Dit is het dakterras dat bij mijn kamer in het Gaṣr al-Goebba-hotel hoort. Mijn kamer ligt achter de doeken, maar tussen de kamer en de doeken is nog voldoende terrasruimte om te werken. Daar staat een tafel (met stoel), waaraan ik mijn administratieve verplichtingen kan verrichten.
Het Tarīm-project 1997
1997 – 2017: twintig jaar geleden
Tarīm: Hadramaut, Jemen
Dagboek 1997
(Dag 9433) Ik ben in de Ḥaḍramaut (Zuid-Jemen) in de plaats Tarīm. De komende weken logeer ik daar in het Gaṣr al-Goebba-hotel (Koepelpaleis-hotel) en er werken in de al-Aḥgāf-bibliotheek voor handschriften. – Mijn verslag, op mijn laptop geschreven, bevat meer (achtergrond)informatie dan mijn dagboekverslag. – De munteenheid in Jemen is de Rial (YER). (1 rial = f. 0,015 (anderhalve cent), dus 100 rial = f. 1,50.)
Woensdag, 26 november 1997.
Tariem: 8/40.
Goed geslapen.
Op 7.00 uur.
Dagboek bijwerken.
Circa 9.00 op weg naar de [al-Aḥgāf-] bibliotheek. Ik ontmoet Ḥassan al-A., de oom van Ḥusayn al-A. (Niet de receptionist van het hotel, maar die knappe, sexy boy van de telefoonwinkel, verleden jaar.)
Deze Hassan al-A. brengt mij in zijn persoonlijk wrak naar de bibliotheek. Desgevraagd wil hij me wel helpen bij het afdingen als ik een sarong wil kopen.
We rijden de vijftig meter met veel moeite achteruit, ernaartoe. Ik mag niet uitstappen.
Het door hem behaalde voordeel voor twee goede sarongs (merk Atlas uit Indonesië) wil hij niet aannemen, maar ik laat het bedrag in zijn auto vallen: 400 rial. Ik betaalde 1.600 rial. (Circa 24 gulden.)
Ik print de fax die ik gisteren op mijn laptop maakte en verstuur die via de fax van het postkantoor*(1) naar de Ambassade met het verzoek aan DK. om die door te sturen naar Jan Just Witkam.
Als ik om 11.30 uur naar huis ga vraagt Ḥusayn al-Ḥ. of hij me een van deze dagen (er is vakantie tot maandag) mag komen opzoeken. Omdat ik vrees dat hij vandaag al daad bij het woord zal voegen, luister ik na het zwemmen alleen nog maar luide Walkman-muziek, zodat ik een excuus heb waarom ik zijn geklop niet hoorde. Ik heb nog zoveel te doen. (Dagboek bijwerken, de database op een fout testen, het dagelijks verslag schrijven.) Ik wil niet gestoord worden.
Temperatuur vandaag: afgelopen nacht buiten circa 19°C buiten en 27°C binnen.
Circa 13.00 uur buiten 35°C, ook in de schaduw!
Circa 16.00 uur: zon en schaduw: 30°C.
Circa 17.20: onder het afdakje [bij mijn kamer] 28,1°C, rest 26,3°C. De zon is al bijna onder.
Nu 17.25 uur. Het wordt nu snel donker.
Goede Vegas en Underworld Techno-muziek op de Walkman [mini radio-cassetterecorder].
Ik moet naar een fout in de database voor de Aḥgāf-bibliotheek zoeken. Als je meerdere sorteeracties hebt ondernomen, wordt op gegeven moment niet meer gesorteerd.
Vóór het diner lukt het me niet de oorzaak te vinden.
Diner: soep, een soort pasta met kip en een beetje (deze keer wel, gisteren niet) warme groente.
Na het diner ontdek ik op gegeven moment dat de tellers [database], die het adres in een array bepalen, na gebruik niet op nul gezet worden. Met een extra programmaregel is het probleem opgelost.
Bed rond 01.00 uur. Het is dan nog 20°C buiten.
De eerste drie weken van dit verblijf in Jemen hield ik op mijn laptopcomputer ook een verslag bij, waarin soms dingen staan die niet in mijn dagboek voorkomen.
Hier volgt een uittreksel daarvan.
Ik printte de fax, die ik gisteren maakte voor Nederland en verstuurde die vanuit het postkantoor naar de Nederlandse Ambassade in Ṣanaᶜā’ met het verzoek die door te sturen naar Nederland. Vanuit het postkantoor moest de fax tweemaal verstuurd worden om foutloos in Ṣanaᶜā’ aan te komen. Althans, dat mag ik hopen. De kosten waren beduidend minder dan een fax naar Nederland. Die kost per pagina 800 rial (verleden jaar) wat nu zo’n twaalf gulden zou zijn. Naar Ṣanaᶜā’ kosten twee pagina’s maar 70 rial, nog goedkoper dan een brief. (70 rial is ongeveer 1 gulden). Vanuit Ṣanaᶜā’ kan hopelijk wel foutloos gefaxed worden. Ik hoop dat DK. van de Nederlandse Ambassade enige medewerking wil verlenen.
Ik ontmoette Ḥassan al-A., een collega van Abd al-Raḥmān, onderweg naar de bibliotheek en hij reed me in zijn persoonlijk wrak naar de bibliotheek. Toen ik hem vertelde dat ik een sarong wilde kopen, (om in het hotel te dragen, dat is veel frisser dan een broek) zou hij me wel naar de winkel rijden, ongeveer dertig meter, die met veel moeite afgelegd moest worden en veel gesodemieter om iedereen aan de kant te krijgen, maar ik mocht niet uitstappen. Alleen gekken lopen hier.
Hij vertelde mij dat ik over de prijs zou moeten onderhandelen. Ik vroeg hem dat voor mij te doen. Dat deed hij met verve. Ik genoot ervan, hoewel ik bijna die sarong niet kreeg die ik wilde hebben. Uiteindelijk kreeg ik twee sarongs samen ruim 400 rial goedkoper. Het door hem behaalde voordeel wilde hij niet van mij aannemen, maar ik liet het in zijn auto vallen. Voor mij is dat een druppel op de gloeiende plaat, voor hem een half weekloon. Ik betaalde de marktkoopman 1.600 rial, ongeveer 24 gulden. Hij was erg tevreden.
De sarongs, koele kleding, draag ik alleen op mijn kamer en terras in het hotel. Niet daarbuiten. Ik ben geen Ḥaḍramī [inwoner van de Ḥaḍramaut], maar men heeft mij tot Moewallad gemaakt. Dat is een Ḥaḍramī van oorsprong (zijn roots liggen hier), maar die in den vreemde geboren is en die het Arabisch niet goed beheerst. Daar zijn er hier heel veel van. Studenten uit Maleisië, Singapore en Indonesië, die hier godsdienst studeren. Hun voorvaderen waren Ḥadārim [meervoud van Ḥaḍramī]. Die studenten moeten hier eerst Arabisch leren.
Na lang zoeken vond ik de oorzaak van de fout bij het sorteren in de database. Ik moest ervoor zorgen dat de sorteervolgordetellers op nul gezet worden als in het betreffende veld de sorteerfunctie wordt uitgeschakeld. Snap je? (??)
Ik voegde ook nog een extra veld toe bij de auteurs voor de šoehra.*(2)
Postkantoor. Ik vermeld het nergens in mijn dagboek maar Tarīm heeft dit jaar een postkantoor. Verleden jaar moest ik, om een fax te versturen, naar Say’ūn reizen, of die aan iemand meegeven die in die plaats woonde.
Šoehra. (ﺍﻟﺸﻬﺮﺓ) De šoehra is een onderdeel van het complexe persoonsnamen-systeem van de Arabische eigennamen. Zie voor een uitleg daarvan Wikipedia. De term šoehra wordt in dit Wikipedia-artikel niet genoemd, maar is dat deel van een naam van de persoon waarmee hij / zij algemeen bekend, of beroemd is.
Een beroemde Tunesische zangeres Ṣalīḥa (1914-1958 :ﺻﻠﻴﺤﺔ) kreeg een Tunesische / Algerijnse navolgster (1943-2005), die ook de naam Ṣalīḥa adopteerde, maar het publiek noemde haar Ṣalīḥa(t) al-ṣaġīra (ﺻﻠﻴﺤﺔ ﺍﻟﺻﻐﻴﺮﺓ): de kleine / de jonge Ṣalīḥa. Zij was dus bekend met de extra toevoeging al-ṣaġīra, dat was haar šoehra.
De Tunesische ṢalīḥaWikipedia (Frans). YouTube.
De Tunesische / Algerijnse Ṣalīḥa(t) al-ṣaġīraYouTube.
Transcriptie van de klinkers in Arabische woorden.
A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.
Klik hier voor het overzicht van de transcriptie in Arabische woorden.
De auteur dezes kan niet garanderen dat alle links naar externe websites (dus die van derde partijen) altijd zullen blijven bestaan. Foto’s in Google Maps, bijvoorbeeld, kunnen verdwijnen wanneer de eigenaar ze weghaalt. Ook aan andere links kan een einde komen, of kunnen in ongebruik raken. Wanneer u een niet werkende link constateert kunt u dat melden in het reactieveld. Bij voorbaat dank.
Het Gaṣr al-Goebba-hotel te Tarīm. Mijn ‘residentie’ in het voorjaar van 1996 en ook dit jaar, 1997.
Het Tarīm-project 1997
1997 – 2017: twintig jaar geleden
Tarīm: Hadramaut, Jemen
Dagboek 1997
(Dag 9432) Ik ben in de Ḥaḍramaut (Zuid-Jemen) in de plaats Tarīm. De komende weken zal ik daar logeren in het Gaṣr al-Goebba-hotel (Koepelpaleis-hotel) en er werken in de al-Aḥgāf-bibliotheek voor handschriften. – Ik heb veel contant geld bij me. Waar ik verleden jaar, met een nog veel groter bedrag aan baar geld, daar zorgeloos verbleef, ben ik vandaag uiterst bezorgd over mijn veiligheid. – Mijn verslag, op mijn laptop geschreven, bevat meer (achtergrond)informatie dan mijn dagboekverslag. – De munteenheid in Jemen is de Rial (YER). (1 rial = f. 0,015 (anderhalve cent), dus 100 rial = f. 1,50.)
Dinsdag, 25 november 1997.
Tariem: 7/41.
Op 7.00 uur. Koffie. Douche.
Goed geslapen.
Ontbijt van het hotel.
Dagboek bijwerken tot circa 10.00 uur.
Temperatuur binnen / buiten: 31°C.
Met Abd al-Raḥmān [directeur van al-Aḥgāf-bibliotheek] besprak ik het te volgen programma. (Het spreekt me niet aan dat ik instructie in boekbinden moet geven. Gelukkig komt er iemand uit Ṣanaᶜā’ die van wanten weet en die Arabisch en Engels spreekt.)
Ik werkte van circa 10.00 tot circa 23.00 uur in / aan de bibliotheek, slechts onderbroken door enkele korte pauzes. Verslagen maken en een fax-bericht voorbereiden.
Ik at in het restaurant van het hotel en werkte door.
Bed circa 00.00 uur. Ongeveer 20°C om 00.30 uur.
Ik voel me een stuk beter nu ik veel minder geld heb, maar weten potentiële bandieten dat wel?
De eerste drie weken van dit verblijf in Jemen hield ik op mijn laptopcomputer ook een verslag bij, waarin soms dingen staan die niet in mijn dagboek voorkomen.
Hier volgt een uittreksel daarvan.
Ik sliep als een blok.
De begroeting in de Aḥgāf-bibliotheek is hartelijk. Het lukt me zowaar om met Abd Allāh A. enkele woorden te wisselen, hoewel hij, als ik hem niet goed begrijp, geen andere woorden gaat gebruiken, maar harder begint te praten, alsof ik doof ben. Husayn al-K. is ook blij met mijn bezoek. Ik heb het gevoel niet weg te zijn geweest, hoewel er bijna anderhalf jaar zit tussen beide keren dat ik hier was. (Thuis, in Nederland, had ik al vaak het gevoel alsof ik door de deur uit te stappen en een hoekje om te lopen, al weer buiten het Gaṣr al-Goebba-hotel stond en de stoffige weg, met links en rechts de lemen muren, naar de Aḥgāf-bibliotheek voor mij lag).
