al­le links naar ex­ter­ne web­si­tes (dus die van der­de par­tij­en) al­tijd zul­len blij­ven be­staan. Fo­to’s in Goog­le Maps, bij­voor­beeld, kun­nen ver­dwij­nen wan­neer de ei­ge­naar ze weg­haalt. Ook aan an­de­re links kan een ein­de ko­men, of kun­nen in on­ge­bruik ra­ken.
Wan­neer u een niet wer­ken­de link con­sta­teert kunt u dat mel­den in het re­ac­tie­veld. Bij voor­baat dank.

20 november 1997

Sana'a
Traditionele huizen in Sana’a, bij bewolkt weer.

Het Tarīm-project 1997

1997 – 2017: twin­tig jaar ge­le­den

Tarīm: Hadramaut, Jemen

Dagboek 1997

(Dag 9427) Gis­te­ren ar­ri­veer­de ik in Sana’a en over­nacht­te in het du­re Taj She­ba-ho­tel. – Van­daag ver­kas ik naar het goed­ko­pe­re al-Gas­mi-ho­tel in de oude stad van Sana’a, bin­nen de stads­mu­ren. – Mijn ver­slag, op mijn lap­top ge­schre­ven, be­vat meer (ach­ter­grond)­in­for­ma­tie dan mijn dag­boek­ver­slag. – De munt­een­heid in Je­men is de Rial. (1 rial = f. 0,015 (an­der­hal­ve cent), dus 100 rial = f. 1,50.)

MenuFo­toIndex en het eindeTrans­criptie.

 
 

Donderdag, 20 november 1997.
Sana’a: 2/46.
Op 7.00 uur. Ontbijt.
Dagboek bijwerken.
Nu 9.00 uur.
Eerst ga ik naar het Gas­mi-ho­tel om een ka­mer te re­ser­ve­ren. Dan ga ik naar Dr. AS., hoofd van De Al­ge­me­ne Or­ga­ni­sa­tie van An­ti­qui­tei­ten, Mu­sea en Hand­schrif­ten*(1) die me kort ont­vangt, want hij moet naar een ver­ga­de­ring. Daar­na terug naar Taj She­ba-ho­tel en uit­chec­ken.
Ik vertel wat met de mooie In­di­ase re­cep­tio­nis­te die 25 no­vem­ber terug­gaat naar haar woon­plaats Ban­ga­lore, na an­der­half jaar Sana’a. Hier kan ze na zes uur ’s avonds niet meer al­leen op straat ver­schij­nen, daar kan ze gaan en staan waar ze wil en zelfs naar de dis­co gaan.
In Taj Sheba, dat tot een In­di­ase hotel­ke­ten be­hoort, wer­ken veel In­diërs.
Er is geen taxi die mij naar het Gas­mi-hotel wil bren­gen. Uit­ein­de­lijk wil iemand dat voor 500 rial doen. Bij het Gas­mi vraagt hij 600 rial. Ik be­taal zon­der pro­test. (’s Avonds, na het di­ner in Taj She­ba wil hij me weer voor 600 rial bren­gen. Ik zeg hem dat ik niet meer dan 100 rial wil be­ta­len. (De nor­ma­le prijs.) Hij wil dan niet.
In het hotel val ik twee uur in slaap.
Ik probeer in diverse kan­to­ren van Ye­menia een vlucht naar Say’un te boe­ken, maar over­al ligt de com­pu­ter plat. De re­den krijg ik al­leen maar op twee kan­to­ren te ho­ren: er wordt nieuwe soft­ware ge­ïn­stal­leerd.
Het Yemen Com­pu­ter Cen­ter is ge­slo­ten. Ik wil­de daar een UPS (en ap­pa­raat dat bij stroom­uit­val de span­ning vol­doen­de lang in stand houdt om een com­pu­ter nor­maal af te slui­ten) ko­pen.
Ik wissel 200 US-dollar voor 26.400 rial en ga te­le­fo­ne­ren in straat nr. 36 naar Pa en Ma. Ik voel me ver­plicht ook XX. te bel­len.
Circa 18.00 uur di­ner in Taj Sheba. Ik ben an­der­half uur te vroeg voor het buf­fet, dus eet ik à la car­te, wat me slecht be­komt, dat wil zeg­gen: het is niet zo lek­ker en het kost toch 3.600 rial. f. 54,00. Niet goed­koop.
Ik loop naar het Gas­mi-ho­tel en val op mijn ka­mer tussen 20.00 en 21.00 uur in slaap. Nu 22.00 uur.
Bed 00.00 uur.
Temperatuur: 17,4°C bui­ten en 20,5°C bin­nen.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.


Computerverslag

De eerste drie we­ken van dit ver­blijf in Je­men hield ik op mijn lap­top­com­pu­ter ook een ver­slag bij, waar­in soms din­gen staan die niet in mijn dag­boek voor­komen.
Hier volgt een uit­trek­sel daar­van.

In het Taj Sheba-hotel pro­beer ik een war­me dou­che te ne­men, maar er is in dit du­re ho­tel geen warm wa­ter! On­be­grij­pe­lijk. Een kou­de dou­che, let­ter­lijk en fi­guur­lijk. La­ter, na be­stu­de­ring van de kraan ont­dek ik dat, als je die open­draait er eerst koud wa­ter uit­komt. Als je die dan maar steeds ver­der open­draait komt er op een ge­ge­ven mo­ment lauw wa­ter. In de ui­ter­ste stand ‘open’ komt er gloei­end heet wa­ter. Bij­zon­der.
De taxichauffeur, een jon­ge­man, is een van de wei­ni­ge Je­me­nie­ten die geen qat ge­bruikt. Hij is sport­man en doet ken­ne­lijk aan hard­lo­pen, want zo’n ge­baar maakt hij er bij. (Wat is hard­lo­pen in het Ara­bisch? Ik ben zo­veel ver­ge­ten.) Taxichauf­feurs zijn mijn oe­fen­ob­jec­ten en moe­ten mijn krom­me Ara­bisch maar aan­ho­ren, tot­dat ik het weer een beet­je onder de knie heb. Ik wil ech­ter niet al­tijd maar pra­ten.
Als ik een aantal ki­lo­me­ters terug naar het Gasmi-hotel loop, valt het me op dat er zo­veel win­kels ge­slo­ten zijn. Is dat het ge­volg van de qat­ses­sies? Of draait de Je­me­ni­tische eco­no­mie zo goed, dat men zich een vrije za­ter­dag­mid­dag*(2) per­mit­te­ren kan? Dat laat­ste kan niet het ge­val zijn. Je­men hoort toch bij de top­tien van de arm­ste lan­den ter we­reld. Staat het niet op de vier­de plaats, van on­de­ren? Ik las gis­te­ren in The Ye­men Times dat de Mi­nis­ter van Fi­nan­ciën mo­men­teel al­le do­nor­lan­den af­reist om uit­stel van be­ta­ling van de schul­den te vra­gen, want het land kan niets op­bren­gen.
Ergens vlak over de brug over de Sayla [ri­vier], in de rich­ting van de nieuwe stad, aan de Zu­bayr­straat staat een groot huis waar van­af het dak luid­spre­kers al­ler­lei soort tra­di­ti­o­ne­le mu­ziek knoert­hard de straat in tet­te­ren. Er zijn men­sen die daar nog on­der blij­ven zit­ten. Die zijn ze­ker al doof. Wat dat al­le­maal be­te­kent weet ik niet. Op het ge­bouw hangt een Je­me­ni­tische vlag. Het pand ligt te­gen­over het Avia­tion en Meteo­ro­lo­gi­cal In­sti­tute.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Noten

