10 oktober 1976

Dagboek 1976

(Dag 1716) Cees en ik zijn sa­men op va­kan­tie in Ma­rok­ko ge­weest. We zijn op de te­rug­weg en zit­ten in de trein in Frank­rijk en la­ter in Bel­gië. Vroeg in de mid­dag ko­men we in Maas­tricht aan, waar we bei­den wo­nen. – Aan­slui­tend aan deze dag volgt het va­kan­tie­over­zicht, zo­als ik dat enige da­gen na thuis­komst schreef. Ik schrijf daar­in nog­al uit­ge­breid over de ver­stand­hou­ding tus­sen Cees en mij ge­du­ren­de de af­ge­lo­pen vier we­ken. – Ik word in dat ver­slag ook een beet­je een ko­lo­ni­aal, die de ‘zwar­te’ wil on­der­wij­zen door hem te la­ten zien wat gods­dienst met de mens doet.

MenuIndex en het einde.
Vakantieoverzicht.

Zondag, 10 oktober 1976.
In Hen­da­ye: we rij­den weg. Ik met een leeg hart, want ik had niet eens af­scheid van Si­mon kun­nen ne­men.
Er staan men­sen in de gang voor een cou­pé en die slechts door twee per­so­nen ge­re­ser­veerd is en toch af­ge­slo­ten is. Met mijn punt­tang maak ik die open en spreek met de nieuwe ‘be­wo­ners’ af dat ze niets we­ten. Ik ver­tel even met een Ma­rok­kaan die ook in die cou­pé gaat.
’s Nachts staan er Span­jaar­den luid op de gang te zin­gen. Ze moe­ten van de con­duc­teur een cou­pé zoe­ken. Drie ko­men bij ons erbij en ze zijn zo snug­ger om na ver­loop van tijd het licht uit te doen.
’s Nachts krijg ik het koud en neem me voor: ‘Hou dat vol tot­dat je in Pa­rijs bent,’ maar ik heb toch de re­gen­jas ge­pakt en hier­na met het hoofd voor­over op de ‘eet­tafel’ warm en goed ge­sla­pen.
Bij dag­licht zijn we in Pa­rijs en de Span­jaar­den staan weer op de gang te zin­gen.
We stap­pen uit, de Zweed­se meis­jes blij­ven op Ga­re d’Aus­ter­litz. We ne­men af­scheid.
Si­mon heb ik niet meer ge­zien.
Wij ver­vol­gen on­ze reis met de bus naar het Ga­re du Nord waar we lang op de vol­gen­de trein moe­ten wach­ten. Op het ter­ras van een ca­fé drin­ken we kof­fie en eten brood­jes en ons ei­gen brood. Een du­re zaak is het.
Ook in Pa­rijs zijn mooie boys.
Als we in het sta­tion lo­pen ziet Cees een trein aan­ge­ge­ven die er ’s mor­gens nog niet stond: 10.27 uur. De­ze gaat naar Brus­sel en ver­trekt over 2 mi­nu­ten.
We stap­pen in de laat­ste wa­gon in en rei­zen naar Brus­sel, Luik en ver­vol­gens Maas­tricht. Om 14.12 uur zijn we in Maas­tricht. We gaan met de ta­xi naar huis, voor f. 5,00 in­clu­sief fooi.
We we­gen on­ze rug­zak­ken. De mij­ne weegt 30 kg. Die van Cees 20 kg, maar daar moe­ten nog wat etens­spul­len bij, een kilo of 3 of 4. Zodat de last van Cees goed is voor cir­ca 24 ki­lo­gram.
Af­ge­val­len ben ik slechts wei­nig.
We no­di­gen Jaap uit voor een kop qah­wa ha­lib [kof­fie ver­keerd] en ver­tel­len wat. We ge­ven hem het muts­je en een over­ge­houden fles­je Spaans bier.
Jan G. komt en voor hem maak ik een ver­slag­je, geef hem het kan­ten muts­je en spreek voor don­der­dag­avond een groot ver­slag af.
Te­gen 19.00 uur bel ik Pa en Ma en maak een af­spraak voor dins­dag­avond.
Ik wil dou­chen, [die is op de der­de ver­die­ping] maar kan de stan­daard plas­tic zak niet vin­den: een Ta­lens-zak. Sinds Mi­li­tai­re Dienst ge­bruik ik vrij­wel niet an­ders dan Ta­lens-zak­ken om mijn dou­che­spul­len in te doen en nu is die weg. Ik ben woe­dend. (Waar­schijn­lijk door ver­moeid­heid) Ik trek al­les uit dat vak van de kast en vind hem niet. Ik stop al­les er weer in. Ma heeft op­ge­ruimd, maar ze heeft goed op­ge­ruimd, zelfs de fles­jes Trap­pist heeft ze af­ge­stoft en het gas­stel en de ijs­kast goed schoon ge­maakt.
Ik ga zon­der die zak dou­chen en (uiter­aard) dat gaat net zo goed.
Tegen 23.00 uur ga ik op bed, na al­les uit­ge­pakt te heb­ben.
Weer: tot voor Pa­rijs mis­tig, la­ter zon­nig.

