Jemen, 7 juni 1996

Wadi Du'an.
Een impressie van het landschap nabij de stad Hadjarain in de Wadi Do’an.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 7 juni 1996 (vrijdag).

Naar het einde of de index.

Say’oen, Wadi Do’an, Tariem.
Nu, 9 juni, zondag, heb ik niet veel zin meer deze dag te beschrijven. Ik maakte een verslag in mijn com­puter over onze trip naar Wadi Do’an.
Onze trip: Abd al-Rahmaan A., ik en de chauffeur van de Landcruiser: Moe­hammad.
We vertrekken rond 6.30 en wat opvalt, voorbij Shibaam, in wes­telijke richting, is dat de vrouwen daar zelf ezels berijden of ezelkarren besturen. Dat heb ik hier nog niet gezien. Hier is: ten oosten van Shibaam. (In Sana’a zag ik zelfs een vrouw achter het stuur van een auto.)
Wat ook opvalt is dat er zonder elektriciteit geen benzine beschik­baar is. Nog veel erger is dat er in Shibaam ook geen water is zonder elektriciteit.
Wat verder blijkt is dat erg weinig mensen en dus nog minder vrou­wen, op straat zijn. (Er zijn vaak niet eens straten!)
We zouden oorspronkelijk twee dagen naar de Wadi gaan en over­nachten bij een vriend van Abd al-Rahmaan, maar overstromingen maakten het zuidelijke gedeelte van de Wadi onbereikbaar. Het zuiden is niet ver van de zee en daar regent het vaak. Het water stroomt dan van de tafelbergen de rivierbedding (wadi) in.

Overdag, onderweg, komen we in een zandstorm terecht, minder dan drie meter zicht!
Ook onderweg heb ik liters kraan­water gedronken en nergens last van gehad. Wat dat betreft ben ik dus een Hadrami geworden.

We hadden als ritprijs een on­dui­delijk bedrag afgesproken (op z’n Arabisch), nu wilde Moehammad ongeveer 9.000 rial hebben en ik zegde hem dat toe. Als we terug in Tariem zijn, heb ik mijn handen vol spullen en een pakje van 10.000 rial in mijn broekzak. Ik wil daar in het aardedonker niet duizend rial gaan staan aftellen. Bovendien had hij de moeite genomen om veel met mij te vertellen over de vijftien jaar die hij in de Arabische Emiraten woonde. Ik geef hem dus die 10.000 rial. Pas op mijn kamer herinner ik me dat we hem al 2.100 rial in de loop van de dag gegeven hadden!

In het Gasr al-goebba-hotel in Tariem, op het terras, zit een jong Belgisch stel (midden dertig), dat hier kwam met een opzichtige BMW-motor, met typisch Belgische problemen.
Wat ze hier doen is me niet helemaal duidelijk, want in Tariem foto­gra­feren ze ‘tempels’.
Ze vlogen met hun BMW-motor naar Sana’a en wilden vervolgens door Saoedi-Arabië naar Jordanië rijden. In België hadden ze geen visum gekregen voor Saoedi-Arabië, maar de Belgische(!) consul in Sana’a zou wel wat kunnen regelen, werd hen verteld. Mooi niet dus.
Een rit door de woestijn eindigde op het politiebureau, want niemand (ocharm) had hen verteld dat je daarvoor toestemming van de auto­riteiten nodig hebt. Typisch Belgisch, nergens naar informeren!

Op mijn kamer ben ik nog tot 01.30 uur vruchteloos bezig om fouten uit formules van het financiële programma te halen.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 7 juni.
Om 6.00 komt de chauffeur Moe­hammad en wordt er weer over de prijs onderhandeld. De chauffeur krijgt uiteindelijk wat hij vraagt.
We gaan eerst naar Rayboen, naar de zonne- en maantempel. Abd al-Rahmaan deed hier enige tijd geleden, samen met Russen, opgra­vingen. Het landschap ziet eruit als de Yool, met de wadi in het midden.

[…]

Hadjarain is ons volgende doel. Er zijn inderdaad overstromingen ge­weest, want er staat veel water in de wadi. Het is een erg lange wadi, die tot bijna aan de zee loopt en daar valt veel regen, die noordwaarts stroomt in de richting van Hadjarain.
Onderweg stoppen we op ver­schil­lende plaatsen om gebouwen te fotograferen die Daniel van der Meulen vijfenzestig jaar geleden ook fotografeerde. Abd al-Rahmaan heeft fotokopieën van die foto’s bij zich en we proberen dezelfde positie in te nemen. Het blijkt dat er in die tijd, in dit middeleeuws landschap, toch enorm veel veranderd is. De tijd staat hier dus niet stil.
We bekijken enkele opmerkelijke hoekjes in Hadjarain en ik merk op dat ze daar eveneens talloze mooi bewerkte houten deuren hebben, nog veel indrukwekkender dan in Shibaam. Volgens Abd al-Rahmaan komen die deuren in de hele Wadi Do’an voor.
(Do’an komt van het Perzisch Do = twee en An zou Wadi betekenen. Wadi Do’an bestaat eigelijk uit twee wadi’s die elk een eigen naam hebben: al-Ayman (uitspraak: lay­man) en al-Aysar (uitspraak: laysar)).

[…]

Onderweg lunchen we daar waar we ook het ontbijt gebruikten: Mat’am al-machnag (Restaurant de Nek) we­gens de versmalling van de wadi daar. Verder is hij heel breed.
Ik koop onderweg ook een ratl bachoer (een bepaald gewicht wie­rook), dat volgens Abd al-Rahmaan goed zou zijn voor de hersenen als je het eet. Je voelt je er filosoof van worden. Ook in water opgelost, zou een glaasje per dag, goed voor de gezondheid zijn. Verder, en daar koop ik het spul voor, kun je het branden en de rook ruiken.

[…]

Onderweg naar Hurayda nemen we een sayyid mee en we zetten hem in die stad weer af. Ook daar proberen we enkele van de Van der Meulen-foto’s te reconstrueren.
De lucht wordt grijszwart en op weg naar Shibaam komen we in een zware zandstorm terecht. Het is alsof we in een zeer dichte mist rijden. Het zicht is minder dan drie meter. Fantastisch. Ik maak foto’s. De hele dag al, want mijn diafilms zijn op.

[…]

Ik laat me voorlichten over de mahr (huwelijksgift). Voor honderddui­zend rial kan je een vrouw kopen. Zij moet goud ontvangen van de aanstaande echtgenoot en ook haar vader moet het nodige goud fourneren. (1.000 rial is f. 13,00.)
Een vrouw kan ook goedkoper zijn. Hoesein al-A. van de hotelreceptie vertelde me dat hij maar 10.000 rial betaalde. Zij was zo goedkoop omdat zij zijn nicht is: bint al-chaal. (Bint: dochter, chaal: broer van de moeder, dus een oom aan moederszijde.)

[…]

Ook Abd al-Rahmaan vindt dat de moe’azzin (diegene die bij een mos­kee tot het gebed oproept, middels een luidspreker) veel te veel lawaai maakt en hij is niet alleen. Hij zou willen dat het oude systeem weer terugkwam: man in de minaret. Het is echter een gevoelig onderwerp.
Hij is erg gelovig. Voorheen dacht ik dat hij in Tariem voor de vorm naar de moskee ging, maar dat is niet het geval. Overal waar hij kan bidt hij. Met Moehammad werd onderhan­deld welke moskee onderweg het best in aanmerking kwam voor het gebed.

[…]

’s Avonds koop ik in Shibaam twee diafilms. “Een niet goed lopend artikel,” zegt de winkelier, een kennis van Abd al-Rahmaan.
Een andere kennis vertelt dat er geen elektriciteit is in Shibaam. Dat betekent ook dat er geen water is. De mensen kunnen, volgens Abd al-Rahmaan niet zelf iets organiseren, want dan doet de regering er niets meer aan en zegt dat er elektriciteit genoeg is.
Geen water. Het komt voor dat men doden niet kan afleggen omdat er geen water is. Zieke mensen kunnen niet adequaat geholpen worden en gaan eerder dood.
Geen elektriciteit. Veel van die grote kasten van huizen herbergen meer­dere families. Maar één familie kan op het dak wonen. (In verband met de maharim (vrouwen), die niet door andere bewoners gezien mogen worden.) De anderen moeten in deze hitte, zonder koeling in huis doorbrengen. Dat veroorzaakt veel problemen.

[…]

Moehammad, onze chauffeur kauwt onderweg gaat. Dat wil hij niet thuis doen, want hij wil niet dat zijn vier kinderen, de oudste 12 en de jongste 1, allemaal jongens, weten dat vader gaat gebruikt. Hij lijkt verslaafd aan thee want bij iedere gelegenheid drinkt hij veel daarvan. (Misschien komt dat door de gaat.)

Onderweg naar het hotel in Tariem vertelt over zijn leven als admini­stratief militair in al-Ayn in de Emiraten. Hij is een slachtoffer van de Golfoorlog. Toen zijn contract in 1993 afliep werd dat niet verlengd en moest hij met vrouw en kinderen de Emiraten verlaten. Van een luxe leventje met overal airco, zelfs op de markt, naar het arme, hete Jemen. Zijn vrouw en kinderen lijden eronder. Zijn vrouw heeft de nationaliteit van Aboe Dhabi, maar is van Jemenitische oorsprong. Moehammad werkt eraan om nog voor de winter terug te kunnen naar het ‘paradijs op aarde’. Alle straten zijn er geasfalteerd en niet vol met gaten, zoals hier in Jemen. Vierentwintig uur per dag elektriciteit, maar zestien jaar gevangenisstraf op het gebruik van gaat, net zoals in Saoedi-Arabië. Wel in een nieuwe, moderne gevangenis. De blaadjes worden in die landen gezien als een verdovend middel, hoewel je in die landen ook drugs en alcohol kunt kopen.
(Abd al-Rahmaan vertelde eens dat een vader uit Say’oen zijn jonge, aan wijn verslaafde, zoon naar Saoedi-Arabië stuurde om zijn leven te beteren. Na twintig jaar kwam die terug. Al die tijd had hij wijn gedronken!)
Moehammad verdiende in Aboe Dhabi zoveel dat hij er deze Landcruiser aan overhield.
In 1985 bezocht hij als toerist Syrië en Jordanië.

[…]

In het hotel ontmoet ik een stel dat aansluit bij het rijtje gekken dat ik in Jemen ben tegengekomen.
Uitgerekend een Belgisch stel (de Belgen die ik gedurende al mijn reizen in het buitenland ontmoette hadden altijd wel iets van pro­blemen, voortkomende uit eigen stommiteit of niet goed ingewonnen informatie.) Deze twee, man en vrouw met een BMW-motor, kwamen hier met de bedoeling van Sana’a door Saoedi-Arabië naar Jordanië te rijden. In België hadden ze geen visum kunnen krijgen voor Saoedi-Arabië, maar de Belgische consul in Sana’a zou dat wel kunnen regelen, hadden kennissen verteld. Nou, mooi niet dus. Bovendien kwamen ze hier aan met de motor en niemand op de luchthaven had hen verteld dat ze, als ze door de woestijn wilden, toestemming van de autoriteiten nodig hadden. (In onze moderne westerse maat­schappij wordt ons alles voor­gekauwd, dan kun je een maatschappij waar je zelf alles moet uitzoeken niet meer functioneren.)
Wat die mensen hier doen is me een raadsel, deze zijn zelfs niet matig geïnteresseerd in de islamitische cultuur en weten nog minder dan al die anderen die ik in Jemen ontmoette.
Hij, heftruckmonteur, weet alles van motoren. Zij is verpleegster in een Brussels ziekenhuis. Er werken daar Arabische dokters en die hadden gezegd dat zij wel in korte mouwen door Jemen en Saoedi-Arabië kon reizen. Dat doet ze ook en begrijpt niet waarom alle mannen be­lang­stelling voor haar hebben.
Zijn motor wordt voortdurend betast door allerlei handen. Hij ergert zich eraan.
In Tariem fotograferen ze wat ‘tempels’.
Zij vindt het jammer dat je hier niet met de mensen kan communikeren. (sic.)
Hij, tegen een Tarimi: “De Ramadaan is verschrikkelijk.”
Gelukkig begrijpt de jongeman hem niet, anders was een religieuze dis­cussie onvermijdelijk geworden.

Dit is het einde van het verslag van 7 juni.

Index: bachoer, bint al-amm, bint al-chaal, gaat, Hadrami, mahr, mahram / mahaarim, mat’am al-machnag, moe­’azzin, Ramadaan, salaat, sayyid, wierook.

Index van personen: Daniel van der Meulen, Moe­hammad al-S.

Index van plaatsnamen: Aboe Dhabi, al-Ayn, Gasr al-goebba-hotel, Hadjarain, Hoeraida, Rayboen, Sana’a, Say’oen, Shibaam, Tariem, Wadi Do’an, Yool.

