31 juli 1992

1992 – 2017: vijf­en­twin­tig jaar ge­le­den

Orient Express

Mijn eer­ste reis naar het Mid­den-Oos­ten

Dagboek 1992

(Dag 7489) Gis­te­ren­avond kwam ik aan in Deir al-Zor, een stad ge­le­gen aan de ri­vier de Eu­fraat, in het oos­ten van Sy­rië. – Van­daag ver­ken ik het cen­trum en loop langs de Eu­fraat. – Ik koop san­da­len, be­zoek een fa­mi­lie, deel sham­poo uit. Geef een gul­den (munt), word ver­liefd op een meis­je, wil zwem­men in de Eu­fraat, maar doe het niet en ik wil ook nog een jon­gen ver­sie­ren. – Een jon­ge­man be­dreigt me met een mes. – ’s Avonds word ik erns­tig ziek: voed­sel­ver­gif­ti­ging? – Ik laat mijn licht schij­nen op dat, waar­van ik denk dat er mis is in Sy­rië. – De munt­een­heid in Sy­rië is het Sy­rische Pond: (£.). De koers is: £. 1.00 = f. 0,05. (Een stui­ver.)
(Tij­dens mijn reis hield ik een reis­dag­boek bij. Na­dat ik op 18 au­gus­tus thuis was ge­ko­men, be­gon ik met het op­schrij­ven van mijn we­der­waar­dig­he­den in mijn ei­gen­lij­ke dag­boek. In de tekst hier­beneden staan af en toe te­rug­blikken op de­ze va­kan­tie, ge­daan vanaf mijn bu­reau­stoel thuis.)

MenuIndex en het einde.

ShampooVerliefdEufraatHangbrugSmokkelaars?Het mes!Restaurant De BrugZiekKarnakEen nichtje?SjouwersGewondErnstig ziekSyrië.

Vrijdag, 31 juli 1992.
Deir al-Zor.
Ik laat de ven­ti­la­tor de he­le nacht op ho­ge snel­heid draai­en. Hij blaast de warm­te in het rond. Ik zweet er ech­ter niet door, zo­veel af­koe­ling biedt hij nog wel.
Ik ben zelf wel heet. Ik wil een jon­ge­man om de lief­de mee te be­drij­ven.
Ontbijt in een win­kel / res­tau­rant. Ik be­stel Foel bi­la zayt. [Bo­nen­soep zon­der olie.] Dat is nog lek­ker ook.
In het thee­huis, waar on­der an­de­re drie mooie man­nen (mooi door hun Dja­la­biyya en Koe­fiyya) uit een jeep (Nis­san) stap­pen en een ta­fel­tje ver­der gaan zit­ten, drink ik thee. De eer­ste, daar­van roer ik de sui­ker niet op. De twee­de be­stel ik zon­der sui­ker, maar de na­smaak is heel erg bit­ter en bij de der­de be­stel ik weer sui­ker. £. 9 kos­ten de­ze drie glaas­jes thee. Twaalf cent per stuk!
Ik loop langs die ‘sloot’ die de sol­daat gis­te­ren­avond al-Foe­raat [de Eu­fraat] had ge­noemd. Ik kan me niet voor­stel­len dat dat de Eu­fraat is. Ik ga de ech­te ri­vier zoe­ken.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Shampoo.

