Jemen, 17 juni 1996

Wādī Duᶜan: Raybūn.

Onderweg naar de archeologische site van Raybūn in Wādī Duᶜan, waar rond het begin van onze jaartelling een tempel stond voor het aanbidden van de maangod(in) Sīn.
Ik bleef het landschap van de Wādī omringd door de tafelbergen fascinerend vinden en ik kon er geen genoeg van krijgen. Mysterieus mooi vond ik het.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 17 juni 1996 (maandag).

Naar het einde, de index, of de transcriptie.

Ṣanaᶜā’ – Leiden.
Een half uur eerder dan gepland komt ᶜAbd al-Raḥmān A. met de bevriende taxichauffeur die me naar de luchthaven brengt. Onderweg begint het te regenen: pijpenstelen!
Ik betaal 2.000 riyāl aan ᶜAbd al-Raḥmān voor de taxi.
Als ik ingecheckt ben en mijn 32 kg zware koffer als 20 kg is geboekt ga ik even terug naar ᶜAbd al-Raḥmān en geef hem 6.000 riyāl (die ik apart gehouden had, als ik misschien moest bijbetalen voor overgewicht.) Hij had 6.000 riyāl schade geleden door slechte afspraken, tijdens het bezoek van de mensen van het Institut du Monde Arabe uit Parijs. Ik geef het geld hiervoor. Hij wil het niet hebben, maar ik dring aan. Natuurlijk neemt hij het op den duur aan. Ik wil dat hij het neemt.
Ik heb nu nog 326 dollar en 800 riyāl over.
We nemen afscheid en we gaan ie­der onze weg.
In afwachting van de vertrektijd bestudeer ik de veiligheidsmaatre­gelen op de luchthaven. Die zijn er, maar zo lek als een mandje.
Dat weet de Jordaanse lucht­vaart­maatschappij Royal Jordanian ook, want iedereen die aan boord komt wordt gefouilleerd. (Vrouwen ook?)
Mijn speciaal gevraagde plaats is be­zet. De jongen wijst naar de vrije stoel langs het gangpad. Ik insisteer en hij staat met een lang gezicht op.
Ik zit tijdens de terugreis naar Neder­land lang naast het raam. Mekka en Medina gaan schuil onder een dikke wolkenlaag.
De vrouw van de jongen is er ook, maar hij zit naast zijn vader. Hij draagt de gebruikelijke zilveren trouw­ring. (Voor islamitische man­nen zijn gouden sieraden verboden.) Zijn moeder en stralend mooie zusje in schitterend versierde kleren, zit­ten in de buurt. Zijn vrouw (als het zijn zus is, waarom draagt hij dan een trouw­ring?) en moeder zijn helemaal in het zwart met gezichts­sluier: niqāb. Ze gaan op vakantie naar Jordanië. Welke Jemeniet kan dat betalen? Qāt-boeren alleen maar!
Op de luchthaven van Amman, Jordanië, waar ik op mijn volgende vlucht moet wachten, breng ik de tijd door met het lezen van het geprinte rapport van het Tarīm-project en met het kijken naar mooie vrouwen.
In Tarīm zullen vandaag de dadels rijp zijn.
Aan boord van het vliegtuig van Amman naar Amsterdam kom ik naast een sexy meid te zitten, maar ik merk meteen dat die niet ‘in’ is voor een praatje.
Een oudere Palestijnse (?), die alleen reist, wordt naast een man geplaatst, maar daar wil ze niet gaan zitten. Die plaats is naast het raam en ik zie mijn kans schoon. Ik had een plaats aan een raam gevraagd, maar die was er niet.
De oude Palestijnse en een andere vrouw zijn mij zeer dankbaar dat ik met haar wil ruilen. Zij naast de mooie, maar zwijgende, vrouw en ik naast het raam.
Tot mijn grote verbazing vliegen we over de Dode Zee en Jeruzalem. De koepel van de Qubbat al-ṣaḵra (de Rotskoepelmoskee) in de ḥaram al-šarīf (het Edele Heiligdom, de Tempelberg) staat er glinsterend bij.
De stad is mooi, maar doet me niet veel. We vliegen over de landings­strip van Ramallah en dus over het huis van Zakī D.(?) Over de Bir Zeit Universiteit, waar wellicht NvB verblijft. (En komende vrijdag weg­gaat.)
Mijn buurman op deze vlucht is een 33-jarige Syrische chirurg die in de Saoedische ‘Tuin’ (al-Riyāḍ = de tuin) werkt en eens per jaar 45 dagen in Chicago van de westerse vrijheid gaat genieten. (Zijn vrouw ging naar haar familie in Syrië.)
In al-Riyāḍ bestaat het uitgaansleven uit winkelen. Verder is er niets. Geen bioscopen, niets, helemaal niets. Verder geen gebrek aan luxe. Zijn ziekenhuis heeft alle nood­zakelijke apparatuur.
Hij laat zich graag voorlichten over Jemen, want hij had eens overwogen om daar te werken, maar verkoos al-Riyāḍ.
De film: “Gold diggers” is een flauwe film, maar de (jonge) actrices zijn sexy en dat is het enige waar ik op let.

Jan Just Witkam haalt me op Schiphol op en brengt me thuis. (Volgens afspraak.)
In Leiden doe ik boodschappen. De Winkelsluitingswet is gewijzigd en winkels mogen tot 8.00 uur ’s avonds open blijven.

Eten: brood met witte bonen in tomatensaus.
Bed circa 20.00 uur: uitgeput.

In het zuiden van Jemen werd ik vooral dikker, geheel tegen de verwachting in. Mijn kakibroeken waren te nauw toen ik vertrok, maar ik verwachte dat ze me gauw zouden afglijden. Het leven vol inertie en het vette eten, met veel kip, veroor­zaakte het tegenovergestelde.

Seks met vrouwen behoort in Jemen vrijwel tot de onmogelijkheden. Met mannen durfde ik het, voor mijn reputatie, niet aan. Er zijn boven­dien maar weinig echt aantrek­kelijke mannen. Veel zijn vreselijk mager.
Van de toeristen waren er maar een paar die ik nu (in de overvloed van Nederland) echt aantrekkelijk zou vinden. Geen enkele was zonder man.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 17 juni.
In het Qaṣr al-Qubba-hotel in Tarīm vertelde men mij verschillende keren dat de dadels over zoveel dagen rijp zouden zijn. Als ik ‘zoveel dagen’ uitrekende kwam ik iedere keer op maandag 17 juni uit, de dag van mijn thuisreis. (Nu blijkt dat er rond 17 juni ernstige overstro­mingen in Tarīm zijn. Voor dadels zullen de mensen geen tijd hebben. Hoe vergaat het Ḥusayn, de jonge jongen die de dadelboerderij van zijn vader bestiert, die zelf ergens ver weg werkt?)

[…]

De familie die in het vliegtuig naast mij zit gaat op vakantie in Jordanië. Welke Jemeniet kan een reis naar het buitenland betalen? De man zal ongetwijfeld zijn geld verdienen met het verbouwen van qāt.
Gisteren vroeg ik aan Ǧamāl hoe het zat met de qāt-boeren. Zijn dat nu criminelen of niet? Hij vertelde dat ze vroeger, tien jaar geleden, wel als criminelen werden gezien, maar nu er zoveel verslaafden zijn is hun positie aanmerkelijk verbeterd. De afhankelijken zien hun verstrekkers waarschijn­lijk niet als een crimineel, maar als een goed mens.

[…]

Mijn Syrische buurman in het vliegtuig, na Amman, Mazen, is chirurg in al-Riyāḍ. In zijn zieken­huis werken alleen maar buitenland­se verpleegsters, voorname­lijk uit de Filippijnen. De voertaal is derhalve Engels. Voor de overwegend Ara­bische cliënten zijn er enkele verta­lers in dienst. Het ontbreekt in die ziekenhuizen aan niets, wat appara­tuur betreft.
Dat is in Jemen wel anders. Ik begreep al van een Nederlandse verpleegster, die in Tarīm op bezoek was, dat er geen ziekenhuizen zijn waar vrouwen opgenomen kunnen worden.

[…]

Mazen vertelt ook dat hij in zijn jonge jaren zich voor manuscripten (handschriften) geïnteresseerd had, maar nadat hij begrepen had dat het lezen daarvan geen eenvoudige klus was, was zijn belangstelling snel verdwenen.
Hij vertelt dat in Aleppo de belang­rijkste verzameling micro­films van heel Syrië te vinden is, met micro­films uit de hele Arabische wereld.

[…]

Leiden is een ‘culture shock’. De zon schijnt een beetje. Waarom lopen de mensen allemaal half bloot over straat?
Hedenochtend nog zag ik vrouwen waarvan ik alleen de ogen kon zien, omdat hun lichaam verscholen ging achter zwarte doeken. Nu zie ik vrouwen waarvan ik alleen de ogen niet kan zien, omdat die verscholen gaan achter zwarte Ray Bans.

Dit is het einde van het verslag van 17 juni.

Index van termen: Bir Zeit Universiteit, Gold diggers, Institut du Monde Arabe, niqaab, Qasr al-qubba-hotel, qat, Ray Ban, Rotskoepelmoskee, Royal Jordanian, Winkelsluitingswet,

Index van personen: ᶜAbd al-Raḥmān A., Ǧamāl, Ḥusayn, Jan Just Witkam, Mazen.

Index van locaties: Aleppo, Amman, Dode Zee, Jeruzalem, Jordanië, Leiden, Medina, Mekka, Ramallah, Raybun, al-Riyaad, Ṣanaᶜā’, Schiphol,  Syrië, Tarīm, Tempelberg, Wadi Duan,

Dit is het einde van dag 93 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Transcriptie van de klinkers in Arabische woorden.

A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.

Klik hier voor het overzicht van de transcriptie in Arabische woorden.

Top

Jemen, 16 juni 1996

Qasr al-Qubba-hotel, Tarim.
Qaṣr al-Qubba-hotel in Tarīm. V.l.n.r.: Man­ṣūr van de cafetaria, de bewaker, ondergete­kende, Sālim al-T., receptionist (hij is ook le­raar Engels). Een onbekende lange bezoeker, zeker uit het Noorden, gezien zijn lange witte dišdāša (ṯawb). Op de achtergrond het zwem­bad voor Jeme­ni­tische mannen.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 16 juni 1996 (zondag).

Naar het einde of de index.