Me­nuBe­ginIndex en einde.
Hoofd­indexOver­zicht 1972-1990.
Ma­rok­ko 1976 (over­zicht).

Va­kan­tie­over­zicht: vier we­ken in Ma­rok­ko.

Toen Cees één week voor­dat ik naar Ma­rok­ko zou gaan, be­sloot om ook mee te gaan voel­de ik dat als:
1.) Een op­luch­ting. Ik zou me vrij­er voe­len in mijn han­de­len en ik zou me ge­rug­ge­steund voe­len in mijn op­tre­den, want ik had de laat­ste tijd toch wel eens va­ker het ge­voel: ‘Hans, waar be­gin je aan?’
Zowel Pa, Ma als Opa en Jan G. voel­den zich ook erg op­ge­lucht.
2.) Als een be­las­ting in de vrij­heid van mijn han­de­len, door Cees, die een over­heer­sen­de rol zou wil­len spe­len.
Dit laat­ste, wat ik ook al op de dag Mar­ra­kesh – Ouar­za­za­te (22 sep­tem­ber) heb om­schre­ven, is soms een te gro­te be­las­ting voor mij ge­weest.
Toen ik in 1974 met Wil­lem J. naar Lon­den ben ge­weest, zijn we twee keer een paar uur uit el­kaar ge­weest, om­dat ik het soms moei­lijk had en erg krie­be­lig werd.
Bij Cees heb ik niet zo’n schei­ding ge­maakt, om­dat hij ner­gens heen kan, want er is nie­mand die hem kan ver­staan en hij kan nie­mand ver­staan.
Dit sa­men­zijn van vier we­ken met een Cees die een over­heer­sen­de rol wil­de spe­len en speel­de is voor mij per­soon­lijk soms te veel van het goe­de(?) ge­weest: dat leid­de tot span­nin­gen voor mij­zelf in Mar­ra­kesh en Al­ge­ci­ras.
In Al­ge­ci­ras, toen we niet ver van el­kaar zaten en hij zijn mond dicht hield, een half uur lang, dat was een he­le op­luch­ting.
In de trein van Hen­da­ye naar Pa­rijs, ’s nachts had hij weer een be­moe­de­ren­de op­mer­king en ik heb hem toen ge­zegd dat dit me de he­le reis ge­stoord had, dat be­moe­de­ren. De­ze op­mer­king was veel te laat en had op de eer­ste dag in plaats van op de laat­ste dag ge­zegd [ge­maakt] moe­ten wor­den.
In Mek­nes, bij het de twee­de be­zoek, had ik hem ge­zegd dat ik vond dat het goed ging met ons twee­ën en het ging be­ter als in Lon­den, maar over dat be­moe­de­ren heb ik ex­pres niet ge­spro­ken om geen ex­tra span­nin­gen tus­sen ons twee­ën op te wer­pen. Iets wat ik niet meer zal wil­len ver­dra­gen.
Ach­ter­af ge­zien zijn mijn span­nin­gen in Mar­ra­kesh en Al­ge­ci­ras goed te ver­kla­ren. Op die mo­men­ten dat ze er wa­ren, zag ik die zelf niet en Jan G. heeft me er pas don­der­dag 14 ok­to­ber op re­la­tie ge­we­zen: het do­mi­nan­te ge­drag van Cees en mijn span­nin­gen.
Ik ben blij dat Cees is mee­ge­gaan, maar ik heb me door hem ook ont­zet­tend ge­remd ge­voeld, om­dat hij al­les moet we­ten en vre­se­lijk nieuws­gie­rig is en als ik zelf wat te ber­de bracht was zijn re­ac­tie: “Zoek het maar uit.” Dat grief­de mij tel­kens weer.
Een vol­gen­de keer wil hij weer mee. Hij wil Frans le­ren en dus he­le­maal on­af­han­ke­lijk zijn. Dan kan ik ook eens zeg­gen: “Je zoekt het maar uit.”
Hij wil­de soms din­gen ge­re­geld heb­ben, die ik dan met mijn ge­brek­kig Frans moest voor el­kaar zien te krij­gen, zo­als een taxi van Tinj­dad naar Er­foud en ach­ter­af wil­de hij niet be­grij­pen waar­om dat niet ging en zei: “Vraag dan waar­om?” Ik re­a­geer­de daar niet meer op.