Ik vroeg Abd al-Raḥmān naar de gezondheid van zijn vrouw. (Veel mannen reageren ongemakkelijk en lacherig als je naar (de gezondheid van) hun echtgenote informeert. Het is hier not done om over de echtgenote te spreken. Daar trek ik me niets van aan. Ook zij heeft recht op mijn belangstelling, vind ik. Abd al-Raḥmān, die al in Nederland is geweest, weet waarschijnlijk beter en reageert normaal.)
Gisteren zei hij dat hij mij niet naar Tarīm kon begeleiden omdat hij in de keuken nog vanalles moest doen. Ik veronderstelde toen, ten onrechte, dat hij zijn vrouw hielp met het huishouden. Hij zei dat Jemenitische vrouwen de eigenaardigheid hebben dat als ze ziek zijn er de voorkeur aan geven terug te keren naar het huis van hun vader. Ook zijn kinderen waren met de moeder meegegaan, maar kwamen af en toe nog op bezoek. Vooral zijn zoon Hassan trok erg naar hem, maar zijn dochter Miriam bleef liever bij de moeder. Wie zorgde dan nu voor Abd al-Raḥmān? De vrouw van zijn broer, die zelf al jaren in Canada woont en daar een bestaan probeert op te bouwen. Zijn vrouw zou hij dan later over laten komen.
Na enig zoeken vind ik een vertrouwd iemand die bereid is het grootste deel van het geldbedrag tegen ondertekening van een ontvangstbewijs over te nemen en op te bergen in een kluis.
Ik voel me meteen een stuk veiliger, maar is dat wel terecht? (De persoon in kwestie, niet meer, vertelde hij me later). Eventuele bandieten weten niet dat ik het geld niet meer heb. Ik kan moeilijk een groot spandoek op het hotel hangen met de mededeling dat Mister Hanis (zoals ik hier heet) geen geld meer heeft en dat hij, als hij wil wisselen eerst iemand anders moet verzoeken hem een bedrag te verstrekken.
Er zijn in dit dorp toch een heleboel mensen die weten dat ik verleden jaar veel geld bij mij had. Niet in de laatste plaats de geldwisselaars, die soms twee keer per week grote bedragen van mij ontvingen. Ook anderen hebben mij zien lopen met de enorme pakken Jemenitische rials in grote doorzichtige plastic zakken. (Toen 125 rial voor 1 dollar, het grootste biljet was toen 200 rial. Nu 500 rial.) De mensen die het geld ontvingen wisten dat ik over veel geld moest beschikken. Hun personeel, die arme sloebers, ook, want die stonden er vaak met de neus bovenop als ik hun patroons betaalde. Ik was ook ruim met de fooien. Ik heb me er nooit zorgen over gemaakt, ik vertrouwde hier zelfs de duivel en die heeft mij dan ook nooit bedrogen. Drie maanden was ik hier, dat doe je niet met een paar honderd gulden.
Allen zullen veronderstellen dat er weer veel geld is, nu ik hier voor de tweede keer ben.
Temperatuur binnen: 27,1°C, buiten: 22,1°C. Overdag was het lang niet zo heet als verleden voorjaar, maar toch nog altijd zo’n 32°C. Misschien was het verleden jaar wel veel warmer dan de door mij veronderstelde 40°C.
Abd al-Raḥmān en ik bespraken vandaag de streefdoelen van deze fase, zoals vastgelegd in mijn document ‘Doelstelling van de tweede fase.’
Er komt binnen anderhalve week, op kosten van het project, een ervaren boekbinder uit Ṣanaᶜā’ die zowel Engels en Arabisch spreekt en die samen met mij de instructie van het binden van boeken volgens westerse standaard zal uitvoeren.
Totdat die man hier is zal ik, samen met Ḥusayn al-Ḥ., het gebruik van de database aan het personeel uitleggen en in de praktijk brengen. Voor [collega] Tawfīq geldt dan dat hij moet uitleggen hoe de camera’s werken en hoe men op verantwoorde wijze goede foto’s kan maken. Daarna zullen we werken aan het catalogiseren van de handschriften. Door intensief onderzoek van alle handschriften zijn er sinds mijn vertrek, verleden jaar, een enorm aantal teksten gevonden die nu niet in de fihrist [catalogus] voorkomen. Die zal ik proberen allemaal aan de database toe te voegen.
De computers doen het nog allemaal. De nieuwe computer (die ik 1996 in Ṣanaᶜā’ kocht) wordt intensief gebruikt door Husayn al-H. die een opleiding in moderne technologieën in Kiev, Oekraïne, genoten heeft. Hij heeft behoefte aan een krachtigere wordprocessor. Ik zal op 26 november Windows 95 en Word 97 op de nieuwe computer installeren. Spoedig zullen we het geheugen van die computer ook moeten uitbreiden. (Zie hier beneden).
Abd al-Raḥmān en het personeel achten het geboden alternatief voor microfilms*, namelijk gewone camera’s en gewone kleinbeeldfilms, onwerkbaar. Als iemand een kopie wil hebben van een beetje handschrift zijn er een enorm aantal films nodig, omdat iedere film maar 36 pagina’s kan bevatten. Daarnaast is het, na dure ontwikkeling, niet goed mogelijk om te bepalen of de foto’s scherp zijn of niet. Het laten afdrukken van de foto’s kan de bibliotheek niet betalen. Er is geen mogelijkheid om de negatieven te controleren of te projecteren.
Onlangs kwam een Tarīmī in de bibliotheek met een digitale camera en hij maakte zonder veel poespas een mooie kopie van een foto op de laserprinter. Een digitale camera is via relaties in Dubai gemakkelijk aan te schaffen. We overwegen dat nu te doen. Digitaliseren van de collectie ligt nu binnen handbereik. Daar is ook de Nederlandse ambassadeur in Ṣanaᶜā’ een voorstander van. Een camera is te preferen boven een flatbed scanner wegens de breekbare ruggen van de handschriften. Voor gebrek aan adequate kennis hoeven we niet bang te zijn. In Tarīm zijn een heleboel mensen die het laatste jaar een computer hebben aangeschaft en er zijn er veel die over voldoende kennis beschikken van soft- en hardware.
Het probleem is dat het werkgeheugen van de computer en het vrije geheugen op de harde schijf te gering is. We overwegen nu het werkgeheugen uit te breiden tot 16 of 24 MB. Er is geen andere oplossing voor het geheugenprobleem van de harde schijf dan de aanschaf van een CD-ROM-lezer en schrijver. Naar de prijzen van deze spullen zal in Dubai geïnformeerd worden.
We zullen een geluidsarme generator van 3 KW aanschaffen, in overleg met de moskee.
Er wordt nu een nieuwe ingang gemaakt voor de bibliotheek. Het moskeebestuur protesteerde tegen de vele ‘schaamteloos‘ geklede toeristes, die hun klim naar de bibliotheek moeten maken vanaf de deur naar de moskee. De mannen raken er te opgewonden van. Een gedeelte van de kosten komt tijdelijk voor rekening van het project, omdat de metselaar al bezig is, maar de regering nog niet over de brug is gekomen. Dat zal nog enige tijd duren.
De kosten voor de ruimte voor de gewapende nachtwaker komt voor rekening van het project. Abd al-Raḥmān wil de nachtwaker niet in de bibliotheek hebben omdat die man niet zal stoppen met roken en er ook niet van zal afzien eten en drinken in de bibliotheek te gebruiken. Goede nachtwakers liggen niet voor het oprapen en men moet genoegen nemen met het exemplaar dat men nu al aangenomen heeft. [Tot zover een gedeelte uit mijn fax-bericht naar Nederland.]
Microfilms. Het vervaardigen van microfilms is vooral een wens uit de hoek van de bibliotheekpartners in Nederland. Er is in Tarīm geen goede werkomstandigheid om iets dergelijks te verwezenlijken, blijkt uit de tekst hierboven. Overigens is al 70% van de handschriften (manuscripten) ge-microfilmd. Zie 3 mei 1996.
Transcriptie van de klinkers in Arabische woorden.
A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.
Klik hier voor het overzicht van de transcriptie in Arabische woorden.
De auteur dezes kan niet garanderen dat alle links naar externe websites (dus die van derde partijen) altijd zullen blijven bestaan. Foto’s in Google Maps, bijvoorbeeld, kunnen verdwijnen wanneer de eigenaar ze weghaalt. Ook aan andere links kan een einde komen, of kunnen in ongebruik raken. Wanneer u een niet werkende link constateert kunt u dat melden in het reactieveld. Bij voorbaat dank.
Dit is een foto die ik vanuit het vliegtuig nam vanuit Ṣanaᶜā’ op weg naar de luchthaven van Say’ūn. Te zien is het dendritisch drainagepatroon*(1) van het landschap van de zogenoemde Yool.*(2) De Yool is de bovenkant van de heuvels die zo kenmerkend zijn voor de Ḥaḍramaut.
Het Tarīm-project 1997
1997 – 2017: twintig jaar geleden
Tarīm: Hadramaut, Jemen
Dagboek 1997
(Dag 9431) Ik ben in Sana’a, de hoofdstad van Jemen en ik logeer in het Gasmi-hotel. – In Leiden, mijn woonplaats, in het uitgaanscircuit zag ik een paar keer een mooie jonge vrouw, wier naam ik niet weet en daarom ‘Ennefea’ heb genoemd. Ik denk deze nacht een tijdje aan haar. – Vandaag ga ik per vliegtuig naar Say’ūn in de Ḥaḍramaut (Zuid-Jemen) en vandaar naar mijn bestemming Tarīm. De komende weken zal ik daar logeren in het Gaṣr al-Goebba-hotel (Koepelpaleis-hotel) en er werken in de al-Aḥgāf-bibliotheek voor handschriften. – Ik heb veel contant geld bij me. Waar ik verleden jaar, met een nog veel groter bedrag aan baar geld, daar zorgeloos verbleef, ben ik vandaag uiterst bezorgd over mijn veiligheid. – Mijn verslag, op mijn laptop geschreven, bevat meer (achtergrond)informatie dan mijn dagboekverslag. – De munteenheid in Jemen is de Rial (YER). (1 rial = f. 0,015 (anderhalve cent), dus 100 rial = f. 1,50.)
Maandag, 24 november 1997.
Sana’a – Say’oen – Tariem: 6/42.
Ik sliep weer slecht. Ik fantaseerde weer over Ennefea.
Op 5.45 uur. Met de grootste moeite sleepte ik mijn zware nieuwe koffer met computerboeken en UPS (voor de spanningsverzorging van een computer, na uitval van het net) van de vijfde verdieping naar beneden.
De taxichauffeur komt met zijn vehikel*(3) om 7.00 uur.
Ik betaalde 15 US$ aan Ǧasm, de Irakees van het hotel, waarvan de taxichauffeur 10 US$ krijgt.
Eerst haalt hij op het plein achter / binnen de Baab al-Yemen koffie (boenn) in een conservenpotje. (Hij spreekt alleen maar Arabisch.)
Naast taxichauffeur is hij ook ‘kunstenaar’. Hij maakt prullaria, zoals hij mij laat zien. Hij vertelt ongehuwd te zijn, want een vrouw kost 400.000 rial. (3.000 US$ = 6.000 gulden.) Een nicht [als vrouw] is niet goed, zegt hij. Ik vergeet te vragen waarom een nicht niet deugt.
Het passeren van de security van de luchthaven is een fluitje van een cent, in tegenstelling met andere keren, toen het erg arbeidsintensief was.
Ik moet 67 US$ overgewicht betalen voor de 20 kg. (In Amsterdam 420 US$ voor 15 kg!)
In de wachthal zit een sexy / knappe jongeman. Ik meen hem ergens van te kennen. Hij ziet er goed verzorgd uit.
We vliegen in vijftig minuten naar Say’ūn. Ik zit naast / tussen dokters uit de Elzas, die naar al-Mukalla moeten voor een klein medisch congres.
Voordat we vertrekken zie ik dat alleen mijn koffers nog op de grond staan. Ik spreek de purser erover aan en hij stuurt iemand die mij vraagt mee naar buiten te komen. Dan worden mijn koffers ingeladen. Ik vroeg of ik voor die diensten moest betalen, maar die wees dat af. Toch stopte de bus, die ons als passagiers naar het vliegtuig had gebracht bij de laders en niet aan de andere zijde, bij de trap naar het vliegtuig. Er bleek naast mijn koffer ook nog een aantal rugzakken te liggen, waarvan de eigenaar onbekend was. (Alsof de laders de eigenaar moeten kennen.) Uiteindelijk kwam alles in Say’ūn aan.