*(1)
Deze Algemene Organisatie is de for­me­le ont­van­ger van het ge­schenk van de Ne­der­land­se re­ge­ring. Dr. AS. is ver­ant­woor­de­lijk voor het be­leid in de Ha­dra­maut.

Te­rug.

*(2)
Het is vandaag don­der­dag, maar omdat in veel is­la­mi­tische lan­den en ook Je­men, de vrij­dag als ‘zon­dag’ (een vrije dag) geldt, spreek ik over don­der­dag als ‘za­ter­dag’, de dag vóór de vrije ‘zon­dag’.

Te­rug.


MenuFo­toBe­ginEindeTrans­criptie.

Index

Index van ter­men:
Index van per­so­nen:
.
Index van lo­ca­ties:

Me­nuFo­toBe­ginHoofd­in­dex.

Trans­crip­tie van de klin­kers in Ara­bische woor­den.

A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.

Klik hier voor het over­zicht van de trans­crip­tie in Ara­bische woor­den.

Me­nuFo­toBe­ginHoofd­in­dex.


Jemen 1997
Jemen 1997 (be­knopt over­zicht).
Je­men 1997: de da­gen in chro­no­lo­gische volg­or­de.
Je­men 1997: al­le foto’s.


Jemen 1996
Jemen 1996 (be­knopt over­zicht).
Je­men 1996: de da­gen in chro­no­lo­gische volg­or­de.
Je­men 1996: al­le foto’s.


De au­teur de­zes kan niet ga­ran­de­ren dat al­le links naar ex­ter­ne web­si­tes (dus die van der­de par­tij­en) al­tijd zul­len blij­ven be­staan. Fo­to’s in Goog­le Maps, bij­voor­beeld, kun­nen ver­dwij­nen wan­neer de ei­ge­naar ze weg­haalt. Ook aan an­de­re links kan een ein­de ko­men, of kun­nen in on­ge­bruik ra­ken.
Wan­neer u een niet wer­ken­de link con­sta­teert kunt u dat mel­den in het re­ac­tie­veld. Bij voor­baat dank.

19 november 1997

Typische huizen in de oude stad van Sana’a.

Het Tarīm-project 1997

1997 – 2017: twin­tig jaar ge­le­den

Tarīm: Hadramaut, Jemen

Dagboek 1997

(Dag 9426) Ik ver­trek van­daag naar Ṣanaᶜā’, de hoofd­stad van Je­men, om later in de Ḥaḍramaut (Zuid-Je­men) in de plaats Tarīm te gaan wer­ken. Ik zal 48 da­gen van huis zijn. Dit is de twee­de keer dat ik in Je­men ben voor werk. In het voor­jaar van 1996 ver­bleef ik al drie maan­den in Ta­rīm. – Mijn ver­slag, op mijn lap­top ge­schre­ven, be­vat meer (ach­ter­grond)­in­for­ma­tie dan mijn dag­boek­ver­slag. – De munt­een­heid in Je­men is de Rial (YER). (1 rial = f. 0,015 (an­der­hal­ve cent), dus 100 rial = f. 1,50.)

MenuFo­toIndex en het eindeTrans­criptie.

 
 

Woensdag, 19 november 1997.
Leiden – Sana’a: 1/47.
Op 5.00 uur.
Afspraak is dat de taxi 7.50 uur zal ko­men. [Ver­ver­straat.]
Ik bel rond 8.00 uur. De taxi zou er zijn, maar mijn huis­num­mer niet kun­nen vin­den. Dat komt, zegt de chauf­feur la­ter te­recht, om­dat de straat aan het an­de­re eind West-Ha­ven­straat heet.
We halen XX. op. (Ik laat er een zak vuil­nis ach­ter, ver­pakt in een C&A-zak, om de taxi­chauf­feur niet te ‘schof­feren’.)

Trein

XX. gaat mee naar het Sta­tion. Als de trein van 8.31 uur (met vijf mi­nu­ten ver­tra­ging) komt, blijkt de in­gang naar het Eer­ste­klas com­par­ti­ment toch wel erg smal. (Smal­ler dan de Twee­de­klas?) Ik kocht Eer­ste­klas kaart­jes voor ons bei­den, maar het is druk en het por­taal [bal­kon] staat ook vol met Twee­de­klas­sers. Na enig ge­doe, lukt het ons om in de bij­na vol­le Eer­ste­klas toch een krap plaats­je te vin­den.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Schiphol

Inchecken in Schip­hol kan di­rect. Ik zet 40,8 kg. op de weeg­schaal en be­weer glas­hard dat de hand­ba­ga­ge lich­ter is dan 10 kg. (Was on­ge­veer 15 kg.) Ik moet 792 gul­den over­ge­wicht be­ta­len voor 15 kg. Ik doe dat met 420 US-dol­lar en 30 Ne­der­land­se cen­ten.
In afwachting van het ver­trek in het dak­res­tau­rant pro­beert XX. in een bij­na niet af­la­ten­de woor­den­stroom haar kwa­li­tei­ten aan te prij­zen en de kwa­li­tei­ten van al­le an­de­re be­ken­de vrou­wen te mi­ni­ma­li­se­ren. Het liefst zou ik zwij­gend en stil voor mij uit wil­len heb­ben sta­ren, dro­men en ge­nie­ten van dat sexy kont­je van dat blond­je voor me in haar strak­ke zwar­te broek. Slechts een expres uit­ge­breid toi­let­be­zoek brengt de ver­lang­de rust. Me­teen als het tijd is ga ik in­stap­pen en ga bij­na aan boord van het vlieg­tuig naar Mon­treal, Ga­te F. 8, ter­wijl ik bij Ga­te F. 7 moet zijn. Ik was al door de me­taal­de­tec­tor.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Vlucht