Soms, al in de eers­te week dacht ik: ‘Nog drie we­ken met Cees, ont­zet­tend,’ en vaak was ik blij dat er een dag om was en dat we dich­ter­bij ‘het-naar-huis-gaan‘ waren. Niet om het land Ma­rok­ko, maar om de be­moei­zucht van Cees wil­de ik naar huis. Dat was de enige mo­ge­lijk­heid om hem een poos­je kwijt te zijn en ik heb me al voor­ge­nomen om maan­dag 11 ok­to­ber ver­lof op te ne­men en dat dan de laat­ste dag te la­ten zijn waar­op ik voor­lo­pig met hem op­trek.
Soms dacht ik ver­lan­gend te­rug aan die dag in be­gin au­gus­tus waar­op ik bij IJ­ze­ren in het gras van de zon en de stil­te had zit­ten ge­nie­ten, iets wat ik in Ma­rok­ko niet heb mee­ge­maakt: stil­te.
Toen ik in Al­ge­ci­ras was, wil­de ik snel naar huis, maar toen dat niet bleek te gaan, was ik er ‘ka­pot’ van.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Ra­ma­dan, een ide­a­le tijd om te rei­zen en ook niet, na­tuur­lijk. In de bus­sen geen rook, want zelfs ket­ting­ro­kers ro­ken de he­le dag niet. Som­mi­ge men­sen zijn wel een beet­je krib­big, zo­als in de bus naar Ouar­za­za­te, toen uit het ba­ga­ge­rek een tasje naar be­ne­den viel bo­ven op een jon­gen. Die gooi­de het snel naar ach­te­ren en de man ach­ter hem gooi­de het agres­sief weer te­rug naar vo­ren. Er vie­len har­de woor­den, maar een minuut la­ter werd er weer ge­la­chen.
Als we aten, bo­den we on­ze ver­ont­schul­di­gin­gen aan, want de soms hon­ge­rige ogen de­den je de trek ver­gaan en ze zei­den dan dat we rus­tig kon­den eten, want Ra­ma­dan gold slechts voor mos­lims. Vaak lie­ten we het eten en drin­ken ook, wat voor ons ook niet mee­viel om­dat we ’s nachts ook niet ge­ge­ten had­den, maar zo erg moei­lijk was het ook niet.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Meer dan veer­tig li­ter mi­ne­raal­water heb­ben we ge­dron­ken: Si­di Ha­ra­zem in plas­tic fles­sen van 1,5 li­ter. Er zit smaak noch reuk aan en het is zon­der kool­zuur­gas.
Het is be­ter dan kraan­wa­ter, wat nog wel eens naar chloor ruikt en in Tin­ghir in Ho­tel Tod­gha zelfs een licht bruin kleurt­je had.
Met kraan­wa­ter poet­sten we hoofd­za­ke­lijk on­ze tan­den en de rest van het li­chaam. (Dou­che.)
Ook ge­bruik­ten we Si­di Ha­ra­zem om on­ze tan­den te poet­sen als het kraan­wa­ter te sterk rook of een kleur had.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Ma­rok­ko: een over­wel­di­gen­de hoe­veel­heid aan er­va­rin­gen en on­tel­baar veel knap­pe jon­ge­man­nen. Dat al­les zor­gde er­voor dat ik aan Ne­der­land niet meer dacht.
Deze hoeveel­heid aan er­va­rin­gen heb­ben me het idee ge­ge­ven heel lang op va­kan­tie te zijn ge­weest. Na twee we­ken had ik het ge­voel al maan­den on­der­weg te zijn.
Hoewel het er niet meer naar uit­zag heb­ben we toch nog op de val­reep con­tact ge­legd met een jon­ge­man: Mo­ham­med R.
Het hu­ren van een au­to is in de soep ge­lo­pen en ik weet dus niet wat dat ge­bracht had, maar ik ben blij dat het mis­lukt is (ach­ter­af) want daar­mee kwa­men we in con­tact met Mo­ham­med en het heeft ons bo­ven­dien veel geld be­spaard.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