Dit is het einde van dag 83 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voor­komt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 6 juni 1996

Een nieuwe deur.
De timmerman heeft vandaag, donderdag, de nieuwe voordeur afgeleverd voor de biblio­theek. Hij zal die zaterdag plaatsen. Die deur zal de oude grijze, rechts op de foto te zien, vervangen.
De man op de foto, links, is Abd al-Rahmaan A. de directeur van de al-Ahgaaf-bibliotheek in Tariem.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 6 juni 1996 (donderdag).

Naar het einde of de index.

Tariem, Say’oen.
Enkele weken geleden deed ik de whisky in de appelsap-flessen en de jonge jenever in waterflessen. Gis­terenavond dronk ik twee jonge jenever aan­gelengd met lemontina. Ik zette de fles jonge jenever zonder na te denken in de koelkast. Toen ik later een slok water wilde hebben … ja, toen dronk ik een flinke teug jonge.
Ik was in staat tot 7.45 uur te slapen, wel met veel onderbrekingen, want het is vanaf 05.00 uur klaarlichte dag. Mijn bed (buiten) komt echter pas na achten in de volle zon te staan.
Vanavond slaap ik in Say’oen.
Nu 8.30 uur.

In de bibliotheek wacht ik tot 11.45 uur. Dan is er een kwartiertje span­ning. Ik print de fax voor Jan Just Witkam uit en laad in beide com­puters dat deel van de fihrist (catalogus) dat ik thuis overtypte, in de computer. (Thuis: september – december 1995 in Nederland.)
Nadat ik de nieuwe koers heb gevraagd (106 rial voor 1 US$) voeg ik enkele regels met de hand aan de fax toe. Ik besluit om 400 of 500 dollar te wisselen, maar de geldwisselaars zijn al vertrokken. Gelukkig, want in Say’oen, waar ik naar toe ga, krijg ik 109 rial en wissel daar vijftien­honderd dollar bij de zwager van Abd al-Rahmaan A. Die heeft een be­drijf voor reparatie van auto-uit­la­ten en kan dat bedrag in rial zonder problemen op tafel leggen.

Bij Abd al-Rahmaan thuis zie ik een prachtig mooie vrouw, slechts met hoofddoek en ik reken me al rijk: ik zag de vrouw van Abd al-Rahmaan, maar later blijkt deze schoonheid een jong buurmeisje in donker­groene jurk en grote zwarte hoofd­doek. Zonder al die stof zal ze waarschijnlijk zeer mager zijn.
’s Avond krijg ik een eenvoudige, maar goede maaltijd voorgezet.
We zitten buiten nog wat te ver­tellen en rond 23.30 ga ik naar bed.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 6 juni.
De timmerman levert de houten deur af, gemaakt van Maleis meran­ti. Ahmad, de elektricien uit Tariem, wijst me erop dat meranti niet gevrijwaard kan worden van hout­worm. Er is harder hout ibal(?) (eik?) dat onverwoestbaar is en in de winter nog harder. (Volgens Abd al-Rahmaan.) Dat hout wordt alleen in de winter gezaagd.

[…]

Gezien de omvang en het soort kleding vermoedde ik al dat het een Nederlandse was. Ze kwam in mijn richting gesjokt. Toen ze dichterbij was uitte ze een paar onverstaan­bare klanken, zodat ik niet meer wist met welke nationaliteit ik nu weer te doen had, maar mijn eerste indruk bleek toch correct en ze stelde meteen gerichte vragen, alsof zij het geschenk aan de bibliotheek gegeven had en alsof ze hier al vele malen geweest was. Vragen in de trant van: “Heeft dit nu nut? Is dit geen weggegooid geld? Kunnen die mensen wel met dit spul omgaan? Hebben ze wel enige benul wat er gebeurt? Kennen ze de waarde van dit alles wel?”
Ik vroeg haar wie ze was en wat ze kwam doen. Haar voornaam was M., ze was journalist voor een polytech­nisch tijdschrift, maar hier was ze slechts op vakantie, met Djoser.
Toen wist ik genoeg. Hun reis­begeleider, MvM, is hier al ver­schillende keren geweest en in het begin hadden Nico en ik het idee dat dit geschenk ‘paarlen voor de zwijnen’ was. In onze teleurstelling hadden we dat idee niet onder stoelen of banken gestoken en ook MvM deelgenoot gemaakt in onze verbitterde gevoelens.
Ik vertelde haar (een goede vriendin van MvM) dat het idee waarop haar vragen stoelden niet meer van toepassing was. Dat al die negatieve woorden niet meer op hun plaats waren en dat ik nu vrijwel zeker wist dat dit een groot succes zou worden, zeker nu er een nieuwe directeur is met enkele enthousiaste medewer­kers. Toen MvM later ook kwam heb ik hem apart genomen en hem mijn nieuwe opvatting verteld, maar hij bleef sceptisch.
Hij heeft een wrok tegen enkele mensen van de Nederlandse Ambas­sade. (De heer M. van de Ambassade heeft een negatief reisadvies voor Marib en omgeving afgegeven en Djoser, als lid van de ANVR, moet zich daaraan houden, terwijl alle andere reisbureaus die regio zonder problemen doorkrui­sen. M. zou, vol­gens MvM, zijn criteria niet willen toelichten.)
Om die reden blijft het voor MvM moeilijk beslissingen van de Ambas­sade (de­ze gift bijvoorbeeld) te ac­cep­­teren. MvM is ook persoonlijk betrok­ken bij de financiering van een tehuis voor geestelijk gehandicapte kinderen (in Jemen), waar­voor de Nederlandse regering geen geld over heeft. Zijn scepsis heeft daarmee te maken: waarom wel geld voor ‘oud papier’, maar niet voor gehandicapte kin­deren.
De Nederlanders, ook dezen ‘zeer geïnteresseerd’ in de islamitische cultuur, gezien hun geringe belang­stelling voor handschriften, maar wel voor mijn fax aan Jan Just Witkam, die ik op dat moment uitprintte: allemaal stonden ze die te lezen en nadat ze een deel uit dat bericht geciteerd hadden, zei ik: “U bent wel erg nieuwsgierig.”
“Daarvoor zijn we hier,” kreeg ik als antwoord.
Om computers te komen bekijken, zeker, en persoonlijke brieven hard­op mee te lezen!

[…]

Ik ga met Abd al-Rahmaan mee naar Say’oen. Onderweg wijst hij me op de vele witte stenen op de berghel­lingen. Die staan allemaal in grote vierkanten opgesteld. Het zijn stuk­ken land die bestemd zijn voor huizenbouw. Nu de regering niet meer toeziet op wat er in het land gebeurt, komt iedereen zomaar een stuk land claimen, eventueel met vervalste documenten.
Toen de regering nog wel toezag, gebeurde dit ook, toen claimden politici grond, niet voor henzelf maar voor de partij of de regering.
Het enige verschil met vroeger is dat het toen volgens een bepaald sys­teem gebeurde en nu in het wilde weg.
Bovendien claimt niemand meer voor een ander (de partij of rege­ring), maar wel voor zichzelf.
Taxichauffeur Hamid had me ook al op deze praktijken gewezen.
Veel mensen verlangen terug naar de socialistische tijden, hoewel dat een slechte tijd was en men van die regering verlost wilde zijn. Muham­mad al-H. citeerde ver­leden week al uit een gedicht:

Vroeger huilde men over haar, nu huilt men om haar. (De regering.)

[…]

Ik informeer naar de wisselkoers van de dollar en krijg te horen dat die 109 rial is. Drie meer dan in Tariem. Abd al-Rahmaan wil dat ik bij zijn zwager geld wissel tegen de geldende koers. Daar heb ik geen bezwaar tegen. We rijden een eind en stoppen bij een garage voor de reparatie van knalpijpen. (Spe­cialisme!) Daar hebben ze een prachtige poortdeur van bewerkt hout, die staat weg te rotten.
Abd al-Rahmaan zegt dat ik hier maar moet wisselen. Ik kijk hem verbaasd aan en zeg: “Ik dacht dat ik bij je zwager moest wisselen?”
“Dat is hier.”
Ik stap uit en er staat een of ander onduidelijk figuur op mij te wachten. Ik zeg tegen hem dat ik geld wil wisselen, maar hij com­mandeert me om naar binnen te gaan. Ik denk dat hij me niet begrepen heeft, maar met nog meer ongeduld zegt hij dat ik naar binnen moet gaan. Achter het bureau van het kantoor vind ik de schoonvader van Abd al-Rahmaan. (Ik zag hem op de luchthaven van Sana’a, toen we terugkeerde van ons kort bezoek aan de hoofdstad.) Tegen hem zeg ik dat ik geld wil wisselen en weer wordt er wat gecommandeerd. Dan komt een ietwat gezette jongeman achter het bureau zitten en hij blijkt de zwager te zijn. Bij hem wissel ik vijf­tienhonderd dollar voor 109 rial per dollar. Hij behoort tot de al-Kaaf familie en het blijkt voor hen geen moeite het juiste geldbedrag op tafel te leggen.
Het voorgaande vage gedoe kom ik steeds weer tegen en het blijft moei­lijk om daaraan te wennen. Telkens wordt je in het onge­wisse gelaten over prijzen. Als je iets koopt zegt de verkoper niet: “Zoveel,”, maar je moet naar de prijs vragen.
Mensen die diensten verlenen, zeggen vaak niet: “Ik krijg zoveel van je,” maar “Jij weet wel wat mijn dienst waard is.”
Ook Abd al-Rahmaan heeft moeite om concreet te zijn over geld. Iedereen ver­onderstelt maar dat je alles weet en iedereen kent.

[…]

We gaan onderhandelen met de chauffeur van de Landcruiser, die ons twee dagen lang in Wadi Do’an zal rondrijden. Ook hier weer een staaltje van vaagheid. Iemand an­ders dan de chauffeur had gezegd dat hij het wel voor 12.000 rial zou doen en Abd al-Rahmaan had mij dat als zekerheid gepresenteerd, maar de chauffeur denkt er anders over en wil 15.000 rial. Na lang gesteggel moet ik de knoop door­hakken en gaan we dus voor dat laatste bedrag.
Abd al-Rahmaan had me op weg van Tariem naar Say’oen al verteld dat hij slachtoffer was geworden van onduidelijke afspraken. Zesduizend rial had hem dat gekost. Voor me­nigeen een maandloon.

[…]

We bezoeken het ouderlijk huis te midden van een rijk gevulde planta­ge van dadelpalmen op het plat­teland, even buiten Say’oen. Hoewel het al bijna donker is kan ik zien dat het een prachtig stuk grond is. De weg erheen was al een fotoreportage waard.
Op dat land werken een aantal boeren. De opbrengst van de dadel­palmen is voor de helft voor de familie A., de andere helft voor de boeren, die niet op het land wonen. Van de helft voor de familie gaat 35% op aan de instandhouding van de plantage.
De boeren bezitten de waterpomp, maar het waterwiel is van de familie. De boeren zijn kennelijk niet hele­maal betrouwbaar, want ze doen nogal eens alsof ze niet weten hoe een en ander onderhouden moet worden, in het deel van de familie, wel te verstaan. In hun deel van de plantage komen die problemen niet voor, hoewel deze niet de slechtsten zijn. De familie bezit kennelijk meer land, want daar zitten boeren die veel problemen veroorzaken.
Verder veroorzaken ook militairen uit de naburige legerplaats proble­men. Die komen bij nacht en ontij met hun wapens en pakken wat ze te pakken kunnen krijgen. Zij richten meer schade aan dan ze wegnemen. Dit is een land zonder regering. Iedereen doet maar wat hij wil.

[…]

Abd al-Rahmaan wil van het huis dat bij de plantage hoort twee appar­temen­ten maken en die verhuren aan toeris­ten.
In een cafetaria, ongeveer Europese stijl, bespreken we zijn idee.
In ieder geval zal er constant elektriciteit en koel water beschik­baar moeten zijn. Ik wijs hem op het bestaan van de ‘veteranenziekte’, ge­volg van bacteriegroei in water­pijpen waar altijd lauw water doorheen gaat. Ook komen we tot de conclusie dat de naast het huis staande waterpomp elektrisch moet worden, want iedereen wordt gek van het getakketak van de tweetakt­motor.

[…]

Onderweg vertelde Abd al-Rahmaan over de opkomst van de Islah-partij, die steeds machtiger wordt in dit economisch steeds verder achteruit­gaande Jemen. De basis van de verbetering van de economie van het land ligt in beter onderwijs, terwijl de Islah-partij, die nu ook het onderwijs verzorgt, afziet van het onderwijzen in de westerse weten­schappen en kennis en zelfs afziet in het onderwijzen van wiskunde. Belangrijk voor hen is de gods­dienstwetenschap.
Voor Jemenitische arbeiders is er niet veel kans en hoop op verbe­tering van de arbeidsomstandighe­den. Ze zijn slecht onderwezen en niet allemaal bereidt even hard te werken. Westerse oliemaatschappij­en nemen geen Jemenieten in dienst, maar Oost-Afrikanen, omdat die Engels zouden spreken en, na­tuurlijk, eerder bereid zijn een order op te volgen, dan de socia­listisch onderwezen Zuid-Jemenieten.