Mijn stoel is 34 A, bij een raam, niet ro­ken, niet bo­ven een vleu­gel en aan de lin­ker­kant. (Van­we­ge de zon.)
Naast mij komt nie­mand. Het vlieg­tuig is bij lan­ge na niet vol.
Er zijn half­naak­te mos­lims op weg naar Mek­ka, in staat van Ih­raam*(1), met hun wit­te doe­ken om. (Hoe heet dat ook al weer?)
Verder zijn er veel ‘olie­boe­ren’ van Yemen Hunt*(2) en met een van hen be­gin ik een ge­sprek, tij­dens de tus­sen­stop in Djed­dah [Saoe­di-Ara­bië].
Hij en een ander wer­ken off­shore in de Ro­de Zee op een ter­mi­nal waar tan­kers de in de woes­tijn ge­von­den olie la­den. De rest van die man­nen werkt daar, in de woes­tijn.
Hij werkt al drieën­half jaar in Je­men. 28 da­gen op zijn me­ta­len ei­land en 28 da­gen bij zijn vrouw in En­ge­land. (Het be­taalt niet veel, maar hij heeft dus per jaar een half jaar vrij.) Het moet uit de leng­te of de breed­te ko­men.) Van Je­men zag hij niet meer dan Baab al-Yemen en (van­uit de he­li­kop­ter die hem van­uit Sana’a naar zijn ei­land brengt) en het berg­land­schap met de ter­ras­cul­tuur.
Boven de Nijl maakte ik dia’s van het Nijl­dal. Een van de Ro­de Zee.
Ik verbaas me over de zee van licht in het enorm gro­te uit­ge­strek­te Jed­da. Ik maak en­kele dia’s.
Ik verbaas me over de zee van duis­ter­nis van Sana’a, an­der­half uur na het ver­trek uit Jed­dah.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Sana’a

In no time sta ik bui­ten de lucht­ha­ven en neem voor twin­tig dol­lar een taxi naar het Taj Sheba ho­tel waar ik voor 160 US-dol­lar plus 12% be­las­ting (20 US-dol­lar) voor één nacht een kamer huur.
Na enige rust over­valt mij de slaap en ik ga rond 00.00 uur naar bed.
Weer in Sana’a: droog na een regen­bui.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.


Computerverslag

De eerste drie we­ken van dit ver­blijf in Je­men hield ik op mijn lap­top­com­pu­ter ook een ver­slag bij, waar­in soms din­gen staan die niet in mijn dag­boek voor­komen.
Hier volgt een uit­trek­sel daar­van.

We vliegen een stuk over / langs de Nijl. Ik maak en­kele dia’s. Ook een van de Rode Zee en ver­schil­len­de van het in een zee van licht ba­den­de Jed­da. Een enorm gro­te stad. Van­uit de lucht zie ik ver­schil­len­de luna parks. Dat ver­baast me. De Sy­rische chi­rurg uit al-Ri­yaad had me ver­le­den jaar in het vlieg­tuig uit Am­man toch ver­teld dat er in Saoe­di-Ara­bië geen an­der ple­zier is dan win­ke­len. Nu blijkt er nog meer ple­zier te zijn. Ker­mis­sen. Wat een los­ban­dig­heid. Welk ge­not zal er in dat land nog meer te ge­nie­ten zijn?
Een van de pas­sa­giers van het KLM-vlieg­tuig is een me­ca­ni­cien op een olie­ter­mi­nal in de Ro­de Zee. Hij ver­tel­de me dat hij in de buurt van Dah­ran had ge­werkt, in Saoe­di-Ara­bië, vanaf no­vem­ber 1990. Vast per­so­neel vlucht­te toen weg uit angst voor Irak (in­va­sie in Koe­weit). Hij, van de En­gel­se oost­kust, had geen er­va­ring in de olie-in­dus­trie en sprak ook al­leen maar En­gels, maar werd tocht aan­ge­no­men. Het werk be­taal­de goed, maar het stren­ge re­li­gieu­ze kli­maat had hem ver­dre­ven. Nu werkt hij voor Yemen Hunt Oil Com­pany. Veel min­der verdien­sten, dat wel, maar 28 da­gen op en 28 da­gen af. Dat wil zeg­gen dat hij per jaar een half jaar vrij had. (Dat ver­schil zat in zijn be­dui­dend la­ge­re loon).
Hoewel hij al meer dan drie­ën­half jaar in Je­men werk­te had hij van het land niet meer ge­zien dan Bab al-Yemen in Sana’a en dat deel van het land dat on­der de he­li­kop­ter door­gleed, tus­sen Sana’a en zijn gro­te, tien­tal­len me­ters hoge en een kwart mijl lan­ge me­ta­len ei­land in de Ro­de Zee, als hij er­heen ge­bracht werd of er van­af ge­haald werd. Hij ver­tel­de dat het land­schap erg mooi is. Ho­ge ber­gen, waar men­sen op de rand van de rot­sen in ste­nen hui­zen le­ven en waar het land be­werkt was met ter­ras­bouw.
Het vliegtuig was al niet vol. In Djed­da stap­ten ook nog veel men­sen uit. Ook mos­lims in staat van Ihram, met de doe­ken om hun naak­te li­chaam. Er kwa­men geen nieuwe pas­sa­giers bij. De vlucht naar Djedda duur­de 5 uur en een kwar­tier. De vlucht van Djed­da naar Sana’a 1 uur en 25 mi­nuten.
Uitstappen en bagage op­ha­len, doua­ne en taxi. Al­les ging veel snel­ler dan in maart 1996, toen ik hier voor het eerst kwam. Het is al­le­maal in een kwar­tier ge­beurd. Voor 20 US $ word ik in de stad af­ge­le­verd bij het Taj She­ba ho­tel.
Het Taj Sheba heeft nog ka­mers vrij. 160US$ per stuk en daar­bij komt nog 12% be­las­ting. Ik be­sluit maar één nacht te blij­ven.
Op de kamer eten (brood uit Ne­der­land) en een ar­ti­kel le­zen van Sheikh AB. in The Ye­men Ti­mes. Het ar­ti­kel gaat over de ad­mi­ni­stra­tie­ve op­de­ling van de Ha­dra­maut, waar­van de Sheikh een te­gen­stan­der is. Hij is hoofd van de Is­lah-partij*(3) van de Ha­dra­maut. [Sheikh AB. was de vo­ri­ge di­rec­teur van de hand­schrif­ten­bi­blio­theek in Ta­riem, mijn reis­doel.]
Ik herkende zijn gezicht op de foto di­rect. Hij ziet er waar­dig uit. Een echt ge­leerd ie­mand. Een echte Sheikh.

MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Noten

*(1)
Ihraam / Iḥrām. (ﺇﺣﺮﺍﻡ)
Wan­neer mos­lims / mos­li­ma’s op pel­grim­stocht naar Mek­ka gaan, moe­ten ze op een be­paal­de ma­nier ge­kleed zijn en ook op een be­paal­de ma­nier ri­tueel rein zijn. Dit heet Iḥrām.
(Wikipedia: Ihram.)

Te­rug.

*(2)
Yemen Hunt Oil Company. De maat­schap­pij die olie uit de Je­me­ni­tische bo­dem haalt.
Wikipedia: Yemen Hunt Com­pany.
De olievelden in Jemen. (Af­beel­ding van petrolitico.blogspot.nl)

Te­rug.

*(3)
Islah-partij. (De islaah: al-Iṣlāḥ (ﺍﻟﺈﺻﻠﺎﺡ) be­te­kent ‘de her­vor­ming’, in de zin van ‘ver­be­te­ring’.) De Is­lah-par­tij is een par­tij met een con­ser­va­tie­ve / fun­da­men­ta­lis­tische agen­da, ge­lieerd aan / on­der­steund door Saoe­di-Ara­bië.
(Wikipedia: al-Islah (Yemen).

Te­rug.


MenuFo­toBe­ginIndex en het eindeTrans­criptie.

Meer informatie.

GM.: Google Maps. – Wi.: Wi­ki­pe­dia. – Web.: website. – F.: foto’s in Google Maps.
Dahran (al-Ẓahrān):
GM., Wi.
:ﺍﻟﻈﻬﺮﺍﻥ

MenuFo­toBe­ginEindeTranscriptie.

Index

Index van ter­men:
Index van per­so­nen:
.
Index van lo­ca­ties:

Me­nuFo­toBe­ginHoofd­in­dex.

Trans­criptie van de klin­kers in Ara­bische woor­den.

A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.

Klik hier voor het over­zicht van de trans­crip­tie in Ara­bische woor­den.

Me­nuFo­toBe­ginHoofd­in­dex.


Jemen 1997
Jemen 1997 (be­knopt over­zicht).
Je­men 1997: de da­gen in chro­no­lo­gische volg­or­de.
Je­men 1997: al­le foto’s.


Jemen 1996
Jemen 1996 (be­knopt over­zicht).
Je­men 1996: de da­gen in chro­no­lo­gische volg­or­de.
Je­men 1996: al­le foto’s.


De au­teur de­zes kan niet ga­ran­de­ren dat al­le links naar ex­ter­ne web­si­tes (dus die van der­de par­tij­en) al­tijd zul­len blij­ven be­staan. Fo­to’s in Goog­le Maps, bij­voor­beeld, kun­nen ver­dwij­nen wan­neer de ei­ge­naar ze weg­haalt. Ook aan an­de­re links kan een ein­de ko­men, of kun­nen in on­ge­bruik ra­ken.
Wan­neer u een niet wer­ken­de link con­sta­teert kunt u dat mel­den in het re­ac­tie­veld. Bij voor­baat dank.

Jemen, 17 juni 1996

Wādī Duᶜan: Raybūn.

Onderweg naar de archeologische site van Raybūn in Wādī Duᶜan, waar rond het begin van onze jaartelling een tempel stond voor het aanbidden van de maangod(in) Sīn.
Ik bleef het landschap van de Wādī omringd door de tafelbergen fascinerend vinden en ik kon er geen genoeg van krijgen. Mysterieus mooi vond ik het.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 17 juni 1996 (maandag).

Naar het einde, de index, of de transcriptie.