Ik maakte een tiental dia’s van de Djool [Yool] van boven. Op sommige plaatsen leek het zand zo dichtbij dat het net was alsof je zou kunnen uitstappen en een stukje meelopen.
In Say’ūn duurde het even voordat ik mijn bagage ontving. Ondertussen was Abd al-Raḥmān al binnengekomen. De ontvangst was vriendelijk en aardig. Hij was niet veranderd.
Later stond ook Ḥaimid B. naast me. Hij had op het terras gestaan en had me zien lopen. Ik was als laatste uitgestapt.
Abd al-Raḥmān had hem deze ochtend geprobeerd te bereiken, maar hij was niet thuis. Nu maak ik gebruik van de diensten van een andere chauffeur: Aḥmad MB. Die na veel vijven en zessen ’s avonds uiteindelijk 4.000 rial voor zijn diensten durft te vragen.
Ik had hem via Abd al-Raḥmān gezegd dat hij het bedrag moest noemen als ik hem zou vragen hoe hoog de kosten zijn en dat hij niet moest zeggen: “Jij weet wel wat mijn diensten waard zijn.” (Ik weet het niet.)
Ik bleef een tijdje op het kantoor van Abd al-Raḥmān [Museum Say’ūn] en probeerde hem de database uit te leggen.
Om met mij te kletsen stuurde hij iemand die alleen maar Arabisch sprak. Goed van hem, snel leerde ik bij wat ik vergeten was. (Of dat allemaal grammaticaal correct was, weet ik niet.)
Toen we [in het gesprek] bij echtgenotes uitkwamen vroeg ik hem naar zijn kinderen. Hij had er drie, twee meisjes en een jongen. De oudste, een meisje, heet Fayrūz.
Hij hield van de vrouwen van Ṣanaᶜā’.
Ik vroeg hem of hij van zijn vrouw hield en zij van hem. Hij antwoordde niet rechtstreeks, maar zei dat het nu, na zeven jaar huwelijk, wel ging tussen hen beiden.
Abd al-Raḥmān en een hulpje moeten het slot van een ruimte openbreken om bij mijn kist met ‘nagelaten’ spullen (uit 1996) te komen. De sleutel [van de ruimte] is bij Muḥammad al-H. en die is in al-Šiḥr [al-Shihr], een paar honderd kilometer van hier.
Daarna gaan we naar het huis van Abd al-Raḥmān, waar ook Ḥussain al-A. is, de receptionist van het Gaṣr al-Goebba-hotel. [in Tarīm: 1996.] Ik zag hem hedenochtend ook al op de luchthaven. Hij woont en werkt nu bij het Salama-hotel in Say’ūn, waar hij hetzelfde verdient, maar omdat het hotel van de staat is, heeft hij meer rechten dan in het in privébezit zijnde Gaṣr al-Goebba. Bovendien heeft hij nu recht op pensioen.
Ook hij spreekt alleen maar Arabisch.
Ik maak op dat hij nu een vier maanden oude baby heeft, zijn derde kind. Zijn vrouw is nog steeds onderwijzeres, maar leert nu zelf ook nog voor een diploma. (Hoe en wat, weet ik niet.)
In de afgelopen tijd overleed zijn vader, die ik eens in zijn huis ontmoette. Ḥussain doet er niet moeilijk over: het was zijn tijd.
Evenals verleden jaar is het eten bij Abd al-Raḥmān niet lekker (bij Ḥussain thuis wel), de vrouw van Abd al-Raḥmān kan er nog steeds niets van, van koken. (Op dinsdag hoor ik dat zijn vrouw (tijdelijk) niet meer bij hem woont en dat nu de vrouw van zijn broer, die in Canada woont, voor hem zorgt.)
Aḥmad MB. brengt me voor 4.000 rial naar Tarīm. In het hotel word ik allerhartelijkst ontvangen, want er zijn, hoewel veel nieuw personeel, toch nog enkele oude bekenden.
Het hotel is helemaal opgeknapt. (En zal dus duurder zijn, maar ik weet niet hoeveel mijn kamer kost, nog niet eens op 26-11-97.) Het is geschilderd. Nieuwe bedden en gordijnen, nieuwe vloerbedekking, mooi, nieuw mannelijk personeel, allemaal ongeveer hetzelfde gekleed. Verleden jaar liep iedereen erbij zoals hij wilde, ongewassen en in smerige kleren, waarin men ook sliep. Nu zijn er een paar schone en sexy jongens, met wie ik wel eens zou willen ‘spelen’, ondanks mijn verliefdheid op Ennefea.
’s Avonds herinnerde ik me de berichten die ik van collega’s van Abd al-Raḥmān hoorde. Mensen worden op klaarlichte dag op straat (in de steden) overvallen en gedwongen hun geld af te geven, aan gewapende bandieten, die ook al iemand doodschoten. Op last van Abd al-Raḥmān is het Museum [Say’ūn] gesloten, omdat de meest waardevolle stukken op onverklaarbare wijze gestolen werden.
Abd al-Raḥmān verstopte de waardevolle manuscripten [handschriften] van de al-Aḥgāf-bibliotheek tussen de andere. Hij toont alleen foto’s. Hij vreest dat gewapende soldaten de bibliotheek gewapenderhand van die stukken zal ontdoen om ze voor veel geld te verkopen.
De bibliotheek krijgt een bewaker, een ongewapende. (Maar in mijn verslag en fax naar Nederland op 26 november schreef ik bewust: een gewapende bewaker om de dramatische van het geheel te verhogen en de ernst van de situatie hier te benadrukken.) Wat moet een ongewapende bewaker tegen bewapende soldaten? (Wat moet een bewapende bewaker tegen soldaten?)
Met een nog veel groter geldbedrag sliep ik hier verleden jaar 89 van de 90 nachten zonder angst. (Slechts eenmaal, toen Ḥussain al-A. zei dat ik hier al zeven maanden was, kregen Ali Baba’s (noorderlingen) belangstelling voor mijn geld.) Ik sliep de laatste weken zonder angst buiten.
Nu bekruipt me grote angst en ik wil van het geld af. Ik sluit me op in mijn kamer, alsof me dat zou helpen, achter deze bordkartonnen deuren, die niet of nauwelijks gesloten kunnen worden.
Op mijn kamer is het 28°C. Ik schakel de airco niet aan, want die maakt zoveel lawaai dat ik daar niet van slapen kan.
Bed 00.30 uur.
De eerste drie weken van dit verblijf in Jemen hield ik op mijn laptopcomputer ook een verslag bij, waarin soms dingen staan die niet in mijn dagboek voorkomen.
Hier volgt een uittreksel daarvan.
Steekpenningen?
Toen ik al lang en breed aan boord zat [vliegtuig] zag ik dat alle bagage ingeladen was behalve die van mij. Omdat ik me herinnerde de Abd ar-Raḥmān verleden jaar steekpenningen / fooi betaalde aan de laders, vroeg ik aan de purser of dat nu ook van mij verlangd werd. Ik werd naar buiten geleid en moest mijn bagage aanwijzen (er bleken nog enkele rugzakken te liggen). Alles werd netjes ingeladen. De purser en ander personeel ontkenden dat ik moest ‘schuiven’ dus deed ik het ook niet. (Maar dat iets dergelijks toch de bedoeling was bleek uit het feit dat de bus die de passagiers van de terminal naar het vliegtuig bracht niet bij de vliegtuigtrap stopte maar naar de andere kant van de machine reed waar de laders stonden te wachten op de betalende passagiers. Ik bedacht toen al dat Nico en ik verleden keer daar helemaal niet bij stilgestaan hadden en onze bagage toch aangekomen was). Uiteindelijk kwam alle bagage, ook de losliggende rugzakken, in Say’ūn aan.
Vijftig minuten deed de Boeing 737 erover om van Ṣanaᶜā’ naar Say’ūn te vliegen. Ik maakte een tiental dia’s van het landschap onder mij, voornamelijk van de Yool en de omgeving van Say’ūn. Op sommige plaatsen leek het zand zo dichtbij dat ik dacht dat ik kon uitstappen en een stukje erin lopen. Het was alsof je in de benedenverdieping van een dubbeldekstrein zat.
In Say’ūn duurde het even voordat ik de bagage had. Ondertussen was Abd al-Raḥmān, de directeur van de al-Aḥgāf-bibliotheek in Tarīm, al binnengekomen. Hij was niet veranderd, niet in uiterlijk en niet in gedrag. Nog altijd even vriendelijk en aardig.
Evenals in Nederland maakte men ook hier veel opmerkingen over mijn gemillimeterde haar. Dat is hier dus kennelijk even ongewoon als in Nederland.
Even later stond ook Ḥaimid B. naast me. Hij had boven op het terras gestaan en had me uit het vliegtuig zien komen, zo vertelde hij tegen Abd al-Raḥmān. Ik stond erbij en luisterde ernaar. Ik was als laatste uit het vliegtuig gekomen en het was dus niet moeilijk voor hem om mij waar te nemen.
Abd al-Raḥmān had hem deze ochtend geprobeerd te bereiken, maar hij was niet thuis. Nu was er een andere chauffeur: Aḥmad MB. Wat mij betreft ga ik deze fase [van het project] in zee met deze Aḥmad. Hij beschikt niet alleen over een veel betere auto, een Landcruiser (maar geen Layla Alwi*(4), omdat dat een nieuwer en sterker model is), maar is ook veel rustiger en rijdt erg bedachtzaam, want hij wil zijn dure auto natuurlijk niet in de prak rijden. Ik kan hem echter niet altijd verstaan, niettemin doet hij zijn best om zich verstaanbaar te maken.
Ik beschouwde Ḥaimid B. toch al als een klein probleem. Hij eiste voor een taxirit van Say’ūn naar Tarīm 1.500 rial, terwijl het normale tarief 800 rial is. Ik vroeg mij af hoe ik verlost kon worden van deze Ḥaimid. Dat is dus nu opgelost. Hij had het nakijken en keek dan ook teleurgesteld.
Abd al-Raḥmān stuurde Sālim naar mij toe die alleen maar Arabisch spreekt, om met mij te kletsen. Wat goed van hem. Snel leerde ik weer veel woorden die ik vergeten was. Toen de man de vrouwen van Ṣanaᶜā’ prees, vroeg ik hem expliciet of hij van zijn vrouw hield en zij van hem. Hij deed een beetje moeilijk daarover, maar ze waren nu zeven jaar bij elkaar en ze begonnen wel aan elkaar te wennen. Daar betaal je dan als man een bijna niet op te brengen bedrag voor, om na zeven jaar tot de conclusie te komen dat je inmiddels wel aan elkaar begint te wennen.
Maar het kan ook anders. Sālim T., die als receptionist bij het Gaṣr al-Goebba-hotel in Tarīm werkt, vertelde me de vorige keer (1996) dat hij misschien bij een oliemaatschappij een baantje zou kunnen krijgen. Daar werd veel betaald. Hij rekende zich binnen vijf jaar miljonair (in Jemeni rials). Toen ik hem daarop zei dat hij dan genoeg geld had om een tweede vrouw te nemen, riep hij verontwaardigd: “Ik wil geen tweede vrouw, ik hou van mijn vrouw!” Hij had haar op school ontmoet, want hij is leraar Engels. (Het baantje bij de oliemaatschappij is niet doorgegaan, vertelt hij me desgevraagd enkele dagen later. Daarvoor had hij een kruiwagen nodig. Die had hij niet).
De Sālim van vanochtend had drie kinderen bij de vrouw waar hij niet van hield, twee meisjes en een jongen. Het oudste kind, een meisje heet Fayrūz, naar die Libanese zangeres*(5), die hij zeer bewonderde.
Ook hier [Tarīm] zijn de vrouwen duur, maar niet zo duur als in Ṣanaᶜā’, bleek mij.
Een jongeman, Abd Allāh, die in Bulgarije architectuur gestudeerd had wist het klappen van de zweep in Europa, nietemin kon hij voorlopig nog niet trouwen omdat hij nog geen geld genoeg had om de mahr, de bruidsprijs, te betalen voor een vrouw van de ‘Alawī, zijn familieclan, waartoe ook Abd al-Raḥmān blijkt te behoren. Sāda [Sayyid’s]*(6) dus.
Rond kwart over vier brengt de bedachtzaam rijdende Aḥmad MB. mij naar Tarīm. Ik voel het als een soort thuiskomst.