Ṣanaᶜā’.
Wakker van de aḏān al-faǧr om on­geveer 04.15 uur. Ik kan niet goed meer slapen en sta om 04.50 op.
Ik denk aan de woorden van Nico: dat hij in het kasboek privézaken en taxi nooit bij elkaar zette, anders zou een deel van de taxikosten als privé kunnen worden aangemerkt. Nu hielden we en hield ik alle taxikosten als projectkosten aan, maar ik hield de taxi niet altijd uit de buurt van de privékosten. Ik besluit het kasboek te herschrijven en werk eraan van circa 05.00 tot 09.00 uur.
Ik ga naar de Algemene Organisatie etc., waar ik mijn paspoort aan Ǧamāl geef, die naar de paspoort­autoriteiten gaat.
ᶜAbd al-Raḥmān A. en ik worden ontvangen door dr. Aḥmad al-Š. voor een informeel gesprek.
Sprekend over de lawaaierige aḏān blijkt dat hij niet uitmunt in geloof. (Hij vindt ze ook te lawaaierig, maar dat mag je niet hardop zeggen, want dan wordt je beschuldigd van blas­femie, waarop de doodstraf staat.)
Met ᶜAbd al-Raḥmān bezoek ik de met een kwart ton gerestaureerde al-Nūba? toren in Ṣanaᶜā’. (Ongeveer tachtig jaar oud.) Wel ja, het geld, de ene helft van het geschenk aan Jemen, moest op. De al-Aḥqāf-bi­blio­theek kreeg de andere helft. (Twee­hon­derdvijftigduizend gulden.)
Bij de Algemene Organisatie bewon­der ik de ogen van enkele dames die in het zwart gekleed gaan en ga naar het hotel om te rusten, zodra ik mijn paspoort via Ǧamāl terug heb.
Op aanraden van ᶜAbd al-Raḥmān (gisterenavond) nodig ik Ǧamāl ook uit voor etentje in het restaurant van het Taj Sheba hotel, alles en iedereen op mijn kosten.

Bed, circa anderhalf uur.
Financiën: verbeterd kasboek gereed maken.
Nu 17.30 uur.
Weer: fris, in de zon, af en toe aanwezig, warm.

Ik ruim mijn spullen goed op en ben rond 19.00 in het Taj Sheba hotel. ᶜAbd al-Raḥmān, die er rond 19.00 uur zou zijn om zijn vriend Ǧamāl te ontmoeten, komt pas circa 19.30 en zijn vriend tegen 19.50 uur. Dan komt ook CR, van de Nederlandse Ambassade.
Het is een gezellige avond, die pas laat op gang komt, want ik weet niet goed wat ik met Ǧamāl moet bespreken, want ik ken hem nog maar kort.

Ik ben rond 22.45 uur in het al-Qāsmī-hotel en heb nu serieus last van diarree. Eergisteren, na de eerste pizza deden zich al proble­men voor. Na de tweede pizza weer, en nu, na de derde westerse maaltijd is het probleem ernstig. Ik moet lang zoeken tussen de meegebrachte medicijnen, maar uiteindelijk vind ik toch de antidiarree pillen.
Ik wil niet meer gaan slapen, want ik vertrouw de wekker niet en vrees bovendien dat ik me zal verslapen, zoals bij het vorig bezoek aan Ṣanaᶜā’ (15 mei) ook gebeurde.
Ik schrijf het dag-verslag op de com­puter en als ik de woorden van Ǧamāl van deze avond neerschrijf valt het kwartje, een zeer belangrijk kwartje.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 16 juni.
Ik krijg via Ǧamāl mijn uitreisvisum.

[…]

Van ᶜAbd al-Raḥmān hoor ik dat er in het Zuiden overstromingen zijn. De weg tussen Tarīm en Say’ūn is geblokkeerd.
(Van Pa en Ma hoor ik op 19 juni dat er in hun krant stond dat er in Oost-Jemen veel mensen verdronken zijn na overstromingen en dat veel huizen ingestort zijn.)

[…]

Na het gezellige etentje in restau­rant Bilquis van het Taj Sheba Hotel (Ali ᶜAbdul-Moghni Street in Ṣanaᶜā’) typ ik in mijn computer het verslag van deze dag en noteer daarbij ook wat Ǧamāl mij over zijn leven vertelde.
Al schrijvend (typend) wordt mij plotseling duidelijk dat zijn verhaal de sleutel is tot de oplossing van een, voor mij tot nu toe, onbegrijpelijke legpuzzel.
Ik schreef in brieven naar vrienden en vriendinnen in Nederland:
[…] de andere medewerkers doen […] niets. Als ze na een halve dag voor zich uitstaren, op de klok zien dat het half twee is, trekken ze zich terug om te gaan rusten. […] Er ontstond enige paniek toen bleek dat wij door willen werken, zodra de container met het materiaal aankomt.
Dan zouden ze na de middag ook nog gedwongen worden voor zich uit te staren, zonder dat ze aan rusten zouden toekomen
. (Einde citaat.)
Ik begreep niet goed waarom ᶜAbd al-Raḥmān een vergoeding uit het project wilde hebben. Was dat gewoon hebzucht? Dat extra werk dat hij claimde te doen, daarvoor werd hij toch betaald door zijn werkgever. Je bent directeur of je bent het niet, toch?
Ǧamāl zegt 10.000 rial [f. 130,00] per maand te ontvangen van zijn baas, de Algemene Organisatie. Hij heeft echter 30.000 rial per maand nodig.
Ik vraag of hij qāt gebruikt. Dat doet hij twee dagen in de week, slechts op donderdag en vrijdag.
“Hoe kom ik aan 30.000 rial?” vraagt hij. (Ik vrees een verzoek tot bij­drage.)
’s Morgens werkt hij bij de Algemene Organisatie voor Archeologie, Musea en Handschriften als Public Relations Officer. In de namiddag werkt hij bij zijn oom in een meubelwinkel en krijgt daarvoor 9.000 rial. De andere 11.000 rial verdient hij door op de luchthaven de doorvoer van handelswaar te bespoedigen. (Fixer.)
Hij kent veel mensen in de handelsbranche, want zijn vader had ook een winkel (hier, naast het Taj Sheba hotel) en hij kent de wetten. Als goederen ingevoerd moeten worden blijven die soms een week bij de douane liggen. Ǧamāl kent wegen (zonder veel steekpenningen (rašwa) te betalen) om de termijn tot twee dagen te bekorten. Op­dracht­gevers betalen voor deze diensten.
Zijn vrouw is een sociologe, die nu in verwachting is van hun tweede kind. Zij verdient bij een particulier instituut 12.000 rial per maand. De overheid betaalt voor hetzelfde werk slechts 8.000 rial.
Als ik weer in het hotel ben duurt het nog een hele tijd voordat het kwartje valt. Dat gebeurt wanneer ik de woorden van Ǧamāl in de computer intik. Dan wordt plotseling ‘alles’ duidelijk voor mij.
De medewerkers van de al-Aḥqāf-bi­bliotheek, die in paniek raakten bij het woord ‘overwerk’ en zeiden dat zoiets dagen van te voren aange­vraagd moest worden, waren niet te lui om te werken. Integendeel, zij zijn harde werkers. Na de middag en in de avond moeten ze natuurlijk hard aan slag om het resterende bedrag voor hun levensonderhoud bij te verdienen.
Abd al-Qādir, bijvoorbeeld, heeft een eigen bedrijf waar hij samen met Sjeik AB. ᶜUqūd-zaken (huwelijks­con­tracten) behandelt.
Van de anderen weet ik hun neven­in­komsten niet. Ik vroeg er niet naar, want ik dacht dat ze lui waren.
De taxichauffeur die me gisteren­avond naar het hotel bracht, werkt ’s ochtends bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en ’s middags als taxichauffeur.
Sālim al-T. in het Qaṣr al-Qubba-hotel werkt ’s ochtends als leraar Engels en ’s middags en ’s avonds als receptionist.
De vrouw van Hussain al-A., de andere receptionist van het Qaṣr al-Qubba-hotel werkt als gymnastiek­lerares in de school voor meisjes.
Een verhelderende avond. Anderhalf uur voor mijn vertrek naar de luchthaven en een paar uur voordat ik Jemen verlaat, heeft Ǧamāl een groot licht laten schijnen op de aldoor omfloerste opmerkingen over geld. Nooit werd me rechtstreeks verteld hoe de vork in de steel zit, in welke geldnood men verkeert, wat men allemaal moet doen om normaal te kunnen leven.
ᶜAbd al-Raḥmān vertelde enige weken geleden dat sommige amb­tenaren niet op hun werkplek verschijnen, of slechts tweemaal per dag. ’s Ochtends om hun aanwe­zigheidshandtekening te zetten en ’s middags om te tekenen dat ze naar huis gaan. In die tussentijd doen ze andere werkzaamheden, bij andere werkgevers of als zelfstandige. Ik heb dat verhaal gehoord, maar nooit een link gelegd naar noodzaak, ik achtte dit pure diefstal waartegen niet opgetreden werd.
Ambtenaren die bij het elek­trici­teitsbedrijf werken, zo vertelde ᶜAbd al-Raḥmān, krijgen gratis elektri­ci­teit, ambtenaren bij het telefoon­bedrijf krijgen gratis telefoon, maar wat krijgen ambtenaren die in een museum werken?
“Gratis toegang,” stelde ik, tot hilariteit van ᶜAbd al-Raḥmān. (De toegangsprijs is vijf rial per persoon (f. 0,07), dat hebben ze dan toch mooi verdiend, iedere dag!)
In elk geval is duidelijk, wil het Tarīm-project volgend jaar ook slagen, dat er dan voldoende geld gereserveerd moeten worden om in­komstenderving van de medewer­kers op te vangen.

Dit is het einde van het verslag van 16 juni.

Uit mijn herinneringen:
In Jemen ontving ik brieven van vrienden en vriendinnen uit Neder­land. Een van hen sprak in haar brief over de ‘Gekkekoeienziekte’. Dat speelde kennelijk in het nieuws. Ik kon aan haar verhaal geen touw vastknopen. Ik had geen idee waar ze het over had. In Jemen hoorde ik niets van wat er in de wereld gebeurde.

