2 augustus 1992

1992 – 2017: vijf­en­twin­tig jaar ge­le­den

Orient Express

Mijn eer­ste reis naar het Mid­den-Oos­ten

Dagboek 1992

(Dag 7491) Af­ge­lo­pen don­der­dag ar­ri­veer­de ik in Deir al-Zor, aan de ri­vier de Eu­fraat, in het oos­ten van Sy­rië. Vrij­dag ging ik daar ‘uit’, za­ter­dag (gis­te­ren) was ik dood­ziek en moest naar het zie­ken­huis. Van­daag ga ik met de bus naar Da­mas­cus, de hoofd­stad van Sy­rië. – De munt­een­heid in Sy­rië is het Sy­rische Pond: (£.). De koers is: £. 1.00 = f. 0,05. (Een stui­ver.)
(Tij­dens mijn reis hield ik een reis­dag­boek bij. Na­dat ik op 18 au­gus­tus thuis was ge­ko­men, be­gon ik met het op­schrij­ven van mijn we­der­waar­dig­he­den in mijn ei­gen­lij­ke dag­boek. In de tekst hier­beneden staan af en toe te­rug­blikken op de­ze va­kan­tie, ge­daan vanaf mijn bu­reau­stoel thuis.)

MenuIndex en het einde.

Zondag, 2 augustus 1992.
Deir al-ZorDimashq (Damascus).
Op 6.00 uur.
Douche.
Circa 7.00 uur, naar de Kar­nak-bus­hal­te. [Kar­nak is de Sy­rische na­tio­na­le bus­maat­schap­pij.] Ik ver­tel met een man die er oud uit­ziet, maar nog maar ach­ter in de twin­tig is en die in Bul­ga­rije stu­deert / stu­deer­de. (Voor arts.) Hij is met zijn vriend, die een Bul­gaar­se vrouw en een kind heeft.
De bus ver­trekt en zit stamp­vol. (Dat wil zeg­gen: al­le plaat­sen zijn be­zet.) Van het woes­tijn­land­schap kan ik niet veel zien, want mijn raam is van melk­glas. Mijn buur­man geeft mij no­ten en pit­ten te eten. Met en­ke­le pit­ten heb ik moei­te: ik krijg de in­houd niet uit de schaal.
Na tweeënhalf uur stopt de bus en op kos­ten van de ‘dok­ters’ drink ik thee op een koe­le scha­duw­rij­ke plek (ca­fé) bui­ten.
Het is circa 10.00 uur.
Na deze stop in Tad­moer (Pal­my­ra) zie ik een beet­je van de ou­de ste­nen in de woes­tijn.
Nu kom ik in gesprek (hij spreekt me aan) met een jon­ge­man die in Tad­moer is in­ge­stapt en hij ‘be­veelt’ me om En­gels te pra­ten, an­ders kan hij me niet ver­staan. (La­ter zegt hij dat hij de ‘dok­ter’ ook niet kan ver­staan.) Hij zegt Li­ba­nees te zijn en in de USA in­for­ma­ti­ca ge­stu­deerd te heb­ben. (Maar niet af­ge­maakt, want te duur voor zijn va­der.)
Hij ging naar Pal­my­ra om vrou­wen (toe­ris­ten) te neu­ken. (In het Ara­bisch te­gen de ‘dok­ter’ zegt hij dat hij er werkt.) Hij spreekt en denkt plat­vloers en denkt dat ik van het­zelf­de soort ben.
Met de ‘dok­ter’ voer ik in het Ara­bisch een ge­sprek over ra­cis­me in Ne­der­land en het be­lang van cul­tu­re­le uit­wis­se­ling. (Na mijn va­kan­tie zal blij­ken dat dit mijn enige ge­sprek in het Ara­bisch is ge­weest van enig ni­veau. Een con­ver­sa­tie die over wat an­ders ging dan de steeds weer te­rug­ke­ren­de on­der­wer­pen ‘geld’, ‘ge­loof’ en ‘vrouwen’.)
De Libanees denkt dat het ge­sprek me ver­veeld heeft. Hij is niet goed wijs.
Hij wil in Da­mas­cus een ho­tel­ka­mer met mij de­len. Ik zeg hem dat ik dat niet wil. Of hij dan een ka­mer naast mijn ka­mer mag heb­ben? Wei­nig en­thou­siast zeg ik dat ik hem dat niet kan ver­bie­den.
Bij aankomst in Da­mas­cus wil hij uit­stap­pen en vraagt of ik met hem mee­ga. De dok­ter, ech­ter, zou ook maar en­ke­le da­gen in Da­mas­cus blij­ven en dan via Alep­po naar Bul­ga­rije rei­zen.
Hij had gevraagd: “Mis­schien zou­den we sa­men kun­nen rei­zen?” Hoe­wel dat idee eerst ook het mij­ne was, ver­an­der­de ik in de bus van ge­dach­te. Ik wil toch nog wat lan­ger in Sy­rië blij­ven, maar zei te­gen de ‘dok­ter’ dat ik nog niet ze­ker wist of ik wel met hem mee zou rei­zen. Nu, in de bus, leek het mij ech­ter ver­stan­di­ger bij de ‘dok­ter’ te blij­ven, dan met de­ze idi­ote Li­ba­nees mee te gaan.
Ik stap met de hele meu­te in al-Ba­raam­ki uit en met een ta­xi gaan we naar het cen­trum. De dok­ter brengt me naar een 24 US-Dol­lar-ho­tel, dat ik wei­ger: “Wel, dan moet je zelf maar zoe­ken.”, zegt hij en dat wil ik ook.
Hij zal bij een vriend slapen. (De ‘dok­ters’ be­taal­den de ta­xi en wil­den van kos­ten de­len niets we­ten.)
Verschillende mensen wij­zen in ver­schil­len­de rich­tin­gen naar het Sahat al-Shoe­hada’ (Plein der Mar­te­la­ren) [ook wel Sahat al-Mar­djah ge­he­ten], maar op (de straat) Shari’ al-Itti­haad* (De straat van de Een­heid) kom ik plots A. (uit Alep­po) en haar zus T. te­gen en die ne­men me mee naar hun ho­tel Foen­doeq al-Ra­bie’ (Het Len­te­ho­tel) waar ik voor £. 150 een ou­de ka­mer huur. Het ho­tel is heer­lijk rus­tig met een bin­nen­plaats, een oa­se van rust in het cen­trum van de stad. De straat is een zij­straat van de Shari’ al-Itti­haad, je moet en­ke­le tre­den naar be­ne­den, in de buurt van een nieuw­bouw. De an­de­re kant van de straat komt uit op Ta­rieq al-Sa­roe­dja (de Sa­roe­dja-weg). [Sa­roe­dja is een wijk van Da­mas­cus.] Een en an­der ligt vlak bij Sahat al-Shoe­hada’.
Als er weer elek­tri­ci­teit is (per dag wordt de elek­tri­ci­teit en­ke­le uren af­ge­slo­ten) en dus licht in de douche, neem ik een douche. Daar­na vertel ik met Duit­se meis­jes A. en C,. (Uit Mün­ster en Keu­len.)
Met T. en A. gaan eten in een res­tau­rant. Om­dat ik nog een beet­je ziek ben eet ik niet veel. Zij be­ta­len, want ik be­stel­de niets en at van hun por­ties mee, zo­als ze me voor­ge­steld had­den.
In het hotel bui­ten ver­tel­len. La­ter al­leen bui­ten zit­ten. Een beet­je mij­me­ren over een zwar­te jon­gen, die ik hier in het ho­tel ge­zien had.
Bed circa 00.00 uur.
Over £. 828. 55 Pond op­ge­maakt. (f. 2,25.)