In­clu­sief de reis­kos­ten, heb ik f. 469,40 + f. 800,00 + f. 74,00 (reis­ver­ze­ke­ring) = f. 1.340,00 uit­ge­ge­ven. Zeg: voor nog geen f. 1.400,00 een maand op va­kan­tie.

Over Mo­ham­med: een mooie, gro­te (cir­ca 1,85 m) jon­gen, ne­gro­ïde ty­pe. Een heel erg voor­ko­men­de, be­leef­de, be­schaaf­de jon­gen, 18 jaar, ge­bo­ren: 1958. Spreekt Frans en Ara­bisch, leert En­gels pas een paar dagen. Stu­deert Eco­no­mie en We­ten­schap­pen (Scien­ce) Ma­the­ma­tiek. We heb­ben el­kaars ad­res en het zou niet gek zijn om een schrif­te­lijk con­tact te on­der­hou­den, om­dat ik dan, als ik weer in Ma­rok­ko kom, een ad­res heb om een vriend te be­zoe­ken.
Ik wil via hem meer over Ma­rok­ko te we­ten ko­men en (blan­ke als ik ben) hem te la­ten zien wat er in een de­mo­cra­tie mo­ge­lijk is. Met blan­ke be­doel ik: ik wil het on­der­wij­zend deel zijn. Ik wil hem la­ten zien dat gods­dienst opium voor het volk is en dat opium (hasj) ook een ver­stik­ken­de gods­dienst is, zo­als bij ons (voor­al in Lim­burg) de drank.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