De ontvangst in het hotel is allerhartelijkst, hoewel er veel nieuwe mensen werken, maar die zijn ook allemaal vriendelijk, zoals alle Arabieren. Sālim, de leraar Engels, is er nog en de bawwāb [poortwachter], wiens naam ik niet meer weet. De directeur is er nog … al-Kāff. Hij stelt mij voor aan de eigenaar. Ook een al-Kāff. Van hem zie ik later een foto in de gang hangen, waarop deze bij een theesessie op één na naast de president van Jemen zit.
Aan Abd al-Raḥmān had ik de opdracht gegeven tegen Aḥmad MB., de chauffeur die mij naar Tarīm zou brengen, te zeggen dat als ik vraag: “kam?” [hoeveel?] ik niet zoiets horen wil als: “Je weet wel wat mijn diensten waard zijn”. Dat weet ik niet. Ik wil het bedrag horen dat hij van mij wil ontvangen. Ik ben Nederlander en zo gaat dat bij ons. Dat heeft nogal wat voeten in de aarde, Aḥmad wordt er verlegen van, maar uiteindelijk blijkt dat hij voor zijn diensten aan toeristen 5.000 rial vraagt. Hij vraagt nu 4.000 rial, want hij wil graag in de toekomst ook aan mij zijn diensten aanbieden. Ik wil wel van zijn diensten gebruik maken.
In het hotel pak ik de spullen uit de houten kist uit, die ik meenam uit Say’ūn. Er blijken nog ‘verrassingen’ in te zitten, zoals theedoeken, afwasmiddel en verlengsnoeren. Er is ook nog een echte gaslamp. Die gebruikten Nico en ik verleden jaar, maar nadat Nico vertrokken was kocht ik een elektrische lamp met twee TL-buizen en een ingebouwde accu. Die lamp doet het meteen als ik hem aanschakel. Na anderhalf jaar is de accu nog niet leeg.
In het restaurant van het hotel gebruik ik een ‘lichte’ maaltijd. Brood, gebakken ei en rauwe tomaat. Er zitten Nederlanders op het terras die uit een reisgids Arabisch leren. Ik maak geen contact. Ik ben nog niet lang genoeg hier om weer eens Nederlands te willen kletsen. Ik wil nu wel Arabisch praten, in tegenstelling met Ṣanaᶜā’, waar ik dat niet wilde.
Ik moest denken aan de berichten die ik vandaag hoorde over het gewelddadige klimaat hier in de Ḥaḍramaut. Overvallen op argeloze reizigers op klaarlichte dag, midden op straat in de steden, die gewapenderhand van al hun geld worden ontdaan. (Abd ar-Raḥmān vertelde op dinsdag 25 november van een dodelijk slachtoffer van zulk een overval.) Hoe groter de stilte rond het hotel, hoe onveiliger ik me voelde. Van de gemoedelijke rust die ik hier verleden jaar voelde was niets meer over. Ik zit hier in een hotel met groot geldbedrag in contanten in een kunststoffen koffer, met een simpel nummerslot, in een kamer waarvan het slot niet naar behoren werkt. De twee achterdeuren zijn voorzien van twee simpele schuifjes, als vergrendeling. Die achterdeuren zelf zijn nog net niet van bordkarton.
Het bedrag is groot genoeg om de directeur van de bibliotheek meer dan negen en een half jaar maandelijks van zijn reguliere salaris te voorzien. Een medewerker van het hotel kan ik met dit bedrag zelfs bijna zesentwintig jaar zijn maandelijkse salaris uitbetalen, vooropgesteld dat ik geen rente ontvang, hij geen loonsverhoging krijgt en de koers van de dollar op 132 rial blijft staan.
Verleden jaar sliep ik zorgeloos buiten, met een nog veel groter bedrag (negenendertig jaar salaris voor een hotelmedewerker, vijftien jaar voor de directeur,) in mijn koffer in dezelfde kamer met hetzelfde slechte slot, zonder me ook maar een moment onveilig te voelen. Ik wilde dit jaar weer buiten slapen, maar dat durfde ik plotseling niet meer. Ik sloot mij op (zover daar sprake van kon zijn in dit kaartenhuis) in mijn kamer. De gordijnen stijf dicht. Ik kroop snel onder de klamboe, als extra beveiliging, tegen de zwaar bewapende muggen.
Buiten slapen zou geen succes zijn geweest. De temperatuur zakte deze nacht tot 18°C, zo bleek dinsdag. Niet echt koud, maar toch ook niet erg aangenaam. Maar ook niet erg aangenaam was de temperatuur in mijn kamer. Ongeveer 28°C. De airco gebruik ik niet want die maakt een hels kabaal. Dan lig ik wakker van het lawaai.
Een dendritisch drainagepatroon ontstaat wanneer waterstromen in de bodem minder of meer diepe geulen uitslijten: erosie. Daar waar die stroompjes samenvloeien ontstaan bredere geulen. Uiteindelijk zullen veel in een gezamenlijke bedding terecht komen. De structuur van al die stroompjes samen lijkt op de takken van een boom of struik. Dat heet dan dendritisch en dat woord stamt uit het Grieks. Wikipedia.
al-Yool. (ﺍﻟﺟﻮﻝ) De Yool is de naam van de bovenkant van de heuvels die over de hele Ḥaḍramaut verspreidt liggen. Het patroon van deze bovenkant is het hierboven besproken dendritisch drainagepatroon.
Wanneer het op de Yool regent ontstaat een dramatische situatie in de dalen, zoals hier te zien is in Wādī Doeᶜan in een (schokkerige, maar vooral schokkende amateur-) video op YouTube. Duidelijk is de vernietigende kracht van het water te zien en de schade die het aanricht in dit dal van de Ḥaḍramaut. Er zijn huizen van golfplaten die volledig ondergelopen zijn, maar in deze regio zijn heel veel huizen gebouwd van in de zon gebakken lemen tichels: (Mud brick). Die constructies kunnen zo’n zware regenbui nauwelijks aan en veel huizen storten er dan ook (gedeeltelijk) in. Wat een drama! Bovendien zijn die kleine dorpsgemeenschappen vaak op zichzelf aangewezen. Burenhulp is ontzettend belangrijk.
Layla Alwi. Laila Alwi, de naar dikke, zeer populaire, Egyptische actrice vernoemde (door het volk, niet officieel) four-wheel drive van elk Japans merk.
Fayrūz / Fayroez (ﻓﻴﺮﻭﺯ). Fayroez is niet alleen in Libanon, of in de Arabische wereld bekend. Zij treed op in alle grote zalen in de wereld. Wikipedia: Fayruz.
Sayyid (meerv., meer dan twee: sāda). Een sayyid behoort tot de elite binnen een islamitische gemeenschap, want is een rechtstreekse afstammeling van de profeet Muhammad, via zijn dochter Fatima. Sayyids trouwen alleen onder elkaar. Zo verwatert de (vermeende) bloedverwantschap niet.
Transcriptie van de klinkers in Arabische woorden.
A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.
Klik hier voor het overzicht van de transcriptie in Arabische woorden.
De auteur dezes kan niet garanderen dat alle links naar externe websites (dus die van derde partijen) altijd zullen blijven bestaan. Foto’s in Google Maps, bijvoorbeeld, kunnen verdwijnen wanneer de eigenaar ze weghaalt. Ook aan andere links kan een einde komen, of kunnen in ongebruik raken. Wanneer u een niet werkende link constateert kunt u dat melden in het reactieveld. Bij voorbaat dank.
Huis in de oude stad van Sana’a, de hoofdstad van Jemen.
Het Tarīm-project 1997
1997 – 2017: twintig jaar geleden
Tarīm: Hadramaut, Jemen
Dagboek 1997
(Dag 9430) Ik ben in Sana’a, de hoofdstad van Jemen en ik logeer in het Gasmi-hotel. – Ik maak ’s nachts en in de ochtend geluidsopnames vanuit mijn hotelkamer. – In Leiden, mijn woonplaats, ga ik op vrijdagavond altijd dansen in het Leids Vrijetijdscentrum (LVC). Daar zag ik een paar keer een mooie jonge vrouw, wier naam ik niet weet en daarom ‘Ennefea’ heb genoemd. Ik denk deze nacht een tijdje aan haar. – Mijn verslag, op mijn laptop geschreven, bevat meer (achtergrond)informatie dan mijn dagboekverslag. – De munteenheid in Jemen is de Rial (YER). (1 rial = f. 0,015 (anderhalve cent), dus 100 rial = f. 1,50.)
Zondag, 23 november 1997.
Sana’a: 5/43.
Ik lig lang wakker en dagdroom over Ennefea.
Om 4.00 uur start ik met het maken van een geluidsopname ’s nachts tot 05.30 uur. Er zit één mooie gebedsoproep bij van een moe’azzin met licht trillende stem.
Ik ‘verdenk’ één moskee ervan gebruik te maken van een bandopname, want zowel de lofprijzingen als de gebedsoproep is identiek met gisterennacht en ook verleden jaar.
Op circa 8.00 uur, weer moe.
Nu pas begint langzaam het gevoel te komen dat ik ‘in den vreemde’ ben.
Maar ook komt het gevoel dat ik er genoeg van heb, met name de hoofdstad begint me de keel uit te hangen, deze grote, krioelende mierenhoop, mensen die door het stof kruipen of er zelfs in slapen. Ik heb er genoeg van en ben blij dat ik nu naar de Ḥaḍramaut kan.
Wat moet ik hier in eigenlijk doen in de Ramaḍān, van 28 december tot 4 januari. Geluidsopnames maken? Ja!
Op zoek naar een geldwisselaar, dwaal ik een tijdje door de soek. Ik zie een zwart gesluierd meisje koket, vlot, zelfbewust bewegend door de straten lopen. Dus niet alleen maar onderdanigheid!
Ik wissel US-dollar 200 voor 26.400 YER. Tellen is niet nodig, het klopt altijd. Wat zou er niet allemaal gebeuren als je de geldwisselaar niet meer zou kunnen vertrouwen? Dan zou de economie instorten.
Het hotel kost 6.215 YER. Ik geef 6.500 YER.
Het Bilquis-restaurant van Taj Sheba kost circa 3.477 YER. Ik geef 3.700 YER en loop naar huis. [Hotel.]
Spullen inpakken en over twee koffers verdelen.
De database*(1) voor de Aḥgāf-bibliotheek sorteert niet altijd goed. Moet ik opnieuw controleren.
Nu 22.30 uur.
De eerste drie weken van dit verblijf in Jemen hield ik op mijn laptopcomputer ook een verslag bij, waarin soms dingen staan die niet in mijn dagboek voorkomen.
Hier volgt een uittreksel daarvan.
Geluidsopnames
Om kwart voor vier stond ik op en begon om vier uur met het maken van geluidsopnames van het godsdienstig ontwaken van Sana’a. Verleden jaar maakte ik over twee nachten verspreid een ongeveer twee uur durend geluidsdocument van Sana’a in het ochtendgloren, wanneer de moe’azzin wakker wordt en vindt dat de rest van de stad ook wakker moet worden.
Aan die geluidsopnames voegde ik vannacht anderhalf uur toe. Het lijkt erop dat er niet veel veranderd is vergeleken met verleden jaar. De moe’azzins van de diverse moskeeën prijzen om de beurt de grootsheid van God. Ze moeten allemaal (?) aan de beurt zijn geweest voordat rond 5.00 uur de gebedsoproep begint. Kennelijk niet helemaal bij de tijd riep één moe’azzin al even na vieren op voor het gebed. Hij had zeker nog last van ‘zomertijd’.
Ik verdenk één moskee ervan een cassettetape te gebruiken. Een evenwichtige lofprijzing zonder haperen of geluid van het rammelen van de microfoon. Ook de gebedsoproep gebeurt daar automatisch. Geen verschil met gisteren. In alle andere moskeeën roept de moe’azzin persoonlijk op. Vaak hoor je een kuchje voordat hij begint. Eentje maakte er een bewogen oproep van met een enigszins trillende stem.
Al dat vroege gedoe maakt dat ik een behoorlijk slaaptekort heb en ik zakte dan ook achter mijn computer, toen ik bezig was de database van Tarīm aan te passen, in slaap.
YouTube: de gebedsoproep (al-aḏān) in Ṣanaᶜā’ voor het ochtendgebed ṣalāt al-faǧr vanaf alle actieve moskeeën die de oude stad rijk is.
Vanmiddag belde ik met DK. [Nederlandse Ambassade] en verzocht haar een e-mail naar Jan Just Witkam te sturen met een mededeling voor [collega] Tawfīq.
Een reservering voor een ticket op 6 december naar Say’ūn ligt voor hem gereed op het kantoor van Yemenia in Hadda Street, onder nummer RG98C.