Ik loop langs het be­waak­te Ba­’ath-par­tij­bu­reau en even la­ter word ik door een meis­je met een hel­de­re blik ge­vraagd: “What’s your name?”
Zij is mis­schien tien jaar. Ik praat met haar en haar broers.
Ik lees woord­jes voor uit een En­gels-Ara­bisch boek­je. Ik moet naar bin­nen, ze ‘sle­pen’ me mee. “Ta­fad­dal, ta­fad­dal.” [Alstu­blieft, alstu­blieft.] In een smal straat­je ont­moet ik de moe­der en drie doch­ters. In huis, in de bes­te ka­mer. De va­der er­bij, die het jon­ge meis­je naast mij weg­jaagt. Hij wil naast me zit­ten. De drie vol­was­sen doch­ters heb­ben ge­stu­deerd. Eent­je is Moe­mar­rida fi’l-moe­stash­fa [Ver­pleeg­ster in het zie­ken­huis], de an­de­re is Moe­han­di­sa [in­ge­nieur] (waar­in ook al weer?) en de der­de doch­ter, wat stu­deer­de die ook al weer? Ik weet het niet meer.
Ik krijg kof­fie (ik had lie­ver thee) en ben een beet­je ze­nuw­ach­tig met zo­veel aan­dacht. Ik heb last van mijn so­cio­fo­bie en dus tril­len­de han­den.
De doch­ters kla­gen over de sham­poo in Sy­rië. (Ma­de in Sy­rië: “Dann schmeiß es doch gleich zum Fen­ster hi­naus“. Dixit A. in An­tak­ya [Tur­kije] op 25 juli jl.) Hun haar is een puin­hoop. Of ik geen ech­te sham­poo heb?
Ze wil­len dat ik een fo­to maak. Ik heb ech­ter he­le­maal geen ca­me­ra mee op reis ge­no­men. Ster­ker nog, ik be­zit he­le­maal geen ca­me­ra. (En ik heb daar op mijn reis geen spijt van ge­had. Echt waard om te fo­to­gra­fe­ren zijn al­leen ge­weest: het 17-ja­rig en­gel­tje in de trein in Joe­go­sla­vië (zie 16 juli jl.) (maar ik zou niet ge­durfd heb­ben om haar te fo­to­gra­fe­ren) en de enor­me droog­te in Noord-Sy­rië, die ik uit het trein­raam zag, tij­dens mijn reis van van Alep­po naar Deir al-Zor, gis­te­ren en, dat be­denk ik me nu, 28 au­gus­tus 1992 [thuis], het meis­je dat ik hier, na mijn twee­de be­zoek aan de­ze fa­mi­lie, nog zou ont­moe­ten.)
Ze ver­tel­len dat er ook wel eens toe­ris­ten (uit welk land in Euro­pa ook al­weer?) slie­pen. Op hun ge­klaag voor sham­poo be­loof ik mijn sham­poo te gaan ha­len. (Een van de man­ne­lij­ke be­wo­ners geeft me een hal­ve ‘munt’ uit Sa­oedi-Ara­bië. Een aan­den­ken aan Deir al-Zor, zegt hij.
Ik loop terug naar het ho­tel. On­der­weg koop ik een paar san­da­len: £. 100. (Zon­der dat ik af­ding, voor zo’n be­drag (f. 4,00))
In het ho­tel laat ik een deel van de sham­poo in een le­ge wa­ter­fles lo­pen, zo­dat ik zelf ook nog wat heb. Ik neem een gul­den mee. Nu ga ik te­rug naar de fa­mi­lie en geef de sham­poo. De drie zus­ters gaan di­rect hun haar was­sen. De waar­de van de gul­den (£. 24,75) ver­baasd de zoon.
Ik ver­tel hem van mijn trein­reis naar van Alep­po naar Deir al-Zor, die goed­ko­per was dan twee bro­den in Ne­der­land.
De zoon, die 33 jaar oud is en er, dat geeft hij zelf toe, tien jaar ou­der uit­ziet, is al zes­tien jaar werk­loos. Hij wil over de si­tua­tie in Sy­rië spre­ken. Ik ga er niet op in want het kan­toor van de Ba­’ath-par­tij is maar en­ke­le hui­zen ver­wij­derd. Nu moet ik thee drin­ken en er wordt aan­ge­dron­gen dat ik ’s avonds kom eten. (Dat wil ik niet.)
De ge­sprek­ken gaan al­weer (het wordt een­to­nig) over vrouw (echt­ge­no­te van mij), geld en le­vens­om­stan­dig­he­den.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Verliefd.