*
De Shari’ al-Ittahaad heet in 2017 Choukry al-Quwatly naar de gelijknamige Syrische politicus. Wikipedia.

Te­rug.


Voor een sum­mie­re uit­leg over het Ara­bisch: klik hier.


Meer informatie.

GM.: Google Maps. – Wi.: Wi­ki­pe­dia. – Web.: ove­rige bron­nen.
Syrië:
GM., Wi.
:ﺳﻮﺭﻳﺎ
Deir al-Zor:
GM., Wi., GM. (Fo­to’s.)
:ﺩﻳﺮ ﺍﻟﺰﻭﺭ
Eu­fraat:
GM., Wi.
:ﺍﻟﻔﺮﺍﺕ
Pal­my­ra:
GM., Wi.
:ﺗﺪﻣﺮ
Da­mas­cus:
GM., Wi., GM. (Fo­to’s.)
:ﺩﻣﺸﻖ

Al-Baraamki:
GM., Wi.
:ﺍﻟﺒﺮﺍﻣﻜﺔ
Sahat al-Shoehada’ / Mardjah:
GM., Wi.
:ﺳﺎﺣﺔ ﺍﻟﺸﻬﺪﺍﺀ – ﺳﺎﺣﺔ ﺍﻟﻤﺮﺟﺔ
Shari’ al-Ittihaad:
:ﺷﺎﺭﻉ ﺍﻟﺈﺗﺤﺎﺩ
Saroedja:
GM., Wi.
:ﺳﺍﺭﻭﺟﺔ
Foendoeq al-Rabie’:
:ﻓﻨﺪﻕ ﺍﻟﺮﺑﻴﻊ

Index

Index van ter­men:
Index van per­so­nen:
.
Index van lo­ca­ties:
.

Me­nuBe­ginHoofd­in­dex.
Over­zicht 1972-1990.
Chrono­lo­gisch over­zicht Orient Ex­press 1992.

1 augustus 1992

1992 – 2017: vijf­en­twin­tig jaar ge­le­den

Orient Express

Mijn eer­ste reis naar het Mid­den-Oos­ten

Dagboek 1992

(Dag 7490) Eer­gis­te­ren ar­ri­veer­de ik in Deir al-Zor, aan de ri­vier de Eu­fraat, in het oos­ten van Sy­rië. – Gis­te­ren, tij­dens een uit­je langs die mach­ti­ge ri­vier en een daar­op­vol­gend be­zoek aan een res­tau­rant langs de wa­ter­kant, heb ik waar­schijn­lijk een voed­sel­ver­gif­ti­ging op­ge­lopen. Ik ben van­daag zo ziek dat ik naar het zie­ken­huis ga om ge­ne­zing te zoe­ken. Ik ben daar ban­ger voor de spuit van de dok­ter (we­gens Aids-be­smet­tings­ge­vaar), dan voor het mes dat die schurk me gis­te­ren voor de borst hield. In het zie­ken­huis hoef ik niet te be­ta­len, wel voor de me­di­cij­nen in een apo­theek. – De munt­een­heid in Sy­rië is het Sy­rische Pond: (£.). De koers is: £. 1.00 = f. 0,05. (Een stui­ver.)

MenuIndex en het einde.