Ik reserveerde een kamer in het Taj Sheba-hotel voor hem voor 3 december aan de zwembadzijde van het hotel, zoals hij me gevraagd had. Ik laat hem mededelen dat een kamer 180 US$ kost.
Ik ontdekte dat de sorteerfunctie van de database in bepaalde situaties niet goed werkt. Daar moet ik in Tarīm eens goed naar kijken. Ik hoop dat ik daar, net als verleden jaar een stoel en een tafel ter beschikking heb (uit de bibliotheek). Als ik op de grond moet zitten werken, naar Arabische gewoonte, doe ik er niet veel aan. (Dan is de computer geen laptop maar een groundtop). Ik kan alleen maar aan een tafel werken.
De taxi’s van Sana’a en ook die van het Zuiden zijn een aparte beschrijving waard. Ik zat in taxi’s waarvan een van de achterwielen waarschijnlijk ovaal van vorm was want bij iedere omwenteling werd de auto iets omhoog geworpen. Dat hinderde de chauffeur niet om toch hard te rijden. Een andere taxi had kennelijk een los achterwiel, want de auto slingerde heen en weer. Ook deze chauffeur taalde niet om toch hard te scheuren. Ik zat in een taxi waar je door de vloer de straat kon zien. Ik zag een taxi waarvan, terwijl hij mij passeerde, iets losraakte en als gevolg daarvan vuur en vonken in het rond vlogen. Ik zat in een taxi die een botsing met ruim voor hem dwars op de weg staande andere auto alleen maar kon voorkomen door uit te wijken naar de andere weghelft, omdat zijn remmen het niet of nauwelijks deden. Gelukkig was er geen verkeer op de andere weghelft, hoewel dat misschien helemaal niet gevaarlijk zou zijn geweest. Die chauffeurs zouden dan ook een kunststukje hebben uitgehaald om ons te ontwijken.
De verlichting van de auto’s doet het over het algemeen niet, wat geen bezwaar is, want ook auto’s waarvan de verlichting wel in orde is (een wonder) rijden vaak zonder licht in het aardedonker. Verlichting komt hier in allerlei denkbare en ondenkbare combinaties voor.
Er zijn auto’s waarvan je zou denken dat die helemaal in orde zijn, omdat ze zo nieuw uitzien. Dat zijn de grote landcruisers waarvan er hier veel zijn en die worden gebruikt voor het transport van toeristen. Maar ik zag al vaak chauffeurs onder die auto’s liggen om met ijzeren staven en touwen alle gebroken delen weer aan elkaar te ‘knopen’.
Er is hier, volgens mij, geen enkel vervoermiddel in orde. De vliegtuigen voor binnenlands vervoer zien er behoorlijk verzorgd uit. Ik heb de piloten nog niet onder hun machines zien liggen, maar ik denk dat uiterlijke schijn, net zoals bij de landcruisers, bedriegt.
Van die machines moet ik toch gebruik maken. Ik heb geen keus. Anders moet ik met zo’n autowrak door de woestijn om in Tarīm te komen, waar onderweg ook nog het gevaar van kidnapping door ‘wilde’ nomadenstammen*(2) schuilt.
Ik vroeg de rekening van het hotel en ik moet 6.215 rial betalen. Ongeveer negentig gulden, inclusief die slechte lunchkip van gisteren.
Database en catalogus. Ik maakte in Nederland al een database van de catalogus van de Aḥgāf-bibliotheek in Tarīm. Die is nog niet helemaal af. Ik moet er nog enig werk aan verrichten.
Woestijn en ‘wilde’ nomadenstammen. Het gebeurt in Jemen geregeld dat toeristen gekidnapt worden, wanneer die en reis door de woestijn maken. Dit is een middel van de nomaden om de regering onder druk te zetten, om eisen ingewilligd te krijgen. De toeristen in kwestie worden meestal goed behandeld en overkomt niets. In de laatste jaren van de twintigste eeuw is er maar één toerist vermoord, terwijl er vele tientallen ontvoerd zijn. Na onderhandelingen met de overheid komen alle toeristen weer ongeschonden vrij.
Transcriptie van de klinkers in Arabische woorden.
A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.
Klik hier voor het overzicht van de transcriptie in Arabische woorden.
De auteur dezes kan niet garanderen dat alle links naar externe websites (dus die van derde partijen) altijd zullen blijven bestaan. Foto’s in Google Maps, bijvoorbeeld, kunnen verdwijnen wanneer de eigenaar ze weghaalt. Ook aan andere links kan een einde komen, of kunnen in ongebruik raken. Wanneer u een niet werkende link constateert kunt u dat melden in het reactieveld. Bij voorbaat dank.
(Dag 9429) Ik ben in Ṣanaᶜā’, de hoofdstad van Jemen en ik logeer in het Gasmi-hotel. – In Leiden, mijn woonplaats, ga ik op vrijdagavond altijd dansen in het Leids Vrijetijdscentrum (LVC). Daar zag ik een paar keer een mooie jonge vrouw, wier naam ik niet weet en daarom ‘Ennefea’ heb genoemd. Ik denk deze nacht aan haar en het LVC. – Het tijdsverschil met Nederland is (in ‘onze’ winter) twee uur. – Mijn verslag, op mijn laptop geschreven, bevat meer (achtergrond)informatie dan mijn dagboekverslag. – De munteenheid in Jemen is de Rial (YER). (1 rial = f. 0,015 (anderhalve cent), dus 100 rial = f. 1,50.)
Zaterdag, 22 november 1997.
Sana’a: 4/44.
Ik word al om 4.00 uur wakker. Het LVC loopt leeg (02.00 uur), maar dat is niet de reden dat ik wakker word. Het zijn de diverse gebedsoproepen die mijn slaap verstoren. Dit duurt tot circa 05.30 uur.
Ik slaap niet meer, maar dagdroom over Ennefea.
Op 7.30 uur.
Ontbijt van het hotel. Yemenia. Ambassade. UPS. Hotel. Ambassade: DK.: een stuk! Yemenia. Hotel. Yemenia. Koffer. Hotel. Taj Sheba: diner.
Hotel circa 21.30.
Deze dag verschillende malen naar Yemenia in Hadda Street. Uiteindelijk krijg ik een ticket naar Say’ūn voor US-dollar 127, dezelfde prijs als in 1996.
Ik kocht een koffer voor 6.500 rial (circa f. 95,00), redelijk stevig, maar het nummerslot werkt niet, blijkt in het hotel.
Ik was twee keer in de [Nederlandse] Ambassade. DK. (Eerste secretaris) was er pas rond 13.00 uur. Wat een mooie, leuke, jonge vrouw en vlot! Ik bleef er anderhalf uur.
Ik ontmoette ook de ambassadeur Alex …?
Hij blijkt een voorstander van het scannen van de manuscripten van Tarīm. (Ik namelijk ook. In het najaar van 1995 probeerde ik dat er voor dit project al door te drukken.)
Ik lunchte in het hotel: patat en kip. Wat een vreselijk smakende kip!
Diner in Taj Sheba. De taxichauffeur vroeg 400 rial. Na een paar weigeringen betaalde ik. Een rit van Bāb al-Yemen naar Taj Sheba kost niet meer dan 100 rial. (f. 1,50) Mijn minimumbedrag is echter 200 rial. Ik vind 100 YER wel erg weinig.
Bed rond 21.30 uur, moe, maar ik kan niet slapen.
Ik kocht voor US-dollar 257 een UPS voor de Ahgāf-bibliotheek van 500 AV. Daarmee kan na een spanningsuitval nog even doorgewerkt worden. (Computer.) UPS = Uninterruptible Power Supply, voor de computer. [of ook: Uninterruptible Power Source.]
De eerste drie weken van dit verblijf in Jemen hield ik op mijn laptopcomputer ook een verslag bij, waarin soms dingen staan die niet in mijn dagboek voorkomen.
Hier volgt een uittreksel daarvan.
Ik werd al om kwart over vier wakker en luisterde tot ongeveer zes uur naar allerlei uitingen van god-prijzen en gebedsoproepen [elke van de vele moskeeën een oproep]. Komende nacht zal ik weer geluidsopnames maken, zoals ik ook anderhalf jaar geleden deed. Ik geloof dat er niet zoveel veranderd is in de wijze van nachtelijk lawaai maken.
Na het ontbijt ga ik de stad in en probeer een vlucht naar Say’ūn te boeken. Dat lukt niet, omdat het computergestuurd boekingssysteem nog steeds buiten dienst is. Al minstens sinds donderdag. Ik overweeg een reis door de woestijn te maken, met mijn zware spullen, in plaats van bij de luchtvaartmaatschappij weer overgewicht te moeten betalen.
DK. is niet op de ambassade maar ik maak een afspraak via PD. Ik zal om 13.00 uur terugkomen.
Bij twee bedrijven bekijk ik de UPS’en. Power supply bij spanningsuitval voor computers. Op een plaats kost 500 VA (volt/ampere) 500 US$, op een andere plaats 257 US$. Ik koop er een voor 250 US$ en 927 YER (= 7 US$). Elf kilo gewicht erbij. Nu meer dan 60 kg bij me!
Om het Gasmi-hotel ook een keer de eer te gunnen, neem ik de lunch hier. Ik bestel een halve kip met patat. Dat zal ik dus niet meer doen. Een halfzwarte kip, gebarbecued, halfgare kip, van onduidelijke makelij en waarschijnlijk al lang over de uiterste datum heen krijg ik voorgezet. (Van een verdere beschrijving zie ik af).
Over het algemeen lunch ik hier niet. Ik eet uit Nederland meegebrachte verantwoorde koeken als ik na de middag honger krijg. In Tarīm zal ik, als geschikt eten tenminste verkrijgbaar is, weer middagmaaltijden ‘scoren’.
Rond 13.00 uur betreed ik het Nederlands grondgebied in den vreemde voor de tweede maal vandaag. Ik word ontvangen door de uiterst charmante DK., met wie ik de stand van zaken doorspreek. Via haar bemiddeling en iemand in de ambassade kan ik een vlucht naar Say’ūn boeken op maandag 24 november.
Ik ontmoet de ambassadeur die met belangstelling informeert naar de stand van zaken van het Tarīm-project. Ook hij denkt, net als ik, dat het interessanter is om alle handschriften te scannen in plaats van te microfilmen. In het najaar van 1995 deed ik al research naar de mogelijkheden op dat gebied, maar een en ander struikelde over de kosten van de apparatuur. Gedigitaliseerde manuscripten / handschriften kunnen als plaatjes op internet gezet worden.
Transcriptie van de klinkers in Arabische woorden.
A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.
Klik hier voor het overzicht van de transcriptie in Arabische woorden.
De auteur dezes kan niet garanderen dat alle links naar externe websites (dus die van derde partijen) altijd zullen blijven bestaan. Foto’s in Google Maps, bijvoorbeeld, kunnen verdwijnen wanneer de eigenaar ze weghaalt. Ook aan andere links kan een einde komen, of kunnen in ongebruik raken. Wanneer u een niet werkende link constateert kunt u dat melden in het reactieveld. Bij voorbaat dank.
Traditionele hoge huizen in Sana’a, de hoofdstad van Jemen.
Het Tarīm-project 1997
1997 – 2017: twintig jaar geleden
Tarīm: Hadramaut, Jemen
Dagboek 1997
(Dag 9428) Ik arriveerde eergisteren in Sana’a, de hoofdstad van Jemen en ik logeer in het Gasmi-hotel. – Mijn verslag, op mijn laptop geschreven, bevat meer (achtergrond)informatie dan mijn dagboekverslag. – De munteenheid in Jemen is de Rial (YER). (1 rial = f. 0,015 (anderhalve cent), dus 100 rial = f. 1,50.)
Vrijdag, 21 november 1997.
Sana’a: 3/45.
Ik kan de slaap slecht vatten, maar als het dan ook lukt, slaap ik een gat in de dag. Om 10.45 sta ik op.
Ontbijt: het laatste brood uit Nederland.
Beneden: databaseboeken bestuderen.
De Irakees, die me nog kende van de vorige keer [1996], bood me kamer 501 aan, vreselijk hoog, maar erg rustig en twee ramen.*(1)
Lopen naar Baab al-Yemen.
Eten in Taj Sheba. (Buffet: 2.300 YER, plus 300 YER fooi.)
Terug via Bab al-Yemen.
Thuis [hotel]: verslag schrijven [op mijn laptop] en een stukje brief voor de mensen thuis.
Nu 00.00 uur.