De ar­moe­di­ge toe­stan­den. De te­le­vi­sie heeft ar­moe­de la­ten zien, doch in Ma­rok­ko is die gro­ter, veel gro­ter. De meest mooie jongen die ik zag (in Ouar­za­za­te) strom­pel­de met een krom been op kruk­ken voort.
De meest ver­schrik­ke­lij­ke won­den, met een vie­ze doek en een plas­tic lap af­ge­dekt.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Ogen. Circa 20% heeft wat aan een oog, ver­min­kin­gen, ziek­ten en huid­ziek­ten. (Han­den en voe­ten zit­ten meest­al on­der een dik­ke laag zand of an­de­re rot­zooi en zien er goor uit.)
On­be­schrij­fe­lijk wat we bo­ven de ‘rok­ken’ zien, maar wat zit er­on­der? Open been­won­den, zo­als een vrouw in Ra­bat haar buur­vrouw liet zien.
En dan de hy­gië­ne: be­stel een glas te drin­ken. Bij de buur­man wordt het van de ta­fel ge­no­men, met koud wa­ter was­sen de groe­ze­li­ge han­den het glas af en je krijgt het voor­ge­zet.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Zaakjes zien er kaal en oud uit. In Fez is een leuk zaak­je met ro­de te­gel­tjes te­gen de muur en er wordt vaak ge­poetst, blijk­baar, want de vet­te stre­pen van een doek staan op de te­gel­tjes. Spie­gels zijn sme­rig, wel ge­poetst, maar met een sme­ri­ge vet­te doek.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Sla­gers, twin­tig naast el­kaar. Nie­mand maakt zich druk of hij ver­koopt of niet en nie­mand maakt zich druk over die vlie­gen: hon­der­den.
Nee, toch zijn er men­sen die zich druk ma­ken over die vlie­gen. Ze spui­ten (ge­luk­kig geen spuit­bus) met een hand­pomp het vlie­gen­ver­gif in hun zaak rond over het vlees en over an­de­re open en bloot­lig­gen­de le­vens­mid­de­len, hoe dan ook, die vie­ze vlie­gen moeten dood.
An­de­ren waai­e­ren af en toe met een waai­er­tje de vlie­gen weg, waar­van de mees­te blij­ven zit­ten om­dat die ken­ne­lijk we­ten niet te zullen wor­den dood­ge­sla­gen op het vlees, want dat ziet wel on­ge­zel­lig uit: een dooie vlieg op een dood schaap.
Kop­pen van gei­ten en scha­pen, met de ogen er­in, lig­gen uit­ge­stald. (Var­kens zijn er niet: ver­bo­den door de is­lam.)
In Tan­ger en Ra­bat op de vis­markt is al­les, vol­gens mij, rot, maar zo stinkt het ook in Maas­tricht op de vis­markt, al­leen zijn er min­der vlie­gen. Ook in de zo­mer? On­ze vlie­gen zijn gro­ter.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

En dan ta­len en re­ke­nen: zie don­der­dag 7 oktober jl. in res­tau­rant Zan­zi­bar.

De bus­ver­bin­din­gen: goed om in een be­gin­plaats of bij­na-be­gin­plaats (Er­ra­chi­dia) op te stap­pen, an­ders moet je tus­sen de Ma­rok­ka­nen, die al met meer zijn dan dat er vrije plaat­sen zijn, ook nog een kaar­tje pro­be­ren te krij­gen. Als de bus vol is, komt er de vol­gen­de dag weer een, waar het­zelf­de voor geldt, als hier­bo­ven.
Op tijd ver­trek­ken is er niet bij, maar dat stoor­de mij na­ge­noeg niet, in te­gen­stel­ling tot Cees, die er ze­nuw­ach­tig van werd. En­kel in Mar­ra­kesh sloop­te het mij ook.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Als men­sen el­kaar te­gen­ko­men en el­kaar als vrien­den be­schou­wen ge­ven zij el­kaar een hand en bren­gen dan hun hand aan hun ei­gen hart.
Bij fa­mi­lie­le­den bren­gen zij hun hand aan hun lip­pen en kus­sen de­ze. Het­zelf­de als kus­hand­jes, maar hy­gië­ni­scher want je kust je ei­gen sme­rige hand en niet die van een an­der.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Ik heb ge­zien hoe een vrouw een paar man­nen de hand kus­te. Bij ons kus­sen de man­nen de vrou­wen de hand en als je goe­de be­ken­den bent kus je el­kaar goe­den­dag, zo­als Mo­ham­med in Mek­nes.
Marokko is een man­nen­land. Man en vrouw, jon­gen en meis­je, meis­jes in een ca­fé, jon­gens en meis­jes dan­sen, dat al­les kun je zien, maar dan al­leen bij ons. In Ma­rok­ko is dat er niet bij. (Mis­schien wel in de nacht­clubs?) Jon­gens hand in hand, jon­gens die op don­kere hoek­jes dicht bij el­kaar staan (knuf­fe­len?) man­nen, hand in hand, zelfs ou­de­re man­nen en heel ou­de.
Elkaar kus­sen, open­lij­ke ho­mo­fi­lie? Dat moest in Ne­der­land ook kun­nen, maar dat is (nog) niet mo­ge­lijk.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

