Hansestadt Hamburg, Deutschland

06 juli 2018


Impressie van het hoofdstation (Hauptbahnhof) in Hamburg.


Hamburg Hauptbahnhof

De vertrekhal van Hamburg Hbf.


Wikipedia
Hansestadt HamburgHamburg Hauptbahnhof.


Menu – 06/07: BeginEinde.


Mobiele telefoon / Smartphone
the-face.com

Voor be­zoe­kers die via the-face.com op deze web­si­te ko­men: als de in­ter­ne links (me­nu, be­gin, ein­de) niet wer­ken (mo­bie­le te­le­foon / smart­phone) klikt u voor het ori­gi­ne­le adres van dit be­richt op: ira­da.com.


Hamburg Hauptbahnhof

De vertrekhal van Hamburg Hbf.


Menu – 06/07: BeginEinde.


Hamburg Hauptbahnhof

De vertrekhal van Hamburg Hbf.


Menu – 06/07: BeginEinde.


Hamburg Hauptbahnhof: Wandelhalle

Buiten bij Hamburg Hbf.


Menu – 06/07: BeginEinde.


Hamburg Hauptbahnhof: Wandelhalle

De de winkel- en wandelhal van Hamburg Hbf.


Menu – 06/07: BeginEinde.


Hansestadt Lübeck, Deutschland

Hauptbahnhof

Lübeck Hbf. (Hbf.: Hauptbahnhof = Hoofdstation.)
Wij zouden zeggen: Lübeck Centraal Station.
Wikipedia: Lübeck Hauptbahnhof.

Hansestadt Lübeck, Deutschland

Houten scheepsmodellen in Museum Holstentor.

Zeilschepen

Houten modellen van his­to­ri­sche zeil­sche­pen, oor­logs­sche­pen, in Mu­seum Hol­sten­tor te Lü­beck.
Wikipedia: Hansestadt Lübeck.
Wikipedia: Museum Holstentor.

Zeilschepen

Houten modellen van his­to­ri­sche zeil­sche­pen, oor­logs­sche­pen, in Mu­seum Hol­sten­tor te Lü­beck.
Wikipedia: Hansestadt Lübeck.
Wikipedia: Museum Holstentor.

Zeilschepen

Houten modellen van his­to­ri­sche zeil­sche­pen, oor­logs­sche­pen, in Mu­seum Hol­sten­tor te Lü­beck.
Wikipedia: Hansestadt Lübeck.
Wikipedia: Museum Holstentor.

Zeilschepen

Houten modellen van his­to­ri­sche zeil­sche­pen, oor­logs­sche­pen, in Mu­seum Hol­sten­tor te Lü­beck.
Wikipedia: Hansestadt Lübeck.
Wikipedia: Museum Holstentor.

Zeilschepen

Houten modellen van his­to­ri­sche zeil­sche­pen, oor­logs­sche­pen, in Mu­seum Hol­sten­tor te Lü­beck.
Wikipedia: Hansestadt Lübeck.
Wikipedia: Museum Holstentor.

Hansestadt Lübeck, Deutschland

Commercieel scheepvaart­ver­keer op de Trave tus­sen Tra­ve­mün­de en Lü­beck.
Wikipedia: Trave.
Wikipedia: Travemünde.
Wikipedia: Lübeck.

RoPaxferry

Dit is een zogenaamde RoPax Fer­ry boot, die zo­wel goe­de­ren als pas­sa­giers ver­voert. De re­de­rij, TT-Line, spreekt van een com­fort fer­ry. De­ze fer­ry vaart tussen Zwe­den en Duits­land.
Het schip is genoemd naar Huck­le­ber­ry Finn, een ka­rak­ter uit een ro­man van de Ame­ri­kaan­se schrij­ver Mark Twain.
TT-Line: TT-Line Com­fort Fer­ries.
TT-Line: Huck­le­ber­ry Finn – Tech­ni­cal Speci­fi­ca­tions.
Wikipedia: RoPax Ferry.
Wikipedia: Mark Twain.
Wikipedia: Huckleberry Finn.

Norrland

Dit schip is de Norrland van de re­de­rij Na­va­lis. Het be­hoort tot de Bal­tic fleet, vol­gens op­ga­ve van de re­de­rij. Dit schip ver­voert hout voor de hout­ver­wer­ken­de in­dus­trie, die van­uit Lü­beck per spoor van grond­stof wordt voor­zien, zoals blijkt uit de lucht­fo­to in Google Maps, waar de boom­stam­men als lu­ci­fer­hout­jes op­ge­sta­peld lig­gen.
Website: Navalis bulk sevices.
De Norrland (PDF), hier nog on­der zijn vo­ri­ge naam ver­meld.