Op straat ont­moet ik een an­der spon­taan meis­je (te­gen wie het jon­ge meis­je di­rect ver­telt dat ik 41 jaar ben.) Zij is heel open, vro­lijk, niet echt mooi (een beet­je ‘kik­ker­ogen’), maar door haar zo open blik en vro­lij­ke ge­drag, een beet­je ‘op­drin­ge­rig’, haar bor­sten voor­uit ste­kend, haar gro­te na­bij­heid, ben ik vrij­wel on­mid­del­lijk een beet­je ver­liefd. Zij wil ook sham­poo heb­ben. Ik ver­wijs haar naar haar fa­mi­lie. Dan wil ze mijn pen heb­ben. (Nu, 28 au­gus­tus, thuis, denk ik pas aan een mo­ge­lij­ke sek­sue­le bij­be­doe­ling.)

MenuBe­ginIndex en het einde.

Eufraat.

Ik ga op weg naar de Eu­fraat. Heer­lijk blauw is het wa­ter, als de zee, en zo aan­lok­ke­lijk in deze hit­te. Eerst enig schaam­te­ge­voel over mijn on­ge­bruin­de, wit­te huid doet me be­slui­ten niet aan de ver­lei­ding ge­volg te ge­ven. Pas la­ter komt het in me op dat zwem­men in de­ze schijn­baar scho­ne ri­vier wel eens mijn dood zou kun­nen be­te­ke­nen. 1.200 km lang is de Eu­fraat al in Deir al-Zor. En in dit land waar al­les en al­les zo maar op straat wordt weg­ge­gooid, is zo’n ri­vier een prach­tig ri­ool.
Er zwem­men wel men­sen in. Veel zelfs. Een jon­gen met een prach­tig bo­ven­li­chaam, ge­spierd, komt in mijn rich­ting, maar ik ben mis­schien niet uit­no­di­gend ge­noeg (ik blijf op mijn hur­ken zit­ten, in plaats van dat ik ga staan en hem uit­no­di­gend aan­kijk), want hij draait weer van mij weg. In zijn broek­je is niets te zien, want dat is een zeer ruim val­lend sport­broek­je. Al­le an­de­re zwem­mers dra­gen ruim­val­len­de sport­broek­jes, die ze, als ze uit het wa­ter ko­men, me­teen van het li­chaam los­trek­ken, zo­dat het niet aan de huid blijft plak­ken en er geen con­tou­ren, die mij zou­den kun­nen op­win­den, te zien zijn.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Hangbrug.

Ik loop over de voet­gan­gers­brug. Een lan­ge hang­brug.*(1). Een groep op­ge­scho­ten jon­gens wil dat ik met hen mee­loop. Zij gaan ech­ter in de rich­ting waar ik van­daan kom en ik wil nu juist over de Eu­fraat lo­pen. Die rich­ting wil­len zij niet uit.
Van de hoge ka­bels van de hang­brug sprin­gen jon­gens naar be­ne­den. Op een ei­land­je zon­nen en­ke­le jon­gens. Slechts één lijkt er (op deze af­stand ge­zien) een strak zwem­broek­je aan te heb­ben. Ik kijk even naar de li­cha­men. Loop naar de over­kant van de brug en daar drink ik een co­la die lek­ker koel is. Het le­ge blik mag ik weg­gooi­en waar ik wil.
Ik loop door een ver­la­ten speel­tuin, een stuk stroom­op­waarts. Ik wil naar die plaats wan­de­len waar ik meer mensen in de ri­vier zag spe­len, maar lang­za­mer­hand raak ik ver­der van de be­woon­de we­reld af (erg be­woond is de ‘be­woon­de we­reld’ ook niet) en ik vind dat ik het ge­vaar ook niet hoef te zoe­ken. Het spijt me wel, maar ik vind het on­ver­stan­dig om nog ver­der het bos­rij­ke ge­bied in te lo­pen. Ik loop een eind­je te­rug tot waar een drie­tal pij­pen de ri­vier in­dui­ken. Ver­beeld ik me dat, of wordt de ri­vier hier in­der­daad brui­ner, langs die pijpen?