Ṣanaᶜā’ – Leiden.
Een half uur eerder dan gepland komt ᶜAbd al-Raḥmān A. met de bevriende taxichauffeur die me naar de luchthaven brengt. Onderweg begint het te regenen: pijpenstelen!
Ik betaal 2.000 riyāl aan ᶜAbd al-Raḥmān voor de taxi.
Als ik ingecheckt ben en mijn 32 kg zware koffer als 20 kg is geboekt ga ik even terug naar ᶜAbd al-Raḥmān en geef hem 6.000 riyāl (die ik apart gehouden had, als ik misschien moest bijbetalen voor overgewicht.) Hij had 6.000 riyāl schade geleden door slechte afspraken, tijdens het bezoek van de mensen van het Institut du Monde Arabe uit Parijs. Ik geef het geld hiervoor. Hij wil het niet hebben, maar ik dring aan. Natuurlijk neemt hij het op den duur aan. Ik wil dat hij het neemt.
Ik heb nu nog 326 dollar en 800 riyāl over.
We nemen afscheid en we gaan ie­der onze weg.
In afwachting van de vertrektijd bestudeer ik de veiligheidsmaatre­gelen op de luchthaven. Die zijn er, maar zo lek als een mandje.
Dat weet de Jordaanse lucht­vaart­maatschappij Royal Jordanian ook, want iedereen die aan boord komt wordt gefouilleerd. (Vrouwen ook?)
Mijn speciaal gevraagde plaats is be­zet. De jongen wijst naar de vrije stoel langs het gangpad. Ik insisteer en hij staat met een lang gezicht op.
Ik zit tijdens de terugreis naar Neder­land lang naast het raam. Mekka en Medina gaan schuil onder een dikke wolkenlaag.
De vrouw van de jongen is er ook, maar hij zit naast zijn vader. Hij draagt de gebruikelijke zilveren trouw­ring. (Voor islamitische man­nen zijn gouden sieraden verboden.) Zijn moeder en stralend mooie zusje in schitterend versierde kleren, zit­ten in de buurt. Zijn vrouw (als het zijn zus is, waarom draagt hij dan een trouw­ring?) en moeder zijn helemaal in het zwart met gezichts­sluier: niqāb. Ze gaan op vakantie naar Jordanië. Welke Jemeniet kan dat betalen? Qāt-boeren alleen maar!
Op de luchthaven van Amman, Jordanië, waar ik op mijn volgende vlucht moet wachten, breng ik de tijd door met het lezen van het geprinte rapport van het Tarīm-project en met het kijken naar mooie vrouwen.
In Tarīm zullen vandaag de dadels rijp zijn.
Aan boord van het vliegtuig van Amman naar Amsterdam kom ik naast een sexy meid te zitten, maar ik merk meteen dat die niet ‘in’ is voor een praatje.
Een oudere Palestijnse (?), die alleen reist, wordt naast een man geplaatst, maar daar wil ze niet gaan zitten. Die plaats is naast het raam en ik zie mijn kans schoon. Ik had een plaats aan een raam gevraagd, maar die was er niet.
De oude Palestijnse en een andere vrouw zijn mij zeer dankbaar dat ik met haar wil ruilen. Zij naast de mooie, maar zwijgende, vrouw en ik naast het raam.
Tot mijn grote verbazing vliegen we over de Dode Zee en Jeruzalem. De koepel van de Qubbat al-ṣaḵra (de Rotskoepelmoskee) in de ḥaram al-šarīf (het Edele Heiligdom, de Tempelberg) staat er glinsterend bij.
De stad is mooi, maar doet me niet veel. We vliegen over de landings­strip van Ramallah en dus over het huis van Zakī D.(?) Over de Bir Zeit Universiteit, waar wellicht NvB verblijft. (En komende vrijdag weg­gaat.)
Mijn buurman op deze vlucht is een 33-jarige Syrische chirurg die in de Saoedische ‘Tuin’ (al-Riyāḍ = de tuin) werkt en eens per jaar 45 dagen in Chicago van de westerse vrijheid gaat genieten. (Zijn vrouw ging naar haar familie in Syrië.)
In al-Riyāḍ bestaat het uitgaansleven uit winkelen. Verder is er niets. Geen bioscopen, niets, helemaal niets. Verder geen gebrek aan luxe. Zijn ziekenhuis heeft alle nood­zakelijke apparatuur.
Hij laat zich graag voorlichten over Jemen, want hij had eens overwogen om daar te werken, maar verkoos al-Riyāḍ.
De film: “Gold diggers” is een flauwe film, maar de (jonge) actrices zijn sexy en dat is het enige waar ik op let.

Jan Just Witkam haalt me op Schiphol op en brengt me thuis. (Volgens afspraak.)
In Leiden doe ik boodschappen. De Winkelsluitingswet is gewijzigd en winkels mogen tot 8.00 uur ’s avonds open blijven.

Eten: brood met witte bonen in tomatensaus.
Bed circa 20.00 uur: uitgeput.

In het zuiden van Jemen werd ik vooral dikker, geheel tegen de verwachting in. Mijn kakibroeken waren te nauw toen ik vertrok, maar ik verwachte dat ze me gauw zouden afglijden. Het leven vol inertie en het vette eten, met veel kip, veroor­zaakte het tegenovergestelde.

Seks met vrouwen behoort in Jemen vrijwel tot de onmogelijkheden. Met mannen durfde ik het, voor mijn reputatie, niet aan. Er zijn boven­dien maar weinig echt aantrek­kelijke mannen. Veel zijn vreselijk mager.
Van de toeristen waren er maar een paar die ik nu (in de overvloed van Nederland) echt aantrekkelijk zou vinden. Geen enkele was zonder man.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 17 juni.
In het Qaṣr al-Qubba-hotel in Tarīm vertelde men mij verschillende keren dat de dadels over zoveel dagen rijp zouden zijn. Als ik ‘zoveel dagen’ uitrekende kwam ik iedere keer op maandag 17 juni uit, de dag van mijn thuisreis. (Nu blijkt dat er rond 17 juni ernstige overstro­mingen in Tarīm zijn. Voor dadels zullen de mensen geen tijd hebben. Hoe vergaat het Ḥusayn, de jonge jongen die de dadelboerderij van zijn vader bestiert, die zelf ergens ver weg werkt?)

[…]

De familie die in het vliegtuig naast mij zit gaat op vakantie in Jordanië. Welke Jemeniet kan een reis naar het buitenland betalen? De man zal ongetwijfeld zijn geld verdienen met het verbouwen van qāt.
Gisteren vroeg ik aan Ǧamāl hoe het zat met de qāt-boeren. Zijn dat nu criminelen of niet? Hij vertelde dat ze vroeger, tien jaar geleden, wel als criminelen werden gezien, maar nu er zoveel verslaafden zijn is hun positie aanmerkelijk verbeterd. De afhankelijken zien hun verstrekkers waarschijn­lijk niet als een crimineel, maar als een goed mens.

[…]

Mijn Syrische buurman in het vliegtuig, na Amman, Mazen, is chirurg in al-Riyāḍ. In zijn zieken­huis werken alleen maar buitenland­se verpleegsters, voorname­lijk uit de Filippijnen. De voertaal is derhalve Engels. Voor de overwegend Ara­bische cliënten zijn er enkele verta­lers in dienst. Het ontbreekt in die ziekenhuizen aan niets, wat appara­tuur betreft.
Dat is in Jemen wel anders. Ik begreep al van een Nederlandse verpleegster, die in Tarīm op bezoek was, dat er geen ziekenhuizen zijn waar vrouwen opgenomen kunnen worden.

[…]

Mazen vertelt ook dat hij in zijn jonge jaren zich voor manuscripten (handschriften) geïnteresseerd had, maar nadat hij begrepen had dat het lezen daarvan geen eenvoudige klus was, was zijn belangstelling snel verdwenen.
Hij vertelt dat in Aleppo de belang­rijkste verzameling micro­films van heel Syrië te vinden is, met micro­films uit de hele Arabische wereld.

[…]

Leiden is een ‘culture shock’. De zon schijnt een beetje. Waarom lopen de mensen allemaal half bloot over straat?
Hedenochtend nog zag ik vrouwen waarvan ik alleen de ogen kon zien, omdat hun lichaam verscholen ging achter zwarte doeken. Nu zie ik vrouwen waarvan ik alleen de ogen niet kan zien, omdat die verscholen gaan achter zwarte Ray Bans.

Dit is het einde van het verslag van 17 juni.

Index van termen: Bir Zeit Universiteit, Gold diggers, Institut du Monde Arabe, niqaab, Qasr al-qubba-hotel, qat, Ray Ban, Rotskoepelmoskee, Royal Jordanian, Winkelsluitingswet,

Index van personen: ᶜAbd al-Raḥmān A., Ǧamāl, Ḥusayn, Jan Just Witkam, Mazen.