[…]

Bij Abd al-Rahmaan thuis hoor ik dat sommige Jemenieten grote hoe­veelheden valiumpillen leveren in Saoedi-Arabië, tegen woekerwins­ten. Dat sluit mooi aan bij het verhaal dat ik eens in een Egyptisch damesblad las over vrouwen in de Golfstaten en omstreken. Die hebben niets zinvols te doen in hun leven. Ze kijken Tv, bellen urenlang met vriendinnen en slikken vooral veel verdovende pillen om de dag door te komen.

[…]

De chauffeur van de Landcruiser komt vertellen dat er overstromin­gen zijn in Wadi Do’an en dat hij niet zo ver kan gaan als Abd al-Rahmaan wil. We zullen nu maar één dag gaan, in plaats van twee. Weer begint natuurlijk het gesteggel over de prijs, maar daar ben ik niet bij. Dat hoor ik achteraf.

Dit is het einde van het verslag van 6 juni.

Index: fihrist, ibal, Islah-partij, VeteranenziekteZuid-Jemen: com­munisme.

Index van personen: Abd al-Rah­maan A., Hamid B. taxichauf­feur, al-Kaaf, Nico, Jan Just Witkam.

Index van plaatsen: Jemen, Marib, Sana’a, Say’oen, Tariem, Wadi Do’an.

Dit is het einde van dag 82 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

De uitspraak van enkele letters en klanken in Arabische woorden.
In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voorkomt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ق) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 5 juni 1996

Alsof het een maanlandschap is: de Yool, de woestijn ten noorden van Tariem, boven op de tafelbergen.
Alsof het een maanlandschap is: een impres­sie van de Yool, de woestijn ten noor­den van Tariem.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 5 juni 1996 (woensdag).

Naar het einde of de index.

Tariem, Say’oen.
Ik constateerde gisteren dat mijn computerboekhouding niet hele­maal in orde was, dus probeerde ik hem vanochtend aan te passen. Het lukte niet bijzonder.
Met de taxi naar Say’oen, want ik moet de Nederlandse Ambassade in Sana’a bellen, maar daar is geen telefoonlijn beschikbaar.
Op straat sla ik met groeiende interesse gade hoe vermoedelijk koop­­bare vrouwen (bedelaarsters) een auto uit Aboe Dhabi belagen.
Terug naar het hotel in Tariem.
Computerboekhouding aanpassen.
Een fax voor Jan Just Witkam schrijven.
Koken.
Computerboekhouding.
Nu 23.00 uur.
Rond 17.00 viel er een forse regen­bui.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 5 juni.
Vanochtend was ik om 8.45 in Say’­oen, maar er zijn geen telefoonlijnen beschikbaar, dus ga ik naar het Gasr al-thawra.

[…]

Hussain al-A. van de telefoonwinkel in Tariem had me gisteren verteld dat bellen vanuit Tariem mogelijk was. Evenals de directeur-generaal van de telefoonmaatschappij gezegd had, blijkt er één telefoon in Tariem te werken. Volgens Hussain kon ik met steekpenningen wel eerder aan de beurt komen. (Want er staan nog zeker tweehonderd wachtenden vóór u.)
Ik voelde niets voor zo’n koloniaal gedrag.

[…]

Moehammad al-H. in het Gasr al-thawra, toonde mij het archief met oude documenten voor de regio Say’oen. Hier willen ze graag hulp hebben van de Nederlandse regering om er wat van te maken. Wat? Dat werd me niet helemaal duidelijk.
Er werkt een (andere) Moehammad. Zijn vader zette het archief op. Moehammad al-H. probeert de deur met een sleutel te openen. Dat gaat niet, dus roept hij: “Ya Moeham­mad!” (Hé / Oh Moehammad!) Na enige tijd horen we gestommel. Een magere jongeman, die ik al eens eerder gezien had, tijdens het bezoek van de Nederlandse ambas­sadeur, doet de deur open. Op zijn bureau staat een dienblaadje met een leeg theekopje, een postbakje met wat rommel, naar later blijkt, de catalogus van de documenten, en zijn bril. (Niets bijzonders, ik zag al meer lege dan volle bureau’s. Het bureau van Moehammad al-H. wordt in beslag genomen door een telefoon, een fles water en een beker. Soms ligt er een krant en ik zag ook al eens een presse-papier.)
Mij wordt getoond wat er te zien is en het blijkt dat alle documenten in een plastic mapje zitten. Moeham­mad (doet er niet toe welke) weet niet of dat goed is of niet. Hij wil hulp van de Nederlandse regering om dat uit te zoeken.
Ik wijs hem erop dat de grootste expert op het gebied van papier­conversatie in Jemen werkzaam is en nog wel bij dezelfde organisatie waarvan hij zijn salaris krijgt: Ursula Dreibholz die in Sana’a bij het Daar al-Machtoetaat werkt. (Het Museum voor Handschriften.)
Uit het logboek blijkt dat een zekere Ulrike Freitag veel documenten heeft ingezien. Alle documenten zijn gefotokopieerd, maar nu is het fotokopieerapparaat al meer dan drie jaar stuk en er worden maar geen nieuwe onderdelen gestuurd.
Aan de muren hangen en op de tafels liggen, onder glas, talloze documenten kopieën van ervan, met een summiere beschrijving in het Engels of het Italiaans. Om er wat van te maken stel ik voor dat de jonge Moehammad best de tekst zou kunnen overtypen, om zo een eenvoudig leesbaar document te krijgen (of mooi overschrijven) en dat hij wat achtergrond informatie kan vergaren, zoals waarom een bepaald verdrag tussen twee leiders werd gesloten. Wat was de oorzaak en het gevolg van dat verdrag? Wie waren de mensen die erin genoemd worden. Wat is te vertellen over het papier, etc. Dat alles en nog veel meer lijkt me veel interessanter dan de vraag over hoeveel minuten het theekopje weer een kopje thee zal zijn.
Maar er zijn kennelijk verzachtende omstandigheden waarom deze jon­geman die lijdensweg niet hoeft te gaan en gewoon voor zich uit mag blijven staren. (Een van de redenen was, zo begreep ik, dat de redelijk grote ruimte te klein was en dat men daarom hulp van de Nederlandse regering nodig had om meer ruimte te vinden en hulp van de Neder­landse regering nodig had om die grotere ruimte weer kleiner te maken door hem vol te stoppen met Nederlandse tafels.)

[…]

Ik ga met Abd al-Rahmaan A. de stad in, op zoek naar diafilms om de Wadi Do’an te fotograferen, maar diafilms zijn in de hele Wadi niet te vinden, daarom zal ik fotofilms van het project gebruiken.

[…]

Op straat sla ik enige tijd bedelende gesluierde vrouwen gade die zich vergapen aan, of onderhandelen met de chauffeur van, een spiksplin­ternieuwe Landcruiser, die echter de ramen van zijn, ongetwijfeld ge-airco-de auto niet open heeft gedaan. Deze mutasawwilaat (bede­laarsters) zijn kennelijk niet van Say’oen, want in de socialistische tijd kwam dat niet voor. Dit ‘gespuis, zo wordt me verteld, komt uit de Tihama. (Wat moet het daar vreselijk slecht zijn.)

[…]

Ik zie veel juweliers / goud­hande­laren in Say’oen en allemaal worden ze bezocht door veel vrouwen. (Een man mag volgens de islam immers geen goud dragen.) Ook de winkels met kleurige stoffen staan vol met vrouwen. Dat dragen ze allemaal in huis, zoals bij Hoesein al-A. (de receptionist van het hotel) thuis. Of de meisjes op straat, in de meest mooie kleurencombinaties, ‘afgeze­kerd’ met een mooie, grote zwarte hoofddoek, op z’n Indone­sisch gedragen.

[…]

Het tweede bezoek aan de tele­foonwinkel heeft ook geen resultaat, tenzij ik enkele uren wil wachten, maar dat wil ik niet. Ik krijg het door Abd al-Rahmaan reeds betaalde geld van de fax naar Jan Just Witkam terug. Zij zeggen hem verstuurd te hebben, maar kunnen geen ont­vangst­rapport tonen.

[…]

Dan staat Hamid B. (taxichauffeur) achter me. Abd al-Rahmaan had hem gebeld om te informeren of hij een Landcruiser heeft of niet. Met Hamid had ik een afspraak gemaakt om naar Wadi Du’an te gaan, maar van Abd al-Rahmaan had ik begrepen dat slechts het begin met een normale auto berijden wilt. Als je verder wilt, naar het mooiere gedeelte, dan heb je een Landcruiser nodig. Hamid kan wel voor een Toyota Hilux zorgen, maar dat is een vrachtauto met stugge vering. Als we toch hetzelfde bedrag moeten be­talen is een Landcruiser te prefe­reren. Met Abd al-Rahmaan ga ik bovendien twee dagen naar die Wadi en met Haimid maar één dag en dan ook nog maar een kort stukje.
Ik zie uit naar de tocht naar Wadi Do’an. Hamid brengt me vandaag naar het hotel in Tariem.
Daar verbeter ik de eigen, gecompu­teriseerde, administratie.


Dit is het einde van het verslag van 5 juni.

Index: Daar al-Machtoetaat, mutasawwilaat

Index van personen: Ursula Dreibholz, Ulrike FreitagHamid B., Hoesein al-A. (telefoon­winkel), Moe­ham­mad al-H., Jan Just Witkam.

Index van plaatsnamen: Gasr al-thawra, Hadramaut, Say’oen, Tariem, Yool.

Dit is het einde van dag 81 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

De uitspraak van enkele letters en klanken in Arabische woorden.
In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voorkomt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 4 juni 1996

Mijn chauffeur op de Yool.
Impressies van de Yool. Mijn onfortuinlijke chauffeur, Hamid B. uit Say’un, voor zijn ou­de To­yota Cressida, na de eerste reparatie van de gebroken bladveer. Hij repareerde die met een oude binnenband, een stuk touw en een flinke steen).
Voor deze rit had ik hem 5.000 rial beloofd, maar na afloop van de toer voegde ik daar nog 1.000 rial aan toe (ongeveer ƒ 13,00) voor de reparatie van de veer. Later vertelde hij me dat hij een nieuwe bladveer gekocht had. Samen met montage had hem dat 1.350 rial gekost!

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 4 juni 1996 (dinsdag).

Naar het einde of de index.

Tariem.
Een paar keer achter elkaar schiet ik uit de slaap wakker. Iedere keer ver­keer ik in ademnood, na een soort verstikking. Na een poosje ga ik rechtop zitten en laat een paar flinke boeren. Daarna heb ik geen last meer van oprispingen.
Het is al na twaalven.
Rond 03.00 word ik wakker. Het is be­nauwd en ik ben nat van het zweet, terwijl ik kort ervoor ook al wakker werd van een ijskoude wind.
Ik kan niet meer slapen, zeker niet meer als ik denk dat er een tijdje aan mijn kamerdeur gerommeld wordt.
Om 04.45 uur sta ik op en maak het dag-verslag van gisteren af.
Ontbijt.
Nu 07.30 uur.

Ik ga naar de bibliotheek, maar daar is natuurlijk geen elektriciteit.
Ik zoek de GAL-verwijzingen(1) voor ‘mijn’ manuscript.
Hotel: slapen.
Na 16.30 een uurtje zwemmen.
Douche met warm water, want de buitentemperatuur is fris.
Op het dak ga ik een op­komend onweer fotograferen en ben ik ge­tuige hoe een zandstorm via de weg Tarim-Say’un de Wadi binnenkomt en hoe alles in het stof verdwijnt. Deze storm wordt gevolgd door een onweer met heftige regenval. De verkoeling is slechts van korte duur. Al gauw druppelt het zweet weer van mijn voorhoofd.