Het begint nu pas langzaam tot me door te dringen dat ik niet meer thuis ben, maar in de middeleeuwen in de hoofdstad van Jemen: Sana’a.
Temperatuur op mijn kamer: circa 21°C, buiten, op circa 20 meter hoog, 17°C.
De eerste drie weken van dit verblijf in Jemen hield ik op mijn laptopcomputer ook een verslag bij, waarin soms dingen staan die niet in mijn dagboek voorkomen.
Hier volgt een uittreksel daarvan.
Ik ging gisterenavond rond middernacht naar bed en sliep tot ongeveer 11 uur. Gisteren overdag sliep ik ook al drie uur. Waar komt die vermoeidheid vandaan? Komt het door het zuurstofgebrek? Sana’a ligt namelijk 2.200 meter hoog in de bergen. Hoewel de stad in de tropen ligt, kan het hier ’s winters wel vriezen. Soms valt er sneeuw. Op de bergtoppen die de stad omgeven ligt ’s winters soms langere tijd sneeuw.
De buitentemperatuur zakte afgelopen nacht naar 14,5°C, maar is nu 23°C. In mijn kamer is het onveranderlijk 20,5°C.
Overdag lekker weer, met een beetje zon. ‘s Avonds zag ik een keer een bliksemschicht maar het bleef droog. Temperatuur rond 23.00 uur: binnen 20,9°C, buiten: 16,9°C.
Het duurt weer even voordat ik in de gaten heb hoe het waterkranensysteem hier in elkaar zit. Ik vreesde weer een koude douche, zoals gisteren in het Taj Sheba-hotel. Maar na een poosje wist ik het weer. Ik had in dit hotel al eerder gelogeerd, in 1996.
De rode kraan kan de warme zijn, maar ook de koude. Ik begrijp niet waarom hier in de ene douche de rode kraan de warmwaterkraan is en in de douche vlak ernaast de koudwaterkraan. Daarnaast zit in de ene douche de rode kraan links en in de andere douche rechts. Arabische logica? Misschien zijn we in het overgereguleerde Nederland wel te zeer verwend.
Wat ik ook niet begrijp is waarom in Noord-Jemen, dat nooit onder Europees koloniaal bestuur heeft gestaan, de stopcontacten allemaal van het Engelse model zijn en in Zuid-Jemen, dat jarenlang onder Engels bestuur stond, alle stopcontacten Europees zijn.
Verleden jaar liepen Nico en ik vele malen door smalle straten en stegen van de oude stad Sana’a, maar we kletsten dan veel en hadden geen oog voor de omgeving. Toen is me in ieder geval niet opgevallen wat me nu wel opvalt als ik ’s avonds alleen door de onverlichte straten van de oude binnenstad loop, op weg naar de Baab al-Yemen. Daar neem ik dan een taxi naar een restaurant. Ook op de terugweg loop ik vanaf deze poort naar het hotel, hoewel de taxi best bereid is me voor de deur van het hotel af te leveren, voor 1,50 gulden. Ik geniet van de bijzondere sfeer die in deze bijzondere stad hangt.
De oude binnenstad van Sana’a is een stad in de middeleeuwen. Dit deel wordt omgeven door een lemen stadswal, die momenteel met geld van de UNESCO weer geheel gerestaureerd wordt.
De hoofdingang van de oude stad is de Baab al-Yemen, de Poort van Jemen. Dit is het symbolische centrum van het land. Op het plein voor en binnen de poort is het een drukte van belang. Duizenden mensen bieden van alles te koop aan. Hier kun je de Jemenieten bestuderen. De Sana’ani mannen en vrouwen zijn tenger, mager en klein van stuk. Niet groter dan 1,50 m of 1,60 m. Zeker komt dat voor een deel door de slechte voeding, maar ook de verslaving aan gaat*(2) speelt een rol.
Wat binnen de poort direct opvalt is de honderden verkopers van colbertjasjes. Alle Noord-Jemenieten dragen over hun dishdasha*(3) (een lange “jurk”) een colbertjasje. Alle mannen dragen bovendien een djambia*(4) op hun buik, een grote kromme dolk. Met mannen bedoel ik ook kinderen vanaf een jaar of veertien.
De huizen van Sana’a zijn van steen. De begane grond en de eerste verdieping zijn van natuursteen gemaakt en hebben geen ramen, wel uitsparingen voor frisse lucht. Ze dienen als opslagplaats van goederen en in veel gevallen ook geiten.
Aan de straatzijde heeft de begane grond een of meer nissen, zoals in de hele Arabische wereld, van Marokko tot Syrië en dus ook Jemen. Hierin zijn winkels gevestigd. In die winkels kan van alles worden verkocht. Van de grootste rommel tot levensmiddelen of gereedschappen. Zoals ook in de hele Arabische wereld worden die nissen met een blauw geverfde stalen deur gesloten.
De tweede verdieping en hoger zijn van baksteen, met ramen. De huizen steken hoog boven de straten uit. Ze zien eruit als middeleeuwse vestingen. Door die hoge, soms ranke, huizen lijken de straten nog smaller dan ze al zijn. Soms zijn die huizen twintig meter breed.
De buitenwanden van vrijwel alle huizen in de binnenstad van Sana’a zijn prachtig versierd met witte kalk in mooie abstracte patronen. Soms staan er teksten uit de koran, in mooie calligrafische letters op de muren, eveneens met witte kalk geschreven. In het schaarse licht krijgt dit alles een sprookjesachtige sfeer, zoals op oude tekeningen van bijvoorbeeld bij [Duitse schilder] Albrecht Dürer. Of zoals op plaatjes die bij sommige 1001-nacht verhaaltjes staan. Misschien diende Sana’a wel als voorbeeld voor die tekeningen.
In deze middeleeuwse stad zitten, hangen of liggen middeleeuwse mannen in sjofele kleding in groepjes of alleen langs de muren van de huizen, voor zich uit starend vaak onder invloed van de gaat. Een versleten tulband (koefiyya/imama*(5)) op een verweerde kop, vaak een gele. (Beter gesitueerden dragen een rode). Een grijze baard of een ongeschoren gezicht. In de mond slechts enkele tanden. Het onvermijdelijke, maar smerige colbertjasje over hun eveneens reeds lang geleden gewassen dishdasha. De djambia manhaftig op de buik. Smerige voeten in met touwtjes aan elkaar gebonden stukjes leer dat een sandaal moet voorstellen. Ze schrapen hun keel en spuwen de laatste restjes gaat met een wijde boog op straat. De straatstenen glimmen er groenachtig van in het licht van de passerende auto’s.
Kinderen rennen op blote voeten spelend door de straten en springen over trappen en bergen rommel. Ook kleine meisjes doen mee. Oudere meisjes en vrouwen zie je na zonsondergang niet meer op straat.
In deze middeleeuwse donkere stegen gloeit hier en daar een oranje neonlamp of een TL-buis, soms wel tien meter boven het straatniveau. Zonder het licht van de auto’s zou het moeilijk zijn de weg naar huis te vinden. Hoewel de straten erg smal zijn komen overal auto’s. Auto’s hebben altijd en overal voorrang. Alles wat wielen heeft gaat voor dat wat geen wielen heeft.
De straten zijn geplaveid met grote vierkante natuurstenen, grote kinderkopjes die het lopen ernstig bemoeilijken. Hopen vuil versperren verder de weg. Overal is vuil, huishoudelijk afval, lege plastic waterflessen, papier en andere rommel. Gelukkig stinkt het niet. Honden zijn er bijna niet, maar wel veel broodmagere poezen. Ook veel geiten die zich tegoed doen aan het afval.
Als man alleen heb je hier ’s avonds in het donker niet veel te vrezen. Ik geloof echter niet dat het voor vrouwen alleen zo laat nog aangenaam is. Dit baseer ik op het feit dat er in het donker erg weinig vrouwen te zien zijn en ook herinner ik mij de woorden van de mooie Indiase receptioniste bij het Taj Sheba-hotel die het vooral vervelend vond dat je hier na zessen niet meer op straat kan komen. Na zessen betekent: na inval van de duisternis. Die valt hier zomer en winter altijd rond zes uur in.
In het moderne deel van Sana’a zie ik verschillende vrouwen ongesluierd. Het schijnt me toe dat het er veel meer zijn dan anderhalf jaar geleden. De door de mannen geplaatste stelling dat de Jemenitische vrouwen de mooiste ter wereld zijn lijkt mij sterk overdreven. Of lopen alleen die vrouwen ongesluierd die toch niet voor een schoonheidsprijs in aanmerking komen? Gasmi-hotel: ik kreeg een kamer op de vijfde verdieping aangeboden. Voor de klim, wegens zuurstofgebrek niet gewenst, wel voor de rust en de mogelijkheid tot het maken van bandopnames van nachtelijk Sana’a.
De Irakees kende mij nog van het voorjaar 1996 toen ik ook enkele keren in het Gasmi-hotel logeerde. De kamer ligt op de vijfde verdieping. Dat is in Sana’a vreselijk hoog in een hotel zonder lift. Dan moet je veel trappen klimmen. Bovendien ligt deze stad meer dan twee kilometer boven de zeespiegel, dus is er sprake van zuurstofgebrek. Elke kleine inspanning veroorzaakt dan ‘grote’ vermoeidheid.
De gaat / qat. (ﺍﻟﻗﺎﺕ) is een plant die in Jemen op grote schaal verbouwd wordt en waarvan op de blaadjes gekauwd worden voor een verdovend effect. Ik zal op 29 december 1997 bij een gaat-sessie met veel mannen meemaken en ook enkele blaadjes kauwen. In Wikipedia (Engels) wordt uitgebreid ingegaan op dit roesmiddel.
De dishdasha is de lange witte ‘jurk’ die mannen in de Arabische wereld dragen en heeft verschillende namen, die afhankelijk van de regio zijn. Zo wordt die dishdasha genoemd, of ook wel thawb. Bij Wikipedia worden verschillende namen opgesomd. (Engels)
De djambia is een kromme dolk die er vervaarlijk uitziet omdat de schede nogal groot is. Alle mannen, vanaf veertien jaar (alleen in Noord-Jemen) dragen deze dolk op hun buik. Zie Wikipedia voor meer informatie. (Engels.)
Een koefiyya / imama is de rood-wit of zwart-wit geblokte Arabische hoofddoek die met name in Saoedi-Arabië en de Golfstaten door mannen gedragen wordt. Soms met een zwarte band op het hoofd als een soort ‘plaatshouder’, die agaal heet. Zie Wikipedia voor meer informatie. (Engels.)
Transcriptie van de klinkers in Arabische woorden.
A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.
Klik hier voor het overzicht van de transcriptie in Arabische woorden.
De auteur dezes kan niet garanderen dat alle links naar externe websites (dus die van derde partijen) altijd zullen blijven bestaan. Foto’s in Google Maps, bijvoorbeeld, kunnen verdwijnen wanneer de eigenaar ze weghaalt. Ook aan andere links kan een einde komen, of kunnen in ongebruik raken. Wanneer u een niet werkende link constateert kunt u dat melden in het reactieveld. Bij voorbaat dank.
(Dag 9427) Gisteren arriveerde ik in Sana’a en overnachtte in het dure Taj Sheba-hotel. – Vandaag verkas ik naar het goedkopere al-Gasmi-hotel in de oude stad van Sana’a, binnen de stadsmuren. – Mijn verslag, op mijn laptop geschreven, bevat meer (achtergrond)informatie dan mijn dagboekverslag. – De munteenheid in Jemen is de Rial. (1 rial = f. 0,015 (anderhalve cent), dus 100 rial = f. 1,50.)
Donderdag, 20 november 1997.
Sana’a: 2/46.
Op 7.00 uur. Ontbijt.
Dagboek bijwerken.
Nu 9.00 uur.
Eerst ga ik naar het Gasmi-hotel om een kamer te reserveren. Dan ga ik naar Dr. AS., hoofd van De Algemene Organisatie van Antiquiteiten, Musea en Handschriften*(1) die me kort ontvangt, want hij moet naar een vergadering. Daarna terug naar Taj Sheba-hotel en uitchecken.
Ik vertel wat met de mooie Indiase receptioniste die 25 november teruggaat naar haar woonplaats Bangalore, na anderhalf jaar Sana’a. Hier kan ze na zes uur ’s avonds niet meer alleen op straat verschijnen, daar kan ze gaan en staan waar ze wil en zelfs naar de disco gaan.
In Taj Sheba, dat tot een Indiase hotelketen behoort, werken veel Indiërs.