Index van locaties: Aleppo, Amman, Dode Zee, Jeruzalem, Jordanië, Leiden, Medina, Mekka, Ramallah, Raybun, al-Riyaad, Ṣanaᶜā’, Schiphol,  Syrië, Tarīm, Tempelberg, Wadi Duan,

Dit is het einde van dag 93 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Transcriptie van de klinkers in Arabische woorden.

A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.

Klik hier voor het overzicht van de transcriptie in Arabische woorden.

Top

Jemen, 16 juni 1996

Qasr al-Qubba-hotel, Tarim.
Qaṣr al-Qubba-hotel in Tarīm. V.l.n.r.: Man­ṣūr van de cafetaria, de bewaker, ondergete­kende, Sālim al-T., receptionist (hij is ook le­raar Engels). Een onbekende lange bezoeker, zeker uit het Noorden, gezien zijn lange witte dišdāša (ṯawb). Op de achtergrond het zwem­bad voor Jeme­ni­tische mannen.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 16 juni 1996 (zondag).

Naar het einde of de index.

Ṣanaᶜā’.
Wakker van de aḏān al-faǧr om on­geveer 04.15 uur. Ik kan niet goed meer slapen en sta om 04.50 op.
Ik denk aan de woorden van Nico: dat hij in het kasboek privézaken en taxi nooit bij elkaar zette, anders zou een deel van de taxikosten als privé kunnen worden aangemerkt. Nu hielden we en hield ik alle taxikosten als projectkosten aan, maar ik hield de taxi niet altijd uit de buurt van de privékosten. Ik besluit het kasboek te herschrijven en werk eraan van circa 05.00 tot 09.00 uur.
Ik ga naar de Algemene Organisatie etc., waar ik mijn paspoort aan Ǧamāl geef, die naar de paspoort­autoriteiten gaat.
ᶜAbd al-Raḥmān A. en ik worden ontvangen door dr. Aḥmad al-Š. voor een informeel gesprek.
Sprekend over de lawaaierige aḏān blijkt dat hij niet uitmunt in geloof. (Hij vindt ze ook te lawaaierig, maar dat mag je niet hardop zeggen, want dan wordt je beschuldigd van blas­femie, waarop de doodstraf staat.)
Met ᶜAbd al-Raḥmān bezoek ik de met een kwart ton gerestaureerde al-Nūba? toren in Ṣanaᶜā’. (Ongeveer tachtig jaar oud.) Wel ja, het geld, de ene helft van het geschenk aan Jemen, moest op. De al-Aḥqāf-bi­blio­theek kreeg de andere helft. (Twee­hon­derdvijftigduizend gulden.)
Bij de Algemene Organisatie bewon­der ik de ogen van enkele dames die in het zwart gekleed gaan en ga naar het hotel om te rusten, zodra ik mijn paspoort via Ǧamāl terug heb.
Op aanraden van ᶜAbd al-Raḥmān (gisterenavond) nodig ik Ǧamāl ook uit voor etentje in het restaurant van het Taj Sheba hotel, alles en iedereen op mijn kosten.

Bed, circa anderhalf uur.
Financiën: verbeterd kasboek gereed maken.
Nu 17.30 uur.
Weer: fris, in de zon, af en toe aanwezig, warm.

Ik ruim mijn spullen goed op en ben rond 19.00 in het Taj Sheba hotel. ᶜAbd al-Raḥmān, die er rond 19.00 uur zou zijn om zijn vriend Ǧamāl te ontmoeten, komt pas circa 19.30 en zijn vriend tegen 19.50 uur. Dan komt ook CR, van de Nederlandse Ambassade.
Het is een gezellige avond, die pas laat op gang komt, want ik weet niet goed wat ik met Ǧamāl moet bespreken, want ik ken hem nog maar kort.

Ik ben rond 22.45 uur in het al-Qāsmī-hotel en heb nu serieus last van diarree. Eergisteren, na de eerste pizza deden zich al proble­men voor. Na de tweede pizza weer, en nu, na de derde westerse maaltijd is het probleem ernstig. Ik moet lang zoeken tussen de meegebrachte medicijnen, maar uiteindelijk vind ik toch de antidiarree pillen.
Ik wil niet meer gaan slapen, want ik vertrouw de wekker niet en vrees bovendien dat ik me zal verslapen, zoals bij het vorig bezoek aan Ṣanaᶜā’ (15 mei) ook gebeurde.
Ik schrijf het dag-verslag op de com­puter en als ik de woorden van Ǧamāl van deze avond neerschrijf valt het kwartje, een zeer belangrijk kwartje.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 16 juni.
Ik krijg via Ǧamāl mijn uitreisvisum.

[…]

Van ᶜAbd al-Raḥmān hoor ik dat er in het Zuiden overstromingen zijn. De weg tussen Tarīm en Say’ūn is geblokkeerd.
(Van Pa en Ma hoor ik op 19 juni dat er in hun krant stond dat er in Oost-Jemen veel mensen verdronken zijn na overstromingen en dat veel huizen ingestort zijn.)

[…]

