
(Dag 1703) Cees en ik zijn samen op vakantie in Marokko. We zijn in de oase Tinghir en vertrekken vandaag in zuidoostelijke richting, lopend en liftend, wat een fantastisch avontuur oplevert, om in Erfoud te geraken.
Maandag, 27 september 1976.
Op tegen 8.15 uur. Ontbijt in het hotel. Prijs: circa 78 Dirham (Dh). Dat is 30 Dh per nacht plus ontbijt.
We vertrekken te voet richting Tinejdad dat 53 km oostelijker ligt. We willen naar Erfoud. Als we vertrekken begint het te regenen en we doen onze jassen aan. Even later stroomt de regen naar beneden. Deels gedemoraliseerd sjok ik verder. Mijn rugzak als een zware last mee torsend. Ik denk dat die meer dan 25 kg weegt. Hij zit niet goed en lang knoeien helpt niet veel. Dan weer draagt hij helemaal op mijn schouders, dan weer op mijn heupen, mijn broekriem zit er hinderlijk en pijnlijk tussen. Als ik die riem af doe, zakt mijn broek lager. Ik ben magerder geworden. Maar plotseling zit hij goed en vind ik de kracht. Ik loop de op mijn zenuwen werkende sloffende Cees voorbij. In enkele kilometers bouw ik een voorsprong van een vijftigtal meters op. Cees heeft last met zijn rugzak en als ik op hem wacht en hij aan komt sloffen, ben ik mijn moreel weer kwijt en loop weer te hannesen en raak achterop. Na een poos vind ik het moreel weer en loop de nog altijd sloffende Cees voorbij. (Ik kan niet tegen dat sloffen) Zo’n grote voorsprong als eerst haal ik niet meer, maar we schieten aardig op. In twee uur lopen we 11 km, met een flinke helling ertussen.
Auto’s die de goede kant uit gaan komen er weinig en die komen, zijn allemaal vol.
We gaan langs de kant van de weg zitten en eten twee boterhammen, vijf meter vóór en tegenover kilometerpaal 11. We liften etend verder. Een Fransman en zijn vrouw stopt.
Of we mee kunnen naar Tinejdad. Ja, zij gaan naar Ksar es-Souk. [Errachidia] We kruipen in de auto. De bagage komt ongelukkig op ons te liggen, maar gelukkig hoeven we niet te lopen.
In Tinejdad vragen we of ze een kop koffie van ons willen, maar die willen ze niet, want ze willen door.
In Tinejdad leidt een of andere gast ons naar een café. (Waar we om gevraagd hadden.)
We bieden hem koffie aan, maar meer dan één drinkt hij niet.
Een taxi naar Erfoud rijdt niet.
We kopen een fles Sidi Harazem, waarvan we in deze vakantie meer dan 40 liter zullen drinken. Natuurlijk mineraalwater en gaan weer op stap.
Onderweg proberen we in een bus te komen, maar de chauffeur laat blijken dat we bij de halte moeten zijn. We lopen er ‘snel’ naar toe en daar staan nog twintig Marokkanen om een plaatsje te dringen. Zij komen niet meer mee en wij ook niet. Morgen komt er weer een bus. Misschien hebben we dan meer geluk.
We lopen naar de taxistandplaats. We zijn niet de enigen die op een taxi wachten.
Op het Postkantoor ligt de ambtenaar op de grond te slapen. “Het kantoor is gesloten.” Er worden dus ook geen postzegels verkocht.
Er rijdt blijkbaar maar één taxi, want er gebeurt een hele tijd niets. We lopen dus maar verder. 23 km verder ligt Goulmima. We lopen tot de splitsing Ksar es-Souk, Erfoud, Tinejdad en we besluiten of naar Ksar es-Souk [Errachidia] of naar Erfoud te gaan, al naar gelang de lift gaat, hoewel Erfoud prevaleert.
Er komen jongetjes bij ons staan die naar Goulmima willen. Een kust zijn mooi vriendje goeiedag. Een normaal verschijnsel in Marokko: mannen hand in hand, elkaar kussende mannen en jongens, maar man en vrouw of jongens en meisjes hand in hand heb ik er niet gezien.
Zij bieden ons sigaretten aan, maar we roken beiden niet. We krijgen dadels van één van hen. Volop dadels. Eén heeft het koud en ik bied hem mijn jasje aan, maar het is niet nodig, zegt hij.
Er komen auto’s zat langs, maar geen stopt. We spreken Frans tegen elkaar, dat wil zeggen, die jongens en ik. De leeftijd varieert van circa 10 tot 16 jaar. Eén van hen zegt dat als we in Goulmima zijn, we bij hem thuis thee kunnen drinken en er kunnen slapen.
Er komt een Zwitser langs stuiven. Hij stopt. De jongens vliegen er op af, maar hij rijdt snel achteruit. (Een Peugeot 404) Cees en ik besluiten niet zonder die jongetjes richting Ksar es-Souk te gaan. Dezen moeten echter naar Erfoud en we besluiten mee te gaan. Ik neem afscheid van die jongens en bedank nog eens extra voor de dadels en ik wijs die Zwitsers de weg naar Erfoud.
Cees kan bij twee Duitsers in een Volkswagen-bus, die met de Zwitser en zijn vriendin meerijden.
Ik zwaai nog naar de, volgens mij, beteuterd te kijken staande jongens en met een leeg hart ga ik van dit punt weg.
We rijden de woestijn in, met Bob Dylan op de achtergrond. Oum Kalsoum* zou me duizend keer liever zijn geweest.
Of ik even een sigaret wil vasthouden. Een filtersigaret, slechts half vol. Ik kijk er in, vreemd groen spul zit er in. Hasj of zoiets. Het ding wordt gevuld en opgerookt.