MenuBe­ginIndex en het einde.

Smokkelaars?

Aan de over­kant van de ri­vier zie ik no­ma­den op het ei­land met gro­te zak­ken sle­pen. Het heeft iets weg van een film, waar­in de ‘goe­de’ per­soon eni­ge smok­ke­laars op af­stand met hun il­le­ga­le prak­tij­ken be­zig ziet. Vol­gens mijn sub­jec­tie­ve ge­voel klopt er iets niet aan hun ge­dra­gin­gen. Maar slechts de ‘at­mos­feer’ van de om­ge­ving wekt dit ge­voel bij mij op. Te veel film ge­ke­ken, zeker? (Steeds moet ik aan Huck­le­ber­ry Finn van Mark Twain den­ken, de film, be­doel ik.)

MenuBe­ginIndex en het einde.

Het mes!

Er pas­seert een zeer knap­pe jon­gen met drie knap­pe meis­jes (ge­luks­vo­gel) waar­van één met kind. Ze vra­gen mij de tijd. Ik zeg niets, maar laat hen mijn hor­lo­ge zien. Ze kij­ken me ver­baasd aan. Nog later zie ik de knap­pe jon­ge­man, die mij nu vrien­de­lijk groet, al­leen en snel naar de stad lo­pen. (Over de brug.) Waar zijn zijn vrien­din­nen?
Op de brug staan nog de op­ge­scho­ten ben­gels van toen straks. Ik hoor ze zeg­gen: “Money, money.” Als ik bij hen ben grijpt één mijn hand. Hij ziet er sme­rig uit. Hij maakt zoen-­be­we­gin­gen. (Hij be­valt me he­le­maal niet.) Hij zingt een lied­je dat ik niet kan ver­staan. De an­de­ren la­chen luid. Als ik naar het zak­mes van een van hen kijk (hij heeft het in zijn hand) maakt hij het open en houdt het me voor. Ik voel geen angst, loop door zon­der ook maar een­maal om te kij­ken. Ik blijf ech­ter niet meer staan.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Restaurant.

Bij Mat’am al-Djisr (Restaurant the Bredg) (sic) [de brug] drink ik co­la en bier. Mi­ne­raal­water heb­ben ze niet. Al­leen water uit de Eu­fraat. Ik ver­wis­sel steeds van ta­fel om uit de zon te blij­ven. Het duurt lang voor­dat ik de be­stel­de sa­la­de, friet en vis (want kip heb­ben ze niet) krijg. De vis is veel te veel. Ik krijg hem niet op, maar wei­ger hem aan de brood­ma­ge­re kat­ten te ge­ven, die in on­be­waak­te ogen­blik­ken zelfs op de ta­fel sprin­gen om mee te eten.
Een en ander kost £. 300. (f. 12.00), maar van mijn be­taalde £. 500 moet ik zelf de laat­ste £. 200 te­rug gaan ha­len.
Alle obers ren­nen voort­du­rend. Eén van hen vind ik in­te­res­sant. Ik vind hem sexy. Hij merkt wel dat ik naar hem kijk, maar hij moet ren­nen om de gas­ten te be­die­nen. Ver­der zit er een dik­ke Koe­wei­ti (?) met vier knap­pe jon­gens om zich, die al­len raki*(2) drin­ken.
Ik ga even zon­nen (bo­ven­li­chaam) langs de Eu­fraat, cir­ca tien mi­nu­ten en loop dan te­rug naar het ho­tel.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Ziek.

Circa 15.30 uur lig ik dui­ze­lig in bed. Ik ben mis­se­lijk. Van het bier?
Na winden la­ten voel ik me iets be­ter. Kon ik maar boe­ren.
Deze vrijdag 31-7-92 lijkt wel een zon­dag. Ie­der­een heeft vrij.
Ik be­taal de vol­gen­de nacht in het ho­tel.
Ik heb diar­ree en ben moe.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Karnak.