Cristina

Dit schip is de Cristina uit Kam­pen (NL).
Volgens de gegevens van de re­de­rij, CV Scheep­vaart­on­der­ne­ming Cris­ti­na, heeft dit be­drijf slechts vier werk­ne­mers. Het is dus aan­ne­me­lijk dat die al­le vier aan boord zijn.
Dit schip vervoert zeer waar­schijn­lijk ook hout, zoals het schip Norr­land van re­de­rij Na­va­lis, want ’s och­tends, toen wij naar Tra­ve­mün­de ver­trok­ken, lag de Cris­ti­na bij dat be­drijf aan de ka­de. (De­ze fo­to is vlak voor 18.00 uur ge­maakt. Het schip vaart in de rich­ting de Oost­zee.)

Hout

Dit is het hout dat aan­ge­voerd werd door on­der an­de­re de vracht­sche­pen Norr­land en Cris­ti­na.

Transfennica

De Corona Sea is volgens de re­de­rij Trans­fen­ni­ca een Car­go Ro-Ro schip, dat on­der de Ne­der­land­se vlag vaart. De van oor­sprong Fin­se re­de­rij Trans­fen­ni­ca be­hoort sinds 2002 tot de Ne­der­land­se Spliet­hoff-group.
De brug (de stuur­hut) van dit schip be­vindt zich niet bo­ven het hek (ach­ter­ein­de) van het schip, maar vlak­bij de boeg, wat een ken­merk is van veel Ro-Ro-sche­pen.
(Het witte kruis met de vlag ‘… SP … Tech­no, in spie­gel­schrift’, op de voor­grond, links, is van de veer­boot die tus­sen Lü­beck en Tra­ve­mün­de vaart en waar­op ik mij be­vond. ‘Bb’ staat voor Back­bord: bak­boord.)
Wikipedia: Ro-Ro.
Website: Spliet­hoff-group.
Spliethoff Group: Co­ro­na Sea.

Hansestadt Lübeck, Deutschland

Wandtapijt

Museum Behnhaus /Drägerhaus
Zwanen in een beek in een bos. (Wandtapijt).
Ik weet niet of dit de juiste titel is, want ik heb verzuimd deze te noteren. Ook de naam van de maker / maakster weet ik niet.

Wandschildering

Museum Behnhaus / Drägerhaus.
Een miniatuur wandschildering.
Kunstenaar onbekend.

Wandschildering

Museum Behnhaus / Drägerhaus.
Een miniatuur wandschildering.
Kunstenaar onbekend.

Wandschildering

Museum Behnhaus / Drägerhaus.
Een detail van de getoonde miniatuur wand­schil­deringen. Kunstenaar onbekend.
Ik vind het fascinerend om te zien hoe men met onduidelijke details toch zo’n mooie tekening kan maken. Het oog wordt bedrogen, wan­neer men een stap achteruit gaat.

Wandschildering

Museum Behnhaus / Drägerhaus.
Een detail van de getoonde miniatuur wand­schil­deringen. Kunstenaar onbekend.
Ik vind het fascinerend om te zien hoe men met onduidelijke details toch zo’n mooie tekening kan maken. Het oog wordt bedrogen, wan­neer men een stap achteruit gaat.

Wandschildering

Museum Behnhaus / Drägerhaus.
Een detail van de getoonde miniatuur wand­schil­deringen. Kunstenaar onbekend.
Ik vind het fascinerend om te zien hoe men met onduidelijke details toch zo’n mooie tekening kan maken. Het oog wordt bedrogen, wan­neer men een stap achteruit gaat.

Hansestadt Lübeck, Deutschland


Petrikirche

De uitzichttoren van de St. Petrikirche, gezien van­af de voet van de toren.
Wikipedia: Sint Petruskerk.

Petrikirche

De uitzichttoren van de St. Petrikirche, gezien van­af de markt.
Wikipedia: Sint Petruskerk.

Petrikirche

Vanuit de uitzichttoren van de St. Petrikirche, een blik op de Markt.
Wikipedia: Sint Petruskerk.

Petrikirche

In de uitzichttoren van de St. Petrikirche.
De functie van het ruit­vor­mi­ge tra­lie­werk lijkt mij: het voor­ko­men van zelf­moor­den, men­sen die naar be­ne­den zou­den wil­len sprin­gen.
Wikipedia: Sint Petruskerk.