Nu 23.00 uur: het is benauwd.
Weer: zandstorm en onweer.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 4 juni.
Sjeik AB. ontving geen officiële ontheffing van zijn directeurschap en laat nu bij monde van Abd Allah al-A. weten dat hij zich nog directeur voelt. (Een directeur die niet op zijn werk verschijnt, dan.)
Abd al-Rahmaan A. zegt dat de sjeik in Sana’a is geweest en van alles op de hoogte moet zijn en dus ook moet weten hoe de vlag er bij staat.
Aan de bibliotheek hoort een ko­pieer­apparaat, dat echter al meer dan één jaar in reparatie is. Sjeik AB. laat nu weten dat de reparatie 70.000 rial kost. (Circa f. 900,00)

[…]

‘Calligraaf’ Hussain al-A. (niet de leraar Engels) levert voor de tweede keer een, naar Nederlandse maat­staven, een wanprestatie. Hij levert het aankondigingsbord om de schoe­nen uit te trekken, voordat de bezoeker de bibliotheek betreedt, voor de tweede keer af met een niet-rechte rand.
Ik zeg tegen Abd al-Rahmaan dat de siraat al-moestagiem (de rechte weg) niet slingert. De rand moet zo recht zijn als de siraat. Het blijkt echter onmogelijk om Nederlandse kwali­teit te eisen. Misschien ben ik te streng geweest. Ik laat het er maar bij.
Er staan taal- en stijlfouten op het grote bord dat buiten moet komen en waarop de Nederlandse gift wordt verklaard. Er staat dat de Republiek Jemen een cultureel ge­schenk gegeven heeft aan de re­ge­ring van het Koninkrijk der Ne­der­landen. (Dat zullen we nooit be­le­ven.) Ook dit bord moet opnieuw. Er is nog een derde bord en dat ga ik eerst maar eens bekijken, voordat het geleverd wordt.

[…]

In het zwembad vertelt Salim al-T., de leraar Engels en receptionist van het hotel, mij dat hij misschien gaat werken bij Canadian Occidental, een oliemaatschappij, die in Soena, tweeënhalf uur rijden ten zuiden van Tariem, een kantoor heeft. Daar kan hij 20.000 rial per maand verdienen. Dan moet hij veertig dagen van huis blijven, daarna heeft hij twintig dagen vakantie.
Als leraar heeft hij nu 7.850 rial en hij gaat vier dagen in de week naar Say’un, voor een vervolgopleiding, waarna hij ongeveer 250 rial per maand meer kan verdienen.
Hij begon tien jaar geleden, op 22 jarige leeftijd, als leraar te werken.
In het hotel verdient hij minder dan 5.000 rial. De anderen verdienen dat bedrag, maar die werken er langer dan hij.
Hij en zijn vrouw zien op tegen zijn lange afwezigheid, als hij bij de oliemaatschappij gaat werken, te­meer daar hij ook een zoontje heeft, maar het werk levert wel het broodnodige extra op. Hij rekent zich miljonair, na zes of zeven jaar.
Dan kan hij een tweede vrouw nemen, veronderstel ik, maar daar wil hij niets van weten. Hij houdt van zijn vrouw (echtgenote: hoerma) en wil beslist geen andere dan haar. Hij trouwde haar zes jaar geleden. Zij is geen familie van hem. Hij ontmoette haar in de klas. In de tijd van het socialisme zaten jongens en meisjes gemengd in de klas. (Waar­schijnlijk ook ongesluierd, maar dat werd me niet duidelijk.) (1.000 rial is ongeveer f. 13,00)

Dit is het einde van het verslag van 4 juni.

(1) GAL: “Geschichte der arabischen Litteratur” van Carl Brockelmann. Dit werk bevat talloze verwijzingen naar titels van Arabische manus­cripten in eveneens talloze biblio­theken en collecties.

Indexal-Ahgaaf-bibliotheek, hoer­ma, Siraat al-moestagiem.

Index van personen: Sjeik AB., Abd al-Rahmaan A., Hoesein al-A.: cal­li­graaf, Salim al-T.Nico.

Index van plaatsnamen: Say’un, Soena, Tariem, Wadi, Yool.

Dit is het einde van dag 80 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voor­komt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Neder­lands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 3 juni 1996

Aidied van de Yool af gezien.
Dit is de wijk Aidied van boven gezien, vanaf de Yool, ten noorden van de Wadi Hadra­maut. Het Gasr al-goebba-hotel ligt rechts van het midden (een wit rechthoekje), aan de rand van het groen, waar de landweg naar links afbuigt. (De landweg die langs het bijna vier­kante complex loopt, dat ook rechts ligt, iets meer op de voorgrond.) Al die huizen kan ik gemakkelijk zien vanaf het dak van het hotel. Op de achtergrond is het begin van de Wadi Masila en de weg naar Gabr Nabi Hoed. Tariem ligt achter de uitloper van de berg links en is dus niet te zien. Door de pech met Hamid’s auto zou ik Tariem niet van boven te zien krijgen.
In de groep huizen, links, ongeveer in het mid­den, woont Hussain al-A. de receptionist van het hotel. Bij hem at ik twee keer thuis.

 

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 3 juni 1996 (maandag).

Naar het einde of de index.

Tariem.
Ik voel me zwaar vermoeid als ik om 06.00 uur opsta. Vannacht al had ik problemen met de volle maan, was die nu alweer aan de hemel terwijl ik hem enkele uren ervoor al had zien ondergaan?
Ik teken wat, maar ga daarna weer slapen.
Het zakkerig gevoel blijft. Ik voel me al sinds gisteren niet lekker.
Ik zie op tegen het bezoek aan Hus­sain al-A., van de receptie, rond half acht, tenzij zijn vrouw erbij is, maar dat is ijdele hoop. Ik kijk uit naar het bezoek aan Wadi Du’an, komend weekend.
Nog meer kijk ik uit naar de lucht­haven van Schiphol over veer­tien dagen en een paar uur.
Vandaag ben ik elf weken in Jemen. Nog nooit ben ik zo lang in het bui­tenland gebleven. (Circa tien weken in 1994.)
Elf weken is wel het maximum in dit klimaat, dat alleen maar aangenaam is tussen 05.00 en 07.00 uur. In de vroege ochtend, dus!
De constant voortdurend stroom­sto­ring (vandaag al voor 05.00 uur) beperkt mijn intellectuele moge­lijk­heden. Ik kan niet werken aan de database en koeling (venti­latoren) is niet mogelijk. De lethargie slaat toe.
Een zonnepaneel, dat moet elektri­sche uitkomst brengen, de volgende keer.
Nu 08.30 uur.
Ik beschrijf het handschrift dat ik 11 mei kocht. Leuk werk.
Plotseling wordt er geklopt en dan staat Muhammad al-S. voor de deur. Hij komt afscheid nemen. Alles gaat zo snel. Ik ben er confuus van en vergeet hem binnen te vragen. Dat hij weggaat doet me ook niet veel. Onze verhoudingen waren al een beetje bemoeilijkt door die discussie over godsdienstig op 25 mei jl., al­thans, dat gevoel had ik. Het leek of hij mij meed, ’s avonds, maar ik bleef ook veel avonden boven, op mijn kamer, om te werken.
Zijn demonstratie van totale le­thargie, gisterenavond sloot voor mij het boek Muhammad al-S. Twintig jaar en dan zó lui. (Zoals de grote meer­derheid in dit land.)
Ik werkte door en vergat hem, hoe­wel hij nog gevraagd had: “Zul je me niet vergeten?”
“Nee, natuurlijk niet,” had ik gezegd.
Enkele dagen geleden nog had ik volledig vertrouwen in zijn wils­kracht om Engels te leren en had ik gepland om hem tienduizend of vijftienduizend rial te geven en vijftig tot zeventig dollar, om in Sana’a een cursus Engels te volgen in de school waar Katherine werkt.
Ik had lange tijd in gedachten bij mijn afscheid het hotel weer tienduizend rial te geven, maar na het zwemmen zie ik ook daar van af. Ik hou het geld zelf om Arabische software te kopen.
Het ‘zwarten’ zwembad ligt vol met mannelijke stukken. Ik moet moe­derziel alleen zwemmen in het bad voor ‘witten’. Zij zullen om 16.00 naar huis gejaagd worden en ik wil niet meer in mijn veel te kleine broek lopen. Ze waren al te klein toen ik hier naartoe kwam, maar ik werd hier ook nog dikker, in plaats van dunner, wat ik verwacht had.
Vanavond bij Hussain moet ik hem weer aan en dan ook nog in een moei­lijke houding op de grond zitten.
Nu 16.30 uur:

Computeren en muziek luisteren.
Rond 19.45 uur komt Hussain me ophalen met zijn motor. Hij rijdt door nachtelijk Aidied. Er is geen elektriciteit en dat zal de hele avond zo blijven.
Zijn dochtertje van zeven met de naam Djihaad ziet er beeldschoon uit. In zijn huis loopt veel vrouwvolk rond. Vrouwen van zijn broers.
Wat ik snel van de gezichten kan zien is dat het allemaal schoonheden zijn.
Het huis is niet van hem, maar van zijn vader, dus zijn broer woont er ook.
Zijn broer en een vriend eten mee. Het eten stelt niet veel voor: brood, groente en vis. Zoiets als in het hotel. Niet mijn lievelingskostje, maar niet slecht. Ik vind het een leuke, gezellige avond.
Er is geen elektriciteit en de gaslamp staat zo opgesteld dat ik de vrouwen niet kan zien, maar zij mij ver­moedelijk wel.
Tegen 22.15 uur ben ik weer thuis met een klein, maar leuk cadeautje: een bachoer-set. Mirre en wierook. Ik weet niet hoe het te gebruiken, maar ik zal Hussain morgenochtend vra­gen.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 3 juni.
Ik ben de enige gast in het hotel. Dat is al weken zo. Een enkele maal kwam een groep Fransen langs, die hier twee nachten bleef. In het verleden kwamen hier nog wel groepen om de lunch te gebruiken en / of te zwemmen, maar dat ge­beurt nu ook nog maar zelden.

[…]

’s Avonds ga ik bij Hussain al-A. (receptionist van het hotel) op bezoek. Hij had mij bij hem thuis uitgenodigd. Er komen twee fami­lieleden bij ons zitten. Een van hen is een broer (33 jaar) van Hussain en die was er de vorige keer (6 mei) ook bij. Hij is onderwijzer (moedarris) op de basisschool. De ander kende ik nog niet. Hij is een vriend en woont hier in de buurt. Hij is bouwmeester, of meester in de bouw, moe’allam, wat ik verwarde met leermeester in de bouw(1), maar hij is geen moedarris, geen onderwijzer. Deze man is 45 jaar oud en bouwt dagelijks huizen van modder / leem: tien.
Hij werkt ’s ochtends tot de salaat al-zoehoer en van na de salaat al-asr tot zonsondergang. Hij toont zijn bijna zwart verbrande armen.
De vrouw van Hussain zit ook in het onderwijs. Zij is gymnastieklerares op de meisjesschool, maar dat kwam ze mij natuurlijk niet zelf vertellen.
De broer heeft nu drie maanden vakantie. Ik vraag hem wat hij doet in die tijd.
“Niets!”, doet hij, natuurlijk.
“Ook niet wat studeren, lezen of iets dergelijks.”
“Nee, helemaal niets.”
Op straat horen we hele hordes schoolkinderen zingend langsrijden. Feest wegens het einde van het schooljaar.
“Allemaal sayyids“, zegt Hussain, terwijl hij zijn neus optrekt.
Ik zag hem in het hotel nooit bidden, toen hij nog avonddienst had, terwijl de anderen, in groepjes, voorgegaan door Muhammad al-S., die een mooie zangstem heeft, wel baden.
Desgevraagd zei Hussain dat hij thuis bad, maar Muhammad al-S. zei dat hij een ‘apart geval’ was, die ‘niet in orde was.’
(Al deze mensen zijn natuurlijk communistisch opgevoed, allen lazen ‘Das Kapital’ van Karl Marx (ook mijn samier Muhammad al-S.) en sommigen zullen zeker nog die leer aanhangen.)
De mahaarim van Hussain zitten, net als wij, ook op het dak, buiten, om de hitte in huis te vermijden, maar natuurlijk op een afgescheiden plaats. Ik zie verschillende mooie kleren langs schieten, maar het is moeilijk een gezicht waar te nemen.
Het is donker, want er was natuurlijk geen elektriciteit, alleen een gaslamp brandt en ze doen ook moeite om niet gezien te worden, hoewel ze niet gesluierd zijn.
Natuurlijk komt het geloof ter sprake en ik wijs hen er op dat bij ons godsdienstvrijheid heerst. Alle geloven zijn aanwezig.
De leraar: “Toch zeker geen joden?”
Ik: “Alle geloven zijn in ons land te vinden en het is gebruikelijk dat we niet over ons geloof praten.” Dat laatste om verder gezeur te voor­komen.
Hussain, die dat al meer gehoord heeft, zegt tegen de anderen dat het toeristen keer op keer overkomt dat als ze in contact komen met Ara­bieren, die laatsten direct over het geloof beginnen.
We gebruiken een avond­maal, ongeveer zoals in het hotel, maar dan zonder rijst. Rijst wordt alleen ’s middags gegeten. Dit een­voudig maal is ongeveer het­zelfde als het ontbijt. Het bestaat uit zelfgebakken brood. (Bruin. Ik kan in het donker niet goed zien wat het precies is.) Het is ongeveer één tot anderhalve centimeter dik. Verder is er een schaal met groente (aard­appelen, peper en nog wat ander spul, waarvan ik de naam niet goed onthouden heb, chaboer?(2)), grote hompen vis, bananen, thee en water.
De maaltijd is niet mijn stijl, maar zeker niet slecht.
De avond is gezellig.