Er is geen taxi die mij naar het Gasmi-hotel wil brengen. Uiteindelijk wil iemand dat voor 500 rial doen. Bij het Gasmi vraagt hij 600 rial. Ik betaal zonder protest. (’s Avonds, na het diner in Taj Sheba wil hij me weer voor 600 rial brengen. Ik zeg hem dat ik niet meer dan 100 rial wil betalen. (De normale prijs.) Hij wil dan niet.
In het hotel val ik twee uur in slaap.
Ik probeer in diverse kantoren van Yemenia een vlucht naar Say’un te boeken, maar overal ligt de computer plat. De reden krijg ik alleen maar op twee kantoren te horen: er wordt nieuwe software geïnstalleerd.
Het Yemen Computer Center is gesloten. Ik wilde daar een UPS (en apparaat dat bij stroomuitval de spanning voldoende lang in stand houdt om een computer normaal af te sluiten) kopen.
Ik wissel 200 US-dollar voor 26.400 rial en ga telefoneren in straat nr. 36 naar Pa en Ma. Ik voel me verplicht ook XX. te bellen.
Circa 18.00 uur diner in Taj Sheba. Ik ben anderhalf uur te vroeg voor het buffet, dus eet ik à la carte, wat me slecht bekomt, dat wil zeggen: het is niet zo lekker en het kost toch 3.600 rial. f. 54,00. Niet goedkoop.
Ik loop naar het Gasmi-hotel en val op mijn kamer tussen 20.00 en 21.00 uur in slaap. Nu 22.00 uur.
Bed 00.00 uur.
Temperatuur: 17,4°C buiten en 20,5°C binnen.
De eerste drie weken van dit verblijf in Jemen hield ik op mijn laptopcomputer ook een verslag bij, waarin soms dingen staan die niet in mijn dagboek voorkomen.
Hier volgt een uittreksel daarvan.
In het Taj Sheba-hotel probeer ik een warme douche te nemen, maar er is in dit dure hotel geen warm water! Onbegrijpelijk. Een koude douche, letterlijk en figuurlijk. Later, na bestudering van de kraan ontdek ik dat, als je die opendraait er eerst koud water uitkomt. Als je die dan maar steeds verder opendraait komt er op een gegeven moment lauw water. In de uiterste stand ‘open’ komt er gloeiend heet water. Bijzonder.
De taxichauffeur, een jongeman, is een van de weinige Jemenieten die geen qat gebruikt. Hij is sportman en doet kennelijk aan hardlopen, want zo’n gebaar maakt hij er bij. (Wat is hardlopen in het Arabisch? Ik ben zoveel vergeten.) Taxichauffeurs zijn mijn oefenobjecten en moeten mijn kromme Arabisch maar aanhoren, totdat ik het weer een beetje onder de knie heb. Ik wil echter niet altijd maar praten.
Als ik een aantal kilometers terug naar het Gasmi-hotel loop, valt het me op dat er zoveel winkels gesloten zijn. Is dat het gevolg van de qatsessies? Of draait de Jemenitische economie zo goed, dat men zich een vrije zaterdagmiddag*(2) permitteren kan? Dat laatste kan niet het geval zijn. Jemen hoort toch bij de toptien van de armste landen ter wereld. Staat het niet op de vierde plaats, van onderen? Ik las gisteren in The Yemen Times dat de Minister van Financiën momenteel alle donorlanden afreist om uitstel van betaling van de schulden te vragen, want het land kan niets opbrengen.
Ergens vlak over de brug over de Sayla [rivier], in de richting van de nieuwe stad, aan de Zubayrstraat staat een groot huis waar vanaf het dak luidsprekers allerlei soort traditionele muziek knoerthard de straat in tetteren. Er zijn mensen die daar nog onder blijven zitten. Die zijn zeker al doof. Wat dat allemaal betekent weet ik niet. Op het gebouw hangt een Jemenitische vlag. Het pand ligt tegenover het Aviation en Meteorological Institute.
Deze Algemene Organisatie is de formele ontvanger van het geschenk van de Nederlandse regering. Dr. AS. is verantwoordelijk voor het beleid in de Hadramaut.
Het is vandaag donderdag, maar omdat in veel islamitische landen en ook Jemen, de vrijdag als ‘zondag’ (een vrije dag) geldt, spreek ik over donderdag als ‘zaterdag’, de dag vóór de vrije ‘zondag’.
Transcriptie van de klinkers in Arabische woorden.
A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.
Klik hier voor het overzicht van de transcriptie in Arabische woorden.
De auteur dezes kan niet garanderen dat alle links naar externe websites (dus die van derde partijen) altijd zullen blijven bestaan. Foto’s in Google Maps, bijvoorbeeld, kunnen verdwijnen wanneer de eigenaar ze weghaalt. Ook aan andere links kan een einde komen, of kunnen in ongebruik raken. Wanneer u een niet werkende link constateert kunt u dat melden in het reactieveld. Bij voorbaat dank.
(Dag 9426) Ik vertrek vandaag naar Ṣanaᶜā’, de hoofdstad van Jemen, om later in de Ḥaḍramaut (Zuid-Jemen) in de plaats Tarīm te gaan werken. Ik zal 48 dagen van huis zijn. Dit is de tweede keer dat ik in Jemen ben voor werk. In het voorjaar van 1996 verbleef ik al drie maanden in Tarīm. – Mijn verslag, op mijn laptop geschreven, bevat meer (achtergrond)informatie dan mijn dagboekverslag. – De munteenheid in Jemen is de Rial (YER). (1 rial = f. 0,015 (anderhalve cent), dus 100 rial = f. 1,50.)
Woensdag, 19 november 1997.
Leiden – Sana’a: 1/47.
Op 5.00 uur.
Afspraak is dat de taxi 7.50 uur zal komen. [Ververstraat.]
Ik bel rond 8.00 uur. De taxi zou er zijn, maar mijn huisnummer niet kunnen vinden. Dat komt, zegt de chauffeur later terecht, omdat de straat aan het andere eind West-Havenstraat heet.
We halen XX. op. (Ik laat er een zak vuilnis achter, verpakt in een C&A-zak, om de taxichauffeur niet te ‘schofferen’.)
Trein
XX. gaat mee naar het Station. Als de trein van 8.31 uur (met vijf minuten vertraging) komt, blijkt de ingang naar het Eersteklas compartiment toch wel erg smal. (Smaller dan de Tweedeklas?) Ik kocht Eersteklas kaartjes voor ons beiden, maar het is druk en het portaal [balkon] staat ook vol met Tweedeklassers. Na enig gedoe, lukt het ons om in de bijna volle Eersteklas toch een krap plaatsje te vinden.
Inchecken in Schiphol kan direct. Ik zet 40,8 kg. op de weegschaal en beweer glashard dat de handbagage lichter is dan 10 kg. (Was ongeveer 15 kg.) Ik moet 792 gulden overgewicht betalen voor 15 kg. Ik doe dat met 420 US-dollar en 30 Nederlandse centen.
In afwachting van het vertrek in het dakrestaurant probeert XX. in een bijna niet aflatende woordenstroom haar kwaliteiten aan te prijzen en de kwaliteiten van alle andere bekende vrouwen te minimaliseren. Het liefst zou ik zwijgend en stil voor mij uit willen hebben staren, dromen en genieten van dat sexy kontje van dat blondje voor me in haar strakke zwarte broek. Slechts een expres uitgebreid toiletbezoek brengt de verlangde rust. Meteen als het tijd is ga ik instappen en ga bijna aan boord van het vliegtuig naar Montreal, Gate F. 8, terwijl ik bij Gate F. 7 moet zijn. Ik was al door de metaaldetector.
Mijn stoel is 34 A, bij een raam, niet roken, niet boven een vleugel en aan de linkerkant. (Vanwege de zon.)
Naast mij komt niemand. Het vliegtuig is bij lange na niet vol.
Er zijn halfnaakte moslims op weg naar Mekka, in staat van Ihraam*(1), met hun witte doeken om. (Hoe heet dat ook al weer?)
Verder zijn er veel ‘olieboeren’ van Yemen Hunt*(2) en met een van hen begin ik een gesprek, tijdens de tussenstop in Djeddah [Saoedi-Arabië].
Hij en een ander werken offshore in de Rode Zee op een terminal waar tankers de in de woestijn gevonden olie laden. De rest van die mannen werkt daar, in de woestijn.
Hij werkt al drieënhalf jaar in Jemen. 28 dagen op zijn metalen eiland en 28 dagen bij zijn vrouw in Engeland. (Het betaalt niet veel, maar hij heeft dus per jaar een half jaar vrij.) Het moet uit de lengte of de breedte komen.) Van Jemen zag hij niet meer dan Baab al-Yemen en (vanuit de helikopter die hem vanuit Sana’a naar zijn eiland brengt) en het berglandschap met de terrascultuur.
Boven de Nijl maakte ik dia’s van het Nijldal. Een van de Rode Zee.
Ik verbaas me over de zee van licht in het enorm grote uitgestrekte Jedda. Ik maak enkele dia’s.
Ik verbaas me over de zee van duisternis van Sana’a, anderhalf uur na het vertrek uit Jeddah.
In no time sta ik buiten de luchthaven en neem voor twintig dollar een taxi naar het Taj Sheba hotel waar ik voor 160 US-dollar plus 12% belasting (20 US-dollar) voor één nacht een kamer huur.
Na enige rust overvalt mij de slaap en ik ga rond 00.00 uur naar bed.
Weer in Sana’a: droog na een regenbui.
De eerste drie weken van dit verblijf in Jemen hield ik op mijn laptopcomputer ook een verslag bij, waarin soms dingen staan die niet in mijn dagboek voorkomen.
Hier volgt een uittreksel daarvan.
We vliegen een stuk over / langs de Nijl. Ik maak enkele dia’s. Ook een van de Rode Zee en verschillende van het in een zee van licht badende Jedda. Een enorm grote stad. Vanuit de lucht zie ik verschillende luna parks. Dat verbaast me. De Syrische chirurg uit al-Riyaad had me verleden jaar in het vliegtuig uit Amman toch verteld dat er in Saoedi-Arabië geen ander plezier is dan winkelen. Nu blijkt er nog meer plezier te zijn. Kermissen. Wat een losbandigheid. Welk genot zal er in dat land nog meer te genieten zijn?
Een van de passagiers van het KLM-vliegtuig is een mecanicien op een olieterminal in de Rode Zee. Hij vertelde me dat hij in de buurt van Dahran had gewerkt, in Saoedi-Arabië, vanaf november 1990. Vast personeel vluchtte toen weg uit angst voor Irak (invasie in Koeweit). Hij, van de Engelse oostkust, had geen ervaring in de olie-industrie en sprak ook alleen maar Engels, maar werd tocht aangenomen. Het werk betaalde goed, maar het strenge religieuze klimaat had hem verdreven. Nu werkt hij voor Yemen Hunt Oil Company. Veel minder verdiensten, dat wel, maar 28 dagen op en 28 dagen af. Dat wil zeggen dat hij per jaar een half jaar vrij had. (Dat verschil zat in zijn beduidend lagere loon).
Hoewel hij al meer dan drieënhalf jaar in Jemen werkte had hij van het land niet meer gezien dan Bab al-Yemen in Sana’a en dat deel van het land dat onder de helikopter doorgleed, tussen Sana’a en zijn grote, tientallen meters hoge en een kwart mijl lange metalen eiland in de Rode Zee, als hij erheen gebracht werd of er vanaf gehaald werd. Hij vertelde dat het landschap erg mooi is. Hoge bergen, waar mensen op de rand van de rotsen in stenen huizen leven en waar het land bewerkt was met terrasbouw.
Het vliegtuig was al niet vol. In Djedda stapten ook nog veel mensen uit. Ook moslims in staat van Ihram, met de doeken om hun naakte lichaam. Er kwamen geen nieuwe passagiers bij. De vlucht naar Djedda duurde 5 uur en een kwartier. De vlucht van Djedda naar Sana’a 1 uur en 25 minuten.
Uitstappen en bagage ophalen, douane en taxi. Alles ging veel sneller dan in maart 1996, toen ik hier voor het eerst kwam. Het is allemaal in een kwartier gebeurd. Voor 20 US $ word ik in de stad afgeleverd bij het Taj Sheba hotel.
Het Taj Sheba heeft nog kamers vrij. 160US$ per stuk en daarbij komt nog 12% belasting. Ik besluit maar één nacht te blijven.