31 juli 1992

1992 – 2017: vijf­en­twin­tig jaar ge­le­den

Orient Express

Mijn eer­ste reis naar het Mid­den-Oos­ten

Dagboek 1992

(Dag 7489) Gis­te­ren­avond kwam ik aan in Deir al-Zor, een stad ge­le­gen aan de ri­vier de Eu­fraat, in het oos­ten van Sy­rië. – Van­daag ver­ken ik het cen­trum en loop langs de Eu­fraat. – Ik koop san­da­len, be­zoek een fa­mi­lie, deel sham­poo uit. Geef een gul­den (munt), word ver­liefd op een meis­je, wil zwem­men in de Eu­fraat, maar doe het niet en ik wil ook nog een jon­gen ver­sie­ren. – Een jon­ge­man be­dreigt me met een mes. – ’s Avonds word ik erns­tig ziek: voed­sel­ver­gif­ti­ging? – Ik laat mijn licht schij­nen op dat, waar­van ik denk dat er mis is in Sy­rië. – De munt­een­heid in Sy­rië is het Sy­rische Pond: (£.). De koers is: £. 1.00 = f. 0,05. (Een stui­ver.)
(Tij­dens mijn reis hield ik een reis­dag­boek bij. Na­dat ik op 18 au­gus­tus thuis was ge­ko­men, be­gon ik met het op­schrij­ven van mijn we­der­waar­dig­he­den in mijn ei­gen­lij­ke dag­boek. In de tekst hier­beneden staan af en toe te­rug­blikken op de­ze va­kan­tie, ge­daan vanaf mijn bu­reau­stoel thuis.)

MenuIndex en het einde.

ShampooVerliefdEufraatHangbrugSmokkelaars?Het mes!Restaurant De BrugZiekKarnakEen nichtje?SjouwersGewondErnstig ziekSyrië.

Vrijdag, 31 juli 1992.
Deir al-Zor.
Ik laat de ven­ti­la­tor de he­le nacht op ho­ge snel­heid draai­en. Hij blaast de warm­te in het rond. Ik zweet er ech­ter niet door, zo­veel af­koe­ling biedt hij nog wel.
Ik ben zelf wel heet. Ik wil een jon­ge­man om de lief­de mee te be­drij­ven.
Ontbijt in een win­kel / res­tau­rant. Ik be­stel Foel bi­la zayt. [Bo­nen­soep zon­der olie.] Dat is nog lek­ker ook.
In het thee­huis, waar on­der an­de­re drie mooie man­nen (mooi door hun Dja­la­biyya en Koe­fiyya) uit een jeep (Nis­san) stap­pen en een ta­fel­tje ver­der gaan zit­ten, drink ik thee. De eer­ste, daar­van roer ik de sui­ker niet op. De twee­de be­stel ik zon­der sui­ker, maar de na­smaak is heel erg bit­ter en bij de der­de be­stel ik weer sui­ker. £. 9 kos­ten de­ze drie glaas­jes thee. Twaalf cent per stuk!
Ik loop langs die ‘sloot’ die de sol­daat gis­te­ren­avond al-Foe­raat [de Eu­fraat] had ge­noemd. Ik kan me niet voor­stel­len dat dat de Eu­fraat is. Ik ga de ech­te ri­vier zoe­ken.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Shampoo.