[…]

Ik wil hier een wijdverbreid mis­verstand uit de weg ruimen.(?) Mij is op de universiteit geleerd dat in de Arabische wereld de gebeds­oproep (azaan) per cassetteband gebeurt.
Daarvan heb ik tot nu toe nog nooit iets gemerkt, bij al mijn bezoeken aan islamitische landen.
In Istanboel hoorde ik de moe’azzin hoestend en proestend zijn oproep beginnen. In Jeruzalem stikte de verkouden moe’azzin bijna in zijn oproep. Zowel in Syrië als in Jemen hoorde ik iedere dag andere stemmen of andere inleidingen voordat de oproep begon.(3) De Omayyadenmoskee in Da­mascus roept driestemmig op. (4)
Hier in Tariem hoorde ik een nog slaapdronken moe’azzin beginnen om in de loop van de oproep een steeds beter stemgeluid te produ­ceren. Of iemand die zich vergiste, stopte en even later weer verder ging.
Natuurlijk heb ik in geen enkele moskee gecontroleerd of er wel of niet een cassettespeler staat, maar het lijkt mij een ‘heidens’ karwei om al de op ‘life’ lijkende cassettes (iedere dag een andere) te maken. Daar is veel meer tijd mee gemoeid dan zelf even oproepen.
Bovendien, welke rechtgeaarde, gelo­vige moe’azzin zou zich dat laten aangaan: zich nog eens lekker omdraaien, terwijl zijn stem de anderen wakker maakt en oproept om uit bed te komen?

Dit is het einde van het verslag van 3 juni.

(1) Het verschil tussen bouwmeester en onderwijzer, is miniem: moe’allam en moe’allim. De eerste is degene die het onderwijs heeft ontvangen (en dus in het onderwezene geschoold is) en de tweede is diegene die het onderwijs geeft.
(2) Waarschijnlijk heeft men tegen mij, desgevraagd, gezegd: “Groente.” In het Arabisch is dat chadrawaat (dat ik beslist onthouden zou hebben), maar choedar kan ook.
(3) In sommige gemeenschappen worden lokale mannelijke bewoners gevraagd om moe’azzin te zijn en de gebedsoproep (azaan) te doen. Dat beschouwen ze als een grote eer.
(4) De driestemmige oproep in de Omayyadenmoskee in Damascus heb ik met eigen ogen aanschouwd.

Index: azaan, bachoer, Das Kapital, mahram / mahaarim, mirre, moe’az­zin, moe’allam, moe’allim, moedarris, salaatsamier, sayyid, tienWadi, wierook.

Index van personen: Djihaad, Hamid B., Hus­sain al-A., receptionist, Katherine, Mu­hammad al-S.

Index van plaatsnamen: Aidied, Gabr Nabi Hoed, Gasr al-goebba-hotel, Omayyaden­mos­keeSana’a, Tariem, Wadi Dhahab, Wadi Du’an, Wadi Hadramaut, Wadi Masilah, Yool.

Dit is het einde van dag 79 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voor­komt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 2 juni 1996

Wadi Dhahab van af de Yool gezien.
Impressies van de Yool. Dit is de Wadi Dha­hab, die ik met Abd ar-Rahmaan A. bezocht op 27 april. In de wadi daarachter ligt vermoede­lijk Say’un.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 2 juni 1996 (zondag).

Naar het einde of de index.

Tariem.
Deze nacht is vreselijk. Ik ver­plaatste mijn bed naar onder het afdakje wegens de regendreiging (de lucht is zwart), omdat ik dat niet vannacht in een plensbui wil doen. Het is benauwd en onder het afdakje nog veel meer, want daar komt geen wind. (Er is helemaal geen wind.) Onder het muskietennet (klamboe) kan ik niet in mijn blootje liggen want talloze stekers kunnen er wel door. Ik lig de hele nacht in het zweet.
Om 03.30 neem ik een douche als kleine verfrissing.
Om 05.00 sta ik op. Het is hier niet aangenaam meer.
Nu 07.30 uur.

In de bibliotheek is elektriciteit en ik print de fax voor Jan Just Witkam. Als ik het tweede en laatste blaadje uit de printer pak, komt Hussain B. langs gelopen en zegt: “Mish al-kaharba.” En inderdaad, die (elek­tri­citeit) is er niet meer en blijft weg tot de azaan van 11.45 uur. Dan kan ik nog wat tekst printen. De rest van de tijd wachtte ik, al lezend in The Encyclopaedia of Islam en The Records of the Yemen, op de nieuwe elektrische teit.(!)
In het hotel circa 12.00 uur.
Slapen op bed tot rond 14.00 uur.
Om 15.20 zwemmen.
Financiën en lezen.
Ik schrijf een brief voor de mooie Sa­laah in het Arabisch.
Koken en computer: Tariem, dage­lijks verslag.
Een uurtje beneden zitten en vertel­len met Muhammad al-S. Hij wil hier weg. Het liefst morgen al. Hij vindt dat hij te weinig verdient en dat hij voor dat weinige geld te hard moet werken. In zijn geboortedorp, waar hij heen, wil is echter geen werk voor hem. Zelf vind ik dat hij niet veel doet en ik zou hem, als ik zijn baas was, zeker aan het werk houden.
Hij wil graag Engels leren en ik gaf hem het Oxford woordenboek. Ik nam me voor hem 15.000 rial te geven en 50 tot 70 dollar om in Sa­na’a Engels te kunnen gaan leren, maar ik vroeg me al enkele dagen af of hij zoveel geld wel waard is. Ik weet het nu zeker. Ik geef hem niks. (Hij verwacht ook niets, want hij wil morgen al vertrekken.) Zoveel lui­heid is geen geld waard.
Boven, op het dak van het hotel, foto’s maken van de volle maan met bewolking. Ik maak ook een opname van het nachtelijk geluid.
Nu 00.00 uur.
Ik ben moe.
De bewolking lost langzaam op.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 2 juni.
Jan Just Witkam (de project­coör­dinator in Nederland) verzocht mij verleden week telefonisch de kaart­catalogus van de al-Ahgaaf-bi­blio­theek te kopiëren. Nu bespreek ik met Abd al-Rahmaan A. deze mo­gelijkheid. Samen met Abd Allah A. komen we tot de conclusie dat van alle kaartjes eigenlijk ook de achter­kant gekopieerd moet wor­den, want daar staan de verwij­zin­gen naar de Arabische referen­tiewerken.
Vijfduizend kaartjes maal twee. Dat betekent tienduizend kopiën à 30 rial. Dat kost 300.000 rial. Met de koers van vandaag (1 US$ = 118 rial) is dat 2.542 dollar. (Dat is de prijs van een gloednieuw kopieerappa­raat.)
Als we de enorm vertragende methode toepassen van drie kaartjes per kopie, zijn we nog altijd 850 dollar kwijt. Dat is een beetje te veel van het goede voor een niet-com­plete en slechte catalogus. Boven­dien kan ik zoveel geld niet missen.

[…]

Een man, de directeur generaal van de telecommunicatiemaatschappij in al-Mukalla, komt vertellen dat er sprake was van kortsluiting in de onlangs afgebrande telefooncen­trale. Hij zegt, desgevraagd, dat er wel foto’s zijn gemaakt, na de brand, van de container waar de telefoon­centrale in zat
Bovendien kan ik nu weer uit Tariem bellen, als ik dat wil. Er is weer één telefooncel in gebruik.
Volgende maand komt er een di­gi­tale centrale van Alcatel (Frans). Dan is de brand misschien wel een zegen geweest.
Deze man is niet erg aangenaam. Zoals veel Arabieren luistert hij niet naar wat een ander zegt, maar wil vooral zelf meedelen.
Abd al-Rahmaan is gelukkig een heel bijzondere uitzondering.

[…]

Hussain al-A. van de hotelreceptie verplaatst de bijeenkomst (het etentje bij hem thuis) van vrijdag a.s. naar morgen, maandag. Dat is een heel gunstige ontwikkeling voor mijn uitstapje naar Wadi Du’an. Ik wil hem vertellen dat ik de hem om een verplaatsing had willen vragen, maar hij is ook een Arabier. Hij luistert alleen naar zijn eigen woorden.

[…]

Mijn samier Muhammad al-S. heeft vandaag aangekondigd dat hij het hier, in het Gasr al-goebba-hotel, niet meer ziet zitten. Van het begin af aan had hij gezegd dat hij maar een paar maanden wilde blijven. Nu wil hij op korte termijn weg.
Verleden week al ging zijn vriend Ahmad naar huis. (Ahmad, met bril, staarde je altijd een beetje dom aan met een grote grijns. Ik vond dat altijd onaangenaam.)
Nu wil Muhammad weg omdat hij te hard moet werken voor te weinig geld. Hij is bediende in het res­tau­rant. Als er toeristen zijn moet hij voor 5.000 rial (ongeveer f. 70,00 per maand) de hele dag aanwezig zijn, maar niet constant werken. Nu er geen toeristen zijn heeft hij niet veel te doen. Af en toe moet hij naar Say’un, naar een ander hotel, om er te helpen. De taxikosten (80 rial) moet hij zelf betalen.
Hij doet niets anders dan het eten op tafel zetten en weer afruimen en dat alleen als er gasten zijn. Die zijn er nu niet en ligt hij veelal urenlang niets te doen.
In het begin van onze kennismaking was hij vaak bezig met het be­stu­deren van het Engels en hij schreef ook een heel studieboek in net Arabisch schrift over, voor mij. Hij deed veel moeite om Engels te leren en om mij Arabisch te leren.
Hij gaf mij ook twee boeken in het Arabisch.
Ik sprak voor hem een heel Engels studieboek in op enkele casset­te­banden en gaf hem mijn Concise Oxford English-Arabic Dicionary.
Nu is hij moe en wil hij niets meer doen in het hotel. Hij wil naar huis en zwemmen in de zee. (Hij woont aan de Golf van Aden.) De laatste tijd was hij lusteloos en kauwde al enkele keren gaat (qat).
Ik had me al voorgenomen om hem de kosten van een cursus Engels in Sana’a te betalen. Een cursus kost in de school van Katherine in Sana’a maar 50 dollar en ik had daar nog 15.000 rial levensonderhoud in Sana’a aan toe willen voegen. Samen met het geld dat hij hier verdiend had kon hij dan in Sana’a kunnen blijven om die cursus af te maken.
Ik was echter al gaan twijfelen over deze gift toen hij me de eerste keer vertelde dat hij gaat had gebruikt. (Hij had zich kennelijk verveeld, want de laatste paar dagen was ik niet naar beneden gekomen, omdat ik, nu het einde van mijn verblijf steeds meer in zicht komt, nog lang op mijn kamer bleef doorwerken, ook ’s avonds, omdat er na zons­on­dergang elektriciteit is door de generator van het hotel. Bovendien had ik het gevoel dat onze verhouding iets bekoeld was nadat ik aan de waarheid van zijn (en het, zogenaamd, mijn) geloof getwijfeld had. (Op 25 mei jl.))
Later had ik mijn twijfel over hem weggewuifd, want ik drink ook wel eens alcohol. Ik neem zelfs iedere avond (hier in dit hotel, op mijn kamer) een glaasje jonge jenever aangelengd met limonade. Waarom zou een ander dan niet wat ver­do­vend middel mogen gebruiken.
Nu toonde hij echter een grote le­thargie en wilde hij de hele dag niets doen en in de schaduw liggen.
Ik was hevig teleurgesteld door dit lusteloos gedrag en besloot hem niet te geven, geen cursusgeld voor een cursus Engels in Sana’a. (Hij verwacht ook niets.) En met hem de rest van het hotel ook niet meer. Ik had nog een tweede fooi van 10.000 rial willen geven, zoals ik al deed op 1 mei jl.

Dit is het einde van het verslag van 2 juni.

Index: al-Ahgaaf, azaan, The encyclopaedia of islam, kaharba, The records of the Yemen, rial, samier.

Index van personenAbd al-Rahmaan A., Abd Allah A., Ahmad, Hussain al-A., Katherine, Mu­ham­mad al-S., Nico, Salaah, Jan Just Witkam.

Index van plaatsnamen: Golf van Aden, Hadramaut, al-Mukalla, Sana’a, Say’un, Tariem, Wadi Dhahab, Wadi Hadramaut, Yool.

Dit is het einde van dag 78 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

De uitspraak van enkele letters en klanken in Arabische woorden.
In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voorkomt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 1 juni 1996

Traditionele deur.
De timmerman Awad B. aan het werk bij het vervaardigen van de traditionele deur voor de bibliotheek. Duidelijk is te zien wat het eind­resultaat zal worden. Een van de schaarschar­nieren ligt op zijn plaats. Op de achtergrond zit Abu Alawi, medewerker van de al-Ahgaaf-bibliotheek.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 1 juni 1996 (zaterdag).