Zaterdag, 1 augustus 1992.
Deir al-Zor.
Op 10.00 uur.
Ik ben ziek, heb diar­ree en ben mis­se­lijk. Ik kan en durf niets meer te eten.
Na het douchen vraag ik aan U. (de jon­ge­man van de re­cep­tie) waar al-Moes­tash­fa (het zie­ken­huis) is. Hij ant­woord dat het voor­bij de brug over de Eu­fraat is. Hij spreekt van al-Mish­fa al-Wa­ta­ni (Het Na­tio­naal Ge­zond­heids­cen­trum.)
Ik neem een taxi. Het is druk in de stad en het duurt even voor­dat het me lukt een ta­xi te vin­den. Met de­zel­fde au­to gaat, op de ach­ter­bank, nog een he­le fa­mi­lie van vijf of zes per­so­nen mee. De rit naar het zie­ken­huis kost £. 15. Di­rect als ik uit­stap, neemt de va­der van de fa­mi­lie mijn plaats over.
Ik kan de in­gang van het zie­ken­huis niet vin­den en vraag er­naar bij een po­li­tie­man. Die wijst hem me aan.
Het ziekenhuis: ik had me er meer van voor­ge­steld. Ik zie lange rij­en wach­ten­den in een ver­waar­loosd ge­bouw. Ik spreek de re­cep­tio­nis­te aan in En­gels, maar dat ver­staat ze niet. In het Ara­bisch leg ik haar dan uit dat ik ziek ben om­dat ik ver­keerd voed­sel heb ge­ge­ten. Ze vraagt of ik over moet ge­ven. Al­leen door haar ge­baar be­grijp ik haar. Ik zeg “Nee.” en wijs naar be­ne­den. Zij ver­wijst me naar een ruimte en als ik er­naar toe loopt komt een jon­ge­man in smet­te­loos wit ver­ple­gers­uni­form naar me toe. In het Ara­bisch vertel ik wat er met mij is en hij ge­baart me hem te vol­gen. We lo­pen door ver­schil­len­de gan­gen en ik hoop de ver­pleeg­ster van de fa­mi­lie van gis­te­ren te zien. Dat ge­beurt niet.
Een jongeman in groen ver­ple­gers­uni­form blijkt de dok­ter te zijn. Hij spreekt En­gels. We gaan te­rug naar de hoofd­in­gang en in een ka­mer­tje, dat vol zit met men­sen, moet ik op het on­der­zoeks­bed­je gaan lig­gen.
Hij beveelt de mees­ten de ka­mer te ver­la­ten. Wat doet hij met me? Ik weet het niet meer pre­cies. Kneep hij me in de buik?
Er staat iemand klaar met een spuit.
Verschrikt vraag ik of deze wel ste­riel is?
“Ben je bang?” vraagt de dok­ter.
Ik zie dat de spuit­huls van plas­tic is. Is het een een­ma­li­ge spuit?
Ik moet mijn broek la­ten zak­ken. Met al­co­hol wordt op mijn bil­len een plaats schoon­ge­maakt en de spuit ge­zet. Het is zo ge­beurd. Ik heb niets ge­voeld.
Ik zie sterilisatie­ap­pa­ra­tuur staan.
De dokter schrijft op een pa­pier­tje een re­cept, in La­tijn en Ara­bisch.
Ik heb dorst en wil drin­ken, maar er is al­leen kraan­wa­ter. Dat wil ik niet heb­ben.
Eten mag ik: tomaten en la­ban (yoghurt).
Het Na­tio­naal Ge­zond­heids­cen­trum is net iets meer dan een zwij­nen­stal, al­les is oud en ver­sle­ten. (Over mijn ge­won­de teen ver­gat ik te ver­tel­len.)
Teruglopen naar de stad. Ik koop yog­hurt (een kwart ki­lo) in een plas­tic zak en ik mag een slok wa­ter drin­ken uit een gla­zen fles. De ei­ge­naar ver­ze­kert me dat het mi­ne­raal­wa­ter is.
Ik loop ver­der naar het ho­tel, door een straat waar al­leen maar goud en elek­tro­ni­ca ver­kocht wordt. Ik heb een vol­ko­men dro­ge mond. Al­les dreigt aan el­kaar te plak­ken. Er is in de­ze straat ech­ter geen wa­ter te koop.
De apotheker kletst me te lang met de vo­ri­ge klant en ik ga weg. Ik zeg “Sa’ar­dja” (ik zal te­rug­komen), maar wa­ter vind ik pas op mijn ho­tel­kamer.
Ik eet de yoghurt, ga naar de apo­theek en koop daar voor £. 95 drie soor­ten pil­len:
30 capsules Dima­phe­ni­col. (£. 46): 4 ta­blet­ten per 24 uur. (Etmaal.)
20 tabletten Ma­da­pan. (£. 24): 3 ta­blet­ten per et­maal.
20 tabletten Di­oxi­ne. (An­ti­diar­ree.) (£. 25): 3 ta­blet­ten per et­maal.
Terug naar het hotel. Ik drink het ci­troen­sap van een ech­te ci­troen en moet on­mid­del­lijk over­ge­ven, nog voor­dat ik de ka­mer­deur kan slui­ten spat een gro­te golf yog­hurt, ver­dund met wa­ter uit mijn mond. In to­taal drie gol­ven ver­dun­de yog­hurt bra­ken naar bui­ten. Al­leen het laat­ste rest­je krijg ik nog in de was­bak. De rest ligt op de grond.
Aan U. vraag ik een dweil en em­mer (hoe heet dat ook al­weer? sat’? Nee, het is: satl em­mer: ﺳﻄﻞ) en ik zeg er­bij: “‘af’al nafsi” (ik doe het zelf), maar hij zegt “ma’ lish” (het geeft niet) en hij maakt de vloer van mijn ka­mer schoon.
Ik hoop dat van de yog­hurt het voed­za­me deel in mijn maag is ach­ter­ge­ble­ven. Ik neem ook de pil­len.
Ik zet de deur van mijn ka­mer open en slaap van cir­ca 12.30 tot 14.30 uur. Het is smoor­heet en be­nauwd. Ge­luk­kig heb ik geen koorts.
Ik koop fruit (drui­ven) en weer yog­hurt, maar deze stinkt. Met mij mee loopt een an­de­re ho­tel­gast, uit Ma­rok­ko. Hij spreekt Frans. Hij ver­on­der­stelt (wel­licht cor­rect) dat ik de voed­sel­ver­gif­ti­ging van de sa­la­de heb ge­kre­gen (gis­te­ren), want friet en vis wa­ren ge­bak­ken. Al­leen de sa­la­de was koud en met Eu­fraat­wa­ter ge­was­sen.
In de stad, in de soek koop ik een koefiyya (de be­ken­de hoofd­doek voor man­nen in de Ara­bische we­reld) voor £. 125 en een iqaal (hoofd­band) voor £. 30. De koefiyya kan ik de­ze win­ter als sjaal ge­brui­ken. De iqaal is nut­te­loos en al­leen als sou­ve­nir bruik­baar. Ik on­der­han­del­de met twee koop­lie­den. De eer­ste om een over­zicht van de prij­zen van di­ver­se Koefiyaat te krij­gen. Een col­le­ga van de eer­ste koop­man roept iets op de ach­ter­grond en de koop­man roept te­rug: “Ya’arif al-Ara­biyya, ya’arif al-Ara­biyya” (Hij kent Ara­bisch, hij kent Ara­bisch.) Ik ben erg blij met deze uit­spraak en ben trots. Mijn zelf­ver­trou­wen is te­recht: ik zal de­ze taal le­ren, dat weet ik ze­ker. Een an­de­re koop­man ver­koopt mij dus een rood / witte koefiyya en na lang aan­drin­gen ook (de over­bo­di­ge) iqaal.
In een ander thee­huis dan dat van gis­te­ren­och­tend, drink ik thee. Ook hier is de thee bit­ter. (De thee­hui­zen be­trek­ken zeker van de­zelf­de thee­han­de­laar.) Ik ver­tel er met de jong­ste be­dien­de (een leuk jon­get­je) in het En­gels en een beet­je Ara­bisch. Hij klaagt dat hij al­tijd maar moet wer­ken en hij heeft ook wei­nig rust, want rent rond met wa­ter voor de kaar­ten­de gas­ten.
Ik voel me langzaam mis­se­lijk wor­den en be­reik net op tijd mijn ka­mer, want ik moet weer over­ge­ven. Ook nu lukt het me niet om al­les in de was­bak te krij­gen, maar op de vloer ligt niet zo­veel. Ik ruim het zelf op.
In de Tv-ruimte lees ik een beet­je in Cees Noo­te­boom “Het vol­gen­de ver­haal” en spreek even met U. Ik zeg te­gen hem: “Anta dja­miel” (jij bent mooi), nadat hij me ge­vraagd had of ik ge­trouwd was.
Zijn adem­ha­ling is zwaar. Hij lacht vrien­de­lijk, maar daar blijft het bij. We zit­ten naast el­kaar en hij glim­lacht af en toe. (Later op de avond zit er voor en­ke­le uren een echt stuk in de ‘lounge’.)
Douche.
Tv.
Vandaag is Ied al-Djaysh. (Het feest van het le­ger: 1 au­gus­tus) en dus een ver­heer­lij­king van het le­ger van an­der­half uur op de ou­de zwart-wit Tv.
Omdat ik nog steeds last heb van diar­ree slik ik weer Ne­der­land­se an­ti­diar­ree­pil­len Imo­dium. Ik eet niet meer mee van de aan­ge­bo­den me­loen.
Rugzak in­pak­ken en rond 23.00 uur in bed.
Ik neem nog enkele pil­len (vol­gens voor­schrift), maar geen dio­xi­ne meer.
Over £. 883. Sinds gis­te­ren­avond 18.00 uur heb ik £. 777 op­ge­maakt. Een week­loon hier, maar de Ma­rok­kaan ver­tel­de me dat hij hier in Deir al-Zor voor £. 50 per dag kon wer­ken! Dat was ook hem te gek.


Voor een sum­mie­re uit­leg over het Ara­bisch: klik hier.


Meer informatie.

GM.: Google Maps. – Wi.: Wi­ki­pe­dia. – Web.: ove­rige bron­nen.
Syrië:
GM., Wi.
:ﺳﻮﺭﻳﺎ
Deir al-Zor:
GM., Wi., GM. (Fo­to’s.)
:ﺩﻳﺮ ﺍﻟﺰﻭﺭ
Eu­fraat:
GM., Wi.
:ﺍﻟﻔﺮﺍﺕ

Koe­fiy­ya:
:ﻛﻮﻓﻴﺔ
‘Iqaal:
:ﻋﻘﺎﻝ

Index

Index van ter­men:
Index van per­so­nen:
.
Index van lo­ca­ties:
.

Me­nuBe­ginHoofd­in­dex.
Over­zicht 1972-1990.
Chrono­lo­gisch over­zicht Orient Ex­press 1992.