En de jon­gens in Ma­rok­ko, de ene is nog mooi­er dan de an­de­re en ook nog vrien­de­lij­ker. Het zijn daar mooie men­sen. Er zijn ook veel mooie meis­jes, die op een af­stand­je staan te gnif­fe­len en als je ze aan­kijkt of aan­spreekt, lo­pen ze gie­che­lend weg.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Marokko is het land van de kin­der­ar­beid en je ziet veel kin­de­ren in de soek (de markt in de Me­di­na) wer­ken en in Fez ma­ken meis­jes van cir­ca 5 jaar oud ra­zend­snel kno­pen bij een ta­pijt­kno­per.
De scho­len wor­den ook wel be­zocht en in Fez za­gen we veel kin­de­ren naar school gaan, maar ik denk dat de mees­ten wer­ken!
Veel be­de­laart­jes en als ik die kin­de­ren in de ogen kijk, wel ja, tien­tal­len Dir­hams heb ik uit­ge­deeld.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Het ver­keer: als je niet toe­te­ren kunt, kun je niet rij­den en als je remt in plaats van te toe­te­ren en niet ge­woon door­rijdt, ben je je rij­be­wijs niet waard.
Het­zelf­de geldt voor brom­mers, die meest­al mo­to­risch niet in or­de zijn, maar het zoe­mer­tje werkt als een klok­je.
De ver­keers­lich­ten. Als goe­de chauf­feur rij je mins­tens 10 me­ter door het ro­de licht en let je op het an­de­re ver­keer om te we­ten wan­neer jij aan de beurt bent en an­ders toe­tert je ach­ter­buur­man wel. Soms, zo­als in Ra­bat, staan al­le ver­keers­lich­ten dub­bel aan­ge­ge­ven. Eén keer voor het di­rect be­lang­heb­ben­de ver­keer (dat er­voor hoort te staan) en één keer voor het in­di­rect be­lang­heb­ben­de ver­keer, in de an­de­re rich­ting, zo­dat die kun­nen zien: ‘Nu ben ik aan de beurt.’

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Toen ik van­a­vond door Maas­tricht liep voel­de ik me er niet thuis. Al­les is zo groot en la­waai­e­rig en schreeu­we­rig.

Cees heeft vijf pot­jes ge­kookt op zijn pri­mus. Acht keer heb­ben we in een res­tau­rant warm ge­ge­ten en af en toe soep tus­sen door. Veel brood en wa­ter, een beet­je melk, kaas en sar­di­nes.
Ik heb thuis nog wat in te ha­len. Ik weeg 62 kg.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

As ik nu nog aan Ma­rok­ko denk, dan is dat vaak aan de ‘da­del­jon­get­jes’ op 27 sep­tem­ber, toen we lift­ten om naar Er­foud te gaan.
Ook schoot me gis­te­ren te bin­nen dat ik in Ouar­za­za­te een jon­gen heb ge­zien met een blauw ge­streep­te ‘Do­rus-trui’ en die een tul­band droeg, met een slui­er voor het ge­zicht, als een woes­tijn­man. Dat was op za­ter­dag 25 sep­tem­ber en hij was erg mooi. Dat zag ik toen hij zijn slui­er en tul­band af­deed. Daar­voor vond ik hem al erg mooi en mys­te­rieus aan­doen. Hij stond ook naar de bus te kij­ken die klaar stond voor ver­trek naar Tin­ghir.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Zaterdag 2 oktober.
Ik loop over de gang van het ho­tel en een vrouw vraagt me of ik bij haar wil ko­men. Schuch­ter volg ik haar en blijf in de deur­ope­ning van haar kamer staan. Zij zegt: “Kom toch bin­nen.” Er is nog een vrouw. De eers­te vraagt of ik dit ken. Zij houdt mee een brief­je van 25 gul­den voor de neus. Na­tuur­lijk ken ik dat.
Er is iemand ver­trok­ken, maar die kon niet in Dir­ham be­ta­len en hij of zij gaf f. 25,00
Zij vraagt hoe­veel het waard is. Ik zeg: “Kom naar mijn ka­mer, dan zoek ik het uit.” Met een re­ke­ning van Cees, die 166 Dir­ham voor f. 100,00 kreeg be­gin ik aan een moei­lij­ke be­re­ke­ning, ter­wijl ik ook een kwart van 166 had kun­nen ne­men. Ik be­taal haar 41 Dh. Ze is blij.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Later, thuis blijkt dat 7 gi­ro­kaar­ten van 250 Dh voor f. 151,25 zijn op­ge­no­men en eind no­vem­ber 3 van 250 Dh voor f. 145,00