Ik loop langs het be­waak­te Ba­’ath-par­tij­bu­reau en even la­ter word ik door een meis­je met een hel­de­re blik ge­vraagd: “What’s your name?”
Zij is mis­schien tien jaar. Ik praat met haar en haar broers.
Ik lees woord­jes voor uit een En­gels-Ara­bisch boek­je. Ik moet naar bin­nen, ze ‘sle­pen’ me mee. “Ta­fad­dal, ta­fad­dal.” [Alstu­blieft, alstu­blieft.] In een smal straat­je ont­moet ik de moe­der en drie doch­ters. In huis, in de bes­te ka­mer. De va­der er­bij, die het jon­ge meis­je naast mij weg­jaagt. Hij wil naast me zit­ten. De drie vol­was­sen doch­ters heb­ben ge­stu­deerd. Eent­je is Moe­mar­rida fi’l-moe­stash­fa [Ver­pleeg­ster in het zie­ken­huis], de an­de­re is Moe­han­di­sa [in­ge­nieur] (waar­in ook al weer?) en de der­de doch­ter, wat stu­deer­de die ook al weer? Ik weet het niet meer.
Ik krijg kof­fie (ik had lie­ver thee) en ben een beet­je ze­nuw­ach­tig met zo­veel aan­dacht. Ik heb last van mijn so­cio­fo­bie en dus tril­len­de han­den.
De doch­ters kla­gen over de sham­poo in Sy­rië. (Ma­de in Sy­rië: “Dann schmeiß es doch gleich zum Fen­ster hi­naus“. Dixit A. in An­tak­ya [Tur­kije] op 25 juli jl.) Hun haar is een puin­hoop. Of ik geen ech­te sham­poo heb?
Ze wil­len dat ik een fo­to maak. Ik heb ech­ter he­le­maal geen ca­me­ra mee op reis ge­no­men. Ster­ker nog, ik be­zit he­le­maal geen ca­me­ra. (En ik heb daar op mijn reis geen spijt van ge­had. Echt waard om te fo­to­gra­fe­ren zijn al­leen ge­weest: het 17-ja­rig en­gel­tje in de trein in Joe­go­sla­vië (zie 16 juli jl.) (maar ik zou niet ge­durfd heb­ben om haar te fo­to­gra­fe­ren) en de enor­me droog­te in Noord-Sy­rië, die ik uit het trein­raam zag, tij­dens mijn reis van van Alep­po naar Deir al-Zor, gis­te­ren en, dat be­denk ik me nu, 28 au­gus­tus 1992 [thuis], het meis­je dat ik hier, na mijn twee­de be­zoek aan de­ze fa­mi­lie, nog zou ont­moe­ten.)
Ze ver­tel­len dat er ook wel eens toe­ris­ten (uit welk land in Euro­pa ook al­weer?) slie­pen. Op hun ge­klaag voor sham­poo be­loof ik mijn sham­poo te gaan ha­len. (Een van de man­ne­lij­ke be­wo­ners geeft me een hal­ve ‘munt’ uit Sa­oedi-Ara­bië. Een aan­den­ken aan Deir al-Zor, zegt hij.
Ik loop terug naar het ho­tel. On­der­weg koop ik een paar san­da­len: £. 100. (Zon­der dat ik af­ding, voor zo’n be­drag (f. 4,00))
In het ho­tel laat ik een deel van de sham­poo in een le­ge wa­ter­fles lo­pen, zo­dat ik zelf ook nog wat heb. Ik neem een gul­den mee. Nu ga ik te­rug naar de fa­mi­lie en geef de sham­poo. De drie zus­ters gaan di­rect hun haar was­sen. De waar­de van de gul­den (£. 24,75) ver­baasd de zoon.
Ik ver­tel hem van mijn trein­reis naar van Alep­po naar Deir al-Zor, die goed­ko­per was dan twee bro­den in Ne­der­land.
De zoon, die 33 jaar oud is en er, dat geeft hij zelf toe, tien jaar ou­der uit­ziet, is al zes­tien jaar werk­loos. Hij wil over de si­tua­tie in Sy­rië spre­ken. Ik ga er niet op in want het kan­toor van de Ba­’ath-par­tij is maar en­ke­le hui­zen ver­wij­derd. Nu moet ik thee drin­ken en er wordt aan­ge­dron­gen dat ik ’s avonds kom eten. (Dat wil ik niet.)
De ge­sprek­ken gaan al­weer (het wordt een­to­nig) over vrouw (echt­ge­no­te van mij), geld en le­vens­om­stan­dig­he­den.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Verliefd.

Op straat ont­moet ik een an­der spon­taan meis­je (te­gen wie het jon­ge meis­je di­rect ver­telt dat ik 41 jaar ben.) Zij is heel open, vro­lijk, niet echt mooi (een beet­je ‘kik­ker­ogen’), maar door haar zo open blik en vro­lij­ke ge­drag, een beet­je ‘op­drin­ge­rig’, haar bor­sten voor­uit ste­kend, haar gro­te na­bij­heid, ben ik vrij­wel on­mid­del­lijk een beet­je ver­liefd. Zij wil ook sham­poo heb­ben. Ik ver­wijs haar naar haar fa­mi­lie. Dan wil ze mijn pen heb­ben. (Nu, 28 au­gus­tus, thuis, denk ik pas aan een mo­ge­lij­ke sek­sue­le bij­be­doe­ling.)

MenuBe­ginIndex en het einde.

Eufraat.