Op de kamer eten (brood uit Nederland) en een artikel lezen van Sheikh AB. in The Yemen Times. Het artikel gaat over de administratieve opdeling van de Hadramaut, waarvan de Sheikh een tegenstander is. Hij is hoofd van de Islah-partij*(3) van de Hadramaut. [Sheikh AB. was de vorige directeur van de handschriftenbibliotheek in Tariem, mijn reisdoel.]
Ik herkende zijn gezicht op de foto direct. Hij ziet er waardig uit. Een echt geleerd iemand. Een echte Sheikh.
Ihraam / Iḥrām. (ﺇﺣﺮﺍﻡ)
Wanneer moslims / moslima’s op pelgrimstocht naar Mekka gaan, moeten ze op een bepaalde manier gekleed zijn en ook op een bepaalde manier ritueel rein zijn. Dit heet Iḥrām.
(Wikipedia: Ihram.)
Islah-partij. (De islaah: al-Iṣlāḥ (ﺍﻟﺈﺻﻠﺎﺡ) betekent ‘de hervorming’, in de zin van ‘verbetering’.) De Islah-partij is een partij met een conservatieve / fundamentalistische agenda, gelieerd aan / ondersteund door Saoedi-Arabië.
(Wikipedia: al-Islah (Yemen).
Transcriptie van de klinkers in Arabische woorden.
A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.
Klik hier voor het overzicht van de transcriptie in Arabische woorden.
De auteur dezes kan niet garanderen dat alle links naar externe websites (dus die van derde partijen) altijd zullen blijven bestaan. Foto’s in Google Maps, bijvoorbeeld, kunnen verdwijnen wanneer de eigenaar ze weghaalt. Ook aan andere links kan een einde komen, of kunnen in ongebruik raken. Wanneer u een niet werkende link constateert kunt u dat melden in het reactieveld. Bij voorbaat dank.
(Dag 9425) Ik woon in Leiden. – Morgen vertrek ik naar Jemen, om daar zeven weken in de Ḥaḍramaut (Zuid-Jemen) in de plaats Tarīm te gaan werken in een bibliotheek. Verleden jaar werkte ik daar drie maanden. – Ik ga op vrijdagavond altijd dansen in het Leids Vrijetijdscentrum (LVC). Daar zag ik een paar keer een mooie jonge vrouw, wier naam ik niet weet en daarom ‘Ennefea’ heb genoemd. – Ik ga uit eten met XX. Zij is hevig verliefd op mij, ik niet op haar.
Dinsdag, 18 november 1997.
Ik regel de laatste zaken, alle vergeten inkopen en ga ’s avonds met XX. eten. Het is gezellig (bij Malle Jan aan de Nieuwsteeg): f. 113,00. (f. 12,00 fooi.)
Zij vloeit over van liefde. Ik voel niets.
Ik vertel een beetje, in bedekte termen, over Ennefea, maar noem die naam niet. Zij gaat natuurlijk door de grond van jaloezie.
Het leven is hard. Zij is zo lief, ik voel geen liefde voor haar.
Nu circa 00.30 uur. Over 24 uur zit ik in Ṣanaᶜā’. [De hoofdstad van Jemen.]
Er is geen hotel gereserveerd. De [Nederlandse] Ambassade liet het afweten. Verleden jaar was er wel medewerking.
Transcriptie van de klinkers in Arabische woorden.
A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.
Klik hier voor het overzicht van de transcriptie in Arabische woorden.
Onderweg naar de archeologische site van Raybūn in Wādī Duᶜan, waar rond het begin van onze jaartelling een tempel stond voor het aanbidden van de maangod(in) Sīn. Ik bleef het landschap van de Wādī omringd door de tafelbergen fascinerend vinden en ik kon er geen genoeg van krijgen. Mysterieus mooi vond ik het.
Twintig jaar geleden: dagboekfragment 17 juni 1996 (maandag).
Ṣanaᶜā’ – Leiden.
Een half uur eerder dan gepland komt ᶜAbd al-Raḥmān A. met de bevriende taxichauffeur die me naar de luchthaven brengt. Onderweg begint het te regenen: pijpenstelen!
Ik betaal 2.000 riyāl aan ᶜAbd al-Raḥmān voor de taxi.
Als ik ingecheckt ben en mijn 32 kg zware koffer als 20 kg is geboekt ga ik even terug naar ᶜAbd al-Raḥmān en geef hem 6.000 riyāl (die ik apart gehouden had, als ik misschien moest bijbetalen voor overgewicht.) Hij had 6.000 riyāl schade geleden door slechte afspraken, tijdens het bezoek van de mensen van het Institut du Monde Arabe uit Parijs. Ik geef het geld hiervoor. Hij wil het niet hebben, maar ik dring aan. Natuurlijk neemt hij het op den duur aan. Ik wil dat hij het neemt.
Ik heb nu nog 326 dollar en 800 riyāl over.
We nemen afscheid en we gaan ieder onze weg.
In afwachting van de vertrektijd bestudeer ik de veiligheidsmaatregelen op de luchthaven. Die zijn er, maar zo lek als een mandje.
Dat weet de Jordaanse luchtvaartmaatschappij Royal Jordanian ook, want iedereen die aan boord komt wordt gefouilleerd. (Vrouwen ook?)
Mijn speciaal gevraagde plaats is bezet. De jongen wijst naar de vrije stoel langs het gangpad. Ik insisteer en hij staat met een lang gezicht op.
Ik zit tijdens de terugreis naar Nederland lang naast het raam. Mekka en Medina gaan schuil onder een dikke wolkenlaag.
De vrouw van de jongen is er ook, maar hij zit naast zijn vader. Hij draagt de gebruikelijke zilveren trouwring. (Voor islamitische mannen zijn gouden sieraden verboden.) Zijn moeder en stralend mooie zusje in schitterend versierde kleren, zitten in de buurt. Zijn vrouw (als het zijn zus is, waarom draagt hij dan een trouwring?) en moeder zijn helemaal in het zwart met gezichtssluier: niqāb. Ze gaan op vakantie naar Jordanië. Welke Jemeniet kan dat betalen? Qāt-boeren alleen maar!
Op de luchthaven van Amman, Jordanië, waar ik op mijn volgende vlucht moet wachten, breng ik de tijd door met het lezen van het geprinte rapport van het Tarīm-project en met het kijken naar mooie vrouwen.
In Tarīm zullen vandaag de dadels rijp zijn.
Aan boord van het vliegtuig van Amman naar Amsterdam kom ik naast een sexy meid te zitten, maar ik merk meteen dat die niet ‘in’ is voor een praatje.
Een oudere Palestijnse (?), die alleen reist, wordt naast een man geplaatst, maar daar wil ze niet gaan zitten. Die plaats is naast het raam en ik zie mijn kans schoon. Ik had een plaats aan een raam gevraagd, maar die was er niet.
De oude Palestijnse en een andere vrouw zijn mij zeer dankbaar dat ik met haar wil ruilen. Zij naast de mooie, maar zwijgende, vrouw en ik naast het raam.
Tot mijn grote verbazing vliegen we over de Dode Zee en Jeruzalem. De koepel van de Qubbat al-ṣaḵra (de Rotskoepelmoskee) in de ḥaram al-šarīf (het Edele Heiligdom, de Tempelberg) staat er glinsterend bij.
De stad is mooi, maar doet me niet veel. We vliegen over de landingsstrip van Ramallah en dus over het huis van Zakī D.(?) Over de Bir Zeit Universiteit, waar wellicht NvB verblijft. (En komende vrijdag weggaat.)
Mijn buurman op deze vlucht is een 33-jarige Syrische chirurg die in de Saoedische ‘Tuin’ (al-Riyāḍ = de tuin) werkt en eens per jaar 45 dagen in Chicago van de westerse vrijheid gaat genieten. (Zijn vrouw ging naar haar familie in Syrië.)
In al-Riyāḍ bestaat het uitgaansleven uit winkelen. Verder is er niets. Geen bioscopen, niets, helemaal niets. Verder geen gebrek aan luxe. Zijn ziekenhuis heeft alle noodzakelijke apparatuur.
Hij laat zich graag voorlichten over Jemen, want hij had eens overwogen om daar te werken, maar verkoos al-Riyāḍ.
De film: “Gold diggers” is een flauwe film, maar de (jonge) actrices zijn sexy en dat is het enige waar ik op let.
–
Jan Just Witkam haalt me op Schiphol op en brengt me thuis. (Volgens afspraak.)
In Leiden doe ik boodschappen. De Winkelsluitingswet is gewijzigd en winkels mogen tot 8.00 uur ’s avonds open blijven.
–
Eten: brood met witte bonen in tomatensaus.
Bed circa 20.00 uur: uitgeput.
–
In het zuiden van Jemen werd ik vooral dikker, geheel tegen de verwachting in. Mijn kakibroeken waren te nauw toen ik vertrok, maar ik verwachte dat ze me gauw zouden afglijden. Het leven vol inertie en het vette eten, met veel kip, veroorzaakte het tegenovergestelde.
–
Seks met vrouwen behoort in Jemen vrijwel tot de onmogelijkheden. Met mannen durfde ik het, voor mijn reputatie, niet aan. Er zijn bovendien maar weinig echt aantrekkelijke mannen. Veel zijn vreselijk mager.
Van de toeristen waren er maar een paar die ik nu (in de overvloed van Nederland) echt aantrekkelijk zou vinden. Geen enkele was zonder man.
Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.
Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.
Fragment uit het verslag van 17 juni.
In het Qaṣr al-Qubba-hotel in Tarīm vertelde men mij verschillende keren dat de dadels over zoveel dagen rijp zouden zijn. Als ik ‘zoveel dagen’ uitrekende kwam ik iedere keer op maandag 17 juni uit, de dag van mijn thuisreis. (Nu blijkt dat er rond 17 juni ernstige overstromingen in Tarīm zijn. Voor dadels zullen de mensen geen tijd hebben. Hoe vergaat het Ḥusayn, de jonge jongen die de dadelboerderij van zijn vader bestiert, die zelf ergens ver weg werkt?)
[…]
De familie die in het vliegtuig naast mij zit gaat op vakantie in Jordanië. Welke Jemeniet kan een reis naar het buitenland betalen? De man zal ongetwijfeld zijn geld verdienen met het verbouwen van qāt.
Gisteren vroeg ik aan Ǧamāl hoe het zat met de qāt-boeren. Zijn dat nu criminelen of niet? Hij vertelde dat ze vroeger, tien jaar geleden, wel als criminelen werden gezien, maar nu er zoveel verslaafden zijn is hun positie aanmerkelijk verbeterd. De afhankelijken zien hun verstrekkers waarschijnlijk niet als een crimineel, maar als een goed mens.
[…]
Mijn Syrische buurman in het vliegtuig, na Amman, Mazen, is chirurg in al-Riyāḍ. In zijn ziekenhuis werken alleen maar buitenlandse verpleegsters, voornamelijk uit de Filippijnen. De voertaal is derhalve Engels. Voor de overwegend Arabische cliënten zijn er enkele vertalers in dienst. Het ontbreekt in die ziekenhuizen aan niets, wat apparatuur betreft.
Dat is in Jemen wel anders. Ik begreep al van een Nederlandse verpleegster, die in Tarīm op bezoek was, dat er geen ziekenhuizen zijn waar vrouwen opgenomen kunnen worden.
[…]
Mazen vertelt ook dat hij in zijn jonge jaren zich voor manuscripten (handschriften) geïnteresseerd had, maar nadat hij begrepen had dat het lezen daarvan geen eenvoudige klus was, was zijn belangstelling snel verdwenen.
Hij vertelt dat in Aleppo de belangrijkste verzameling microfilms van heel Syrië te vinden is, met microfilms uit de hele Arabische wereld.
[…]
Leiden is een ‘culture shock’. De zon schijnt een beetje. Waarom lopen de mensen allemaal half bloot over straat?
Hedenochtend nog zag ik vrouwen waarvan ik alleen de ogen kon zien, omdat hun lichaam verscholen ging achter zwarte doeken. Nu zie ik vrouwen waarvan ik alleen de ogen niet kan zien, omdat die verscholen gaan achter zwarte Ray Bans.
Dit is het einde van het verslag van 17 juni.
Index van termen: Bir Zeit Universiteit, Gold diggers, Institut du Monde Arabe, niqaab, Qasr al-qubba-hotel, qat, Ray Ban, Rotskoepelmoskee, Royal Jordanian, Winkelsluitingswet,
Transcriptie van de klinkers in Arabische woorden.
A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.
Klik hier voor het overzicht van de transcriptie in Arabische woorden.