3 december 1990

Dagboek 1990

(Dag 6883) Ik woon sa­men met mijn vriend BW. in Lei­den. – Sinds een paar maan­den stu­deer ik Ara­bisch aan de Uni­ver­si­teit Lei­den. – Al sinds het ein­de van de ja­ren zes­tig heb ik een so­ci­ale fo­bie: tril­angst*, tril­len­de han­den wan­neer ik in ge­zel­schap mijn han­den moet ge­brui­ken, iets moet eten, drin­ken of pre­sen­te­ren. Ik ver­mijd zo­veel mo­ge­lijk si­tu­a­ties waar ik deze fo­bie niet kan ver­ber­gen. Het duurt nog tot het jaar 2003 voor­dat ik daar­van ver­lost wordt. Van­daag heb ik er weer last van en ver­tel er iets over. – Ta­len­lab: Ta­len­la­bo­ra­to­rium, waar je de taal die je stu­deert, kunt oe­fe­nen. – De Bak: het Uni­ver­si­teits­res­tau­rant. – UB: Uni­ver­si­teits­bi­blio­theek, waar ik over­dag, maar vaak ook ’s avonds stu­deer.

MenuIndex en het einde.

Maandag, 3 december 1990.
Leren: 4,5 uur.
College.
De toets van vrij­dag heb ik niet zo erg goed ge­maakt.
Ik heb met dr. WS. ge­praat over de mo­ge­lijk­he­den om in een Ara­bisch land te stu­de­ren.
Talenlab: één uur werk­woor­den oe­fe­nen.
Van 15.00 tot 17.15 in ca­fé Ca­mi­no Re­al zit­ten ver­tel­len met WS., Noor B., Pe­tra K. en nog an­de­ren. Ik ben to­taal ‘op’ van de ze­nu­wen. Mijn han­den tril­len ver­schrik­ke­lijk, ik voel me on­rus­tig. Ik neem la­ter zelfs een pils. Al­co­hol maakt me vaak iets rus­ti­ger. Nu helpt het maar ten de­le. Die ene pils maakt me moe en sla­pe­rig, ter­wijl ik ze­nuw­ach­tig blijf.
Als­maar ze­nu­wen bij so­ci­a­le ge­beur­te­nis­sen. Ik haat me­zelf. Hoe moet dat ver­der in het le­ven? Met steeds meer so­ci­a­le con­tac­ten die ik wil en ook on­ver­mij­de­lijk zul­len zijn. Ik wil con­tac­ten, maar ik haat ze ook, om­dat ik me­zelf niet kan con­tro­le­ren. Ook hier moet ik van af. Ik wil ‘nor­maal’ zijn.
Eten in De Bak: f. 4,40.
Studeren in de UB.
Thuis 22.15 uur.
BW. kocht een Cd-spe­ler voor f. 599,75.
Muziek luis­te­ren.
Tv kijken.
Nu 01.15 uur.
Weer: vrij­wel ge­heel be­wolkt. Een beet­je blauwe lucht. ’s Avonds re­gen.

*
Een so­ci­a­le fo­bie. Wi. Ik heb last van een tril­angst: tril­len­de han­den bij so­ci­a­le ge­beur­te­nis­sen, voor­al bij in­ter­ac­tie met an­de­ren. Heel vaak kan ik het ver­ber­gen, soms, als ik het zie aan­ko­men, slik ik een be­ta­blocker, soms drink ik al­co­hol, maar er zijn si­tu­a­ties waar bei­de mid­de­len geen op­los­sing bie­den, om­dat al­co­hol drin­ken niet ge­wenst is of om­dat ik geen be­ta­blockers bij mij heb wan­neer ik on­ver­wacht ge­acht word iets in of voor een groep te doen. Ik schaam me voor deze fo­bie en lijd er nog­al on­der. Met hulp van de psy­cho­lo­gen van IPZO in Nij­me­gen word ik er in 2003 de­fi­ni­tief van ver­lost. (IPZO.)

Index

Index van ter­men:
Index van per­so­nen:
BW.
Index van lo­ca­ties:

Me­nuBe­ginHoofd­in­dex Over­zicht 1972-1990.

14 november 1990

Dagboek 1990

(Dag 6864) Ik woon sa­men met mijn vriend BW. in Lei­den. – Sinds een paar we­ken stu­deer ik Ara­bisch aan de Uni­ver­si­teit Lei­den. (Ta­len­lab: Ta­len­la­bo­ra­to­rium, waar je de taal die je stu­deert, kunt oe­fe­nen. – De Bak: het Uni­ver­si­teits­res­tau­rant. UB: Uni­ver­si­teits­bi­blio­theek, waar ik over­dag, maar vaak ook ’s avonds stu­deer.)

MenuIndex en het einde.

Woensdag, 14 november 1990.
Leren, to­taal: 7.10 uur.
Col­lege.
Talenlab.
UB.
Eten in De Bak: f. 4,40.
UB.
Thuis 22.00 uur.
Tv.
In de UB was een mooie, sexy, don­ke­re jon­ge­man.
Nu 00.40 uur.
Weer: re­gen­ach­tig. Na 23.00 stort­bui­en en on­weer. (Wolk­breu­ken.)

Index

Index van ter­men:
Index van per­so­nen:
BW.
Index van lo­ca­ties:

Me­nuBe­ginHoofd­in­dex Over­zicht 1972-1990.