31 juli 1992

1992 – 2017: vijf­en­twin­tig jaar ge­le­den

Orient Express

Mijn eer­ste reis naar het Mid­den-Oos­ten

Dagboek 1992

(Dag 7489) Gis­te­ren­avond kwam ik aan in Deir al-Zor, een stad ge­le­gen aan de ri­vier de Eu­fraat, in het oos­ten van Sy­rië. – Van­daag ver­ken ik het cen­trum en loop langs de Eu­fraat. – Ik koop san­da­len, be­zoek een fa­mi­lie, deel sham­poo uit. Geef een gul­den (munt), word ver­liefd op een meis­je, wil zwem­men in de Eu­fraat, maar doe het niet en ik wil ook nog een jon­gen ver­sie­ren. – Een jon­ge­man be­dreigt me met een mes. – ’s Avonds word ik erns­tig ziek: voed­sel­ver­gif­ti­ging? – Ik laat mijn licht schij­nen op dat, waar­van ik denk dat er mis is in Sy­rië. – De munt­een­heid in Sy­rië is het Sy­rische Pond: (£.). De koers is: £. 1.00 = f. 0,05. (Een stui­ver.)
(Tij­dens mijn reis hield ik een reis­dag­boek bij. Na­dat ik op 18 au­gus­tus thuis was ge­ko­men, be­gon ik met het op­schrij­ven van mijn we­der­waar­dig­he­den in mijn ei­gen­lij­ke dag­boek. In de tekst hier­beneden staan af en toe te­rug­blikken op de­ze va­kan­tie, ge­daan vanaf mijn bu­reau­stoel thuis.)

MenuIndex en het einde.

ShampooVerliefdEufraatHangbrugSmokkelaars?Het mes!Restaurant De BrugZiekKarnakEen nichtje?SjouwersGewondErnstig ziekSyrië.

Vrijdag, 31 juli 1992.
Deir al-Zor.
Ik laat de ven­ti­la­tor de he­le nacht op ho­ge snel­heid draai­en. Hij blaast de warm­te in het rond. Ik zweet er ech­ter niet door, zo­veel af­koe­ling biedt hij nog wel.
Ik ben zelf wel heet. Ik wil een jon­ge­man om de lief­de mee te be­drij­ven.
Ontbijt in een win­kel / res­tau­rant. Ik be­stel Foel bi­la zayt. [Bo­nen­soep zon­der olie.] Dat is nog lek­ker ook.
In het thee­huis, waar on­der an­de­re drie mooie man­nen (mooi door hun Dja­la­biyya en Koe­fiyya) uit een jeep (Nis­san) stap­pen en een ta­fel­tje ver­der gaan zit­ten, drink ik thee. De eer­ste, daar­van roer ik de sui­ker niet op. De twee­de be­stel ik zon­der sui­ker, maar de na­smaak is heel erg bit­ter en bij de der­de be­stel ik weer sui­ker. £. 9 kos­ten de­ze drie glaas­jes thee. Twaalf cent per stuk!
Ik loop langs die ‘sloot’ die de sol­daat gis­te­ren­avond al-Foe­raat [de Eu­fraat] had ge­noemd. Ik kan me niet voor­stel­len dat dat de Eu­fraat is. Ik ga de ech­te ri­vier zoe­ken.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Shampoo.

Ik loop langs het be­waak­te Ba­’ath-par­tij­bu­reau en even la­ter word ik door een meis­je met een hel­de­re blik ge­vraagd: “What’s your name?”
Zij is mis­schien tien jaar. Ik praat met haar en haar broers.
Ik lees woord­jes voor uit een En­gels-Ara­bisch boek­je. Ik moet naar bin­nen, ze ‘sle­pen’ me mee. “Ta­fad­dal, ta­fad­dal.” [Alstu­blieft, alstu­blieft.] In een smal straat­je ont­moet ik de moe­der en drie doch­ters. In huis, in de bes­te ka­mer. De va­der er­bij, die het jon­ge meis­je naast mij weg­jaagt. Hij wil naast me zit­ten. De drie vol­was­sen doch­ters heb­ben ge­stu­deerd. Eent­je is Moe­mar­rida fi’l-moe­stash­fa [Ver­pleeg­ster in het zie­ken­huis], de an­de­re is Moe­han­di­sa [in­ge­nieur] (waar­in ook al weer?) en de der­de doch­ter, wat stu­deer­de die ook al weer? Ik weet het niet meer.
Ik krijg kof­fie (ik had lie­ver thee) en ben een beet­je ze­nuw­ach­tig met zo­veel aan­dacht. Ik heb last van mijn so­cio­fo­bie en dus tril­len­de han­den.
De doch­ters kla­gen over de sham­poo in Sy­rië. (Ma­de in Sy­rië: “Dann schmeiß es doch gleich zum Fen­ster hi­naus“. Dixit A. in An­tak­ya [Tur­kije] op 25 juli jl.) Hun haar is een puin­hoop. Of ik geen ech­te sham­poo heb?
Ze wil­len dat ik een fo­to maak. Ik heb ech­ter he­le­maal geen ca­me­ra mee op reis ge­no­men. Ster­ker nog, ik be­zit he­le­maal geen ca­me­ra. (En ik heb daar op mijn reis geen spijt van ge­had. Echt waard om te fo­to­gra­fe­ren zijn al­leen ge­weest: het 17-ja­rig en­gel­tje in de trein in Joe­go­sla­vië (zie 16 juli jl.) (maar ik zou niet ge­durfd heb­ben om haar te fo­to­gra­fe­ren) en de enor­me droog­te in Noord-Sy­rië, die ik uit het trein­raam zag, tij­dens mijn reis van van Alep­po naar Deir al-Zor, gis­te­ren en, dat be­denk ik me nu, 28 au­gus­tus 1992 [thuis], het meis­je dat ik hier, na mijn twee­de be­zoek aan de­ze fa­mi­lie, nog zou ont­moe­ten.)
Ze ver­tel­len dat er ook wel eens toe­ris­ten (uit welk land in Euro­pa ook al­weer?) slie­pen. Op hun ge­klaag voor sham­poo be­loof ik mijn sham­poo te gaan ha­len. (Een van de man­ne­lij­ke be­wo­ners geeft me een hal­ve ‘munt’ uit Sa­oedi-Ara­bië. Een aan­den­ken aan Deir al-Zor, zegt hij.
Ik loop terug naar het ho­tel. On­der­weg koop ik een paar san­da­len: £. 100. (Zon­der dat ik af­ding, voor zo’n be­drag (f. 4,00))
In het ho­tel laat ik een deel van de sham­poo in een le­ge wa­ter­fles lo­pen, zo­dat ik zelf ook nog wat heb. Ik neem een gul­den mee. Nu ga ik te­rug naar de fa­mi­lie en geef de sham­poo. De drie zus­ters gaan di­rect hun haar was­sen. De waar­de van de gul­den (£. 24,75) ver­baasd de zoon.
Ik ver­tel hem van mijn trein­reis naar van Alep­po naar Deir al-Zor, die goed­ko­per was dan twee bro­den in Ne­der­land.
De zoon, die 33 jaar oud is en er, dat geeft hij zelf toe, tien jaar ou­der uit­ziet, is al zes­tien jaar werk­loos. Hij wil over de si­tua­tie in Sy­rië spre­ken. Ik ga er niet op in want het kan­toor van de Ba­’ath-par­tij is maar en­ke­le hui­zen ver­wij­derd. Nu moet ik thee drin­ken en er wordt aan­ge­dron­gen dat ik ’s avonds kom eten. (Dat wil ik niet.)
De ge­sprek­ken gaan al­weer (het wordt een­to­nig) over vrouw (echt­ge­no­te van mij), geld en le­vens­om­stan­dig­he­den.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Verliefd.