We rijden tot Touroug (ongeveer 35 km voorbij Tinejdad) en worden er tegengehouden. Er volgt een omleiding. Er is iets met een rivier, de Oued el-Rheris.
“Omleiding zonder gids is onmogelijk.” Toch probeert de Zwitser het. Het lukt niet. Terug. Overal zijn mensen die je willen tegenhouden. We rijden tot de rivier, die een stuk van de weg heeft weggeslagen. Een jongetje is gids. We rijden terug.
De jongens, waar Cees in de wagen zit, zijn twee Duitsers en erg mooi.
Het jongetje leidt ons naar een doorwaadbare plaats en krijgt ruzie met een aldaar oppassende man, die hem achterna loopt. Na een poosje komt de man terug en gebiedt hem te volgen. Een kleine plas en dan de Oued (rivier). Hij verdwijnt bijna tot zijn knieën in het water.
‘Als dat maar goed gaat’ denk ik. Halverwege slaat de motor af. (De uitlaat is onder water verdwenen.) Starten helpt niets.
“Aussteigen”, zegt de Zwitser. Ik doe de deur open en het water gutst naar binnen.
Tot mijn knieën in het water help ik met het meisje en de Marokkaan de wagen op het droge.
“Der Zündverteiler ist wahrscheinlich nass”, zeg ik. (De stroomverdeler is waarschijnlijk nat.) Deze wordt afgedroogd. Als even later het water uit de knalpot is, start de wagen opnieuw.
Een derde poel, het water is minder diep, wordt zonder problemen genomen.
De Volkswagen-bus heeft geen problemen. De uitlaat zit hoger en hij rijdt harder. We rijden een stuk door en stoppen dan om kleren te verschonen.
Cees en ik verzorgen met mijn verband een al oudere wond op het rechterbeen van het meisje.
Het is lekker droge kleren aan te hebben.
Een Fransman stopt en zegt dat het verder op, richting Erfoud, een janboel is doordat een rivier over de weg stroomt. Wij waarschuwen hem ook.
Een rare gedachte: dadelijk weer een nat pak. We vervolgen onze weg door enkele dorpjes en de woestijn. Vreemde muziek (elektronisch) en Bob Dylan wisselen elkaar af. Waar is toch die mooie Arabische muziek?
De rivier is dezelfde als eerst, maar het valt hier nogal mee.
’s Avonds laat, rond 20.00 uur zijn we in Erfoud.
Ik vond het jammer om te zien hoe deze mensen, waarmee we liften, met de kinderen omgingen. In Touroug, voor de rivier, kwamen tientallen kinderen op ons af en riepen van alles door elkaar. De Zwitser schreeuwde heel hard: “Silence” (in het Frans) en iedereen was verbluft. Hierna bood hij zijn verontschuldigingen aan in de vorm van dat hij zei dat hij maar naar één tegelijk kon luisteren. Dat viel me mee van hem.
We nemen in hotel es-Salaam een kamer, twee bedden (een zandbak op de grond) en een wasbak, voor 10 Dh per nacht.
Er zijn enkele mooie boys. Een van hen beheert het hotel. Hij kijkt brutaal wild uit de ogen, maar is mooi. We eten (met jus van vlees) vegetarisch en lekker in de Medina van het dorpje. Hierna gaan we terug naar het hotel en halen de zaklamp. We lopen naar de camping, waar de Zwitsers en de Duitsers (ook hasjrokers) zitten. We gaan bij de Zwitsers naar binnen. Er staan geen tenten, maar je kunt een slaaphok huren.
We praten en vertellen en zij roken een hasjsigaret. Ik drink een slok wrange wijn. Cees maakt een hasjsigaret klaar die Starlet (want zo heet het meisje) oprookt. We gaan het dorp in, Cees, Starlet en ik. Zij is “zu” (is stoned) en zegt nu de weg naar haar onderbewustzijn te vinden en te kunnen filosoferen.
We lopen onder een fantastische sterrenhemel in een verregend Erfoud, naar een café. We drinken er thee, cola en koffie en Starlet eet.
Zij raakt in gesprek met enkele inwoners, in het Spaans. (Zij woont in Spanje.)
Er komt een mooie rustige jongen binnen met een licht paars hoedje op.
Starlet begint steeds vaker en steeds langer te lachen. Het hangt me de keel uit en ik ga weg. Alleen Cees blijft met die meid achter en ik denk: ‘Dat wordt een leuk avontuurtje voor hem.’ Ik wil eigenlijk ook wel aangerand worden door een mooie boy, maar eerst moet ik naar het toilet.
In het hotel zie ik die mooie knaap niet meer.
Ik ga op bed. Ik lig te luisteren of er niemand wil binnendringen, die mij wil hebben. Ik ben een beetje jaloers op Cees, die wellicht aan zijn sekstrekken komt en ik niet. Het is tegen 01.00 uur.
Cees komt circa 02.00 uur. Hij vertelt samen met Starlet naar de camping te zijn gegaan, vergezeld door die jongen met dat vreemde hoedje en ook op de terugweg. Hij wilde weten waar Starlet sliep. Dat begreep Cees uit zijn gebaren.
“Met haar vrienden” wist Cees hem duidelijk te maken. (Ze zou echter in een auto alleen slapen.) Dan wilde hij met Cees in bed. Dat sloeg Cees af. Ik zou dat niet gedaan hebben, maar hij heeft mij niet gevraagd.
Weer: ’s morgens regen en fris. ’s Middags smoorheet en ’s avonds fris tot koud in de Sahara!
Index
Menu – Begin – Hoofdindex – Overzicht 1972-1990 – Marokko 1976 (overzicht).