Nog moet ik vermelden dat ik bij bezoeken aan allerlei landen in de Arabische wereld steeds weer ont­dekte dat mensen daar niet kunnen kaartlezen. Ze waren zelfs niet in staat op de stadsplattegrond de straat aan te wijzen waarin ze zelf woonden, of een gebouw te vinden, waar we op dat moment voor stonden. In Zuid-Jemen, daarente­gen, was kaartlezen geen enkel probleem. Alle mensen die ik een landkaart of plattegrond toonde, konden daarmee overweg. Het communistisch onderwijs was dan toch nog ergens goed voor geweest.

 

Index van termen: aḏān, Algemene Organisatie, dišdāša, Fixer, Gekke­koeienziekte, Nederlandse Ambas­sade, al-Qāsmī-hotel, al-Qaṣr al-Qubba-hotel, qāt, rašwa, ṯawb, ᶜUqūd.

Index van personen: ᶜAbd al-Raḥmān A., ᶜAbd al-Qādir, Sjeik AB., Aḥmad al-Š., CR, Ǧamāl, Ḥusain al-A., Sālim al-T.

Index van locaties: Ali Abdul-Moghni Street, Ṣanaᶜā’, Say’ūn, Tarīm.

Dit is het einde van dag 92 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Transcriptie van de klinkers in Arabische woorden.

A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.

Klik hier voor het overzicht van de transcriptie in Arabische woorden.

Top

Jemen, 15 juni 1996

Wadi Do'an.
Een sfeerbeeld in Wadi Do’an.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 15 juni 1996 (zaterdag).

Naar het einde of de index.

Ṣanaᶜā’.
De hele nacht en ook ’s ochtends nog regent het pijpenstelen.
Tegen de ochtend ben ik licht ziek.
Ontbijt.

Ik loop naar de Algemene Orga­nisatie … etc., en laat me door Ǧamāl een exit-visum voorbereiden, maar dat duurt weer bureaucratisch lang en daarna zou ik ook nog naar het migratiekantoor moeten. Eerst moet dr. Yūsuf MA. dit formulier tekenen, maar die is er niet. Het heeft hard geregend en alle straten staan onder water, dus het kan nog wel eens een hele tijd duren voordat hij komt.
Mijn geduld is op en ik zeg dat ik morgen terugkom.
Ik ga naar de Nederlandse Am­bas­sade en hoor daar dat een uitreis­visum nodig is.

Ik ga naar het Yemen Computer Centre waar ik naar Arabische soft­ware en een beschrijving vraag voor de Hewlett Packard laserprinter 5P/MP. Vanavond kan ik terugko­men voor de betreffende kopieën.

In het al-Qāsmī-hotel werk ik mijn financiën bij en maak het verslag van deze dag tot nu toe, op mijn computer.

De Wādī al-Sayla staat vol water en stroomt wild. Het is volksvermaak nummer één, hier in Ṣanaᶜā’.

Tegen 16.45 is ᶜAbd al-Raḥmān A. hier en we gaan naar het Centrum voor Moderne Kunst in de oude stad. Dat is vlakbij. Er is niet erg veel bijzonders te zien. Een beroemde Jemeniet doet niets anders dan Picasso imiteren. (Ṭufayl, of zo, heet hij.) Hij schijnt er rijk van te worden. Het enige werk dat me een beetje aanspreekt is van ene Yāsīn. Zijn mooiste kost 80 dollar. Ik laat het werk hangen.
In een galerie, Gallery no 1 in de Khartoem Street, zitten de door de regering gesponsorde rijke kunste­naars hun non-werk te verkopen.
We bezoeken ook een bibliotheek van al-ᶜAfīf, waar ook schilderijen te zien zijn. De oude al-ᶜAfīf voert een oorlog tegen de qāt-gebruikers en qāt-verbouwers.

Het Yemen Computer Centre kreeg geen medewerking van Hewlett Packard om software en beschrijving te mogen kopiëren. Een vriend van de technicus heeft dezelfde printer en ᶜAbd al-Raḥmān kan over enkele dagen terugkomen om het gevraag­de gratis op te halen.

Ik ga alleen eten in het restaurant van gisteren. ᶜAbd al-Raḥmān gaat terug naar zijn vrienden in Gallery no 1, in Khartoem Street.
In het restaurant is me geen rust gegund. Drie snaken nodigen me aan tafel. Een spreekt maar Engels en de conversatie loopt via hem. Als binnenkomer verwijt hij westerlin­gen koel te zijn en prijst de Arabieren om hun warmbloedige aard.
Het leven van de Arabieren is zonder problemen (…). Als wijze raad geeft deze lummel me het advies me in het vervolg onder Arabieren te men­gen en niet zo afstandelijk te zijn. Onafwendbaar begint ook weer het gezeur over hun en mijn godsdienst. Als ik zeg dat hem dat niks aangaat, is hij bijna beledigd: “Er kan toch over gepraat worden.” Enzovoorts.
Zijn vader schijnt rijk te zijn: qāt-verbouwer.
Hij wil neuken, maar er is geen geschikt lichaam beschikbaar. Hij zal waarschijnlijk met zijn nicht (bint al-ᶜamm) trouwen. Hij zag haar gezicht voor het laatst toen ze jonger dan vijftien jaar was. Hij wil haar en heeft het gevoel dat zij hem ook wil.
Hij kauwt geen qāt en zou ook niet willen dat zijn aanstaande dat zou doen. Zijn vader en jongere broer kauwen wel.

Met de taxi naar het hotel: de chauffeur werkt voor 10.000 rial per maand bij het ministerie van Binnenlandse zaken. (’s Ochtends.) Daarna rijdt hij taxi. Hij zal achter in de twintig zijn, is getrouwd en heeft een kind.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 15 juni.
In de Nederlandse Ambassade ont­moet ik CR. Zij vertelt over de qāt-sessies voor vrouwen, die zij bij­woonde. Daar zijn de vrouwen in doorzichtige kleding gekleed en spreken luid en agressief over de meest intieme details, zonder schaamte, over de omgang met hun echtgenoot. Ze zijn dan veel vrijer dan enige seksueel bevrijde Neder­landse of Nederlander, volgens CR.
CR heeft de indruk dat de vrouwen hier in Jemen zich in een minder onderworpen positie bevinden dan de vrouwen in Syrië, waar zij ook studeerde.

[…]

Op de markt koopt ᶜAbd al-Raḥmān stof voor zijn vrouw. Bijzonder is dat deze per kilo wordt verkocht.

[…]

In het al-Qāsmī-hotel betaal ik de overwerkvergoeding aan ᶜAbd al-Raḥ­mān. Een bedrag overeenkom­stig met drie maandsalarissen van zijn werkgever.

[…]

De echtgenote van de plaats­vervangend ‘Chef de Poste’ van de Nederlandse Ambassade had me gezegd dat de kunst van ᶜAbd al-Raḥmān (autodidact) niet boven de rest uitkwam, nadat ze zijn Šibām-poster had gezien. De rest van de kunstenaars stelde volgens haar niet veel voor. Ik was toen een beetje teleurgesteld over haar kwalificatie, maar op grond van wat ik nu in de kunstgalerieën zag, moet ik haar gelijk geven.

Dit is het einde van het verslag van 15 juni.

Index van termen: Algemene Organisatie, bint al-ᶜamm, Neder­landse Ambassade, al-Qāsmī-hotel, Qāt, Yemen Computer Centre.

Index van personen: ᶜAbd al-Raḥmān A., al-ᶜAfīf, CR, Ǧamāl, Ṭufayl, Yāsīn, Yūsuf MA.

Index van plaatsnamen: Khartoem Street, Šibām, Ṣanaᶜā’, Wādī al-Sayla.

Dit is het einde van dag 91 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Transcriptie van de klinkers in Arabische woorden.

A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘i’ in ‘mi’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.

Transcriptie van de medeklinkers in Arabische woorden.

Top

Jemen, 14 juni 1996

Alziend oog.
In Ḥurayḍa (Wādī ᶜAmd) fotografeerde ik dit opvallende ‘raam’ boven de toegangsdeur van een moskee. Het lijkt sterk op een symbool van de katholieke kerk. Twee bladzijden van een boek (de tien geboden?) opengeslagen, met een soort van kelk in het midden met daarboven het stralende “alziend oog” van God.
Ook de koepel boven de deur is elegant vormgegeven.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 14 juni 1996 (vrijdag).

Naar het einde of de index.

Ṣanaᶜā’.
Op 7.00 uur.
Ontbijt.
Het regent pijpenstelen.
Dagboek bijwerken.

Ik werk tot rond 14.00 aan het verslag op mijn computer.
Financiën.
Computer: spelletjes.
Tegen 16.45 uur komt ᶜAbd al-Raḥmān A. en handelen we de nog lopende financiële zaken af.
Ik geef hem een groot bedrag in dollars, bestemd om de openstaande rekeningen, veroorzaakt door het Nederlandse geschenk aan de al-Aḥqāf-bibliotheek, te betalen.
Daarna ga ik op de markt geld wisselen.
De koers is 118,5 rial. Gisteren was de koers 117 rial.
We gaan in Ḥadda Street dure winkels bekijken, want computer­win­kels zijn gesloten. Daarna eten we een pizza, ergens: lekker.
Naar mijn kamer in al-Qāsmī-hotel, circa 22.00 uur.
Financiën.
Bed 23.00 uur.
Vanmiddag op mijn kamer had ik koude voeten!
Rond het ontbijt regende het pij­pen­stelen.
Vanmiddag gaf ik ᶜAbd al-Raḥmān een geschenk van 10.000 rial (f. 130,00) uit eigen beurs, als dank voor de vriendschap. Geld is het enige dat de mensen hier in Jemen kunnen gebruiken.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 14 juni.
ᶜAbd al-Raḥmān wil graag dat Sjeik AB. in de bibliotheek terugkeert. Hij is nodig wegens zijn grote kennis van en over de bibliotheek.

