18 september 1976

Rabat
Uit­zicht op Ra­bat, van­uit de stad Sa­lé ge­zien. In het mid­den staat de recht­hoe­ki­ge Has­san­mi­na­ret en links er­van (op de fo­to cir­ca 1 cm) is het wit­te ge­bouw het mau­so­leum van ko­ning Mo­ham­med V.

Dagboek 1976

(Dag 1694) Cees en ik zijn sa­men op va­kan­tie in Ma­rok­ko. We ver­blij­ven sinds en­ke­le da­gen in de hoofd­stad van dat land: Ra­bat. We be­zoeken de stad Sa­lé, die aan de over­kant van de ri­vier Bou Reg­reg ligt, naast Ra­bat. De ri­vier stroomt tus­sen bei­de ste­den door.

MenuIndex en het einde.

Zaterdag, 18 september 1976.
Op tegen 9.00 uur. Ont­bijt in het ho­tel. Ver­tel­len met een Duit­ser.
Aangezien het ont­bijt hier uit twee stuk­jes brood en een pot­je jam be­staat, heb ik gis­te­ren in de nieuwe stad kaas ge­kocht en eten we nu ont­bijt van het ho­tel plus extra brood en kaas.
Tegen 10.30 uur haal ik op het Post­kan­toor 250 Dirham (Dh) af.
Rond 12.00 uur gaan we naar Sa­lé, te voet.
Het is smoor­heet en we ver­wach­ten op de brug te zul­len smel­ten. Dat ge­beurt niet, want het is op­mer­ke­lijk koel op de brug over de Bou Reg­reg.
We lopen door een mooie Me­di­na. Ko­pen er fruit. Als Cees de tas op zijn rug heeft han­gen voelt hij iets aan de tas. Als hij zich om­draait ziet hij niets, maar als hij in de tas kijkt, is een si­naas­ap­pel weg.
We lo­pen naar het strand en gaan om de beurt zwem­men in de zou­te mon­ding van de Bou Reg­reg in de At­lan­tische oce­aan. (Om de beurt, om­dat an­ders het geld en de fo­to­spul­len on­be­heerd zijn.)
We krijgen aan­spraak van de niet le­lij­ke Idriss, die een oog mist en het oog­lid dicht heeft, waar­on­der een et­ter­rand­je staat, en zijn vriend.
Zijn vriend gaat weg en hij blijft al­leen over. Cees gaat wan­de­len en Idriss wrijft het zand van mijn li­chaam. Zo­veel man­ne­lij­ke te­der­heid!
Hij leidt ons door de stad Sa­lé in een wat hij ‘ou­de mos­kee’ noemt, maar wat waar­schijn­lijk een ou­de Ma­dras­sa is. [Entree:] 1 Dir­ham per per­soon.
Na een poos­je baal ik van hem en we ge­ven hem cir­ca 6 Dir­ham als dank voor de rond­leiding. Hij wil ons ook in Ra­bat rond­leiden, maar dat wil­len we niet, om­dat we mor­gen­vroeg wil­len ver­trek­ken.
We lo­pen te­rug naar Ra­bat en zit­ten op de rand van een muur bij de Oued [=rivier] Bou Reg­reg, schuin te­gen­over de Has­san­to­ren / Has­san­mi­na­ret, bij een ver­keers­licht.
We pra­ten met een mooie jon­gen van 18 jaar, die erg vrien­de­lijk is. Hij werkt bij een toe­ris­ten­bu­reau. Hij heet Ka­li­fa en houdt zich niet aan de Ra­ma­dan. Hij rookt hasj, drinkt wijn en eet als hij hon­ger heeft. Hij droomt ervan om naar Ki­ta­ma te gaan. (Daar wordt hasj wordt ver­bouwd.)
Tegen 19.00 uur is het ein­de van de Ra­ma­dan. De 23ste dag en in de Me­di­na be­gint dan het ge­zel­lige le­ven. In de Me­di­na spre­ken we een Ame­ri­kaans spre­ken­de Ma­rok­kaan, een an­de­re dan gis­te­ren, die ons een plaats­je toont om lek­ke­re ha­ri­ra (soep) te eten. (Twee kom­men plus brood is 1 Dh.) We ge­ven 1 Dh fooi.
Cees koopt schoent­jes (ba­bou­ches) voor 25 Dh (f. 15,00) Ik denk de he­le Ko­ran te ko­pen voor 2 Dh, maar la­ter blijkt het slechts een stuk­je te zijn.
Tegen 22.30 uur gaan we naar bed.
Weer: hele dag smoor­heet. ’s Avonds iets be­wolkt.

Index

Index van termen:
Index van personen:
Cees.
Index van locaties:

Me­nuBe­ginHoofd­in­dex Over­zicht 1972-1990Ma­rok­ko 1976 (over­zicht).