Na het gezellige etentje in restau­rant Bilquis van het Taj Sheba Hotel (Ali ᶜAbdul-Moghni Street in Ṣanaᶜā’) typ ik in mijn computer het verslag van deze dag en noteer daarbij ook wat Ǧamāl mij over zijn leven vertelde.
Al schrijvend (typend) wordt mij plotseling duidelijk dat zijn verhaal de sleutel is tot de oplossing van een, voor mij tot nu toe, onbegrijpelijke legpuzzel.
Ik schreef in brieven naar vrienden en vriendinnen in Nederland:
[…] de andere medewerkers doen […] niets. Als ze na een halve dag voor zich uitstaren, op de klok zien dat het half twee is, trekken ze zich terug om te gaan rusten. […] Er ontstond enige paniek toen bleek dat wij door willen werken, zodra de container met het materiaal aankomt.
Dan zouden ze na de middag ook nog gedwongen worden voor zich uit te staren, zonder dat ze aan rusten zouden toekomen
. (Einde citaat.)
Ik begreep niet goed waarom ᶜAbd al-Raḥmān een vergoeding uit het project wilde hebben. Was dat gewoon hebzucht? Dat extra werk dat hij claimde te doen, daarvoor werd hij toch betaald door zijn werkgever. Je bent directeur of je bent het niet, toch?
Ǧamāl zegt 10.000 rial [f. 130,00] per maand te ontvangen van zijn baas, de Algemene Organisatie. Hij heeft echter 30.000 rial per maand nodig.
Ik vraag of hij qāt gebruikt. Dat doet hij twee dagen in de week, slechts op donderdag en vrijdag.
“Hoe kom ik aan 30.000 rial?” vraagt hij. (Ik vrees een verzoek tot bij­drage.)
’s Morgens werkt hij bij de Algemene Organisatie voor Archeologie, Musea en Handschriften als Public Relations Officer. In de namiddag werkt hij bij zijn oom in een meubelwinkel en krijgt daarvoor 9.000 rial. De andere 11.000 rial verdient hij door op de luchthaven de doorvoer van handelswaar te bespoedigen. (Fixer.)
Hij kent veel mensen in de handelsbranche, want zijn vader had ook een winkel (hier, naast het Taj Sheba hotel) en hij kent de wetten. Als goederen ingevoerd moeten worden blijven die soms een week bij de douane liggen. Ǧamāl kent wegen (zonder veel steekpenningen (rašwa) te betalen) om de termijn tot twee dagen te bekorten. Op­dracht­gevers betalen voor deze diensten.
Zijn vrouw is een sociologe, die nu in verwachting is van hun tweede kind. Zij verdient bij een particulier instituut 12.000 rial per maand. De overheid betaalt voor hetzelfde werk slechts 8.000 rial.
Als ik weer in het hotel ben duurt het nog een hele tijd voordat het kwartje valt. Dat gebeurt wanneer ik de woorden van Ǧamāl in de computer intik. Dan wordt plotseling ‘alles’ duidelijk voor mij.
De medewerkers van de al-Aḥqāf-bi­bliotheek, die in paniek raakten bij het woord ‘overwerk’ en zeiden dat zoiets dagen van te voren aange­vraagd moest worden, waren niet te lui om te werken. Integendeel, zij zijn harde werkers. Na de middag en in de avond moeten ze natuurlijk hard aan slag om het resterende bedrag voor hun levensonderhoud bij te verdienen.
Abd al-Qādir, bijvoorbeeld, heeft een eigen bedrijf waar hij samen met Sjeik AB. ᶜUqūd-zaken (huwelijks­con­tracten) behandelt.
Van de anderen weet ik hun neven­in­komsten niet. Ik vroeg er niet naar, want ik dacht dat ze lui waren.
De taxichauffeur die me gisteren­avond naar het hotel bracht, werkt ’s ochtends bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en ’s middags als taxichauffeur.
Sālim al-T. in het Qaṣr al-Qubba-hotel werkt ’s ochtends als leraar Engels en ’s middags en ’s avonds als receptionist.
De vrouw van Hussain al-A., de andere receptionist van het Qaṣr al-Qubba-hotel werkt als gymnastiek­lerares in de school voor meisjes.
Een verhelderende avond. Anderhalf uur voor mijn vertrek naar de luchthaven en een paar uur voordat ik Jemen verlaat, heeft Ǧamāl een groot licht laten schijnen op de aldoor omfloerste opmerkingen over geld. Nooit werd me rechtstreeks verteld hoe de vork in de steel zit, in welke geldnood men verkeert, wat men allemaal moet doen om normaal te kunnen leven.
ᶜAbd al-Raḥmān vertelde enige weken geleden dat sommige amb­tenaren niet op hun werkplek verschijnen, of slechts tweemaal per dag. ’s Ochtends om hun aanwe­zigheidshandtekening te zetten en ’s middags om te tekenen dat ze naar huis gaan. In die tussentijd doen ze andere werkzaamheden, bij andere werkgevers of als zelfstandige. Ik heb dat verhaal gehoord, maar nooit een link gelegd naar noodzaak, ik achtte dit pure diefstal waartegen niet opgetreden werd.
Ambtenaren die bij het elek­trici­teitsbedrijf werken, zo vertelde ᶜAbd al-Raḥmān, krijgen gratis elektri­ci­teit, ambtenaren bij het telefoon­bedrijf krijgen gratis telefoon, maar wat krijgen ambtenaren die in een museum werken?
“Gratis toegang,” stelde ik, tot hilariteit van ᶜAbd al-Raḥmān. (De toegangsprijs is vijf rial per persoon (f. 0,07), dat hebben ze dan toch mooi verdiend, iedere dag!)
In elk geval is duidelijk, wil het Tarīm-project volgend jaar ook slagen, dat er dan voldoende geld gereserveerd moeten worden om in­komstenderving van de medewer­kers op te vangen.

Dit is het einde van het verslag van 16 juni.

Uit mijn herinneringen:
In Jemen ontving ik brieven van vrienden en vriendinnen uit Neder­land. Een van hen sprak in haar brief over de ‘Gekkekoeienziekte’. Dat speelde kennelijk in het nieuws. Ik kon aan haar verhaal geen touw vastknopen. Ik had geen idee waar ze het over had. In Jemen hoorde ik niets van wat er in de wereld gebeurde.

Nog moet ik vermelden dat ik bij bezoeken aan allerlei landen in de Arabische wereld steeds weer ont­dekte dat mensen daar niet kunnen kaartlezen. Ze waren zelfs niet in staat op de stadsplattegrond de straat aan te wijzen waarin ze zelf woonden, of een gebouw te vinden, waar we op dat moment voor stonden. In Zuid-Jemen, daarente­gen, was kaartlezen geen enkel probleem. Alle mensen die ik een landkaart of plattegrond toonde, konden daarmee overweg. Het communistisch onderwijs was dan toch nog ergens goed voor geweest.

 

Index van termen: aḏān, Algemene Organisatie, dišdāša, Fixer, Gekke­koeienziekte, Nederlandse Ambas­sade, al-Qāsmī-hotel, al-Qaṣr al-Qubba-hotel, qāt, rašwa, ṯawb, ᶜUqūd.

Index van personen: ᶜAbd al-Raḥmān A., ᶜAbd al-Qādir, Sjeik AB., Aḥmad al-Š., CR, Ǧamāl, Ḥusain al-A., Sālim al-T.

Index van locaties: Ali Abdul-Moghni Street, Ṣanaᶜā’, Say’ūn, Tarīm.

Dit is het einde van dag 92 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Transcriptie van de klinkers in Arabische woorden.

A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.

Klik hier voor het overzicht van de transcriptie in Arabische woorden.