[…]

ᶜAbd al-Raḥmān vertelt over de politieke richting van Sjeik AB. Veel mensen kennen hem, maar zijn niet bekend met de politieke richting die deze man aanhangt. Op dat gebied is de Sjeik een onbekende voor hen. Er zijn er die beweren dat hij tot de Wahhābiyya behoort, anderen be­weren dat hij een Ṣūfī is, weer anderen dichten hem nog een andere richting toe. Er was zelfs iemand die de Sjeik als een socialist omschreef.
Feit is dat de Sjeik, als voorzitter van al-Iṣlāḥ-partij, aan het begin van de burgeroorlog (1994) is opgepakt en twee maanden in de gevangenis heeft doorgebracht. Dat lot trof alle leiders van de socialisten onwel­ge­vallige partijen. Dus leiders van de Congrespartij en de Iṣlāḥ-partij. De leiders van de al-Rābiṭa-partij, die streefde voor een onafhankelijk zuiden en die in de communistische tijd een soort getolereerd onder­gronds bestaan leidde, werden niet opgepakt. Leden van die partij waren mensen met veel geld.
Na de oorlog liepen veel leden van de Rābiṭa-partij over naar de Congres­partij en de Iṣlāḥ-partij.
De president van Jemen wilde de Rābiṭa-partij opheffen omdat die te weinig leden zou hebben. Die partij publiceerde toen in een grote lan­delijke krant de namen van alle leden. Een van die mensen was Sjeik AB.
De Sjeik beweerde toen dat het iemand anders moest zijn, maar het probleem is dat er in Jemen niet veel mensen met zo’n naam zijn. In het Noorden zeker niet, want in Ṣanaᶜā’ en omgeving wordt zijn tweede voornaam (feitelijk de voornaam van zijn vader) alleen door joden gebruikt. In het Zuiden is dat niet het geval.

[…]

Sprekend over Sjeik Aḥmad Zakī al-Yamānī komt de terrorist Carlos ter sprake. Die zou jarenlang in Zuid-Jemen gewoond hebben en een rood paspoort hebben gehad: een diplo­matenpaspoort. Voor de gewone Jemeniet is er alleen het zwarte paspoort, waarmee die voortdurend moeilijkheden ontmoet, als hij ermee reist.
Het Noorden verstrekte toentertijd vrij eenvoudig blauwe (nationale) paspoorten aan mensen die het Zuiden verlieten. Hiermee lagen de wereldgrenzen open. Een dergelijke opstelling bevorderde de unificatie, toen die aan de orde was.
De unificatie kwam omdat veel mensen genoeg hadden van het socialistisch systeeem en de regering vreesde in een soort burgeroorlog weggeveegd te worden. Met de be­lofte van het Noorden dat de zittende president mocht blijven zitten (liefde voor het pluche?) ging het Zuiden akkoord met de unificatie. Daarna ontstond er in het Zuiden onenigheid over de te volgen lijn en wilden de zuiderlingen weer aan de macht. Dat veroorzaakte instabiliteit, wat leidde tot de burgeroorlog van 1994.

[…]

Voordat Nico en ik uit Nederland vertrokken had hij (Nico), die Jemen al eens eerder bezocht, me verteld dat er in Jemen bijna geen cri­mi­naliteit voorkwam en dat gevan­genissen leeg stonden.
Bij alle stoplichten in Ṣanaᶜā’ verkopen kinderen stuursloten voor auto’s. Ik vond dat vreemd, en alle Jemenieten die ik erover sprak vonden het vreemd dat ik dat vreemd vond. Nu las ik in The Yemen Times dat de gevangenis van al-Mukallā uitpuilde en, zo werd me verteld, dat was met alle gevan­genissen het geval.
Verder is er nog een vorm van officiële criminaliteit, waarbij de geheime dienst tegenstanders van het regime intimideert en daarbij geweld en moord niet schuwt.

Dit is het einde van het verslag van 14 juni.

Indexal-Aḥqāf-bibliotheek, Con­gres-partij, al-Iṣlāḥ-partij, Joden, al-Qāsmī-hotelal-Rābiṭa-partij, Ṣūfī, WahhābiyyaThe Yemen Times.

Index van personen: Sjeik AB., ᶜAbd al-Raḥmān A., Carlos, Nico, Aḥmad Zakī al-Yamānī.

Index van plaatsnamen: Ḥadda Street, Ḥurayḍa, al-Mukallā, Ṣanaᶜā’, Wādī ᶜAmd.

Dit is het einde van dag 90 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

Transcriptie van de klinkers in Arabische woorden

A / a klinkt als ‘a’ in ‘pan’, I / i klinkt als ‘i’ in ‘pin’, U / u klinkt als ‘oe’ in ‘poen’.
Ā / ā klinkt als ‘a’ in ‘ma’, Ī / ī klinkt als ‘ie’ in ‘mie’, Ū / ū klinkt als ‘oe’ in ‘moe’.

Transcriptie van de medeklinkers in Arabische woorden

Top

Jemen, 13 juni 1996

Wadi Do'an.
Een impressie uit Wadi Do’an, die ik op 7 juni jl. bezocht. Daniël van der Meulen fotogra­feerde (in de jaren dertig) onderweg diverse gebouwen. Abd al-Rahmaan heeft fotokopieën van die foto’s. Wij foto­graferen dat wat Van der Meulen ook al fotografeerde. Het blijkt dat er sindsdien nogal wat veranderd is. Een enorm kasteel (toentertijd) was nu ‘ineenge­schrompeld’ tot de afmetingen van een nor­maal Zuid-Jemenitisch huis. Alle gebouwen zijn van mudbrick (madar) gebouwd. Links op de voorgrond liggen nog enkele bouwstenen op gestapeld

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 13 juni 1996 (donderdag).

Naar het einde of de index.

Sana’a.
Gewekt door de salaat al-fadjr.
Op 05.45 uur.
Dagboek bijwerken.
Nu 7.30 uur.

Na het ontbijt ga ik naar het moderne telefoonkantoor, waar ik op 15 mei ook was tussen Zubayri street en Qasr street (Straat nr. 36?) om daar weer op een ‘ouderwetse’ manier (met telefoonkaarten) te bellen. Telecommunicatie en Jemen, dat gaat niet goed samen. Het moderne systeem, waar ik een maand geleden versteld van stond en waar iedereen bij stond te glunderen, werkt niet meer: “Fout in de software,” heet het, ‘maar je kunt me nog meer vertellen, dat geloof ik niet,’ denk ik.
Ik bel met Jan Just Witkam en met Pa en Ma. Alles ik o.k.

Ik koop The Yemen Times en lees in een kantoor van de Algemene Organisatie van Archeologie, Musea en Handschriften, waar ik nog voor Abd al-Rahmaan A. arriveer, alles over de achtergrond van het nog steeds voortdurende oproer in al-Moekalla. Een politieofficier van het bureau Zeden en Openbaar Goed Gedrag verkrachtte daar een vijf­tienjarig meisje en zijn baas en verdediger beschreef alle vrouwen van de Hadramaut als hoeren. De man is een Noorderling en wekte met zijn uitspraak de ressenti­menten van de zuiderlingen op, waarna de vlam in de pan sloeg, met als gevolg een nu al ongeveer één week durend oproer.

In diverse andere kantoren de Algemene Organisatie maak ik kennis met het als bureaucratisch (…) omschreven systeem van de Organisatie.
Veel geld zou gespendeerd worden aan administratie, terwijl er voor onderzoek niets overblijft.
Volgens mij echter, wordt er ook vrijwel niets aan administratie uitgegeven, maar slechts aan lonen, gezien de talloze volkomen lege bureaus waarachter enkele mensen zitten te thee lurken en te kletsen. De directeur van het hoofdkantoor is zelfs voor niemand aanspreekbaar, hoewel talloze mensen dat doen, al dan niet tegelijkertijd en over wisselende onderwerpen.
De directeur zit voortdurend te glimlachen, kijkt wazig rond, moet zich bij iedere vraag vermannen en antwoord met een afwezige glim­lach. Hij heeft wel wat op zijn bureau liggen, netjes opgestapeld, alsof er maandenlang niemand meer aan is geweest.
We, Abd al-Rahmaan en ik, wachten op een gesprek met het hoofd van de Organisatie, dr. Yoesoef A., die echter voorlopig geen tijd voor ons heeft en vele gasten ontvangt, onder andere dr. Hans-Caspar Graf von Bothmer van de Universiteit van Tübingen, die onderzoek doet naar illuminaties (verluchtingen) in hand­schriften in het Daar al-Mach­toetaat (het Museum van Hand­schriften), zo vertelt dr. AM. (de directeur van dat museum) mij, naast wie ik op de bank zit en met wie ik pas binnengekomen hand­schriften bekijk.
Eerst nog even naar het kantoor van al-oestaaz Moehammad al-S, die naast ons ook nog twee of drie anderen ontvangt, waar hij zich mee bezighoudt. Dit is natuurlijk de reden dat hier absoluut niets gebeurt, niet alleen hier, maar overal in de Arabische wereld. Nog voordat je uitgesproken bent met de ene, ben je, vaak zonder adempauze, al weer in gesprek met een ander, over een totaal verschillend onderwerp, die nauwelijks zijn zaak aangekaart heeft, alweer overstemd wordt door een derde. Enzovoorts. Er is geen gelegenheid om over dingen na te denken en wellicht wil men dat ook niet, gewoon lekker kletsen en verder niets.

Dr. Yoesoef A, uiteindelijk, wil details van de inhoud van de gift, maar gesterkt door de fax van Jan Just Witkam, zeg ik nogal brutaal tegen hem, dat hij blij moet zijn met het cadeau en als hij details wil hebben moet hij maar zelf gaan tellen.
Hij is in zijn wiek geschoten, maar wil niet weten welke boutjes en schroeven er zijn, alleen welke boe­ken er zijn en welk meubilair. Daar heeft Abd al-Rahmaan lijsten van.
Dr. Yoesoef blijft goed gehumeurd en wil me zaterdag of zondag voor de lunch uitnodigen, maar ik zeg dat ik al een afspraak heb. (Ik wil nu vooral afkicken van het zware, vermoeiende leven in de Hadramaut en geen gekrakeel en geklets aan mijn oren.)
Hij wil weten wat ik in de namiddag doe en ik zeg hem dat Abd al-Rahmaan en ik naar een rustige plaats gaan (zonder voortdurende storende personen) om het pro­gramma voor de nabije toekomst uit te werken.
Desgevraagd zeg ik hem dat er voor deze fase van het project geen geld meer over is.
Dat is waar en niet waar. Mijn beurs zit vol dollars, maar dat geld moet nog gedeeltelijk betaald worden aan mensen voor geleverde diensten en de rest is bestemd voor nood­zakelijke vervolgoperaties om het geleverde te kunnen gebruiken.
Abd al-Rahmaan en ik nemen een ‘zakenlunch’ (zo boek ik die) in een Palestijns restaurant al-Bostani, wat een mooi restaurant is en niet duur.
De hele verdere middag werken we aan de evaluatie van het project op korte termijn.
We vragen de koers van de dollar en trekken er één rial vanaf, wegens het koersverschil in Say’oen en komen aldus op een koers van 116 rial per dollar.