Ik ga op weg naar de Eu­fraat. Heer­lijk blauw is het wa­ter, als de zee, en zo aan­lok­ke­lijk in deze hit­te. Eerst enig schaam­te­ge­voel over mijn on­ge­bruin­de, wit­te huid doet me be­slui­ten niet aan de ver­lei­ding ge­volg te ge­ven. Pas la­ter komt het in me op dat zwem­men in de­ze schijn­baar scho­ne ri­vier wel eens mijn dood zou kun­nen be­te­ke­nen. 1.200 km lang is de Eu­fraat al in Deir al-Zor. En in dit land waar al­les en al­les zo maar op straat wordt weg­ge­gooid, is zo’n ri­vier een prach­tig ri­ool.
Er zwem­men wel men­sen in. Veel zelfs. Een jon­gen met een prach­tig bo­ven­li­chaam, ge­spierd, komt in mijn rich­ting, maar ik ben mis­schien niet uit­no­di­gend ge­noeg (ik blijf op mijn hur­ken zit­ten, in plaats van dat ik ga staan en hem uit­no­di­gend aan­kijk), want hij draait weer van mij weg. In zijn broek­je is niets te zien, want dat is een zeer ruim val­lend sport­broek­je. Al­le an­de­re zwem­mers dra­gen ruim­val­len­de sport­broek­jes, die ze, als ze uit het wa­ter ko­men, me­teen van het li­chaam los­trek­ken, zo­dat het niet aan de huid blijft plak­ken en er geen con­tou­ren, die mij zou­den kun­nen op­win­den, te zien zijn.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Hangbrug.

Ik loop over de voet­gan­gers­brug. Een lan­ge hang­brug.*(1). Een groep op­ge­scho­ten jon­gens wil dat ik met hen mee­loop. Zij gaan ech­ter in de rich­ting waar ik van­daan kom en ik wil nu juist over de Eu­fraat lo­pen. Die rich­ting wil­len zij niet uit.
Van de hoge ka­bels van de hang­brug sprin­gen jon­gens naar be­ne­den. Op een ei­land­je zon­nen en­ke­le jon­gens. Slechts één lijkt er (op deze af­stand ge­zien) een strak zwem­broek­je aan te heb­ben. Ik kijk even naar de li­cha­men. Loop naar de over­kant van de brug en daar drink ik een co­la die lek­ker koel is. Het le­ge blik mag ik weg­gooi­en waar ik wil.
Ik loop door een ver­la­ten speel­tuin, een stuk stroom­op­waarts. Ik wil naar die plaats wan­de­len waar ik meer mensen in de ri­vier zag spe­len, maar lang­za­mer­hand raak ik ver­der van de be­woon­de we­reld af (erg be­woond is de ‘be­woon­de we­reld’ ook niet) en ik vind dat ik het ge­vaar ook niet hoef te zoe­ken. Het spijt me wel, maar ik vind het on­ver­stan­dig om nog ver­der het bos­rij­ke ge­bied in te lo­pen. Ik loop een eind­je te­rug tot waar een drie­tal pij­pen de ri­vier in­dui­ken. Ver­beeld ik me dat, of wordt de ri­vier hier in­der­daad brui­ner, langs die pijpen?

MenuBe­ginIndex en het einde.

Smokkelaars?

Aan de over­kant van de ri­vier zie ik no­ma­den op het ei­land met gro­te zak­ken sle­pen. Het heeft iets weg van een film, waar­in de ‘goe­de’ per­soon eni­ge smok­ke­laars op af­stand met hun il­le­ga­le prak­tij­ken be­zig ziet. Vol­gens mijn sub­jec­tie­ve ge­voel klopt er iets niet aan hun ge­dra­gin­gen. Maar slechts de ‘at­mos­feer’ van de om­ge­ving wekt dit ge­voel bij mij op. Te veel film ge­ke­ken, zeker? (Steeds moet ik aan Huck­le­ber­ry Finn van Mark Twain den­ken, de film, be­doel ik.)

MenuBe­ginIndex en het einde.

Het mes!

Er pas­seert een zeer knap­pe jon­gen met drie knap­pe meis­jes (ge­luks­vo­gel) waar­van één met kind. Ze vra­gen mij de tijd. Ik zeg niets, maar laat hen mijn hor­lo­ge zien. Ze kij­ken me ver­baasd aan. Nog later zie ik de knap­pe jon­ge­man, die mij nu vrien­de­lijk groet, al­leen en snel naar de stad lo­pen. (Over de brug.) Waar zijn zijn vrien­din­nen?
Op de brug staan nog de op­ge­scho­ten ben­gels van toen straks. Ik hoor ze zeg­gen: “Money, money.” Als ik bij hen ben grijpt één mijn hand. Hij ziet er sme­rig uit. Hij maakt zoen-­be­we­gin­gen. (Hij be­valt me he­le­maal niet.) Hij zingt een lied­je dat ik niet kan ver­staan. De an­de­ren la­chen luid. Als ik naar het zak­mes van een van hen kijk (hij heeft het in zijn hand) maakt hij het open en houdt het me voor. Ik voel geen angst, loop door zon­der ook maar een­maal om te kij­ken. Ik blijf ech­ter niet meer staan.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Restaurant.