Op straat ont­moet ik een an­der spon­taan meis­je (te­gen wie het jon­ge meis­je di­rect ver­telt dat ik 41 jaar ben.) Zij is heel open, vro­lijk, niet echt mooi (een beet­je ‘kik­ker­ogen’), maar door haar zo open blik en vro­lij­ke ge­drag, een beet­je ‘op­drin­ge­rig’, haar bor­sten voor­uit ste­kend, haar gro­te na­bij­heid, ben ik vrij­wel on­mid­del­lijk een beet­je ver­liefd. Zij wil ook sham­poo heb­ben. Ik ver­wijs haar naar haar fa­mi­lie. Dan wil ze mijn pen heb­ben. (Nu, 28 au­gus­tus, thuis, denk ik pas aan een mo­ge­lij­ke sek­sue­le bij­be­doe­ling.)

MenuBe­ginIndex en het einde.

Eufraat.

Ik ga op weg naar de Eu­fraat. Heer­lijk blauw is het wa­ter, als de zee, en zo aan­lok­ke­lijk in deze hit­te. Eerst enig schaam­te­ge­voel over mijn on­ge­bruin­de, wit­te huid doet me be­slui­ten niet aan de ver­lei­ding ge­volg te ge­ven. Pas la­ter komt het in me op dat zwem­men in de­ze schijn­baar scho­ne ri­vier wel eens mijn dood zou kun­nen be­te­ke­nen. 1.200 km lang is de Eu­fraat al in Deir al-Zor. En in dit land waar al­les en al­les zo maar op straat wordt weg­ge­gooid, is zo’n ri­vier een prach­tig ri­ool.
Er zwem­men wel men­sen in. Veel zelfs. Een jon­gen met een prach­tig bo­ven­li­chaam, ge­spierd, komt in mijn rich­ting, maar ik ben mis­schien niet uit­no­di­gend ge­noeg (ik blijf op mijn hur­ken zit­ten, in plaats van dat ik ga staan en hem uit­no­di­gend aan­kijk), want hij draait weer van mij weg. In zijn broek­je is niets te zien, want dat is een zeer ruim val­lend sport­broek­je. Al­le an­de­re zwem­mers dra­gen ruim­val­len­de sport­broek­jes, die ze, als ze uit het wa­ter ko­men, me­teen van het li­chaam los­trek­ken, zo­dat het niet aan de huid blijft plak­ken en er geen con­tou­ren, die mij zou­den kun­nen op­win­den, te zien zijn.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Hangbrug.

Ik loop over de voet­gan­gers­brug. Een lan­ge hang­brug.*(1). Een groep op­ge­scho­ten jon­gens wil dat ik met hen mee­loop. Zij gaan ech­ter in de rich­ting waar ik van­daan kom en ik wil nu juist over de Eu­fraat lo­pen. Die rich­ting wil­len zij niet uit.
Van de hoge ka­bels van de hang­brug sprin­gen jon­gens naar be­ne­den. Op een ei­land­je zon­nen en­ke­le jon­gens. Slechts één lijkt er (op deze af­stand ge­zien) een strak zwem­broek­je aan te heb­ben. Ik kijk even naar de li­cha­men. Loop naar de over­kant van de brug en daar drink ik een co­la die lek­ker koel is. Het le­ge blik mag ik weg­gooi­en waar ik wil.
Ik loop door een ver­la­ten speel­tuin, een stuk stroom­op­waarts. Ik wil naar die plaats wan­de­len waar ik meer mensen in de ri­vier zag spe­len, maar lang­za­mer­hand raak ik ver­der van de be­woon­de we­reld af (erg be­woond is de ‘be­woon­de we­reld’ ook niet) en ik vind dat ik het ge­vaar ook niet hoef te zoe­ken. Het spijt me wel, maar ik vind het on­ver­stan­dig om nog ver­der het bos­rij­ke ge­bied in te lo­pen. Ik loop een eind­je te­rug tot waar een drie­tal pij­pen de ri­vier in­dui­ken. Ver­beeld ik me dat, of wordt de ri­vier hier in­der­daad brui­ner, langs die pijpen?

MenuBe­ginIndex en het einde.

Smokkelaars?

Aan de over­kant van de ri­vier zie ik no­ma­den op het ei­land met gro­te zak­ken sle­pen. Het heeft iets weg van een film, waar­in de ‘goe­de’ per­soon eni­ge smok­ke­laars op af­stand met hun il­le­ga­le prak­tij­ken be­zig ziet. Vol­gens mijn sub­jec­tie­ve ge­voel klopt er iets niet aan hun ge­dra­gin­gen. Maar slechts de ‘at­mos­feer’ van de om­ge­ving wekt dit ge­voel bij mij op. Te veel film ge­ke­ken, zeker? (Steeds moet ik aan Huck­le­ber­ry Finn van Mark Twain den­ken, de film, be­doel ik.)

MenuBe­ginIndex en het einde.

Het mes!

Er pas­seert een zeer knap­pe jon­gen met drie knap­pe meis­jes (ge­luks­vo­gel) waar­van één met kind. Ze vra­gen mij de tijd. Ik zeg niets, maar laat hen mijn hor­lo­ge zien. Ze kij­ken me ver­baasd aan. Nog later zie ik de knap­pe jon­ge­man, die mij nu vrien­de­lijk groet, al­leen en snel naar de stad lo­pen. (Over de brug.) Waar zijn zijn vrien­din­nen?
Op de brug staan nog de op­ge­scho­ten ben­gels van toen straks. Ik hoor ze zeg­gen: “Money, money.” Als ik bij hen ben grijpt één mijn hand. Hij ziet er sme­rig uit. Hij maakt zoen-­be­we­gin­gen. (Hij be­valt me he­le­maal niet.) Hij zingt een lied­je dat ik niet kan ver­staan. De an­de­ren la­chen luid. Als ik naar het zak­mes van een van hen kijk (hij heeft het in zijn hand) maakt hij het open en houdt het me voor. Ik voel geen angst, loop door zon­der ook maar een­maal om te kij­ken. Ik blijf ech­ter niet meer staan.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Restaurant.

Bij Mat’am al-Djisr (Restaurant the Bredg) (sic) [de brug] drink ik co­la en bier. Mi­ne­raal­water heb­ben ze niet. Al­leen water uit de Eu­fraat. Ik ver­wis­sel steeds van ta­fel om uit de zon te blij­ven. Het duurt lang voor­dat ik de be­stel­de sa­la­de, friet en vis (want kip heb­ben ze niet) krijg. De vis is veel te veel. Ik krijg hem niet op, maar wei­ger hem aan de brood­ma­ge­re kat­ten te ge­ven, die in on­be­waak­te ogen­blik­ken zelfs op de ta­fel sprin­gen om mee te eten.
Een en ander kost £. 300. (f. 12.00), maar van mijn be­taalde £. 500 moet ik zelf de laat­ste £. 200 te­rug gaan ha­len.
Alle obers ren­nen voort­du­rend. Eén van hen vind ik in­te­res­sant. Ik vind hem sexy. Hij merkt wel dat ik naar hem kijk, maar hij moet ren­nen om de gas­ten te be­die­nen. Ver­der zit er een dik­ke Koe­wei­ti (?) met vier knap­pe jon­gens om zich, die al­len raki*(2) drin­ken.
Ik ga even zon­nen (bo­ven­li­chaam) langs de Eu­fraat, cir­ca tien mi­nu­ten en loop dan te­rug naar het ho­tel.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Ziek.