’s Avonds eet ik alleen: een vieze kip, maar wellicht kwam dat omdat ik bachoer (wierook) had gegeten. (Dat zou goed zijn voor het denk­vermogen.) De smaak was nog in mijn mond.
Hotel om 22.00 uur.
Financiën tot 00.30 uur.
Bed 01.00 uur.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 13 juni.
Bij de Algemene Organisatie van Archeologie, Musea en Hand­schriften schijnt enig tijd geleden ophef te zijn ontstaan door een voormalig medewerkster van die organisatie, die al langer weg wilde en nu een positie bij het Institut du Monde Arabe in Parijs aangeboden heeft gekregen. Zij klaagt in het interview over het feit dat bij de Organisatie de geldstroom voor­namelijk in de richting van de adminstratie vloeit en niet naar het onderzoek. (Volgens Abd al-Rahmaan is dat ook een klacht van dr. Yoesoef A.)
Ik denk echter dat er niets naar de adminstratie vloeit, maar slechts naar de salarissen. Administratie wordt er volgens mij niet bedreven, gezien de vele lege bureaus.

[…]

Dr. Yoesoef vertelt ook dat Sjeik AB. bij de minister-president ging pro­testeren omdat hij zijn functie in de al-Ahgaaf-bibliotheek in Tariem zou verliezen. Hij zou strijden tegen de ‘seperatisten’.
Abd al-Rahmaan vertelt later dat de minister-president dr. Yoesoef ver­weet een probleem te creëren. Dr. Yoesoef zou geantwoord hebben dat slechts het belang van de bibliotheek in Tariem in het geding was en dat de minister-president met Sjeik AB. kon doen wat hij wilde.
Een zelfde soort gesprek vond plaats met de vicegouverneur in al-Moe­kalla, die met dr. Ahmad al-Sh. sprak, na diens bezoek aan de Ha­dramaut tijdens het verblijf van de Nederlandse Ambassadeur, medio mei jl.,
Deze vicegouverneur, lid van de al-Islah-partij (waar ook sjeik AB. lid van is) wilde dr. Ahmad onder vier ogen spreken over de directie­wisseling bij de al-Ahgaaf-biblio­theek in Tariem. Hij wilde weten wat er achter deze wisseling zat en waarom juist Abd al-Rahmaan gekozen was, terwijl er zoveel belangrijke mensen in Tariem waren. Ook dr. Ahmad wees op het belang van de bibliotheek en de capaciteiten van Abd al-Rahmaan op dit gebied.


Dit is het einde van het verslag van 13 juni.

Indexal-Islah-partij, al-Ahgaaf-bibliotheek, Institut du Monde Arabe, salaat.

Index van personen: Sjeik AB., Abd al-Rahmaan A., Hans-Caspar Graf von Bothmer, Daniel van der Meulen.

Index van plaatsnamen: Sana’a, Tariem, al-Moekalla, Sana’a.

Dit is het einde van dag 89 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voor­komt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Neder­lands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 12 juni 1996

Paleis in Tariem.
Uitzicht uit het Aal Kaaf-paleis. Het naburige paleis. Wat een kolos, helemaal van mudbrick, van modder / leem.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 12 juni 1996 (woensdag).

Naar het einde of de index.

Say’oen – Sana’a.
Ik lig nog rustig te lezen in “They dare to speak out” van Paul Findley, als Abd al-Rahmaan A. me komt vertellen dat het 6.10 uur is. Op mijn wekker is het nog geen vijf uur.
Ik kleed me snel aan en we laden onze spullen in de auto van Hamid B., die nu weer op tijd was.
Uit het Gasr al-goebba-hotel in Tariem kwam een telefonisch bericht (hoe is dat mogelijk? Er is immers geen telefooncentrale) dat ik de sleutel vergat in te leveren. Hamid zal hem terugbrengen. Ik betaal hem 2.000 rial hiervoor.
We vliegen weer met de Havilland Dash 7, maar ik kan slechts wazige foto’s van de Yool maken, omdat het bewolkt is.(1)
In het vliegtuig begint Abd al-Rahmaan weer over het voorval met Hoesein B., gisteren en ik vertel hem dat ik ongelovig ben. Geheel volgens het boekje (maar dat had ik niet verwacht) valt dat bij hem ook niet goed. Hij is zeer gelovig, maar geen fanaticus.
In Sana’a ga ik eerst naar het al-Gasmi-hotel in de wijk al-Gasmi van de oude stad (ik was er twee keer eerder) en dan naar de Nederlandse Ambassade, waar ik bijna driedui­zend dollar contant uitbetaald krijg en waar CR van schoonheid staat te schitteren.
“Wat zie je er goed uit,” zeg ik. Ze was een weekje in Indonesië ge­weest.
Ze had een poging ondernomen om naar Tariem te gaan, maar de tocht was op de dag van het vertrek afgezegd.
Ik kijk naar haar mooie figuur en maak een afspraak voor zaterdag in de Ambassade en zondagavond in het Taj Sheba-restaurant.
Abd al-Rahmaan en ik worden door Ambassadeur Pijpers ontvangen. We evolueren het bezoek aan de Hadra­maut en bespreken de lethargie van de Jemenitische autoriteiten bij het oplossen van de elektriciteitsproble­men.
Ik word verliefd op CR en kan urenlang niet anders dan aan haar denken.
Er is een fax van Jan Just Witkam voor mij.
Ik heb het gevoel: de directeur achter zijn bureau in een koele kamer beslist wat vijfduizend kilometer verderop moet gebeuren.
Hotel: financiën en slapen.
Ik wissel 200 dollar voor 117 rial per dollar.
Eten in het Taj Sheba hotel. Anders was ik in een half uur klaar, nu neem ik de tijd en doe een uur over de maaltijd.
Hotel rond 21.30 uur.
Spoedig daarna (circa 22.30) naar bed. Ik ben nog steeds verliefd op CR.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 12 juni.
Abd al-Rahmaan A. vertelt dat minder dan 1% van de vrouwen zou willen scheiden, als ze de kans zouden krijgen. Ik vraag hem of hij vrouwen ondervraagd heeft. Dat heeft hij niet.
Misschien willen inderdaad minder dan 1% scheiden, omdat de kans dat ooit nog een echtgenoot vinden, niet erg groot is. Vrouwen vinden hun lot (gisma) moeten dragen als ze niet gelukkig zijn. (Een dochter van Hamid B., de taxichauffeur in Say’oen, scheidde en hij nam haar terug in huis. Haar echtgenoot behandelde haar slecht.)
Voor in het huwelijk ongelukkige mannen ligt het lot toch anders. Als ze het zich kunnen veroorloven nemen ze een tweede vrouw, maar Salim al-T. van de receptie van het Gasr al-goebba-hotel in Tariem, was zeer gelukkig en wilde beslist geen andere, laat staan, een tweede. Ook Abd al-Rahmaan zegt dat hij gelukkig is met zijn echtgenote.

[…]

In de Hadramaut wordt veel werk, vooral op agrarisch vlak, door vrouwen gedaan.(2) Als de vrouwen niet zouden werken, zouden veel mannen van de honger omkomen. Mannen zitten vaak in grote drommen de hele dag bij elkaar te kletsen. Maar het zijn niet alleen de vrouwen die werken. Veel zwaar werk wordt door mannen gedaan. Het bouwen van huizen, bijvoor­beeld, is natuurlijk mannenwerk. Zij werken de hele ochtend tot de salaat al-zoehoer. Na de salaat al-asr gaat hun werk tot zonsondergang door.

[…]

’s Ochtends na onze aankomst in Sana’a gaat Abd al-Rahmaan mee naar hotel al-Gasmi. Onderweg zien we een troep geiten op een vuilnisbelt staan smullen. Verleden week, toen we in Wadi Do’an waren begon chauffeur Moehammad er­over dat wij varkens eten. Ik zei toen dat dat gezond vlees is, want zie de Chinezen, die eten allemaal var­kensvlees en er zijn meer dan een miljard Chinezen.
Abd al-Rahmaan zei toen dat een varken alles eet, ook afval. Nu, in Sana’a, wijs ik hem op de vuilnisbelt, vol met geiten. De geit als varken van het Midden-Oosten.
Hij zegt dat hij nooit geitenvlees eet. Een non-antwoord.
Ik nam me voor om, als een gastheer me ooit geitenvlees voorzet dat te weigeren en hem erop te wijzen dat een geit een onrein dier is, omdat dit dier zich te goed doet aan allerlei soorten afval.

[…]

Jan Just Witkam schrijft in zijn fax, die ik op de Nederlandse Ambassade ontvang, dat ik niet altijd het koersrisico van een lage dollar moet dragen, maar dat mensen ook maar dollars moeten accepteren. Dat blijft natuurlijk hetzelfde en verandert niets. Als iemand met een rekening bij mij komt wil hij geld. Als dat dollars zijn, moet dat volgens de koers van de dag. Dan maakt het niets uit of ik die dollars nu wissel, of de indiener van de rekening. Het bedrag in rial moet overeenkomen met de waarde van de dollar op de dag van betaling.(3)

Dit is het einde van het verslag van 12 juni.

(1) In het vliegtuig bleek een stoelleuning los te zitten. Een man die met de rug naar de piloot zat, pakte die op en deed alsof het een mitrailleur was, waarmee hij de andere passagiers doodschoot. Abd al-Rahmaan zei toen dat Jemenieten alleen maar aan wapens kunnen denken.
(2) Een van de nieuwe medewerkers van de bibliotheek vertelde mij dat vrouwen niet werken. Ik wees hem erop dat ik iedere ochtend, wanneer ik naar de bibliotheek loop, gepasseerd word door een kar met veel vrouwen erop en dat ik die even verder op het land zie werken, waarop hij, met minachting in zijn stem, zei: “Boerinnen!”
(3) Ik deed dat één keer, zoals Jan Just Witkam in zijn fax voorstelt, namelijk op 12 mei jl. toen ik in dollars uitbetaalde en dat leidde alleen maar tot een hoop gezeur, toen de ontvanger, elektricien Ahmad uit Say’oen, daar veel geld mee verloor en wilde dat ik zijn verlies vergoedde.