Naar het einde of de index.

Tariem.
Volgens het oorspronkelijke plan van dit project zou 1 juni de laatste datum zijn geweest: 1 maart tot 1 juni, nu 17 maart tot 17 juni.
Het reisverslag naar de Yool in het dagboek schrijven.
Nu 09.00 uur.
Er is de hele dag elektriciteit in de bibliotheek dus ik probeer de printer met het al-Ustadh programma. Dat gaat fantastisch en snel.
Bij de timmerman fotografeer ik de deur in aanmaak. [In wording.] Hij laat zien hoe hij de gaten boort: met een soort strijkstok, met touw en een lus om de schroevendraaier, zoals de Neanderthalers.
Ik vraag nog eens naar een boorma­chine, maar hij zegt er geen te hebben. (Er staat wel een elektrische cirkelzaag.) Ik denk dat deze nadj­djaar (timmerman) een toneelstukje opvoert.
Zijn werk ziet er fantastisch mooi uit.
Onderweg informeer ik naar de prijs van de dollar. Die is nog maar 118 rial! Slechte tijden.
Met Abd al-Rahmaan A. hier op mijn kamer eten en het werk plannen.
Daarna schrijf ik een fax voor Jan Just Witkam en werk het dag-verslag uit.
Om 22.30 ben ik doodmoe, maar zie dat ik eerst nog enkele grote gaten in mijn shibaak (klamboe) moet re­pareren.
Weer: veel bewolking en regendrei­ging.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 1 juni.
Onderweg naar hotel Gasr al-goebba wijst Abd al-Rahmaan mij op het huis van Sjeik AB, die vlak bij het hotel blijkt te wonen. Hij heeft nu moeilijkheden met de regering. Hij is ook sjeik al-Oegoed (huwelijks­contracten) en overtrad in die functie de wet. Bij het huwe­lijksrecht vindt hij dingen goed, zaken die volgens hem toegestaan zijn in de islam, maar die bestreden worden door een hogere sjeik al-Oegoed. Sjeik AB ging een discussie met deze man uit de weg en botste toen ook met de regering, die constateerde dat de oplossingen van de sjeik ook volgens het burgerlijk recht verboden zijn.

[…]

Abd al-Rahmaan brengt een deel van de middag hier door. Ik bood hem op mijn kosten een lunch aan en we bespreken de voortgang van het project.
Hij vertelt over de Wereldbank die in Jemen probeert de economie te reorganiseren.
Mensen van die organisatie waren hier verleden week donderdag in de Hadramaut en bezochten ook de al-Ahgaaf-bibliotheek. Ik zag hen niet want ik was toen al naar ‘huis’ (hotel).
De Wereldbank wilde de bibliotheek helpen met plastic zakjes: om elk blad van elk handschrift een plastic zak!
Het antwoord van Abd al-Rahmaan was, dat in het Westen, waar bi­bliotheken over veel meer geld beschikken dan deze bibliotheek, dat niet gedaan wordt.

[…]

We bespreken hoe we de bibliotheek meer onder de aandacht van de mensen kunnen krijgen. Ik stel voor om wisseltentoonstellingen te orga­niseren. (Enkele dagen later denk ik ook aan catalogiseringsworkshops of boekbinderscursussen voor scho­len.)

[…]

Abd al-Rahmaan wil graag met mij naar Wadi Du’an gaan. Ik ben hierover zeer verheugd. Hamid B. (taxichauffeur) stelde dat vrijdag voor. Ik ga zaterdag, a.s., omdat vrijdag al in beslag genomen wordt door een etentje thuis bij Hussain van de hotelreceptie.
Volgens Abd al-Rahmaan is het beter om twee dagen te gaan. We kunnen overnachten bij een vriend van hem. De avond van te voren slaap ik dan bij Abd al-Rahmaan thuis. Ik moet nu de afspraak met Hussain wijzigen. Dit buitenkansje wil ik niet voorbij laten gaan.

[…]

In het faxbericht voor Jan Just Witkam, de projectcoördinator in Nederland, meld ik het volgende.
Volgens ons heeft de Nederlandse firma die de boekbinderstafels leverde, gedacht dat Jemen ver weg is en dat ze daar (dus) nog wat oude rommel voor een goede prijs konden verkopen. De tafelbladen pasten van geen kant op de poten, hoe we die ook keerden en draaiden. Uitein­delijk heeft de vierde nieuwe mede­werker de bladen thuis zodanig bewerkt dat ze nu wel passen.

[…]

Vanochtend fotografeerde ik de timmerman op zijn werk. Hij maakt de nieuwe deur in ‘Shibaam’-stijl voor de bibliotheek. Wat een schoonheid, wat een vakmanschap. Werkelijk prachtig.

[…]

Gisteren ging een lang gekoesterde wens in vervulling en reed en liep ik over de Yool. Net zoals mijn naamgenoot eind mei, nu vijfen­zestig jaar geleden, had ik dezelfde ervaring. Ik acht mijzelf een van de weinige bewoners op deze aarde, van niet-Hadramitische oorsprong, die op de Yool zijn geweest en ben daar trots op. Het landschap maakte van beneden af al een grote indruk op mij (ik vond het mysterieus mooi) en ook vanuit het vliegtuig, toen ik naar Sana’a vloog en terug, maar er ook werkelijk staan, voelen en horen (er is werkelijk niets anders te horen dan de wind), dat is de ultieme ervaring.
Komend weekend zal ik de veel geroemde schoonheid van Wadi Du’an bezoeken.

[…]

Ik acht dit project een groot succes. Zelfs tot na het vertrek van Nico, geloofde ik dat dit geschenk van de Nederlandse overheid aan de al-Ahgaaf-bibliotheek ‘parels voor de zwijnen’ was, maar met de enthousiaste en gedreven leiding van Abd al-Rahmaan is er sprake van een geslaagde operatie. Hij staat in de hiërarchie op gelijke hoogte met Dr. AM, de directeur van het Daar al-Machtoetaat (het Museum van Handschriften) in Sana’a.
Hij heeft veel nieuwe ideeën. In de bibliotheek heeft hij zelfs de meest verstokt nietsdoener aan het werk gekregen en nieuwe medewerkers zorgen voor vruchtbare resultaten.
Er waait een frisse wind in de bibliotheek en dat is in alle hoeken te merken.

[…]

Een onzinnig lijkend, doch dringend verzoek: wil je alle rekeningen van aankopen voor dit project naar de Nederlandse Ambassade faxen. De werkgever van Abd al-Rahmaan, de Algemene Organisatie … etc. eist een gedetailleerde opsomming van de inhoud van het geschenk. Dat betekent dat ik hier alle schroeven, stopcontacten en paperclips moet gaan tellen, terwijl er geen elektriciteit is die de ventilatoren voor enige koeling kan laten draaien. Dit is een heidens karwei en ik ben de enige heiden hier.

Dit is het einde van het verslag van 1 juni.

Index: al-Ahgaaf-bibliotheek, nadj­djaar, oegoed, shi­baak.

Index van personen: Abd al-Rahmaan A., Aboe Alawi, AM (Sana’a), Awad B., Hamid B..

Index van plaatsnamen: Gasr al-goebba-hotel, Hadramaut, Jemen, Ta­riem, Sana’a, Shi­baam, Wadi Du’an, Yool.

Dit is het einde van dag 77 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

De uitspraak van enkele letters en klanken in Arabische woorden.
In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voorkomt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 31 mei 1996

Yool en vuursteen.
Duidelijk is te zien dat elke tafelberg een ei­gen individuele heuvel heeft. Ook is te zien dat de voet van de heuvel links bezaaid is met vuursteen, die alleen maar zwart is aan de buiten­kant.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 31 mei 1996 (vrijdag).

Naar het einde of de index.

Tariem.
Op 04.00 uur.
Vanochtend nam ik mijn 75e vita­minepil. Ik ben dus 75 dagen in Jemen. (En 76 dagen van huis.) Nog 17 dagen. Ik ben met aftellen begon­nen.
Het is niet zo dat ik zit te springen om naar huis te gaan, maar ik vind het wel een prettige gedachte om BQ weer eens te zien. In tegenstelling met wat ik verwachtte dat zou gebeuren, ben ik haar niet vergeten.
Om 05.15 uur sta ik, na veel gehaast, buiten, maar taxichauffeur Hamid B. is er niet. Na tien minuten begin ik te twijfelen of ik de Yool wel te zien zal krijgen, maar dan komt hij aangestoven.
We rijden een eindje vanaf de achterkant van het hotel en gaan dan langs dat, waarvan ik eerst (in het begin van mijn verblijf) dacht dat het de ingang van een mijn was. Later twijfelde ik daaraan.
Het blijkt een zwart geblakerde rots met een huis ervoor te zijn. Hier bakt men buizen van leem, volgens Hamid.
Het begin van de weg, ook het eind, als je van de andere kant komt, wordt ‘afgezekerd’ met militairen. Het is een grensoverschrijdende weg met Saoedi-Arabië en, natuurlijk, de Golfstaten.
De soldaat vindt de weg ongeschikt voor de kleine Toyota Cressida, maar Hamid denkt aan het geld dat hij kan verdienen en zet door. Een half uur later breekt links achter de bladveer. Die was al eens eerder gebroken en daarna aan elkaar geplakt. (Want dat was toch geen las te noemen.)
Even twijfel ik weer of ik wel boven zal komen en besluit dat ik, nu ik al op halve hoogte ben, in elk geval naar boven zal lopen, mocht een rit tot de onmogelijkheden behoren.
Hamid repareert met een touw, een oude autobinnenband en een dikke, stevige steen, zodat we weer verder kunnen.
Het landschap is indrukwekkend mooi. Ik zie de Wadi waar Thibi in ligt (Wadi Dhahab) nu van boven. (Een maand geleden van beneden.)
De wijk Aidied van Tariem ligt er groen bij.
Verderop zien we een militair kamp en Hamid wil daar om ijzer voor de reparatie van de bladveer vragen. Het blijkt een verlaten kamp te zijn, waar soldaten van de Socialistische partij een telecommunicatiepost hadden ingericht. Alles is Russisch, dus van povere kwaliteit. Russische hand­leidingen en boeken liggen in het puin, want wat kapot kon, was kapot geslagen.
Als Hamid al lang klaar is, loop ik nog rond om de bijzonderheden van het landschap vast te leggen op de gevoelige plaat.
We vervolgen onze weg door het maanlandschap.
Het weer is aangenaam. Er is veel bewolking en de horizon heiig.
We gaan verder. Ik stel hem na een poosje voor, dat als hij denkt dat zijn auto het niet overleeft, hij maar beter terug kan gaan.
Hij denkt dat ik terug wil, maar dat is natuurlijk niet zo. We rijden dan nog een stuk verder over kleine extra hoge bergjes, die ik als grafheuvels omschreef.
Deze zijn bezaaid met (vuur?)stenen met scherpe randen. Allemaal in vreemde vormen, sommige zien eruit alsof ze door een mensenhand tot instrument gemaakt zijn, bij­voorbeeld om graan te malen. Andere lijken op versteende boomstam­men. Veel stenen hebben een oppervlak als een koeientong(?) met veel minuscuul (kleine) lijntjes, loopgraafjes erop. Veel, maar niet allemaal, zijn (gedeeltelijk) zwart, maar alleen aan het oppervlak. (Zure regen?) Heel veel hebben scherpe randen. Dat betekent in elk geval dat ze niet rond gerold hebben, maar op hun plaats zijn blijven liggen, eeuwen lang.
Er is een beetje vegetatie, maar die ziet er dor uit. Een boom met een paar groene blaadjes en ander groen stond in het verlaten militaire kamp.
Volgens Hamid zijn sommige ‘graf­heuvels’ zonder stenen. (Boven op het dak, het vlakke oppervlak, van de tafelbergen, rond het dal van de Wadi Hadramaut liggen nog ‘extra’ heuvels, in trapeziumvorm. Van beneden af vond ik dat die eruit zagen als een heuvel die je ziet nadat een pas gedolven graf weer gevuld is met grond. Daarom noemde ik ze ‘grafheuvels’.)
De ondergrond klinkt op sommige plaatsen hol. De stenen maken een metaalachtig geluid als ze op elkaar botsen. Je zou er muziek mee kunnen maken.
Alles is zoals beschreven door Daniel van der Meulen in ‘Hadramaut, some of its mysteries unveiled’ op bladzijde 53-54 (Brill 1964, Leiden.) Hij was er (in een andere regio) eind mei 1931. Vijfenzestig jaar geleden en niets is veranderd, behalve hier en daar wat plastic en blik.
De temperatuur stijgt langzaam, maar is nog draaglijk. Het is licht bewolkt.
De stilte is enorm. Alleen de wind is hoorbaar.
Lager, op weg naar huis, hoor je ook geluid uit Tariem, het gezoem van een enkele vlieg rond mijn hoofd en het gesmak van Hamid, die ik enkele koekjes van Liga had gegeven, met vruchtenvulling.
Hij eet met zijn mond open en smakt. Dit hoor ik over een afstand van meer dan vijftig meter (ik kon het niet geloven), maar eens te meer een bewijs voor de enorme stilte.
Vooralsnog zetten we onze tocht voort, totdat ik een mooi uitzicht kreeg over de Wadi met Aidied erin. Het hotel Gasr al-goebba is goed zichtbaar. Tariem ligt achter een heuvel en zal tijdens deze rit, met kapot bladveer, daar blijven liggen. (Later kan ik haar wel zien en fotograferen, ook de Mihdaar mina­ret.)
Ik vind een steen met blaadjes of koraal (versteend) en neem die mee. Ik bied die aan Hamid aan. Die vindt dat ik hem als herinnering aan de Yool moet houden.
Als we langs de weg stilstaan, stopt iedere bedoeïen om te vragen of er hulp nodig is.
Boven zien we ook een tractor rijden, op grote afstand. Is die aan het werk?
Rond 9.00 is het avontuur ten einde. Dan zijn we in het hotel.
Ik sprak met Hamid 5.000 rial af, dat wil zeggen: dat bedrag bood ik hem. Nu geef ik nog 1.000 rial meer voor zijn auto. Hij is blij.
We maken een afspraak voor volgende week zaterdag om naar Wadi Du’an te gaan.
Ik ga slapen en daarna zwemmen.
In het hotel ontmoet ik een Duitse: Luise Müller van een nieuw reis­bureau: Studien-Kontakt-Reisen, die ‘intellectuele’ reizen wil aanbieden, maar zelf nergens van blijkt te weten. Ze haalt Perzisch en Arabisch door elkaar en wil in Tariem met toeristen een Koranschool bezoeken!
Ik moest denken aan de ‘Kennedy‘ (Canadees), Andrew R., enkele weken geleden (8 mei jl.) die hier voor de soefi’s kwam.
Mensen denken dat Tariem een pretpark is, waar je elke attractie kunt bezoeken, nadat je entree (reis) betaald hebt. Voor de Tarimi’s is dit harde werkelijkheid en deel van hun (religieuze) leven.
Op mijn terras en kamer compu­teren.
De lucht wordt zwart en er valt een stevige verkoelende bui regen, naar Nederlandse begrippen. Hier stelt het allemaal niets voor. Het water is meteen verdampt.
Even beneden op het hotelterras zitten.
Weer boven, achter de computer, val ik in slaap.
Ik ben nog een tijdje bezig met het overtypen van de fihrist. (De inven­taris van de al-Ahgaaf-biblio­theek.)
Bed 23.30 uur.
Weer: veel bewolking. ’s Avonds on­weer en regen.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 31 mei.
Op de Yool zag ik een soort hagedis, als een kleine versie van een of andere saurus, met krachtige achterpoten, waar hij op loopt. Kleine voorpoten en een grote kop. Achter zit een lange staart vast, zijn hoogte was niet meer dan een centimeter of tien. Hij keek ‘dreigend’ rond.