6 september 1977

Dagboek 1977

(Dag 2047) Mijn vriend HL. en ik zijn sinds 31 au­gus­tus jl. met on­ze cam­per Ford Tran­sit in Ma­rok­ko met va­kan­tie. We ver­blij­ven op een cam­ping in If­rane. – Ver­le­den jaar was ik ook in Ma­rok­ko en ont­moet­te er Mo­ham­mad. We be­zoe­ken hem nu thuis in Mek­nes en de fa­mi­lie wil dat we bij hen in huis sla­pen. – Ik word lang­zaam ziek. – De mun­teen­heid in Ma­rok­ko is de Dir­ham (Meer­voud: Da­raa­him). 1 Dir­ham is f. 0,55. (Gul­den.)

MenuIndex en het einde.

Dinsdag, 6 september 1977.
IfraneMeknes.
Op 9.00 uur.
Wassen
De auto wassen. (De twee­de keer sinds ik hem heb.) Een jon­gen spuit het ga­zon. We vra­gen hem on­ze au­to nat te spui­ten. We be­ta­len de jon­gen 10 Dh (f. 5,50) De­ze weet niet wat hem over­komt en weet niet hoe hij ons moet be­dan­ken. Hij be­gint nog eens ex­tra goed te wrij­ven.
We rijden circa 12.30 uur naar Mek­nes.
Als ik in Itto iets van de weg af loop, om be­te­re dia’s te ma­ken, raakt HL. in pa­niek. Hij be­gint te roe­pen en te toe­te­ren. Hard schreeu­wen kan ik niet, want ik heb keel­pijn. HL. is bang, dus on­re­de­lijk.
Hier heb ik een drie­tal mooie dia’s ge­maakt.
In Meknes tref­fen we Mo­ham­med thuis. We ge­ven hem een radio. We zijn erg wel­kom en hij is blij met de ra­dio. We leg­gen hem de wer­king uit.
Met hem en zijn erg mooie vriend Mo­rad rij­den we naar Aïn Si­di Sli­ma­ne, een be­de­vaart­soord (zo­als Banneux, met even­veel poe­ha) in de buurt van Me­knes.
We bezoeken de ver­la­ten die­ren­tuin Ban­jo.
Bij hem thuis: 18.30 uur.
We eten mee. (Het is nog steeds Ra­ma­dan, tot 16-9-77)
Na het eten gaan we op­nieuw de stad in.
HL. drinkt vier fles­sen bier op een ter­ras in Mek­nes.
Ik begin last van diar­ree te krij­gen.
Met Mohammed bezoeken we ach­ter­af een huis waar hij sa­men met vrien­den mu­ziek van Nas al-Ghi­wa­ne* maakt. Er is daar een vol­le­dig sto­ned persoon aan­we­zig en an­de­ren ge­bruik­ten kief* (Wij ons bier en zij hun hasj, een mens moet toch wat.)
Het is er gezellig en HL. maakt op trom­mels ook mu­ziek. Er zijn en­ke­le leuke en min­der leuke jon­gens.
Ik krijg steeds meer last van buik­pijn, diar­ree.
We gaan na circa een uur naar Mo­ham­med thuis.
Tegen 00.30 uur, na een af­ge­sla­gen maal­tijd (het staat me ge­woon te­gen) moe­ten we bij Mo­ham­med in huis sla­pen.
Het is er stik­be­nauwd, maar ik heb het de he­le nacht koud. Ik vraag een de­ken en leg die vier­dub­bel op en ik draag twee trui­tjes. Vaak moet ik naar de WC en hoe­wel ik ho­ge koorts heb en het dus slecht is om naar bui­ten te gaan (de WC is bui­ten) vind ik dat een ver­ade­ming, bo­ven die be­nauw­de ka­mer.
In mijn eigen auto kun­nen we niet sla­pen, omdat met ons ‘bin­nen sla­pen’ er an­de­ren moes­ten schui­ven en die sla­pen nu in on­ze au­to.
We wilden ze niet be­le­di­gen, maar we had­den toch lie­ver in on­ze ei­gen bed ge­sla­pen, wat boven­dien ook nog 10x zach­ter zou zijn ge­weest en min­der slecht voor mij.
Weer: in Ifrane fris. Mek­nes, smoor­heet.

*
Kief (Wi.)
Nas al-Ghi­wane (Wi.) (YouTube.) Een zeer po­pu­lai­re Ma­rok­kaan­se mu­ziek­groep.

Te­rug.

Voor een sum­mie­re uit­leg over het Ara­bisch: klik hier.


Meer informatie.

GM.: Google Maps. – Wi.: Wi­ki­pe­dia. – Web.: ove­rige bron­nen.
Marokko:
:ﺍﻟﻤﻐﺮﺏ
Ifrane:
:ﺇﻓﺮﺍﻥ
Itto:
:ﺇﻳﻄﻮ
Mek­nes:
:ﻣﻜﻨﺎﺱ
Aïn Sidi Sli­mane:
GM?., Wi?.
:ﻋﻴﻦ ﺳﻴﺪﻱ ﺳﻠﻴﻤﺎﻥ

In de tekst ge­noemd.

Ban­neux:
GM., Wi.

Index

Index van ter­men:
Index van per­so­nen:
HL.
Index van lo­ca­ties:
.

Me­nuBe­ginHoofd­in­dex Over­zicht 1972-1990.