IndexHavilland, mudbrick, gisma, salaat.

Index van personen: Abd al-Rahmaan A., Paul Findley, Hamid B., Hoesein B., Jan Just Witkam.

Index van plaatsnamen: al-Gasmi-wijk, Sana’a, Say’oen, Tariem, Yool.

Dit is het einde van dag 88 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voor­komt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Neder­lands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 11 juni 1996

Gasr al-goebba-hotel.
Abd al-Rahmaan A. (l) en ondergetekende op 10 juni 1996 op de trappen van het Gasr al-goebba-hotel in Tariem.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 11 juni 1996 (dinsdag).

Naar het einde of de index.

Tariem – Say’oen.
Om 01.00 uur stopt de airco. Dit komt omdat de netspanning uitvalt.
Om 01.30 gaat de ventilator weer draaien, de airco start niet meer. Dat wil zeggen dat de generator van het hotel gestart wordt. Om 6.00 wordt deze ook gestopt en zal er tot zonsondergang geen elektriciteit meer zijn.
De hele nacht was het zwaar bewolkt en dus benauwd. Er viel geen regen.
Ik sta om 5.00 uur op en pak in tot circa 8.45 uur.
Rond 9.30 uur ben ik in de biblio­theek en maak er nog wat foto’s, ook van de medewerkers.
Hoesein B. wil weten welk geloof ik heb en ik zeg hem dat hem dat niets aangaat. (“Mish shoerlak.)” Dat ver­oorzaakt een groot misverstand en het komende uur is hij, tot vervelens toe, bezig met het aanbieden van zijn excuses, hoewel Abd al-Rah­maan A. hem uitlegt dat wij over ons geloof niet praten.
Ik betaalde hedenochtend de hotel­rekening en deze was voor zeven dagen, wat niet kan, omdat ik op een woensdag arriveerde (27 maart) en ik op dinsdag vertrek. Ik wilde ech­ter niet zeuren.
De rekening van Mansoer (cafetaria) bevatte over de afgelopen twee we­ken negen bier à 130 rial, terwijl ik er maar twee dronk. Ik wil niet zeuren. Ik geef Mansoer 200 rial fooi en Hoesein al-A, van de receptie, 100 rial.
Ik heb alle bedragen altijd ruim naar boven afgerond. Soms was de fooi voor het hotel meer dan 600 rial. Maar de fooi was niet voor het hotel. Hoesein nam die altijd persoonlijk in ontvangst, zo werd me een keer duidelijk, een paar weken geleden. Ik liet het maar zo en bleef bij hem betalen, hoewel ik ook zou hebben kunnen betalen bij Salim al-T.
Toen ik uit de bibliotheek terug­kwam om mijn spullen op te halen, kreeg ik weer een rekening gepre­senteerd. De appelsappen waren geen 50 rial per stuk, maar 60 rial en ik moest ongeveer 400 rial bijlappen. Daar was ik toch teleurgesteld over. Verdient hij (Mansoer) bijna 1.000 rial (f. 13,00) door bier op de reke­ning te schrijven dat ik niet gebruik­te en gaf ik altijd ruim fooi, nu wil­len hij hier die laatste stuivers ook nog hebben!

Ik rij met Abd al-Rahmaan naar Say’oen.
Hij pakte alle levensmiddelen voor zich zelf. Ik had hem willen laten kiezen, maar hij kon alles gebruiken.
Een blik met ravioli, waar ook wijn in zat, sloeg ik op in een kist. (Houdbaar tot 1998.) De levens­mid­delen met varkensvlees had ik weggegooid, maar Abd al-Rahmaan stelde geen vragen over de inhoud. ‘Wat niet weet, dat niet deert’, zal hij gedacht hebben.
De resterende whisky (1 liter) en een beetje jonge jenever had ik sinds gis­terenavond in fases door het toilet gespoeld.
We rusten in Say’oen en ik drink het water dat naar stof smaakt, zoals het stof ruikt. Een maand geleden vond ik het niet lekker, nu vind ik het heel lekker.
We vragen naar de wisselkoers van de dollar op de markt en volgens mij zei de man: 115 rial, maar Abd al-Rahmaan brengt zijn zwager 118 rial in rekening. (Vergistte ik mij?) Ik zeg nu echter niets en wissel 600 dollar en krijg 70.800 rial.

Ik vertel Abd al-Rahmaan over mijn fout bij de chauffeur Moe­ham­mad van de Landcruiser en we gaan die al eerder op vrijdag jl. (7 juni) betaalde 2.100 rial terugvragen. Ik liet die nu aan Abd al-Rahmaan, maar Moe­ham­mad heeft het geld niet. Hij zal dat later brengen.

Zowel het middagmaal als het avondmaal bij Abd al-Rahmaan was heerlijk. Ik at verse rijpe dadels. De dadels zijn volgende week pas rijp. Deze nu al.

Ik zag het mooie kleine meisje weer: wat een schoonheid. (Zie 6 juni jl.)

We nuttigden het avondmaal op het erf, tussen de enorme kasten van huizen, in het donker, want Abd al-Rahmaan wil niet laten zien dat hij te eten heeft, omdat veel mensen hier dat niet hebben.

Ik slaap, evenals verleden week, buiten, op de binnenplaats.
Ik hoor Arabische muziek en staar naar de zwarte hemel. Dit is de laatste nacht in dit wonderlijk mooie gebied. Ik heb tranen in mijn ogen.
Het is ongeveer 00.00 uur en de dag in dit prachtige land is weer ver­schrikkelijk heet geweest.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 11 juni.
Uit de reeks feiten en feitjes, van Abd al-Rahmaan A. krijg ik te horen dat het mogelijk is dat je een groep soldaten huurt, na overleg met de betreffende commandant, om je persoonlijke problemen met iemand te beslechten, of om je persoonlijke ambities uit te werken. Als je ruzie met iemand hebt, of je wilt het huis van iemand anders bezitten en de eigenaar verjagen, kun je een le­gertje huren. Die gaan dan dreigend naar de tegenpartij en, zodra die het vuur opent, wordt er terugge­schoten. Ongelooflijk, maar waar.

[…]

Ik vraag of er geen rassenprobleem bestaat tussen al die verschillende huidskleuren en soorten koppen: Arabieren, Indonesiërs, Chinezen, Afrikanen. Ik ben kennelijk niet duidelijk genoeg want het duurt wel een uur voordat ik, na herhaaldelijk doorvragen, begrijp dat de soort kop niet van invloed is op discriminatie. Of nu Chinees, of Indonesiër, Arabier of Afrikaan, dat maakt niets uit. Die zijn allemaal lid van een stam. Dat de vader een andere vrouw huwde dan een Arabische is niet van invloed. De discriminatie (door Abd al-Rahmaan niet zo genoemd) zit tussen de stammen onderling. Er zijn betere stammen en slechtere. Dat komt bijvoorbeeld sterk naar voren bij het huwelijk. De ene of andere van die of die stam zal nooit met iemand van een lagere stam kunnen trouwen. In een hogere stam is dan ook onmogelijk, omdat dat voor iemand uit die stam een trapje omlaag is.
Met de sayyids is nog een ander probleem, die ‘mogen’ alleen maar met andere sayyids trouwen. Zo komt er van het egalitaire karakter van de islam dus niets terecht. Alle moslims zijn gelijk, de meesten echter niet helemaal. Volgens Abd al-Rahmaan heeft dat niets met de islam te maken, maar alles met nog veel oudere tradities.

[…]

’s Avonds vertelt Abd al-Rahmaan dat er al enkele dagen een oproer gaande is in al-Moekalla. Enige tijd geleden pakte de veiligheidspolitie (de politie van Goede Zeden en Goed Gedrag) twee vrouwen op, die in een taxi zaten zonder dat er een man­nelijk familielid in de buurt was. De vrouwen werden beschuldigd van prostitutie. Hun leeftijd was 30 en 15 jaar: moeder en dochter. De officier van de politie greep zijn kans en verkrachtte het vijftienjarig meis­je. (Abd al-Rahmaan gebruikte het woord ‘fuck’, maar ik had hem dat nog nooit horen gebruiken en ik had ook niet verwacht dat hij het ooit zou gebruiken, zodat het een hele tijd duurde voordat ik wist waar hij het over had.)
Volgens Abd al-Rahmaan houden de meeste vrouwen zich na zo’n voorval stil, om geen problemen in de fa­milie te krijgen(1) en ook uit schaamte. Deze vrouwen lieten er echter geen gras over groeien en dienden een aanklacht in. Deze zaak diende voor de rechter en de chef van de verkrachter, tevens zijn ver­dediger, had de euvele moed om alle vrouwen van de Hadramaut als hoeren te beschrijven en vijftig procent van de mannen als homo­seksuelen. Nog tijdens de rechts­zitting kwam het tot ongeregeld­heden.
De dader en zijn verdediger zijn Noorderlin­gen en het slachtoffer en haar zeven(!) advocaten zijn Zuider­lingen. In deze zaak komt alle wrok tegen de overheersende Noorderlin­gen tot uiting.
Tijdens de ‘oorlog’ (van 1994) bleek plotseling dat veel winkeleigenaren, veelal Noorderlingen, over een uni­form beschikten met een militaire rang. Dat verbaasde veel Zuider­lingen, die zich verraden voelden door deze mensen. Wraak voor dat gedrag speelt een rol en gewapend optreden van de wild geworden bevolking is nu het geval in al-Moekalla.
(Een dag later vertelt Abd al-Rahmaan dat hij niet helemaal zeker is van dat wat hij een dag ervoor vertelde, want berichtgeving uit officiële kanalen is er niet. Hij weet alleen wat mensen vertellen en dat is vaak niet helemaal zuiver. Uit het verslag van The Yemen Times  van 10 juni, die ik kocht, blijkt echter dat hij niet ver naast de feiten zat.)

[…]

Een van de broers van Abd al-Rahmaan studeert computertech­nologie in de Verenigde Staten van Amerika. Toen hij na het behalen van zijn B.A. twee jaar in Jemen bij een Amerikaanse firma kwam werken, kreeg hij niet hetzelfde loon als de Amerikanen hier in Jemen, die hetzelfde werk deden. Hij verdiende een veel lager loon, volgens de Jemenitische standaard, echter in dollars uitbetaald, die de bank zonder pardon in rial uitbetaalde, tegen de officiële koers, die ruim onder de prijs op de markt lag. Zulke discriminatie bestaat dus wel.