[…]

In het begin, toen ik pas in Tariem was, dacht ik dat die individuele heuvels, die boven op de tafelbergen liggen en die vanuit de Wadi, dus van beneden, ook te zien zijn, grafheuvels waren. Vandaag denk ik dat het misschien inderdaad om grafheuvels gaat, van een volk dat veel doden te begraven had, de ‘Apenkoppencultuur’. Dit omdat de afbrokkelende tafelbergen allemaal eindigen in een soort sculptuur die soms duidelijk, andere keren met enige fantasie, op een apenkop lijkt.

[…]

Hamid, mijn chauffeur, weet toch vooral de zegeningen van het communisme te prijzen. Toen was er geen corruptie en er werd hard opgetreden tegen steekpenningen en wapenbezit. Nu gebeurt daar niets meer tegen. De regering slaapt. (Zuid-Jemen was tussen 1967 en 1990 communistisch.)
Ook vertelt hij dat hij tot 1986 alle soorten alcohol regelmatig gebruik­te, niet in het openbaar, want daar zou maar geroddel van komen, maar in huis met goede vrienden.
In 1986 ging hij naar Mekka voor de Hadjdj (bedevaart) en sindsdien drinkt hij geen alcohol meer. Nu gaat hij nog geregeld naar Mekka, maar in de maand Ramadan.(1)

[…]

In het hotel ontmoet ik Luise Müller van Studien – Kontakt – Reisen uit Bonn in Duitsland. Zij wil reizen organiseren naar islamitische lan­den voor mensen die geïnteresseerd zijn in de islam. Zij wil in Tariem excursies organiseren naar een koranschool! Zij spreekt geen Arabisch en haalt Arabisch en Perzisch door elkaar.
Een bevriend echtpaar, hij Pers, zij een Nederlandse oriëntaliste, zal inleidende informatie tijdens ‘seminars’ bieden aan de personen die met haar op reis gaan.
Zij: “Hij houdt zich met Arabische poëzie bezig.”
Ik: “Misschien Perzische poëzie?”
Zij: “Ja, natuurlijk Perzische poëzie, Perzisch mystieke gedichten. De islamitische mystiek is toch enorm interessant?”
Ik: “Ik weet er niet zoveel van, maar mijn docenten aan de universiteit vertelden dat christelijke mystiek veel interessanter is.”
Zij: “Ja, natuurlijk, de christelijke mystiek is veel rijker.”
Ik wijs haar op het bestaan van Wadi Du’an en de hete bronnen voorbij Dies al-Shargiyya. Haar Jemeni­tische begeleider vertelt haar dat de toeristenbureau’s die wel kennen, maar dat in het noorden ook iets dergelijks voorkomt: Damt (?). Het voordeel daar is dat er een hotel is en in het zuiden niets te bekennen valt dat daar in de verste verte op lijkt.

Dit is het einde van het verslag van 31 mei.

(1) Hamid vertelde ook dat hij twee vrouwen had. Beide dames konden niet samen door één deur, dus had hij voor elk van hen een eigen, gescheiden, woonruimte moeten creëren in zijn huis.
Het taxibedrijf bracht dus voldoende geld op om er het levensonderhoud van twee echtgenotes van te betalen.

Index: Arabisch, Arabische poëzie, fihrist, hadjdj, mystiek, Perzisch, Perzische poëzie, Ramadan, saurus, soefisme, Zuid-Jemen: communisme.

Index van personen: Hamid B. taxichauffeur.

Index van plaatsen: Aidid, Damt, Dies al-Sharqiyya, Gasr al-goebba-hotel, Golfstaten, Mekka, Tariem, Thibi, Wadi Dhahab, Wadi Du’an, Yool.

Dit is het einde van dag 76 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

De uitspraak van enkele letters en klanken in Arabische woorden.
In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voorkomt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 30 mei 1996

Tariem, binnenstad.
De Sayla in het oude gedeelte van Tariem. Sayla betekent ‘stroom’ (rivier). Wanneer het buiten­sporig regent en het water van de om­rin­gende heuvels naar beneden gutst, vult zich de sayla tot een heuse stroom. De bewo­ners rekenen kennelijk niet op zo’n gebeurte­nis, zo te zien.
Op de achtergrond is een van de vele paleizen van madar (mudbrick) die er in Tariem zijn, te zien.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 30 mei 1996 (donderdag).

Naar het einde of de index.

Tariem, Say’un.
Ik slaap slecht. Een van de Fran­çai­ses, gisteren, maakte een grote in­druk op mij. Ik lig zowat de hele nacht aan haar te denken.
Op 05.30 uur.
Mijn indruk over die vrouw ont­stond gisteren in het donker. Van­middag in het zwembad blijkt ze het aankijken niet waard en wordt door een van de chauffeurs van de groep als djadda (oma) omschreven. Dat zal ze nog niet zijn.
Hedenochtend ben ik om 9.00 in Say’un. Ik bel met Jan Just Witkam in Nederland, daarna met de Neder­landse Ambassade in Sana’a, om te verifiëren of de gevraagde bedrag aankwam. (Ik vergat de vijfdaagse werkweek en het is dus nu de vrije donderdag.)
Ik kreeg Pieter (?) aan de telefoon. Hem was niets bekend, maar hij zou het uitzoeken. Zondag kan ik terug­bellen. Ik maak er woensdag a.s. van.
Ik bel Jan Just over het resultaat.
Ik ga naar Gasr al-Thawra en daar spreek ik met Abd al-Rahmaan A. Met Muhammad al-H. ga ik de stad in om ventilatoren te kopen.
Met Hamid B. (taxichauffeur) terug naar Tarim. Ik maak een afspraak om morgen naar de Yool te gaan.
Na de middag zwemmen en werken aan de fihrist (catalogus) van de bi­bliotheek, namelijk de bestaande lijst in mijn computer overtypen.
Ik krijg bezoek van Hussain al-A. die ik al eens eerder ontmoette. Hij komt zijn brief met taalfouten, die hij niet wil verbeteren, aanbieden om aan de Nederlandse Ambassade af te geven, zodat die spoorslags het gevraagde geld voor de privéclub (naar hem) kan sturen.
Ik was onaangenaam verrast met zijn komst en ik laat het hem ook merken. Bovendien heeft zijn actie geen zin, nog afgezien van allerlei be­perkingen ten opzichte van dit privé-initiatief (een dak voor een loods en wat kantoorbenodigdheden om analfabete kinderen (alleen jon­gens dus) iets te leren), werkt de Nederlandse regering in het zuiden van Jemen alleen in de provincie Shabwa.
Deze Hussain zit niet op feiten te wachten en wil dat ik zijn wens (namelijk geld) vervul. Ik licht hem over de feiten in, waarna hij bijna kwaad wordt. Ik zeg hem dat hij andere geldschieters moet zoeken, zoals Japan, of Saoedi-Arabië, of Egypte. In ieder geval een land dat in de Hadramaut werkt. Hij denkt dat ik hem belachelijk maak. Hij wil daar niet naar zoeken en verlangt van mij dat ik dat doe.
Ik werk hem de deur uit.
Hij is niet Hussain van de calligrafie, maar Hussain die hier enkele weken geleden (8 mei jl.) met de Canadees was. Hij is leraar Engels met vijftien jaar ‘experiance after the university’.
Verder werken aan de fihrist.
Eten in het restaurant van het hotel.
Fihrist.
Beneden even praten met de mooie Salaah.
Tussen 22.30 en 23.00 het verslag van deze dag schrijven.
Bed 23.15 uur.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 30 mei.
Ik loop, op weg naar de taxi­stand­plaats, even bij Hussein al-A. (van de telefoonwinkel) naar binnen. Hij wil nu allerlei soorten manuscripten verkopen.Ik zeg hem dat ik over een half jaar terugkom en dan wel wat bij hem zal kopen. Volgens hem is dan alles verkocht. (Good for you, denk ik.)

[…]

Om 9.00 ben ik in Say’un en bel met Jan Just Witkam. (De project­coördinator in Nederland.) Hij wil dat de kaartcatalogus van de al-Ah­gaaf-bibliotheek in Tariem gefoto­kopieerd wordt.

[…]

Met Muhammad al-H., een onder­geschikte van Abd al-Rahmaan A., ga ik op zoek naar een winkel waar tafelventilatoren verkocht worden. We besluiten één staande ventilator, drie wand- en twee tafelmodellen te kopen. Dat is wat Abd al-Rahmaan wil. Zaterdag zal hij die ophalen. Ik betaal daarvoor 39.300 rial, nadat we 300 rial korting kregen. (1.000 rial = f. 13,00.)

[…]

Ik wissel 500 dollar voor 61.000 rial (wisselkoers 122 rial). Hiervan betaal ik de ventilatoren en van de rest moet ik 20.000 rial aan Ahmad, de elektricien uit Say’un, geven, die hiermee de rashwa (steekpenningen) aan het elektriciteitsbedrijf gaat betalen.

[…]

Ik verneem dat juli de heetste maand in Tariem is. Dan blijft het zelfs ’s nachts gloeiend heet en ook de Hadaarim hebben er last van. Die hitte duurt ongeveer veertig dagen en die periode wordt daarom de al-arba’iniyya (de veertig (dagen)) of ook wel al-Samoem genoemd.