Circa 15.30 uur lig ik dui­ze­lig in bed. Ik ben mis­se­lijk. Van het bier?
Na winden la­ten voel ik me iets be­ter. Kon ik maar boe­ren.
Deze vrijdag 31-7-92 lijkt wel een zon­dag. Ie­der­een heeft vrij.
Ik be­taal de vol­gen­de nacht in het ho­tel.
Ik heb diar­ree en ben moe.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Karnak.

Ik vraag aan U., de sexy re­cep­tio­nist, waar het Kar­nak-bus­sta­tion is. [Kar­nak is de Sy­rische na­tio­na­le bus­maat­schap­pij.] Na enig aan­drin­gen zij­ner­zijds be­grijp ik dat hij me er naar­toe wil be­ge­lei­den. Daar ga ik mee ak­koord. Zwij­gend lo­pen we er­heen.
Ik koop voor £. 62 een bus­kaar­tje naar Tad­moer (Pal­my­ra) voor zon­dag­och­tend. Op de te­rug­weg ver­tel ik eerst een beet­je met een jon­gen op een fiets en dan met U.
Ik koop wa­ter en be­schuit voor res­pec­tie­ve­lijk £. 15 en £. 10.
Ik plan de reis voor­uit, maar al daar­mee doen­de, vraag ik me af wat ik bij die steen­ho­pen van Pal­my­ra moet, bij de­ze hit­te in het mid­den van de woes­tijn en ik loop te­rug naar het Kar­nak-bus­sta­tion en laat de be­stem­ming naar Da­mas­cus wij­zi­gen. Ik moet nog cir­ca £. 62 bij­be­ta­len. Het is in­mid­dels don­ker.
Ik voel me ziek. Het eten, maar toch voor­na­me­lijk de hit­te maakt me ka­pot. Ook het al­leen rei­zen, de ar­moe­de, het voort­du­ren­de la­waai, dat al­les heeft een ne­ga­tie­ve in­vloed op mij.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Een nichtje?

Ik loop wat langs de zij­arm van Eu­fraat, die hier door de stad loopt. Het is er een beet­je koel en er lo­pen wat men­sen. Ik blijf in een nich­te­ri­ge hou­ding staan voor een nich­te­ri­ge jon­gen die voor­bij liep, keek, blijft staan en dan in mijn rich­ting te­rug loopt om ver­vol­gens over te ste­ken. Hij loopt weg zon­der zich om te draai­en.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Sjouwers.

Ik blijf nog even staan kij­ken naar een groep man­nen die met hand­kracht een gro­te vracht­au­to vul­len met de in­houd van gro­te zak­ken. ‘Graan’, denk ik. Sjou­wers ne­men de zak van 100 ki­lo, (denk ik) op hun rug en lo­pen een stei­le plank op. Op de vracht­au­to wordt de zak open­ge­sne­den en ge­leegd. Als het werk ge­beurd is, wordt door de sjou­wers de rest, die op de grond ligt, zorg­vul­dig bij el­kaar ge­veegd en ver­za­meld.
Een van de sjouwers pro­beert een jon­ge­re sjou­wer te ver­sie­ren en ze ko­men naar mij. Ik ver­tel wat met de ou­de­re, over het zwa­re werk.

MenuBe­ginIndex en het einde.

Gewond.

Als ik loop heb ik pijn aan mijn te­nen, van het leer van de san­da­len en ik moet de won­den met pa­pie­ren zak­doek­jes af­dek­ken en de langs el­kaar schu­ren­de te­nen met pa­pier uit el­kaar per­sen, want ik heb hier geen pleis­ters bij me.
Ik steek de ‘sloot’ over en sta ver­steld van de puin­hoop. De straat is op­ge­bro­ken (er wordt ook al een nieu­we brug ge­bouwd) en het ou­de as­falt ligt in gro­te brok­ken over­al ver­spreid. Aan deze zij­de is niet veel te be­le­ven en ik ga te­rug en loop daar stroom­op­waarts. Ik hoop in een meer homo-­ach­ti­ge om­ge­ving te ko­men, want ik wil met een jon­ge­man vrij­en.
Plotseling stoot ik mijn voet aan een van de over­al voor­ko­men­de on­ge­lijk­he­den en mijn lin­ker dik­ke teen is flink be­scha­digd. Het bloed stroomt er­uit. Ik moet me be­hel­pen met pa­pie­ren zak­doek­jes. Als ik daar­mee be­zig ben komt een jon­gen die de tijd wil we­ten. Als ik geen ant­woord geeft pakt hij mijn lin­ker pols en draait het hor­lo­ge naar zich toe. Ik zeg: “So­de­mie­ter op.”
Hij zegt: “Thank you.”

MenuBe­ginIndex en het einde.

Ernstig ziek.

Ik kan normaal geen bloed zien. Ook nu niet. Ik word dui­ze­lig, wil gaan lig­gen, maar dat kan toch niet in de­ze zwij­nen­zooi. Ik wil wa­ter drin­ken, maar waar haal ik dat van­daan? Ik pro­beer te lo­pen, maar dat gaat niet. Het zweet breekt me uit. Ik moet naar de WC. Mijn diar­ree komt los. Ik steek de straat over, maar zie bij­na niets.
Bij een thee­huis ga ik op de stoep­rand zit­ten. Ik kan niets meer zien. Ik ben dui­ze­lig. Ik sta op, maar zak langs een af­ras­te­ring door mijn knie­ën, be­wust, ik voel het ge­beu­ren, maar kan er niets te­gen on­der­ne­men. Wat een vreem­de ge­waar­wor­ding. Ik wil wa­ter, koel wa­ter en wil het thee­huis bin­nen­gaan. (Dat wil zeg­gen, het is een om­heind open­lucht thee­huis.)
Ik ga erheen. Iemand roept me. Hij staat in de buurt van zo’n stin­ken­de ke­bab-stal. Daar wil ik niet heen. Ik loop door, of strom­pel ik? Ik zie niets. Bij een kraan (met on­ge­twij­feld Eu­fraat-water) ga ik zit­ten. Aan de jon­ge ober vraag ik: Ya sidi, ayna al-mir­haad [Mijn­heer, waar is het toi­let?] Hij ver­staat me niet. Ik zeg waar­schijn­lijk Mir­haad. [Een an­de­re ‘ha‘, het Ara­bisch heeft er twee, nog­al ver­schil­lend.]
Ik ga op de stoep zit­ten, met het hoofd tus­sen de be­nen. Plot­se­ling zit ik mid­den in een wa­ter­stroom. Heeft hier iemand een em­mer om­ge­kiept om mij weg te krij­gen? Nou, dat helpt dan wel. Ik strom­pel te­rug naar het ho­tel, waar ik met jo­dium mijn voet ver­zorg.
Circa 22.00 ben ik in het hotel.
Dat niemand me hielp komt, zo liet ik me zon­dag 2-8 in de bus naar Da­mas­cus uit­leg­gen, om­dat de men­sen bang zijn. Sterf ik op straat, dan wordt de dichtst­bij­zijn­de per­soon van moord be­schul­digd!
Ik ga op bed lig­gen met en nat was­hand­je als kom­pres op mijn hoofd. Na een poos­je gaat het be­ter kijk ik naar de slech­te kwa­li­teit Tv-beel­den en laat mijn ka­mer­deur open, zo­dat er meer fris­se lucht in kan. [Mijn ka­mer komt uit in de lounge.]