Ik vraag aan U., de sexy re­cep­tio­nist, waar het Kar­nak-bus­sta­tion is. [Kar­nak is de Sy­rische na­tio­na­le bus­maat­schap­pij.] Na enig aan­drin­gen zij­ner­zijds be­grijp ik dat hij me er naar­toe wil be­ge­lei­den. Daar ga ik mee ak­koord. Zwij­gend lo­pen we er­heen.
Ik koop voor £. 62 een bus­kaar­tje naar Tad­moer (Pal­my­ra) voor zon­dag­och­tend. Op de te­rug­weg ver­tel ik eerst een beet­je met een jon­gen op een fiets en dan met U.
Ik koop wa­ter en be­schuit voor res­pec­tie­ve­lijk £. 15 en £. 10.
Ik plan de reis voor­uit, maar al daar­mee doen­de, vraag ik me af wat ik bij die steen­ho­pen van Pal­my­ra moet, bij de­ze hit­te in het mid­den van de woes­tijn en ik loop te­rug naar het Kar­nak-bus­sta­tion en laat de be­stem­ming naar Da­mas­cus wij­zi­gen. Ik moet nog cir­ca £. 62 bij­be­ta­len. Het is in­mid­dels don­ker.
Ik voel me ziek. Het eten, maar toch voor­na­me­lijk de hit­te maakt me ka­pot. Ook het al­leen rei­zen, de ar­moe­de, het voort­du­ren­de la­waai, dat al­les heeft een ne­ga­tie­ve in­vloed op mij.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Een nichtje?

Ik loop wat langs de zij­arm van Eu­fraat, die hier door de stad loopt. Het is er een beet­je koel en er lo­pen wat men­sen. Ik blijf in een nich­te­ri­ge hou­ding staan voor een nich­te­ri­ge jon­gen die voor­bij liep, keek, blijft staan en dan in mijn rich­ting te­rug loopt om ver­vol­gens over te ste­ken. Hij loopt weg zon­der zich om te draai­en.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Sjouwers.

Ik blijf nog even staan kij­ken naar een groep man­nen die met hand­kracht een gro­te vracht­au­to vul­len met de in­houd van gro­te zak­ken. ‘Graan’, denk ik. Sjou­wers ne­men de zak van 100 ki­lo, (denk ik) op hun rug en lo­pen een stei­le plank op. Op de vracht­au­to wordt de zak open­ge­sne­den en ge­leegd. Als het werk ge­beurd is, wordt door de sjou­wers de rest, die op de grond ligt, zorg­vul­dig bij el­kaar ge­veegd en ver­za­meld.
Een van de sjouwers pro­beert een jon­ge­re sjou­wer te ver­sie­ren en ze ko­men naar mij. Ik ver­tel wat met de ou­de­re, over het zwa­re werk.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Gewond.

Als ik loop heb ik pijn aan mijn te­nen, van het leer van de san­da­len en ik moet de won­den met pa­pie­ren zak­doek­jes af­dek­ken en de langs el­kaar schu­ren­de te­nen met pa­pier uit el­kaar per­sen, want ik heb hier geen pleis­ters bij me.
Ik steek de ‘sloot’ over en sta ver­steld van de puin­hoop. De straat is op­ge­bro­ken (er wordt ook al een nieu­we brug ge­bouwd) en het ou­de as­falt ligt in gro­te brok­ken over­al ver­spreid. Aan deze zij­de is niet veel te be­le­ven en ik ga te­rug en loop daar stroom­op­waarts. Ik hoop in een meer homo-­ach­ti­ge om­ge­ving te ko­men, want ik wil met een jon­ge­man vrij­en.
Plotseling stoot ik mijn voet aan een van de over­al voor­ko­men­de on­ge­lijk­he­den en mijn lin­ker dik­ke teen is flink be­scha­digd. Het bloed stroomt er­uit. Ik moet me be­hel­pen met pa­pie­ren zak­doek­jes. Als ik daar­mee be­zig ben komt een jon­gen die de tijd wil we­ten. Als ik geen ant­woord geeft pakt hij mijn lin­ker pols en draait het hor­lo­ge naar zich toe. Ik zeg: “So­de­mie­ter op.”
Hij zegt: “Thank you.”