[…]

Abd al-Rahmaan kwam ongeveer negen maanden geleden terug in zijn geboortestreek.(2) Een van de (niet onbelangrijke) drijfveren om Sana’a te verlaten was de politieke strijd die er gevoerd wordt over het onrecht dat de mensen geschied in Jemen. Enkele Hadaarim met de­zelfde familienaam als Abd al-Rahmaan, die meer dan 150 jaar geleden naar een dorp in het Noorden verhuisden, zijn verwik­keld in een vete met een ander dorp. Deze familie, vrijwel allemaal met een goede maatschappelijke positie, voeren een campagne tegen de regering wegens wanbeleid.
Volgens Abd al-Rahmaan hebben veiligheidsmensen de vete met een naburig dorp veroorzaakt. Nu wor­den over en weer mensen vermoord. Een collega van Abd al-Rahmaan, een archeoloog, werd in die strijd om het leven gebracht. Hij woonde in dat dorp en werd in de week van zijn geplande vertrek (wegens de moeilijkheden, veroorzaakt door die vete) naar een van de Golfstaten, vermoord. Enkele andere leden van de familie in Sana’a werden door agenten van de veiligheidsdienst op niet al te zachtzinnige wijze aan het verstand gebracht dat ze hun verzet tegen de regering moesten stoppen.
Abd al-Rahmaan vreest een persoons­verwisseling. Hij wil zich verre houden van politiek.

[…]

Als we door Say’oen rijden komen we te spreken over de zinloze brief die Hoesein al-A. (leraar Engels) aan mij liet bezorgen om geld van de Nederlandse Ambassade te krijgen voor zijn privéclub.
Abd al-Rahmaan heeft een veel beter idee. Hij wil graag de bevolking hel­pen de uiterst belangrijke dadelteelt weer te doen opleven. Tegenwoordig vinden de mensen het werken in de dadelteelt nutteloos werk, omdat het veel energie vergt en weinig opbrengt. Hoe meer bomen ver­waarloosd worden, hoe meer zorg er aan de overgebleven moet worden besteed. Minder bomen betekent minder regenval, dus meer waterproblemen voor de andere bomen.
Vroeger bracht een boom wel 300 pond vruchten per seizoen op. Nu wordt die hoeveelheid door meer dan vijf, soms wel tien bomen ge­produceerd. In Saoedi-Arabië bren­gen de meeste bomen nog steeds 300 pond per boom op, maar die bomen zijn genetisch gemani­puleerd en ziekteresistent.
Abd al-Rahmaan kaartte een derge­lijk project aan bij de Nederlandse ambassadeur tijdens diens bezoek aan de Hadramaut. Die vroeg om een rapport, dat er nog niet is, want de deskundige die dat moet pro­duceren, is ziek.

[…]

Mijn suggestie dat Hoesein al-A. voor zijn club geld van de vele rijke Hadaarim zou kunnen vragen wordt door Abd al-Rahmaan als niet realistisch van de hand gedaan.
Rijke Hadaarim helpen geen arme Hadaarim. Rijken laten liever weer een nieuwe moskee bouwen.
Geldverspilling, vind Abd al-Rah­maan. Moskeeën van nog geen vijftig jaar oud en nog in uitstekende staat worden met de grond gelijk gemaakt om er een nieuwe neer te zetten.

[…]

Ik bewonder de omliggende huizen. Het zijn enorme kasten van huizen. Prachtig mooi en zo groot.
De huizen zijn zo groot omdat alle zonen van een gezin er hun woonkwartier hebben met vrouw en kinderen. Dochters verlaten het huis en gaan bij de familie van de echtgenoot wonen.
Abd al-Rahmaan wijst mij er echter op dat de kamers in de grote huizen erg klein zijn. Niet alleen zijn de muren meer dan een el dik (circa 70 cm), ook staan er in iedere ruimte veel en grote pilaren die veel ruimte in beslag nemen. Ik herinner me dat ook van zijn eigen huis, waar dat het geval is en ook in het huis van Hoesein al-A, de receptionist van het Gasr al-goebba-hotel in Tariem. Daar stonden ook grote en dikke pilaren in de ontvangstkamer.

[…]

Een muziekprogramma, ergens op de Tv, is een mooie afsluiting van mijn verblijf in de Hadramaut. Ik staar naar de zwarte, met stof gevulde hemel vanaf mijn matras op de binnenplaats van het huis van Abd al-Rahmaan en denk aan de mooie, maar vreselijk hete, tijd in deze prachtige landstreek en krijg bij de gedachte aan het afscheid tranen in mijn ogen.
Al in het begin van mijn verblijf hier, schreef ik in brieven naar vrienden en vriendinnen:
Als je in Tariem de auto’s, de vele motorfietsen, de sporadische verlichting en de rubberbanden onder de ezelkarren wegdenkt, waan je je in de middel­eeuwen. Afgezien van de verzengende hitte en de gesluierde vrou­wen, moet het er bij ons ook zo ongeveer hebben uitgezien, vijfhonderd jaar geleden. Tariem: time machine!
Dat is de romantiek van Tariem. Dit stadje stoot me aan de ene kant af, aan de andere kant trekt het me aan. In zekere zin ben ik verliefd geworden op deze plaats. Deze plaats en zijn ontberingen roepen een nu nog moeilijk defini­eerbare emotie in mij op
.
Deze nu nog steeds niet defini­eerbare emotie komt door de vele geheimen van dit land, volgens Abd al-Rahmaan. Geheimen dat het niet vlug zal prijsgeven. Ik ben bereid hem te geloven.

Dit is het einde van het verslag van 11 juni.

(1) Problemen voor vrouwen in de familie na een verkrachting. Wat speelt is dan dat de verkrachte vrouw geen maagd meer is en zij vaak door de familie uit huis wordt gezet. Wat rest is dan een leven als bedelaarster (mutasawwila).
Wat in deze zaak nog veel ernstiger is, is dat, als zij toegeeft dat zij verkracht is, zij seks buiten het huwelijk heeft gehad (zina). Dan zijn er geen getuigen meer nodig om dat te bewijzen, want ze bekent immers zelf. Wanneer ze ongehuwd is komt ze er met een afranseling van af, maar als ze wel gehuwd is of is geweest, volgt steniging. (Over deze aberratie in de islamitische wet verschijnen vaker publicaties in westerse media.)

(2) Er staat: Abd al-Rahmaan keerde terug naar zijn geboortestreek, maar dat slaat op de ‘roots’ van de familie, die in de Hadramaut liggen. Zelf werd hij in Djedda, in Saoedi-Arabië, geboren.

Indexal-Ahgaaf-bibliotheek, muta­sawwila.

Index van personen: Abd al-Rahmaan A., Hoesein al-A.: leraar EngelsHoesein al-A.: hotel, Moehammad: Landcruiser, Salim al-T.

Index van plaatsnamen: Djedda, Gasr al-goebba-hotel, Hadramaut, al-MoekallaSay’oen, Tariem, Wadi.

Dit is het einde van dag 87 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voor­komt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Neder­lands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 10 juni 1996

Vader met dochter en zoon.
Het zevenjarig meisje Djihaad en haar vier­jarig broertje Moedjaahid. Hun vader is Hoe­sein al-A., een van de twee receptionisten van het Gasr al-goebba-hotel. Bij hem thuis werd ik twee keer ten eten uitgenodigd.
Deze dia is op 10 juni 1996 gemaakt op het ter­ras van mijn hotelkamer.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 10 juni 1996 (maandag).

Naar het einde of de index.

De laatste volledige dag in Tariem.
Rond 9.30 komt Abd al-Rahmaan A. om me op te halen. Ik zat toen al drie kwartier buiten naar de zwemmers te kijken. Er zijn niet veel mooie mannen bij. Veel zijn erg mager.
Ik ga niet mee naar de bibliotheek, want het geld overhandigen kan Abd al-Rahmaan ook. Daar hoef ik niet bij te zijn.
Ik ga anderhalf uur in het zwembad liggen.
Ik fotografeer nog de mensen van het hotel. Sommigen ken ik alleen van gezicht.
Sommigen zien het, geloof ik, als een plicht, terwijl anderen het prach­tig vinden, zoals Mansoer van de cafetaria en Hoesein al-A. van de receptie, die na de middag zelfs zijn dochtertje Djihaad (7 jaar) en zoontje Moedjahid (4 jaar) brengt om te fo­tograferen.
Een van de twee stevige, sterke mannen wil niet op de foto. De ander is er niet. Moehammad al-S., mijn samier, ging verleden week al terug naar zijn dorp, ten oosten van Shihr.
Na de middag ga nog anderhalf uur in het zwembad liggen.
Als na het avondeten een zandstorm opsteekt controleer ik of de airco het doet. Dat is het geval, dus trek ik met terug op mijn kamer, in een koele en nu zelfs koude ruimte.
Ik ruim mijn bagage in. De kamer wordt er een puinhoop door. Mor­gen­ochtend kan ik de boel definitief opruimen.
Nu 21.30 uur.
Weer: een zandstorm, maar niet gevolgd door regen.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 10 juni.
Elektriciteit van het openbare net was er vannacht alleen tussen 00.00 en 04.30 uur. Gisterennacht alleen tussen 03.00 en 05.30 uur, ongeveer. Vanaf zonsondergang tot het in­scha­kelen van de net-elektriciteit is er in het hotel elektriciteit van de hotelgenerator, maar die heeft een erg laag vermogen, net genoeg voor een paar lampjes.

[…]

Vandaag blijf ik in het hotel om mijn vertrek voor te bereiden. Ik maak van de rest van de medewerkers van het hotel foto’s en ga zwemmen.

[…]

Abd al-Rahmaan A. vertelde mij eens dat Sjeik Zaki al-Yamani(1) ook tot zijn kennissenkring behoort en dat hij enkele notabelen kent die ook zeer goed bevriend zijn met de sjeik. Deze zou in al-Moekalla de particuliere universiteit sponsoren, waar op dit moment nog Hoesein al-H. werkt. (De toekomstige nieuwe medewerker in de bibliotheek.)

Dit is het einde van het verslag van 10 juni.