Bij Mat’am al-Djisr (Restaurant the Bredg) (sic) [de brug] drink ik co­la en bier. Mi­ne­raal­water heb­ben ze niet. Al­leen water uit de Eu­fraat. Ik ver­wis­sel steeds van ta­fel om uit de zon te blij­ven. Het duurt lang voor­dat ik de be­stel­de sa­la­de, friet en vis (want kip heb­ben ze niet) krijg. De vis is veel te veel. Ik krijg hem niet op, maar wei­ger hem aan de brood­ma­ge­re kat­ten te ge­ven, die in on­be­waak­te ogen­blik­ken zelfs op de ta­fel sprin­gen om mee te eten.
Een en ander kost £. 300. (f. 12.00), maar van mijn be­taalde £. 500 moet ik zelf de laat­ste £. 200 te­rug gaan ha­len.
Alle obers ren­nen voort­du­rend. Eén van hen vind ik in­te­res­sant. Ik vind hem sexy. Hij merkt wel dat ik naar hem kijk, maar hij moet ren­nen om de gas­ten te be­die­nen. Ver­der zit er een dik­ke Koe­wei­ti (?) met vier knap­pe jon­gens om zich, die al­len raki*(2) drin­ken.
Ik ga even zon­nen (bo­ven­li­chaam) langs de Eu­fraat, cir­ca tien mi­nu­ten en loop dan te­rug naar het ho­tel.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Ziek.

Circa 15.30 uur lig ik dui­ze­lig in bed. Ik ben mis­se­lijk. Van het bier?
Na winden la­ten voel ik me iets be­ter. Kon ik maar boe­ren.
Deze vrijdag 31-7-92 lijkt wel een zon­dag. Ie­der­een heeft vrij.
Ik be­taal de vol­gen­de nacht in het ho­tel.
Ik heb diar­ree en ben moe.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Karnak.

Ik vraag aan U., de sexy re­cep­tio­nist, waar het Kar­nak-bus­sta­tion is. [Kar­nak is de Sy­rische na­tio­na­le bus­maat­schap­pij.] Na enig aan­drin­gen zij­ner­zijds be­grijp ik dat hij me er naar­toe wil be­ge­lei­den. Daar ga ik mee ak­koord. Zwij­gend lo­pen we er­heen.
Ik koop voor £. 62 een bus­kaar­tje naar Tad­moer (Pal­my­ra) voor zon­dag­och­tend. Op de te­rug­weg ver­tel ik eerst een beet­je met een jon­gen op een fiets en dan met U.
Ik koop wa­ter en be­schuit voor res­pec­tie­ve­lijk £. 15 en £. 10.
Ik plan de reis voor­uit, maar al daar­mee doen­de, vraag ik me af wat ik bij die steen­ho­pen van Pal­my­ra moet, bij de­ze hit­te in het mid­den van de woes­tijn en ik loop te­rug naar het Kar­nak-bus­sta­tion en laat de be­stem­ming naar Da­mas­cus wij­zi­gen. Ik moet nog cir­ca £. 62 bij­be­ta­len. Het is in­mid­dels don­ker.
Ik voel me ziek. Het eten, maar toch voor­na­me­lijk de hit­te maakt me ka­pot. Ook het al­leen rei­zen, de ar­moe­de, het voort­du­ren­de la­waai, dat al­les heeft een ne­ga­tie­ve in­vloed op mij.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Een nichtje?

Ik loop wat langs de zij­arm van Eu­fraat, die hier door de stad loopt. Het is er een beet­je koel en er lo­pen wat men­sen. Ik blijf in een nich­te­ri­ge hou­ding staan voor een nich­te­ri­ge jon­gen die voor­bij liep, keek, blijft staan en dan in mijn rich­ting te­rug loopt om ver­vol­gens over te ste­ken. Hij loopt weg zon­der zich om te draai­en.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Sjouwers.

Ik blijf nog even staan kij­ken naar een groep man­nen die met hand­kracht een gro­te vracht­au­to vul­len met de in­houd van gro­te zak­ken. ‘Graan’, denk ik. Sjou­wers ne­men de zak van 100 ki­lo, (denk ik) op hun rug en lo­pen een stei­le plank op. Op de vracht­au­to wordt de zak open­ge­sne­den en ge­leegd. Als het werk ge­beurd is, wordt door de sjou­wers de rest, die op de grond ligt, zorg­vul­dig bij el­kaar ge­veegd en ver­za­meld.
Een van de sjouwers pro­beert een jon­ge­re sjou­wer te ver­sie­ren en ze ko­men naar mij. Ik ver­tel wat met de ou­de­re, over het zwa­re werk.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Gewond.