MenuBe­ginIndex en het einde.

Syrië.

Ik twijfel er niet meer aan dat ik het Ara­bisch zal le­ren. Er is dus geen en­ke­le re­den om nog in Sy­rië te blij­ven, want de vol­gen­de maand is toch te kort, maar als ik hier een ap­par­te­ment heb met ei­gen keu­ken, dan is het niet meer zo moei­lijk om hier te blij­ven en veel te le­ren.
Ik kan in de­ze zwij­nen­stal ech­ter niet le­ven. De men­sen ma­ken van het le­ven een knoei­boel. De over­heid on­der­neemt niets om de kwa­li­teit van het le­ven te ver­be­te­ren en de be­vol­king doet als ge­volg daar­van daar ook niets aan. De af­wer­king van het ho­tel is slecht. Al­les ziet er on­ver­zorgd uit. Pij­pen die uit de muur ko­men, de ga­ten er­van wor­den ge­vuld (als ze al ge­dicht wor­den) maar de gips of ce­ment wordt niet met de muur glad­ge­stre­ken, maar co­nisch af­gewerkt, in de leng­te van de pijp.
Gescheurde broe­ken, slecht ge­naaid.
Verf: de zak­ken in de verf wor­den niet glad­ge­stre­ken. [Ook: tra­nen, zak­kers, drup­pels, of drui­pers ge­noemd. Het doet er niet toe hoe die he­ten. Ze wor­den niet weg­ge­werkt.]
Ze [de men­sen hier] zijn nog steeds no­ma­den: se­den­tai­re no­ma­den.
Ik vraag me af hoe de kwa­li­teit van het le­ven in de Golf­sta­ten en Koe­weit is?
Deze sta­tische re­li­gie is een ze­gen voor het re­gi­me. De re­ge­ring wordt niet uit­ge­daagd (als dat al mo­ge­lijk is bij de­ze on­der­druk­king), maar bij God wordt toe­vlucht ge­zocht. De men­sen zijn erg re­li­gi­eus.
De eco­no­mie is vol­gens mij zwaar ge­sub­si­di­eerd. Er is veel ver­bor­gen werk­loos­heid (Wi.) en veel kin­der­ar­beid. Van een com­mer­cië­le eco­no­mie heeft nog nooit iemand ge­hoord.
A. in Antakya was blij dat hij over vijf da­gen naar huis (in Duits­land) kon. Ik be­greep hem toen niet. Nu wel.
Ik wil weg en ik wil nooit meer al­leen rei­zen.
Bed rond 01.00 uur. Tem­pe­ra­tuur in de ka­mer: be­nauwd. Ze­ker 25°C, (mo­ge­lijk veel meer: 30°C of nog meer?)

MenuBe­ginIndex en het einde.


*(1).
Genoemde voet­gan­gers­hang­brug: (GM.: foto.)
Op 24 april 2017 ont­moet­te ik in de trein een Sy­rische vluch­te­ling die pas an­der­half jaar in Ne­der­land was en die ver­ba­zend goed Ne­der­lands sprak. Hij kwam uit Deir el-Zor en ver­tel­de mij dat die ou­de, mo­nu­men­ta­le hang­brug, to­taal ver­nie­tigd was tij­dens de bur­ger­oor­log. On­langs zag ik fo­to’s van die brug waar­uit bleek dat hij de waar­heid had ge­spro­ken.

Te­rug.

*(2).
Raki (Wi,) is een sterk al­co­ho­lische drank, van Tur­kse oor­sprong.

Te­rug.


Voor een summiere uitleg over het Arabisch: klik hier.


Meer informatie.

GM.: Google Maps. – Wi.: Wi­ki­pe­dia. – Web.: ove­rige bron­nen.
Syrië:
GM., Wi.
:ﺳﻮﺭﻳﺎ
Deir al-Zor:
GM., Wi., GM. (Fo­to’s.)
:ﺩﻳﺮ ﺍﻟﺰﻭﺭ
Eu­fraat:
GM., Wi.
:ﺍﻟﻔﺮﺍﺕ

Pal­my­ra:
GM., Wi.
:ﺗﺪﻣﺮ
Da­mas­cus:
GM., Wi.
:ﺩﻣﺸﻖ

Koe­fiy­ya:
:ﻛﻮﻓﻴﺔ
Djal­la­biyya:
:ﺟﻼﺑﻴﺔ
Ba’ath-­par­tij:
:ﺣﺰﺏ ﺍﻟﺒﻌﺚ

Index

Index van ter­men:
Index van per­so­nen:
.
Index van lo­ca­ties:
.

Me­nuBe­ginHoofd­in­dex.
Over­zicht 1972-1990.
Chrono­lo­gisch over­zicht Orient Ex­press 1992.

30 juli 1992

1992 – 2017: vijf­en­twin­tig jaar ge­le­den

Orient Express

Mijn eer­ste reis naar het Mid­den-Oos­ten

Dagboek 1992

(Dag 7488) Ik ben in Alep­po in Sy­rië. Van­daag reis ik per trein naar het oos­ten van het land, naar Deir al-Zor, een stad die aan de ri­vier de Eu­fraat ligt. – De munt­een­heid in Sy­rië is het Sy­rische Pond: (£.). De koers is: £. 1.00 = f. 0,05. (Een stui­ver.)

MenuIndex en het einde.

Donderdag, 30 juli 1992.
Aleppo – Deir al-Zor.
Op 7.30 uur.
Ik heb een cri­sis. Ik wil naar huis. Al die el­len­de met die ho­tels, slecht eten, vie­ze rot­zooi, la­waai, een­zaam­heid, geen seks.
Alle gespreken gaan steeds over het­zelf­de: vrou­wen, kin­de­ren, ge­loof, geld.
Moet ik nu ver­der rei­zen naar Deir ar-Zor of Gazi­an­tep [in Tur­kije] – Istan­bul – We­nen (vlieg­tuig?) en dan naar Pa en Ma?
Ik ben ervan over­tuigd dat ik Ara­bisch wel zal le­ren als ik er maar lang ge­noeg blijf. Ik zou wel wat wil­len hui­len.
Ik zoek rust in het park.
Na ronddolen in de stad, want ik was te vroeg voor het ont­bijt (fa­toer), neem ik om 8.45 het ont­bijt.
Ik besluit om naar Deir ez-Zor te gaan.
Met J. [toeristen­gids] ga ik thee drin­ken en ver­tel hem mijn plan. Hij heeft wei­nig tijd voor mijn ge­praat. Als een spie­den­de vo­gel kijkt hij steeds naar Da­’irat al-Si­ya­ha [Toe­ris­ten­bu­reau], zijn in­ko­men. Daar­na ga ik naar ho­tel Sy­ria om af­scheid te ne­men van de jon­ge re­cep­tio­nist, die ik gis­te­ren­avond op straat ont­moet­te. Ik ga mijn ho­tel be­ta­len.