Herinneringen over deze vakantie.

1:
Voor­dat ik naar Ma­rok­ko ver­trok waar­schuw­de een col­lega mij voor open­lij­ke ho­mo­fi­lie. Hij was in Tunesië met va­kan­tie ge­weest en had daar ‘al­le’ man­nen hand in hand zien lo­pen en el­kaar zien zoe­nen.
2:
Eveneens voor­dat ik naar Ma­rok­ko ver­trok waar­schuw­den di­ver­se col­le­ga’s me dat ik niet meer le­vend te­rug zou ko­men.
“In Ma­rok­ko zit­ten ge­slui­er­de man­nen langs de muur en als je langs­loopt trek­ken ze een mes en ste­ken je dood,” zo be­weer­den ze met gro­te stel­lig­heid.
3:
In de trein, op de te­rug­weg, in Span­je of in Frank­rijk, wa­ren er Ma­rok­ka­nen (of Span­jaar­den?) die tel­kens kran­ten in de brand sta­ken, wan­neer de trein door een tun­nel reed, als­of ze bang wa­ren in het don­ker.

Index

Index van termen:
Index van personen:
Index van locaties:

Me­nuBe­gin
Hoofd­in­dexOver­zicht 1972-1990.
Ma­rok­ko 1976 (over­zicht)Va­kan­tie­over­zicht.

12 september 1976

Dagboek 1976

(Dag 1688) Ik woon op ka­mers aan de Ta­fel­straat 30 te Maas­tricht. – Van­daag ver­trek­ken mijn buur­man Cees en ik met va­kan­tie naar Ma­rok­ko. We rei­zen met de trein van Maas­tricht via Luik en Brus­sel naar Pa­rijs.

Naar de index en het einde.