Als ik loop heb ik pijn aan mijn te­nen, van het leer van de san­da­len en ik moet de won­den met pa­pie­ren zak­doek­jes af­dek­ken en de langs el­kaar schu­ren­de te­nen met pa­pier uit el­kaar per­sen, want ik heb hier geen pleis­ters bij me.
Ik steek de ‘sloot’ over en sta ver­steld van de puin­hoop. De straat is op­ge­bro­ken (er wordt ook al een nieu­we brug ge­bouwd) en het ou­de as­falt ligt in gro­te brok­ken over­al ver­spreid. Aan deze zij­de is niet veel te be­le­ven en ik ga te­rug en loop daar stroom­op­waarts. Ik hoop in een meer homo-­ach­ti­ge om­ge­ving te ko­men, want ik wil met een jon­ge­man vrij­en.
Plotseling stoot ik mijn voet aan een van de over­al voor­ko­men­de on­ge­lijk­he­den en mijn lin­ker dik­ke teen is flink be­scha­digd. Het bloed stroomt er­uit. Ik moet me be­hel­pen met pa­pie­ren zak­doek­jes. Als ik daar­mee be­zig ben komt een jon­gen die de tijd wil we­ten. Als ik geen ant­woord geeft pakt hij mijn lin­ker pols en draait het hor­lo­ge naar zich toe. Ik zeg: “So­de­mie­ter op.”
Hij zegt: “Thank you.”

MenuBe­ginIndex en het einde.

Ernstig ziek.

Ik kan normaal geen bloed zien. Ook nu niet. Ik word dui­ze­lig, wil gaan lig­gen, maar dat kan toch niet in de­ze zwij­nen­zooi. Ik wil wa­ter drin­ken, maar waar haal ik dat van­daan? Ik pro­beer te lo­pen, maar dat gaat niet. Het zweet breekt me uit. Ik moet naar de WC. Mijn diar­ree komt los. Ik steek de straat over, maar zie bij­na niets.
Bij een thee­huis ga ik op de stoep­rand zit­ten. Ik kan niets meer zien. Ik ben dui­ze­lig. Ik sta op, maar zak langs een af­ras­te­ring door mijn knie­ën, be­wust, ik voel het ge­beu­ren, maar kan er niets te­gen on­der­ne­men. Wat een vreem­de ge­waar­wor­ding. Ik wil wa­ter, koel wa­ter en wil het thee­huis bin­nen­gaan. (Dat wil zeg­gen, het is een om­heind open­lucht thee­huis.)
Ik ga erheen. Iemand roept me. Hij staat in de buurt van zo’n stin­ken­de ke­bab-stal. Daar wil ik niet heen. Ik loop door, of strom­pel ik? Ik zie niets. Bij een kraan (met on­ge­twij­feld Eu­fraat-water) ga ik zit­ten. Aan de jon­ge ober vraag ik: Ya sidi, ayna al-mir­haad [Mijn­heer, waar is het toi­let?] Hij ver­staat me niet. Ik zeg waar­schijn­lijk Mir­haad. [Een an­de­re ‘ha‘, het Ara­bisch heeft er twee, nog­al ver­schil­lend.]
Ik ga op de stoep zit­ten, met het hoofd tus­sen de be­nen. Plot­se­ling zit ik mid­den in een wa­ter­stroom. Heeft hier iemand een em­mer om­ge­kiept om mij weg te krij­gen? Nou, dat helpt dan wel. Ik strom­pel te­rug naar het ho­tel, waar ik met jo­dium mijn voet ver­zorg.
Circa 22.00 ben ik in het hotel.
Dat niemand me hielp komt, zo liet ik me zon­dag 2-8 in de bus naar Da­mas­cus uit­leg­gen, om­dat de men­sen bang zijn. Sterf ik op straat, dan wordt de dichtst­bij­zijn­de per­soon van moord be­schul­digd!
Ik ga op bed lig­gen met en nat was­hand­je als kom­pres op mijn hoofd. Na een poos­je gaat het be­ter kijk ik naar de slech­te kwa­li­teit Tv-beel­den en laat mijn ka­mer­deur open, zo­dat er meer fris­se lucht in kan. [Mijn ka­mer komt uit in de lounge.]

MenuBe­ginIndex en het einde.

Syrië.