(1) Sjeik Zaki al-Yamani is ook de oprichter van de al-Foerqaan-stich­ting in Londen, waar ik, en op diens kosten, een zesweekse cursus volgde om het catalogiseren van Arabische handschriften te leren. Sjeik al-Yamani was de olieminister van Saoedi-Arabië in de jaren zestig en zeventig.
Hij werd mede bekend omdat hij in 1975 in Wenen gegijzeld werd door de beruchte terrorist Carlos.

Index: djihaad, al-Foerqaan-stichting, moedjaahid, samier.

Index van personen: Abd al-Rah­maan A., Carlos, Djihaad, Hoesein al-A: hotel, Hoesein al-H.: biblio­theek, Mansoer: hotel, Moedjaahid, Yamani, Zaki al-.

Index van plaatsnamen: al-Moe­kalla, Shihr, Tariem.

Dit is het einde van dag 86 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voor­komt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Neder­lands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 9 juni 1996

Nieuwe houten deur voor de  al-Ahgaaf-bibliotheek.
Een detailopname van de deur. In de boven­balk staat rechts de datum van de aanmaak en links de naam van de timmerman. Respectievelijk: shahr moeharram sana 1417 hidjriyya (Maand Moe­har­ram van het jaar 1417 AH.) en amal ‘iwad mahfoez balghaith (Het werk van Iwad Mahfoez Balghaith).
Let op de “schaarvormige” quasischarnieren.
(Ik heb de dia in 2016 elektronisch iets be­werkt om de tekst en de abstracte figuren in het hout duidelijker te laten uitkomen. Bij een diaprojector levert de projectielamp vol­doen­de licht om alles goed te zien, maar de lamp van de diascanner is niet krachtig genoeg om dat effect te be­reiken.)

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 9 juni 1996 (zondag).

Naar het einde of de index.

Tariem.
Op 7.00 uur.
Van 10.00 tot 13.00 in de bibliotheek.
Hotel: financiën afhandelen en ik ga daarna naar het zwembad.
Verder deze elektriciteit-loze tijd vul­len met niets doen. Het schijnt dat de algemene elektriciteit pas van­nacht om 03.00 kwam. Dat moet toch een verschrikking zijn voor mensen die afhankelijk zijn, voor koeling en water, van de stroom­voor­ziening.
Nu is het rond 18.00 uur. De ge­ne­rator van het hotel draait.

Weer: de laatste twee of tweeënhalve week is er veel bewolking. Soms is het erg benauwd.

Ik probeer het programma waarmee ik mijn financiën bereken bij te stellen. Volgens mijn berekening verloor ik alleen al gedurende de laatste zes weken 560 dollar door koersverschillen.

Abd al-Rahmaan A. gaf me verleden week, als dank voor mijn bijdrage aan zijn keuken, met levens­mid­delen die ik niet op krijg voor de uiterste houdbaarheidsdatum (als die voor mei 1997 ligt), een kom dadels, van verleden jaar, maar nog goed.
Ik merk dat ik er diarree van krijg, maar zeg, voor de goede orde, dat ze zo lekker zijn dat ik er nauwelijks van af kan blijven. Vandaag kreeg ik er nog een pot bij. Nog meer om weg te gooien!

De autan-stick tegen de muggen werkt fantastisch.

Nu 21.00 uur.
Weer: een lucht vol stof.
Vandaag ontmoette ik een toe­ris­tengids die Italiaans sprak tegen twee Italianen, die met hem reisden. Tegen hem sprak ik Arabisch en hij vertaalde dat naar Italiaans.
Hij komt oorspronkelijk uit Somalië. Hij vertelt dat hij twee nichten heeft die in Nederland (Utrecht) wonen. Hij geeft me van één van hen de naam en het telefoonnummer.
Hij heet Abd al-Gaadir A. en woont in Sana’a.
Ik zal haar op zijn verzoek eens bellen.

Ik sliep, zolang de airco het deed, binnen. Tegen 03.00 houdt alles op en ga ik buiten slapen. Later loopt de hotelgenerator.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen inte­ressante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 9 juni.
In de bibliotheek is er, zoals ge­woon­lijk, alleen spanning rond de salaat al-zoehoer.

[…]

Abd al-Rahmaan A. stelt voor om geen handschriften tentoon te stel­len, maar slechts fotokopiën. Hij vreest, evenals de Nederlandse Ambassadeur, enige weken geleden, dat er op een gegeven ogenblik een aantal soldaten met wapens de bibliotheek zal betreden om het tentoongestelde werk te stelen. Daar is niets tegen te ondernemen, want dit land, Jemen, is een land zonder regering: een chaos.

[…]

De timmerman dient zijn rekening in, mondeling. Ik betaal nu 50.000 rial. Hij kreeg al eerder 40.000 rial van Nico. Het inhangen van de deur kostte 4.000 rial. (1.000 rial is f. 13,00)

[…]

Ik maakte foto’s van de meeste me­de­werkers van het Gasr al-goebba-hotel. Ik krijg ook een lijst met hun volledige namen.

Dit is het einde van het verslag van 9 juni.

Index: autan, Islamitische kalender, salaat.

Index van personen: Abd al-Gaadir A., Abd al-Rahmaan A., Iwad Mah­foez Balghaith: timmerman

Index van plaatsnamen: Gasr al-goebba-hotel, Sana’a, Tariem.

Dit is het einde van dag 85 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voor­komt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.

Jemen, 8 juni 1996

Een nieuwe traditionele deur.
Dit is de nieuwe deur van de al-Ahgaaf-bi­blio­theek, die vandaag werd geplaatst. Deze is ge­maakt naar traditioneel voorbeeld. Helaas is het hout is niet van lokale oor­sprong, maar Ma­leis Meranti.
De timmerman en metselaar hebben alles erg netjes afgewerkt.

Athaaf al-Nadiem AR en NL

Twintig jaar geleden: dagboekfragment 8 juni 1996 (zaterdag).

Naar het einde of de index.

Tariem.
Ik ga pas rond 10.00 naar de bibliotheek. De timmerman heeft de deur dan al staan en een metselaar is bezig met het afwerken van het meesterwerk. Morgen zal ik de details fotograferen.
Na de middag kommunikeer (zie gisteren) ik met de Belgen in het zwembad.
Voor de rest ben ik vooral bezig met slaap inhalen, want ik sliep de afge­lopen dagen weinig.
Ook met de computeradministratie in de weer. Ik pas de foute formules aan.
Bed 23.00 uur.

Dit is het einde van de tekst in mijn dagboek.

Vanaf 24 april jl. maakte ik dagelijks een verslag van de zakelijke kant van het project. In dat verslag staat op sommige dagen interessante infor­matie, die niet in mijn dagboek voorkomt. Hier volgt een deel uit die tekst.

Fragment uit het verslag van 8 juni.
De timmerman is om 10.00 uur, als ik bij de bibliotheek kom, al zover dat de deur in het kozijn zit. Ik maak enkele dia’s van zijn werk. Morgen zal ik de deur in zijn geheel foto­graferen.

[…]

Vorige week stelde Abd al-Gaadir voor om een afdakje te maken boven de deur om die tegen direct zonlicht te beschermen. Dit idee werd door Abd al-Rahmaan A. op kunstzinnige wijze uitgewerkt. Volgend jaar moet dat er komen.

[…]

Hoesein al-K. (60 jaar) vertelt dat hij afstamt van Sayyid Aboe Bakr al-K. Al eerder vertelde hij dat hij zijn jeugd doorbracht in het koepel­pa­leis, dat paleis dat tegenwoordig het Gasr al-goebba-hotel is. Al zijn ooms en andere familieleden, ook zijn vrouw, behoren tot die familie. Zijn vrouw is een nicht van va­derszijde. (Bint al-amm.)

[…]

Hoesein al-K. zegt dat Aboe Alawi een stamlid is die in de wijk Dam­moen woont. Die stam eet voor­na­melijk dadels. Die hebben geen beschaving, zoals hij, Hoesein, die in de stad, vlakbij de Mihdaar-moskee woont. Die stam bezit ook wapens en gebruikte die in de begindagen van de revolutie. Zij hebben toen, gezien in het huidige licht van de geschiedenis geen glorieuze rol gespeeld. Gezien in het rood licht van de geschiedenis (so­cia­lisme) natuurlijk wel. Ik begrijp het verhaal van Hoesein niet helemaal, maar ik geloof dat die stam meehielp met het verdrijven van de landeigenaren.
(Abd al-Rahmaan spreekt dit later tegen. Aboe Alawi is ook een sayyid. Zijn vader was gadi in Say’oen.)
Volgens Hoesein spreekt de stam van Aboe Alawi een dialect dat sterk afwijkt van het dialect dat in Tariem wordt gesproken. Ik vraag aan Hoesein (voor de grap) of hij Aboe Alawi wel kan verstaan. Dat is het geval.

[…]

Ik constateer dat de printer intern begint te jammeren. (Piepen.) Hij staat wel onder een stofkap, maar dat helpt niet. Het stof gaat overal doorheen. Ik vrees het ergste voor al die elektronische apparatuur. Hitte en stof verrichten hun vernietigende werk al, nog voordat ik weg ben.
Ook mijn Toshiba draagbare com­pu­ter vertoond stofkuren. Veel toetsen weigeren naar beneden te gaan als ik erop druk. Extra kracht is dan nodig. Waarschijnlijk zit het hele toet­sen­bord vol met stof.

Dit is het einde van het verslag van 8 juni.

Index: bint al-amm, bint al-chaalgadi, Mihdaar-moskeesayyid, stofZuid-Jemen: socialisme.

Index van personen: Abd al-Gaadir, Abd al-Rahmaan A., Aboe Alawi, Hoesein al-K..

Index van plaatsnamen: Dammoen, Gasr al-goebba-hotel, Say’oen, Ta­riem.

Dit is het einde van dag 84 (van 93 dagen totaal) van mijn verblijf in Jemen in 1996. Naar dag 1. (Naar alle gepubliceerde dagen.)

Top

In alle gevallen wordt de ‘u‘ als een Nederlandse ‘oe’ uitgesproken.
De ‘g‘ zoals die in deze tekst voor­komt is in het Modern Standaard Arabisch de ‘q‘ (qaaf: ﻕ) en wordt in het Arabisch van Jemen en in het bijzonder het Arabisch van de Hadra­maut als de Engelse ‘g’, zoals in ‘good, goal, garlic’, uitge­sproken.
De ‘ch’ klinkt zoals in het Nederlands de ‘ch’ in ‘chaos’ wordt uitgesproken.