MenuBe­ginIndex en het einde.

Ernstig ziek.

Ik kan normaal geen bloed zien. Ook nu niet. Ik word dui­ze­lig, wil gaan lig­gen, maar dat kan toch niet in de­ze zwij­nen­zooi. Ik wil wa­ter drin­ken, maar waar haal ik dat van­daan? Ik pro­beer te lo­pen, maar dat gaat niet. Het zweet breekt me uit. Ik moet naar de WC. Mijn diar­ree komt los. Ik steek de straat over, maar zie bij­na niets.
Bij een thee­huis ga ik op de stoep­rand zit­ten. Ik kan niets meer zien. Ik ben dui­ze­lig. Ik sta op, maar zak langs een af­ras­te­ring door mijn knie­ën, be­wust, ik voel het ge­beu­ren, maar kan er niets te­gen on­der­ne­men. Wat een vreem­de ge­waar­wor­ding. Ik wil wa­ter, koel wa­ter en wil het thee­huis bin­nen­gaan. (Dat wil zeg­gen, het is een om­heind open­lucht thee­huis.)
Ik ga erheen. Iemand roept me. Hij staat in de buurt van zo’n stin­ken­de ke­bab-stal. Daar wil ik niet heen. Ik loop door, of strom­pel ik? Ik zie niets. Bij een kraan (met on­ge­twij­feld Eu­fraat-water) ga ik zit­ten. Aan de jon­ge ober vraag ik: Ya sidi, ayna al-mir­haad [Mijn­heer, waar is het toi­let?] Hij ver­staat me niet. Ik zeg waar­schijn­lijk Mir­haad. [Een an­de­re ‘ha‘, het Ara­bisch heeft er twee, nog­al ver­schil­lend.]
Ik ga op de stoep zit­ten, met het hoofd tus­sen de be­nen. Plot­se­ling zit ik mid­den in een wa­ter­stroom. Heeft hier iemand een em­mer om­ge­kiept om mij weg te krij­gen? Nou, dat helpt dan wel. Ik strom­pel te­rug naar het ho­tel, waar ik met jo­dium mijn voet ver­zorg.
Circa 22.00 ben ik in het hotel.
Dat niemand me hielp komt, zo liet ik me zon­dag 2-8 in de bus naar Da­mas­cus uit­leg­gen, om­dat de men­sen bang zijn. Sterf ik op straat, dan wordt de dichtst­bij­zijn­de per­soon van moord be­schul­digd!
Ik ga op bed lig­gen met en nat was­hand­je als kom­pres op mijn hoofd. Na een poos­je gaat het be­ter kijk ik naar de slech­te kwa­li­teit Tv-beel­den en laat mijn ka­mer­deur open, zo­dat er meer fris­se lucht in kan. [Mijn ka­mer komt uit in de lounge.]

MenuBe­ginIndex en het einde.

Syrië.