26 oktober 1990

Dagboek 1990

(Dag 6845) Ik woon sa­men met mijn vriend BW in Lei­den. – Sinds een paar we­ken stu­deer ik Ara­bisch aan de Uni­ver­si­teit Lei­den. – On­ge­veer een maand ge­le­den werd ik on­ver­wachts ver­liefd op een mij ver­der on­be­ken­de beeld­scho­ne Turk­se jon­ge­man die ik een paar keer de Uni­ver­si­teits­bi­blio­theek had ge­zien. Wat hij stu­deert weet ik niet, maar ik weet wel dat dit niet aan on­ze fa­cul­teit is. Om met hem in con­tact te ko­men kan ik niets an­ders be­den­ken dan aan hem een brief te schrij­ven en hem die per­soon­lijk te over­han­di­gen. Wan­neer ik dat pro­beer te doen, ac­cep­teert hij mijn brief niet. In fei­te ga ik ‘door het stof’ (zo er­vaar ik dat), maar daar­na ben ik wel ver­lost van mijn ho­pe­lo­ze ver­liefd­heid. (Het duurt nog tot het voor­jaar 1992 voor­dat ik zijn naam te we­ten kom.)

MenuIndex en het einde.

Vrijdag, 26 oktober 1990.
Ik lig heel lang wak­ker en als ik een uur­tje of twee slaap droom ik dat ik seks heb met jon­ge jon­gens, die daar­toe door an­de­ren ge­dwon­gen wor­den. Ook lo­pen Ara­bische teks­ten door mijn droom.
Ik word vroeg wak­ker.
Op 7.00 uur.
College van 9.00 tot 11.00 uur. Li­cha­me­lijk ben ik wel aan­we­zig, maar gees­te­lijk niet.
De gereser­veer­de tijd in het Ta­len­lab (twee uur) laat ik ver­val­len.
Vanaf 11.00 in de UB, maar van wer­ken komt niet veel te­recht. Steeds weer zoek ik die brui­ne ogen, maar vind ze niet.
Tegen 15.20 kom ik uit de kof­fie­ka­mer en daar loopt hij, vlak voor mij, met zijn ge­heim­zin­ni­ge glim­lach­je.
Mijn vol­gen­de ac­tie is een vol­ko­men ge­schif­te daad, maar ik heb ner­gens spijt van. Had ik hem niet aan­ge­spro­ken, dan was ik de rest van de dag geen stui­ver waard ge­weest en zou ik zo­lang niets heb­ben kun­nen on­der­ne­men tot­dat ik die idi­o­te daad zou heb­ben uit­ge­voerd. Wan­neer?
Daad en ‘ge­sprek’ lie­pen on­ge­veer als volgt.
Hij loopt voor mij. Ik volg hem, maar het lukt me niet om hem in te ha­len, zon­der te ver­snel­len. Ik leg een hand op zijn schou­der. Hij draait zich om.
“Mag ik je wat vra­gen?”
Verder kan ik geen zin­nig woord meer uit­bren­gen en ver­volg met “Ik vind je zo mooi. Ie­de­re keer als ik je zie word ik over­stuur. Ik heb een brief waar­in ik je dat uit­leg. Wil je die ac­cep­te­ren?”
Hij begrijpt me niet dus her­haal ik het ge­zeg­de nog­maals. (Hier doe ik dat niet meer, want het is toch pijn­lijk voor mij, die idi­o­te­rie op te schrij­ven.)
Hij zegt: “Ach, eh, een brief, nee, eh.”
Ik: “Het is mis­schien een idi­oot ver­haal.”
Hij: “Ja.”
Hij weet uiter­aard niet wel­ke hou­ding hij moet aan­ne­men. Zijn mond trilt een beet­je. Hij kijkt niet naar mij.
Ik: “Nou, ver­geet het maar. Laat maar zit­ten.” Ik zwaai goeie­dag en we ver­vol­gen on­ze weg. Hij lacht vrien­de­lijk.
Als ik in de stu­die­zaal zit duurt het wel zo’n tien mi­nu­ten voor­dat het pas tot me door­dringt wat ik ge­daan heb. Ik ben blij dat hij die brief niet wil­de, hoe­wel, die brief ver­klaart wel mijn ge­schif­te ge­drag.
Ik heb het al eens eer­der ge­schre­ven, als ik moet pra­ten met ie­mand die ik zeer aan­trek­ke­lijk vind, maar niet goed ken, kan ik geen en­kel zin­nig woord uit­bren­gen. Daar­om zeg ik nu [te­gen mij­zelf]: ik heb geen spijt van mijn daad. Ik heb ge­han­deld bin­nen mijn mo­ge­lijk­he­den. Ik ben nu ver­lost van mijn lief­des­ziek­te. (Niet di­rect, maar in de loop van de avond.)
Wel weet ik niet hoe ik me moet ge­dra­gen als ik hem nog eens zie, wat waar­schijn­lijk is, in de bi­bli­o­theek.
Zijn stem was een har­de, hel­de­re, met een har­de ‘g’.
’s Avonds thuis nog hard le­ren. Dat had ik nooit ge­kund als ik niets on­der­no­men had.
Ik ben weer ge­luk­ki­ger en niet lief­des­ziek meer.
Nu 00.20 uur.
BW. is naar een N.J.H.C-week­end in Hui­sen bij Arn­hem. (Chris­te­lij­ke ho­mo­sek­su­e­len.)
Ik kocht bij De Sleg­te een boek­je: Ara­bische po­ë­zie: f. 17.50. Een hand­schrift?
Weer: aan­van­ke­lijk lek­ker, maar la­ter op de dag meer be­wol­king en dan ook veel re­gen. Van­avond zag ik ech­ter de maan weer.

Index

Index van ter­men:
.
Index van per­so­nen:
BW.
Index van lo­ca­ties:

Me­nuBe­ginHoofd­in­dex Over­zicht 1972-1990.