[…]

Over de Koelliyyat al-sharia (de Faculteit van het islamitisch recht) hoor ik dat die dit jaar startte en ongeveer 75 leerlingen heeft. Deze faculteit zit in een gebouw van de Aal Kaaf-familie. Het is een groot wit gebouw, niet ver van de pas geleden afgebrande telefooncentrale.
De leerlingen hebben in de maanden augustus en september vrij. Verder studeren ze zes dagen per week.
Een studiedag begint om vijf uur, na de Salaat al-fadjr. Er volgen vier colleges van elk ander­half uur. Om 6.30 is er pauze voor het ontbijt. Om 7.30 begint het tweede college, dat tot 9.00 duurt. Er volgt dan een pauze van tien mi­nuten. Het daaropvolgende college duurt tot twintig voor elf. Er volgen nogmaals tien mi­nuten pauze en het laatste college loopt tot 12.20 uur.
Dan is het lunchtijd en na de middag wordt er gestudeerd.
Om 10.00 is het bedtijd, maar veel leerlingen blijven nog een paar uur studeren.
Er wordt een beetje aan sport gedaan: volleybal.
Er zijn zes onderwerpen die be­studeerd worden.
Figh (jurisprudentie) is belangrijkste en komt op de eerste plaats. In het eerste jaar bestudeert men alleen de Shafa’itische (al-Shafa’i) richting van de vier Soennitische Rechtsscholen (madhab). Daarna vergelijkend de vier richtingen (madha­hib). Naast figh bestudeert men de figh-wetenschap­pen (Oeloem al-figh), de grammatica (al-nahw), de hadith (handelingen van de profeet Mu­hammad), Hadith-wetenschappen (Oeloem al-hadith) en de soennat al-nabi (de levensweg van de profeet). Er wordt geen aandacht besteed aan logica of algebra / wiskunde. Ook filosofie komt niet aan bod.

Mijn informant, Salaah, bestudeerde de Griekse filosofie op de mid­delbare school, alsmede de socia­listische filosofie en hij trekt er zijn neus bij op.
Op school had Salaah geen be­langstelling voor Engels, nu hij deze belangstelling wel heeft, wordt die niet onderwezen. Op de Koelliyyat zal hij alleen in het vierde jaar passieve kennis van het Engels leren.
Hij kent vrijwel geen enkel woord Engels, wat natuurlijk veel van mijn inlevingsvermogen eist. Hij spreekt bovendien erg snel. Goed om veel te leren.

[…]

Salaah wil echt leren zwemmen. (Veel Arabieren zwemmen als honden, Salaah kan echter alleen maar onder water vooruit komen.) Mijn kennis van het Arabisch is te beperkt om hem allerlei nood­zakelijke lichaamsbewe­gingen uit te leggen. Ik maak tekeningen waarop ik aangeef wat hij moet doen om boven te blijven. Hij is heel erg dankbaar voor mijn werk.

[…]

Vanmiddag kreeg ik bezoek van de leraar Engels Hussain al-A. Ik ben niet op zijn bezoek gesteld en behandel hem ietwat ruw. Te ruw voor de gevoelige Arabische ziel.
Dit sujet is echter niet in mij geïnteresseerd, maar wel in het geld dat ik te bieden zou hebben. Ge­lukkig niet voor hemzelf. Niet direct, althans, maar als hij erin zou slagen geld van de Neder­landse overheid voor zijn vrijetijdsclub los te krijgen zal zijn ster in het dorp Taribah zeker rijzen.
Enkele weken geleden vroeg hij om een bijdrage uit het Tariem-project voor een dak boven loods van zijn sportclub. Om een en ander een cultureel cachet te geven spreekt hij van de inrichting van een bi­bliotheek voor de analfabeten, ten einde hen te onderwijzen. Ik stelde hem voor een brief te schrijven en die aan diverse ambassades te richten. Ook de Nederlandse.
Nu staat hij daar met een kort briefje, na vijftien jaar ‘experiance’ in het Engels, met verschillende taalfouten, onder meer ‘itmes’. Als ik hem erop wijs, wil hij dat niet meer verbeteren, want hij maakte de brief op een computer en dat is veel werk, bovendien zal ‘itmes’ niet tot verwarring leiden.
(Abd al-Rahmaan vroeg om Nederlandse assistentie voor het archief in Say’un en MN van de Nederlandse Ambassade vertelde me enkele weken geleden dat dit verzoek weinig kans maakte omdat Nederland in Jemen maar twee regio’s ondersteunt (een in het Noorden en Shabwa in het zuiden) en daar hoort de Hadramaut niet bij.)
Ik zeg dus tegen meneer Hussain dat zijn verzoek aan de Nederlandse Ambassade geen zin heeft en dat hij andere ambassades moet proberen. Een fluitje van een cent, de brief is immers op de computer gemaakt. Als hij ‘Dutch’ vervangt door ‘Saoedi’ heeft hij al een heel nieuw en rijk land bij de kladden. Hij wordt kwaad en denkt dat ik hem bespot. (Hij heeft gelijk.) Hij denkt dat ik hem laat vallen, alsof ik over de bijdrage moet beslissen. Kwaad zegt hij dat hij niet wil uitzoeken welke andere regeringen de Hadramaut bij de hand hebben genomen en verlangt van mij dat ik hem daarover inlicht.
Zij ongewenste bezoek had me boos gemaakt en met zijn opmerkingen word ik niet vriendelijker.
Wat denken ze wel, hier. Ze vragen een bijdrage voor een dak en wat kantoormateriaal. Er zijn hier rijke families genoeg die wel een paar stuivers kunnen missen. Hun rijke broer in het geloof, Saoedi-Arabië, heeft meer te makken. Waarom moet alles bij die mensen wegkomen die ziek zijn omdat ze varkens eten, die maar niet willen deugen omdat ze het ware geloof niet willen aanvaarden, waar overspel en wilde seksuele lust hoogtij viert, waar Aids een zegenrijke straf van God is om de bandeloosheid te beteugelen, maar ondertussen wel de hand ophouden bij dat vervloekte volk!

Dit is het einde van het verslag van 30 mei.

Index: Aal Kaaf, Ahgaaf, al-, Arba’i­niyya, al-, djadda, Figh, fihrist, Hadaarim, Hadith, Koelliyyat al-sharia, madar, madhab / madhahib, mudbrick, nahw, al-, Oeloem al-figh, Oeloem al-hadith, rashwa, salaat, Sa­moem, al-, Sayla, Shafa’i, al-, Soen­nat al-Nabi, Soennitisch, zonsteen.

Index van personen: Ahmad (elek­tri­cien), Abd al-Rahmaan A., Hamid B., Hussain al-A. (telefoon­winkel), Hussain al-A. (leraar Engels), Mu­ham­mad al-H.,  Salaah, Witkam, Jan Just.

Index van plaatsnamen: Gasr al-thawra, Hadramaut, Say’un, Shabwa, Taribah, Tariem, Yool.

Dit is het einde van dag 75 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

De uitspraak van enkele letters en klanken in Arabische woorden.
In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voorkomt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 29 mei 1996

al-Ahgaaf-bibliotheek.
Een overzicht van de ruimte van de al-Ahgaaf-bibliotheek. Deze dia is met een groothoek­lens genomen en geeft daarom een vertekend beeld van de grootte van de ruimte.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 29 mei 1996 (woensdag).

Naar het einde of de index.

Tariem.
Vandaag ben ik negen weken hier, in Tariem.
Abd al-Rahmaan A. hield me van­daag lang bezig in de bibliotheek, tot 15.30 uur. Hij wil een inventarislijst in het Engels hebben van het spul dat met de container uit Nederland kwam. Ik had niet veel zin in dat werk. Er is geen elektriciteit, dus werken de ventilatoren niet. Er is alleen elektriciteit rond gebedstijd: van 11.45 tot 12.00 en 15.00 tot 15.15 uur. (Van wisselend voltage.) De generator van de moskee zorgt er voor. Ik sprak de hoop uit dat mos­lims (voortaan) vijftig keer per dag moeten gaan bidden.
Hotel: een uurtje zwemmen en nog wat werken.
Beneden is geen kip, behalve enkele Franse toeristen, waarvan ik alle vrou­wen interessant vind, maar ik wil niet met ze praten.
FoxPro database.
Nu circa 23.00 uur.
Ik kreeg een kaart van LW en een brief van AD, met wat wereldnieuws.
Volgens AD zou Nico (die hier was van 17 maart tot 24 april), thuis in Nederland gezegd hebben dat het project mislukt is. Tot zijn vertrek had ik ook het idee dat alles paarlen voor de zwijnen is, maar nu, met de energieke en gedreven Abd al-Rah­maan geloof ik in het welslagen van het project. De religieuze Islah-partij is met Sjeik AB. uit de bibliotheek verdwenen en er zijn enthousiaste en integere harde werkers aangeno­men die een begin hebben gemaakt met het catalogi­seren, dat wil zeggen, met die werkzaamheden die de basis van een catalogus vormen.
Het project is een succes en moet zeker verder geholpen worden.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Na het vertrek van Nico op 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante informatie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 29 mei.
Alleen rond gebedstijd is er span­ning in de bibliotheek, ongeveer een kwartier, maar van slechte kwaliteit, met veel schommelingen in de span­ning. Ik bespreek de aanschaf van een generator, want de nieuwe elektriciteitscentrale in al-Mukalla wordt pas over twee jaar opgeleverd. Tegen die tijd is de nieuwe appa­ratuur (computer en printer) al vergaan door ongebruik en stof.
Een generator moet dan op het dak geplaatst worden en er moet iemand komen die dat ding onderhoud, of Aboe Alawi, medewerker van de bi­bliotheek, moet dat doen.

[…]

Uit de brief van AD. die ik vandaag ontving, blijkt dat Nico in Leiden heeft gezegd dat het project mislukt is. Ik ben echter die mening niet (meer) toegedaan. Ik spreek nu van een zeer geslaagd project en wil ook bijdragen aan de verdere uitbouw ervan. Begin april beschouwde ik alle moeite als paarlen voor de zwijnen, nu, met de energieke en inspirerende leiding van Abd al-Rahmaan is er een mooie toekomst voor de bibliotheek weggelegd.
Sjeik AB en daarmee de Islah-partij is de deur uitgewerkt. Alleen zijn compagnon, Abd al-Gaadir is er nog, maar zijn buiten-bibliotheekse werk­zaamheden zijn nu beperkt tot de contractzaken (oegoed). Abd al-Rahmaan ontvangt veel mensen die hem komen gelukwensen met zijn nieuwe functie. De partijgangers komen niet meer in de bibliotheek.

[…]

Er zijn nu vier nieuwe mensen aangenomen, hoewel niet zeker is of de laatste, over wie ik eergisteren schreef, een functie binnen de bi­bliotheek krijgt. Vermoedelijk wordt een werkloze ambtenaar aangeno­men, eentje die in het boekwezen bekend is. Een begin met het catalogiseren is gemaakt.

[…]

Abd al-Rahmaan wil alle materiaal in de bibliotheek inventariseren, want ‘Sanaa’ wil een lijst. Ik moet eerst de Engelse maken, vindt hij. Ik heb daar weinig zin in.
We werken tot ongeveer 15.00 uur in een energieloze bibliotheek. Alleen rond de salaat al-asr is er elektri­citeit.

[…]

Abd al-Rahmaan liet me een publicatie zien waarin zijn vader nieuwe poëzie publiceerde die hij in 1942 schreef. (De vader van Abd al-Rahmaan overleed tien jaar gele­den.)
Ook gaf hij mij een exemplaar van de krant al-Ahgaaf van 23 mei, waarin het bibliotheekproject besproken wordt en de minister vragen erover beant­woordt.

[…]

Is de elektricien Ahmad uit Tariem wel een echte elektricien? Hij was niet in staat, zonder mijn hulp, een kabel recht op de muur te beves­tigen.
Hij wil een airco aansluiten met drie draden. Twee aan de ‘fase-‘ en één aan de ‘nulgeleider’.
“Dit om meer stroom naar het apparaat te laten gaan”, zegt hij. Kent hij de Wet van Ohm en de eerste twee Wetten van Kirchhoff niet? Serieus verde­digde onzin. Wat een ‘vakmensen’!

[…]

Ik vroeg aan Abd al-Rahmaan hoe het zat met slavernij in Jemen. Hij vertelt over een dorpje Masilat al-Abied, waar allemaal zwarten wo­nen. Totaal wereldvreemd. Vermoe­delijk vroegere slaven. Masilat al-Abied is drie uur rijden voorbij Gabr Nabi Hoed in de Wadi al-Masila, zoals de Wadi ten oosten van Tariem heet.(1)

Dit is het einde van het verslag van 29 mei.

(1) Slavernij werd in Jemen pas (of­ficieel) afgeschaft in 1962, maar bestaat in werkelijkheid nog steeds.

Index: Abd / Abied, al-Ahgaaf-bibliotheekIslah-partij, agd / oegoed, poëzie, salaat, slavernij, Wadi, Wet van Ohm, Wetten van Kirchhoff.

Index van personen: Sjeik AB, Abd al-GaadirAbd al-Rahmaan A. Aboe Alawi, Ahmad, elektricien (Tariem), Nico.

Index van plaatsnamen: Gabr Nabi Hoed, al-Mukalla, Tariem, Wadi Masila.

Dit is het einde van dag 74 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

De uitspraak van enkele letters en klanken in Arabische woorden.
In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voorkomt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.