Ik betaal met een bil­jet van twin­tig dol­lar en krijg twee dol­lar terug. ($. 18 was met ont­bijt.)
In hotel Syria ga ik in de hal zit­ten, drink on­ge­wild op de kos­ten van de Rus­sen, die ik be­kijk. De re­ceptionist heeft geen tijd voor me. Ik neem rond 13.00 uur af­scheid en be­loof over veer­tien da­gen te­rug te ko­men.
Ik ga naar het station, koop een eer­ste klas bil­jet Moem­taaz [Uit­ste­kend] (hier­op is geen stu­den­ten­kor­ting mo­ge­lijk) van Alep­po naar Deir al-Zor. Dit kost £. 85. (f. 3,43.) Circa 325 km! Eer­ste klas plus air­con­di­tio­ning.
De trein zal 15.28! ver­trek­ken!
Weer: warm en veel wind, zoals ook in Tur­kije. (Pro­vin­cie Ha­tay.)
In de stationshal sta ik direct in het mid­del­punt. Veel men­sen wil­len veel we­ten. Onder an­de­re: Vrouw? Kin­de­ren? Geld en ge­loof en of mijn va­der het wel goed vond dat ik zo­ver, zo al­leen reis­de.*(1)
Zij hebben al­le­maal een Bi­ta­qa shakh­siyya [Per­soons­be­wijs / le­gi­ti­ma­tie­be­wijs] [Wij] In Ne­der­land niet. On­be­grij­pe­lijk is het voor hen dat je bin­nen een uur een pas­poort kan krij­gen en dat je on­ge­con­tro­leerd (in Eu­ro­pa) kan rei­zen. (Zon­der de po­li­tie in te lich­ten, zo­als ik hier op het sta­tion wel moet doen.)
Door de leuke con­tac­ten spijt het me dat ik Moem­taaz ge­ko­zen heb. De an­de­ren reiz­en al­le­maal Dar­dja tha­niyya [twee­de klas], want veel goed­ko­per. (Moem­taaz heet of­fi­ci­eel Dar­djat oela [eer­ste klas].)
Een jongen uit Hama geeft mij di­rect zijn adres. Hij stu­deer­de in Qa­tar en was daar in 1989 de bes­te, snel­ste zwem­mer. En der­de in Hama.
Hama, al-Shari’a moe­qa­bil mas­djid al-Imaan, dja­nib say­da­liyya al-Lail. [Hama, [wijk] al-Sha­ri’a, te­gen­over de mos­kee al-Imaan, naast de apo­theek ‘De Nacht’ (niet: de nacht­apo­theek.)]
Twee keer pas­poort­con­tro­le voor­dat ik in de trein mag.
De eerste klas blijkt vrij­wel vol te zit­ten, met de ‘be­te­re’ klas­se van de be­vol­king. Mid­den­ka­der, of iets der­ge­lijks. Hau­tain. Pas ver na al-Raqqa krijg ik enig con­tact met de men­sen.*(2) Niet veel. De mees­te pas­sa­giers in mijn om­ge­ving moe­ten naar al-Hassaka en an­de­ren (die twee­de klas rei­zen) gaan naar al-Qa­mishli.
De grote roer­gan­ger [dic­ta­tor] kan niet ver­hin­de­ren dat de trein niet oo 15.28 uur ver­trekt, maar pas ruim een half uur la­ter. On­der­weg staat hij [de trein] ook nog twee keer een half uur.
In de buurt van mij zit­ten twee knap­pe meis­jes en een knap­pe / sexy jon­gen. Al­len Sy­rische jet­set.
Er is een fa­mi­lie waar­van de opa elke vijf mi­nu­ten slijm op­hoest. (Luid­ruch­tig.)
Een van de knap­pe sol­da­ten be­taalt de mi­ni­bus voor mij. Met mijn heup sta ik in zijn kruis.
Hij helpt me een ho­tel te zoe­ken: 24 US-$. Dat is met te duur. Ho­tel al-Arabi al-Kabier [Groot Ara­bië] kost £. 100 met stro­mend wa­ter en een ven­ti­la­tor. Ik vraag aan de sol­daat (die fi­lo­so­fie stu­deer­de in Tsje­cho-Slo­wa­kije) wan­neer ik hem weer zie. Hij is bang. Sol­da­ten mo­gen geen con­tact met bui­ten­lan­ders heb­ben.
Douche.
Ik kijk Tv. Deel mee in een me­loen en spreek met het jon­get­je van de re­cep­tie. Hij heet U.
Bed 01.30 uur.
Het landschap on­der­weg: kurk­droog, le­men hut­ten, geen elek­tri­ci­teit, kleur­rijk ge­kle­de kin­de­ren die naar de trein zwaai­en. Ar­moe­de alom.
Al-Foe­raat [de Eu­fraat] is een mach­tige en mooie ri­vier, de trein ging er voor al-Raqqa over heen. Groen was het daar.
Daarna werd het snel don­ker.
Rond tien uur in Deir al-Zor.
Over: 2.210. Uit­ge­ge­ven: 445 = f. 18,00.


*(1).
Ik meen mij te her­in­ne­ren dat ik op het sta­tion in Alep­po ge­vraagd werd hoe­veel koei­en mijn va­der had, want ze ken­den Ne­der­land van­we­ge de melk. Toen ik zei dat mijn va­der geen koei­en had, maar dat er boer­de­rij­en zijn met meer dan hon­derd koei­en werd daar met on­ge­loof op ge­rea­geerd.

Te­rug.

*(2).
In mijn reis­dag­boek staat dat ik via een kind con­tact kreeg met de men­sen. Het kind kreeg in op­dracht vra­gen in het En­gels. Ik had ook con­tact met en­ke­le man­nen en met sol­da­ten. – Ik weet nog dat ik in het don­ker in Deir al-Zor ar­ri­veer­de. Het sta­tion ligt ver bui­ten de stad.

Te­rug.


Voor een summiere uitleg over het Arabisch: klik hier.


Meer informatie.

GM.: Google Maps. – Wi.: Wi­ki­pe­dia. – Web.: ove­rige bron­nen.
Syrië:
GM., Wi.
:ﺳﻮﺭﻳﺎ
Alep­po:
GM., Wi.
:ﺣﻠﺐ
Deir al-Zor:
GM., Wi.
:ﺩﻳﺮ ﺍﻟﺰﻭﺭ
Eufraat:
GM., Wi.
:ﺍﻟﻔﺮﺍﺕ

Niet be­zocht, maar wel in de tekst ge­noemd.

al-Raqqa:
GM., Wi.
:ﺍﻟﺮﻗﺔ
al-Hasaka:
GM., Wi.
:ﺍﻟﺤﺴﻜﺔ
al-Qamishli:
GM., Wi.
:ﺍﻟﻘﺎﻣﺸﻠﻲ
Hama:
GM., Wi.
:ﺣﻤﺎﺓ
Qatar:
GM., Wi.
:ﻗﻄﺮ

Index

Index van ter­men:
Index van per­so­nen:
.
Index van lo­ca­ties:
.

Me­nuBe­ginHoofd­in­dex.
Over­zicht 1972-1990.
Chrono­lo­gisch over­zicht Orient Ex­press 1992.