Ik twijfel er niet meer aan dat ik het Ara­bisch zal le­ren. Er is dus geen en­ke­le re­den om nog in Sy­rië te blij­ven, want de vol­gen­de maand is toch te kort, maar als ik hier een ap­par­te­ment heb met ei­gen keu­ken, dan is het niet meer zo moei­lijk om hier te blij­ven en veel te le­ren.
Ik kan in de­ze zwij­nen­stal ech­ter niet le­ven. De men­sen ma­ken van het le­ven een knoei­boel. De over­heid on­der­neemt niets om de kwa­li­teit van het le­ven te ver­be­te­ren en de be­vol­king doet als ge­volg daar­van daar ook niets aan. De af­wer­king van het ho­tel is slecht. Al­les ziet er on­ver­zorgd uit. Pij­pen die uit de muur ko­men, de ga­ten er­van wor­den ge­vuld (als ze al ge­dicht wor­den) maar de gips of ce­ment wordt niet met de muur glad­ge­stre­ken, maar co­nisch af­gewerkt, in de leng­te van de pijp.
Gescheurde broe­ken, slecht ge­naaid.
Verf: de zak­ken in de verf wor­den niet glad­ge­stre­ken. [Ook: tra­nen, zak­kers, drup­pels, of drui­pers ge­noemd. Het doet er niet toe hoe die he­ten. Ze wor­den niet weg­ge­werkt.]
Ze [de men­sen hier] zijn nog steeds no­ma­den: se­den­tai­re no­ma­den.
Ik vraag me af hoe de kwa­li­teit van het le­ven in de Golf­sta­ten en Koe­weit is?
Deze sta­tische re­li­gie is een ze­gen voor het re­gi­me. De re­ge­ring wordt niet uit­ge­daagd (als dat al mo­ge­lijk is bij de­ze on­der­druk­king), maar bij God wordt toe­vlucht ge­zocht. De men­sen zijn erg re­li­gi­eus.
De eco­no­mie is vol­gens mij zwaar ge­sub­si­di­eerd. Er is veel ver­bor­gen werk­loos­heid (Wi.) en veel kin­der­ar­beid. Van een com­mer­cië­le eco­no­mie heeft nog nooit iemand ge­hoord.
A. in Antakya was blij dat hij over vijf da­gen naar huis (in Duits­land) kon. Ik be­greep hem toen niet. Nu wel.
Ik wil weg en ik wil nooit meer al­leen rei­zen.
Bed rond 01.00 uur. Tem­pe­ra­tuur in de ka­mer: be­nauwd. Ze­ker 25°C, (mo­ge­lijk veel meer: 30°C of nog meer?)

MenuBe­ginIndex en het einde.


*(1).
Genoemde voet­gan­gers­hang­brug: (GM.: foto.)
Op 24 april 2017 ont­moet­te ik in de trein een Sy­rische vluch­te­ling die pas an­der­half jaar in Ne­der­land was en die ver­ba­zend goed Ne­der­lands sprak. Hij kwam uit Deir el-Zor en ver­tel­de mij dat die ou­de, mo­nu­men­ta­le hang­brug, to­taal ver­nie­tigd was tij­dens de bur­ger­oor­log. On­langs zag ik fo­to’s van die brug waar­uit bleek dat hij de waar­heid had ge­spro­ken.

Te­rug.

*(2).
Raki (Wi,) is een sterk al­co­ho­lische drank, van Tur­kse oor­sprong.

Te­rug.


Voor een summiere uitleg over het Arabisch: klik hier.


Meer informatie.

GM.: Google Maps. – Wi.: Wi­ki­pe­dia. – Web.: ove­rige bron­nen.
Syrië:
GM., Wi.
:ﺳﻮﺭﻳﺎ
Deir al-Zor:
GM., Wi., GM. (Fo­to’s.)
:ﺩﻳﺮ ﺍﻟﺰﻭﺭ
Eu­fraat:
GM., Wi.
:ﺍﻟﻔﺮﺍﺕ

Pal­my­ra:
GM., Wi.
:ﺗﺪﻣﺮ
Da­mas­cus:
GM., Wi.
:ﺩﻣﺸﻖ

Koe­fiy­ya:
:ﻛﻮﻓﻴﺔ
Djal­la­biyya:
:ﺟﻼﺑﻴﺔ
Ba’ath-­par­tij:
:ﺣﺰﺏ ﺍﻟﺒﻌﺚ

Index

Index van ter­men:
Index van per­so­nen:
.
Index van lo­ca­ties:
.

Me­nuBe­ginHoofd­in­dex.
Over­zicht 1972-1990.
Chrono­lo­gisch over­zicht Orient Ex­press 1992.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s