Top

Jemen, 15 juni 1996

Wadi Do'an.
Een sfeerbeeld in Wadi Do’an.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 15 juni 1996 (zaterdag).

Naar het einde of de index.

Ṣanaᶜā’.
De hele nacht en ook ’s ochtends nog regent het pijpenstelen.
Tegen de ochtend ben ik licht ziek.
Ontbijt.

Ik loop naar de Algemene Orga­nisatie … etc., en laat me door Ǧamāl een exit-visum voorbereiden, maar dat duurt weer bureaucratisch lang en daarna zou ik ook nog naar het migratiekantoor moeten. Eerst moet dr. Yūsuf MA. dit formulier tekenen, maar die is er niet. Het heeft hard geregend en alle straten staan onder water, dus het kan nog wel eens een hele tijd duren voordat hij komt.
Mijn geduld is op en ik zeg dat ik morgen terugkom.
Ik ga naar de Nederlandse Am­bas­sade en hoor daar dat een uitreis­visum nodig is.

Ik ga naar het Yemen Computer Centre waar ik naar Arabische soft­ware en een beschrijving vraag voor de Hewlett Packard laserprinter 5P/MP. Vanavond kan ik terugko­men voor de betreffende kopieën.

In het al-Qāsmī-hotel werk ik mijn financiën bij en maak het verslag van deze dag tot nu toe, op mijn computer.

De Wādī al-Sayla staat vol water en stroomt wild. Het is volksvermaak nummer één, hier in Ṣanaᶜā’.

Tegen 16.45 is ᶜAbd al-Raḥmān A. hier en we gaan naar het Centrum voor Moderne Kunst in de oude stad. Dat is vlakbij. Er is niet erg veel bijzonders te zien. Een beroemde Jemeniet doet niets anders dan Picasso imiteren. (Ṭufayl, of zo, heet hij.) Hij schijnt er rijk van te worden. Het enige werk dat me een beetje aanspreekt is van ene Yāsīn. Zijn mooiste kost 80 dollar. Ik laat het werk hangen.
In een galerie, Gallery no 1 in de Khartoem Street, zitten de door de regering gesponsorde rijke kunste­naars hun non-werk te verkopen.
We bezoeken ook een bibliotheek van al-ᶜAfīf, waar ook schilderijen te zien zijn. De oude al-ᶜAfīf voert een oorlog tegen de qāt-gebruikers en qāt-verbouwers.

Het Yemen Computer Centre kreeg geen medewerking van Hewlett Packard om software en beschrijving te mogen kopiëren. Een vriend van de technicus heeft dezelfde printer en ᶜAbd al-Raḥmān kan over enkele dagen terugkomen om het gevraag­de gratis op te halen.

Ik ga alleen eten in het restaurant van gisteren. ᶜAbd al-Raḥmān gaat terug naar zijn vrienden in Gallery no 1, in Khartoem Street.
In het restaurant is me geen rust gegund. Drie snaken nodigen me aan tafel. Een spreekt maar Engels en de conversatie loopt via hem. Als binnenkomer verwijt hij westerlin­gen koel te zijn en prijst de Arabieren om hun warmbloedige aard.
Het leven van de Arabieren is zonder problemen (…). Als wijze raad geeft deze lummel me het advies me in het vervolg onder Arabieren te men­gen en niet zo afstandelijk te zijn. Onafwendbaar begint ook weer het gezeur over hun en mijn godsdienst. Als ik zeg dat hem dat niks aangaat, is hij bijna beledigd: “Er kan toch over gepraat worden.” Enzovoorts.
Zijn vader schijnt rijk te zijn: qāt-verbouwer.
Hij wil neuken, maar er is geen geschikt lichaam beschikbaar. Hij zal waarschijnlijk met zijn nicht (bint al-ᶜamm) trouwen. Hij zag haar gezicht voor het laatst toen ze jonger dan vijftien jaar was. Hij wil haar en heeft het gevoel dat zij hem ook wil.
Hij kauwt geen qāt en zou ook niet willen dat zijn aanstaande dat zou doen. Zijn vader en jongere broer kauwen wel.

Met de taxi naar het hotel: de chauffeur werkt voor 10.000 rial per maand bij het ministerie van Binnenlandse zaken. (’s Ochtends.) Daarna rijdt hij taxi. Hij zal achter in de twintig zijn, is getrouwd en heeft een kind.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 15 juni.
In de Nederlandse Ambassade ont­moet ik CR. Zij vertelt over de qāt-sessies voor vrouwen, die zij bij­woonde. Daar zijn de vrouwen in doorzichtige kleding gekleed en spreken luid en agressief over de meest intieme details, zonder schaamte, over de omgang met hun echtgenoot. Ze zijn dan veel vrijer dan enige seksueel bevrijde Neder­landse of Nederlander, volgens CR.
CR heeft de indruk dat de vrouwen hier in Jemen zich in een minder onderworpen positie bevinden dan de vrouwen in Syrië, waar zij ook studeerde.

[…]

Op de markt koopt ᶜAbd al-Raḥmān stof voor zijn vrouw. Bijzonder is dat deze per kilo wordt verkocht.

[…]

In het al-Qāsmī-hotel betaal ik de overwerkvergoeding aan ᶜAbd al-Raḥ­mān. Een bedrag overeenkom­stig met drie maandsalarissen van zijn werkgever.

[…]

De echtgenote van de plaats­vervangend ‘Chef de Poste’ van de Nederlandse Ambassade had me gezegd dat de kunst van ᶜAbd al-Raḥmān (autodidact) niet boven de rest uitkwam, nadat ze zijn Šibām-poster had gezien. De rest van de kunstenaars stelde volgens haar niet veel voor. Ik was toen een beetje teleurgesteld over haar kwalificatie, maar op grond van wat ik nu in de kunstgalerieën zag, moet ik haar gelijk geven.

Dit is het einde van het verslag van 15 juni.

Index van termen: Algemene Organisatie, bint al-ᶜamm, Neder­landse Ambassade, al-Qāsmī-hotel, Qāt, Yemen Computer Centre.

Index van personen: ᶜAbd al-Raḥmān A., al-ᶜAfīf, CR, Ǧamāl, Ṭufayl, Yāsīn, Yūsuf MA.

Index van plaatsnamen: Khartoem Street, Šibām, Ṣanaᶜā’, Wādī al-Sayla.

Dit is het einde van dag 91 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Transcriptie van de klinkers in Arabische woorden.

A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.

Transcriptie van de medeklinkers in Arabische woorden.

Top