Zondag, 12 september 1976.
Opgestaan circa 8.10 uur. Bed ver­schonen.
Eten bij Cees.
We gaan met de trein om 10.59 uur weg uit Maas­tricht, dat is een uur eer­der dan af­ge­spro­ken.
Ik bel Pa en Ma op. Cees belt naar JM.
Een zat­te Bra­zi­li­aan vraagt me geld voor te eten. Hij is zijn dui­ten kwijt. Ik geef hem vier kwart­jes.
We reizen naar Luik, van­waar we vrij snel naar Brus­sel ver­trek­ken. Het uur eer­der ver­trek uit Maas­tricht le­vert in Brus­sel geen tijd­winst op.
We lopen met vol­le be­pak­king door Brus­sels bui­ten­wijk bij Sta­tion Noord. De Bel­gische eco­no­mie wordt zo­als in al­le wes­ter­se lan­den door bui­ten­lan­ders ge­dra­gen. Als je ziet hoe ze in Brus­sel (en waar niet?) zijn weg­ge­stopt, schie­ten je de tra­nen in de ogen.
Bij een mo­nu­ment voor ge­val­len strij­ders uit bei­de we­reld­oor­lo­gen plaat­sen we de las­ten en rus­ten we uit. Ik voel me een en­gel zo zwe­vend licht.
We lo­pen door de Bo­ta­nische tuin en ik zie de eers­te mooie jon­gens van van­daag.
In de Sta­tions­res­tau­ra­tie wa­ren er nog meer en [daar] we drin­ken ci­troen­thee.
Twee dames krij­gen een bak kof­fie waar­van het wa­ter nog door het fil­ter moet drup­pe­len. Een kwar­tier la­ter is de bij­be­ho­ren­de room ver­dwe­nen en het wa­ter nog niet door ge­drup­peld.
Wij stap­pen in de om 15.51 uur ver­trek­ken­de trein naar Pa­rijs. Het is er stamp­vol. Drie plaat­sen zijn er vrij. Cees zit naast mij en te­gen­over mij zit een knaap. Ge­re­geld lacht hij lief naar me en ik voel me blij en ik ben in staat de he­le reis een la­chend ge­zicht (ge­meend en niet spe­lend) vol te hou­den. Na ver­loop [van tijd] pro­beer ik con­tact in het Frans en ge­luk­kig spreekt hij een poos­je la­ter ook En­gels. Ik ben bij­na ver­liefd. Als hij weg is en een poos­je la­ter te­rug­komt hangt zijn lin­ker­hand flik­ker-vrou­we­lijk ter hoog­te van zijn heup. Hij komt uit Gre­no­ble. Is daar uni­ver­si­teits­stu­dent en is in Ne­der­land al­leen op va­kan­tie ge­weest.
Hij is een lust voor het oog met zijn krul­len­kop, half wild op zijn hoofd ge­zet.
In Parijs Noord tot Aus­ter­litz zie ik hem nog een keer, in de bus. Als hij uit­stapt ben ik hem al bij­na ver­ge­ten en merk al­leen nog dat hij goeie­dag zegt. Cees ant­woordt en ik kijk om en zie hem niet meer.
In Austerlitz is de trein er nog niet. We eten in de res­tau­ra­tie. We la­ten het vlees lig­gen en drin­ken mi­ne­raal­water.
Twee Fran­sen pap­pen aan. Ou­dere leef­tijd, be­gin veer­tig. Ik ver­trouw hun blik­ken niet. Een heeft een ring­baard­je en spreekt slechts Frans, de ander een beet­je En­gels. Ik hang een ver­haal­tje op: we gaan naar Span­je en de trein die naar Irun gaat is de on­ze. Zij gaan mee. We rei­zen dus in de­zelf­de trein, zegt hij, want zij gaan naar Dax.
Er ver­trekt ech­ter ook een trein eer­der naar Irun en die tijd had ik ge­noemd. Zij den­ken dus met ons te rei­zen en wij ne­men in wer­ke­lijk­heid een an­de­re trein.
We betalen en ver­trek­ken me­teen. Zij wil­len volgen. Hun be­ta­lings­pro­ce­du­re duurt lan­ger dan ze dach­ten en wij lo­pen Pa­rijs in. We ko­pen fruit en yog­hurt. Op het per­ron probeer ik voor Cees een cou­chet­te te ko­pen en wordt van het kast­je naar de muur ge­stuurd.
Ik gebruik het woord ‘bou­cher‘ voor ‘ko­pen’. JM had dat ge­zegd en ik: “Dat ge­loof ik ook.” en had het klak­ke­loos over­ge­no­men. ‘Ache­ter‘ moet het zijn.
De trein rijdt al (ver­trek 22.49 uur) toen ik met veel moei­te een cou­chet­te voor Cees en mij­zelf in de­zelf­de cou­pé had. Als ik al­leen was ge­weest, had ik bij een stel kin­de­ren en hun ou­ders moe­ten sla­pen. Nu sla­pen wij twee­ën bij een Ma­rok­kaan en zijn vrouw.
De Ma­rok­kaan ver­telt voor het sla­pen­gaan dat Ma­ra­kesh een mooie stad is: “De rode stad”, zegt men.
Weer: van Maas­tricht tot Pa­rijs goed.

Index

Index van termen:
.
Index van personen:
Cees.
Index van locaties:

MenuBeginHoofdindex Overzicht 1972-1990Marokko 1976 (overzicht).