Ik twijfel er niet meer aan dat ik het Ara­bisch zal le­ren. Er is dus geen en­ke­le re­den om nog in Sy­rië te blij­ven, want de vol­gen­de maand is toch te kort, maar als ik hier een ap­par­te­ment heb met ei­gen keu­ken, dan is het niet meer zo moei­lijk om hier te blij­ven en veel te le­ren.
Ik kan in de­ze zwij­nen­stal ech­ter niet le­ven. De men­sen ma­ken van het le­ven een knoei­boel. De over­heid on­der­neemt niets om de kwa­li­teit van het le­ven te ver­be­te­ren en de be­vol­king doet als ge­volg daar­van daar ook niets aan. De af­wer­king van het ho­tel is slecht. Al­les ziet er on­ver­zorgd uit. Pij­pen die uit de muur ko­men, de ga­ten er­van wor­den ge­vuld (als ze al ge­dicht wor­den) maar de gips of ce­ment wordt niet met de muur glad­ge­stre­ken, maar co­nisch af­gewerkt, in de leng­te van de pijp.
Gescheurde broe­ken, slecht ge­naaid.
Verf: de zak­ken in de verf wor­den niet glad­ge­stre­ken. [Ook: tra­nen, zak­kers, drup­pels, of drui­pers ge­noemd. Het doet er niet toe hoe die he­ten. Ze wor­den niet weg­ge­werkt.]
Ze [de men­sen hier] zijn nog steeds no­ma­den: se­den­tai­re no­ma­den.
Ik vraag me af hoe de kwa­li­teit van het le­ven in de Golf­sta­ten en Koe­weit is?
Deze sta­tische re­li­gie is een ze­gen voor het re­gi­me. De re­ge­ring wordt niet uit­ge­daagd (als dat al mo­ge­lijk is bij de­ze on­der­druk­king), maar bij God wordt toe­vlucht ge­zocht. De men­sen zijn erg re­li­gi­eus.
De eco­no­mie is vol­gens mij zwaar ge­sub­si­di­eerd. Er is veel ver­bor­gen werk­loos­heid (Wi.) en veel kin­der­ar­beid. Van een com­mer­cië­le eco­no­mie heeft nog nooit iemand ge­hoord.
A. in Antakya was blij dat hij over vijf da­gen naar huis (in Duits­land) kon. Ik be­greep hem toen niet. Nu wel.
Ik wil weg en ik wil nooit meer al­leen rei­zen.
Bed rond 01.00 uur. Tem­pe­ra­tuur in de ka­mer: be­nauwd. Ze­ker 25°C, (mo­ge­lijk veel meer: 30°C of nog meer?)

MenuBe­ginIndex en het einde.


*(1).
Genoemde voet­gan­gers­hang­brug: (GM.: foto.)
Op 24 april 2017 ont­moet­te ik in de trein een Sy­rische vluch­te­ling die pas an­der­half jaar in Ne­der­land was en die ver­ba­zend goed Ne­der­lands sprak. Hij kwam uit Deir el-Zor en ver­tel­de mij dat die ou­de, mo­nu­men­ta­le hang­brug, to­taal ver­nie­tigd was tij­dens de bur­ger­oor­log. On­langs zag ik fo­to’s van die brug waar­uit bleek dat hij de waar­heid had ge­spro­ken.

Te­rug.

*(2).
Raki (Wi,) is een sterk al­co­ho­lische drank, van Tur­kse oor­sprong.

Te­rug.


Voor een summiere uitleg over het Arabisch: klik hier.


Meer informatie.

GM.: Google Maps. – Wi.: Wi­ki­pe­dia. – Web.: ove­rige bron­nen.
Syrië:
GM., Wi.
:ﺳﻮﺭﻳﺎ
Deir al-Zor:
GM., Wi., GM. (Fo­to’s.)
:ﺩﻳﺮ ﺍﻟﺰﻭﺭ
Eu­fraat:
GM., Wi.
:ﺍﻟﻔﺮﺍﺕ

Pal­my­ra:
GM., Wi.
:ﺗﺪﻣﺮ
Da­mas­cus:
GM., Wi.
:ﺩﻣﺸﻖ

Koe­fiy­ya:
:ﻛﻮﻓﻴﺔ
Djal­la­biyya:
:ﺟﻼﺑﻴﺔ
Ba’ath-­par­tij:
:ﺣﺰﺏ ﺍﻟﺒﻌﺚ

Index

Index van ter­men:
Index van per­so­nen:
.
Index van lo­ca­ties:
.

Me­nuBe­ginHoofd­in­dex.
Over­zicht 1972-1990.
Chrono­lo­gisch over­zicht Orient Ex­press 1992.