10 oktober 1976

Dagboek 1976

(Dag 1716) Cees en ik zijn sa­men op va­kan­tie in Ma­rok­ko ge­weest. We zijn op de te­rug­weg en zit­ten in de trein in Frank­rijk en la­ter in Bel­gië. Vroeg in de mid­dag ko­men we in Maas­tricht aan, waar we bei­den wo­nen. – Aan­slui­tend aan deze dag volgt het va­kan­tie­over­zicht, zo­als ik dat enige da­gen na thuis­komst schreef. Ik schrijf daar­in nog­al uit­ge­breid over de ver­stand­hou­ding tus­sen Cees en mij ge­du­ren­de de af­ge­lo­pen vier we­ken. – Ik word in dat ver­slag ook een beet­je een ko­lo­ni­aal, die de ‘zwar­te’ wil on­der­wij­zen door hem te la­ten zien wat gods­dienst met de mens doet.

MenuIndex en het einde.
Vakantieoverzicht.

Zondag, 10 oktober 1976.
In Hen­da­ye: we rij­den weg. Ik met een leeg hart, want ik had niet eens af­scheid van Si­mon kun­nen ne­men.
Er staan men­sen in de gang voor een cou­pé en die slechts door twee per­so­nen ge­re­ser­veerd is en toch af­ge­slo­ten is. Met mijn punt­tang maak ik die open en spreek met de nieuwe ‘be­wo­ners’ af dat ze niets we­ten. Ik ver­tel even met een Ma­rok­kaan die ook in die cou­pé gaat.
’s Nachts staan er Span­jaar­den luid op de gang te zin­gen. Ze moe­ten van de con­duc­teur een cou­pé zoe­ken. Drie ko­men bij ons erbij en ze zijn zo snug­ger om na ver­loop van tijd het licht uit te doen.
’s Nachts krijg ik het koud en neem me voor: ‘Hou dat vol tot­dat je in Pa­rijs bent,’ maar ik heb toch de re­gen­jas ge­pakt en hier­na met het hoofd voor­over op de ‘eet­tafel’ warm en goed ge­sla­pen.
Bij dag­licht zijn we in Pa­rijs en de Span­jaar­den staan weer op de gang te zin­gen.
We stap­pen uit, de Zweed­se meis­jes blij­ven op Ga­re d’Aus­ter­litz. We ne­men af­scheid.
Si­mon heb ik niet meer ge­zien.
Wij ver­vol­gen on­ze reis met de bus naar het Ga­re du Nord waar we lang op de vol­gen­de trein moe­ten wach­ten. Op het ter­ras van een ca­fé drin­ken we kof­fie en eten brood­jes en ons ei­gen brood. Een du­re zaak is het.
Ook in Pa­rijs zijn mooie boys.
Als we in het sta­tion lo­pen ziet Cees een trein aan­ge­ge­ven die er ’s mor­gens nog niet stond: 10.27 uur. De­ze gaat naar Brus­sel en ver­trekt over 2 mi­nu­ten.
We stap­pen in de laat­ste wa­gon in en rei­zen naar Brus­sel, Luik en ver­vol­gens Maas­tricht. Om 14.12 uur zijn we in Maas­tricht. We gaan met de ta­xi naar huis, voor f. 5,00 in­clu­sief fooi.
We we­gen on­ze rug­zak­ken. De mij­ne weegt 30 kg. Die van Cees 20 kg, maar daar moe­ten nog wat etens­spul­len bij, een kilo of 3 of 4. Zodat de last van Cees goed is voor cir­ca 24 ki­lo­gram.
Af­ge­val­len ben ik slechts wei­nig.
We no­di­gen Jaap uit voor een kop qah­wa ha­lib [kof­fie ver­keerd] en ver­tel­len wat. We ge­ven hem het muts­je en een over­ge­houden fles­je Spaans bier.
Jan G. komt en voor hem maak ik een ver­slag­je, geef hem het kan­ten muts­je en spreek voor don­der­dag­avond een groot ver­slag af.
Te­gen 19.00 uur bel ik Pa en Ma en maak een af­spraak voor dins­dag­avond.
Ik wil dou­chen, [die is op de der­de ver­die­ping] maar kan de stan­daard plas­tic zak niet vin­den: een Ta­lens-zak. Sinds Mi­li­tai­re Dienst ge­bruik ik vrij­wel niet an­ders dan Ta­lens-zak­ken om mijn dou­che­spul­len in te doen en nu is die weg. Ik ben woe­dend. (Waar­schijn­lijk door ver­moeid­heid) Ik trek al­les uit dat vak van de kast en vind hem niet. Ik stop al­les er weer in. Ma heeft op­ge­ruimd, maar ze heeft goed op­ge­ruimd, zelfs de fles­jes Trap­pist heeft ze af­ge­stoft en het gas­stel en de ijs­kast goed schoon ge­maakt.
Ik ga zon­der die zak dou­chen en (uiter­aard) dat gaat net zo goed.
Tegen 23.00 uur ga ik op bed, na al­les uit­ge­pakt te heb­ben.
Weer: tot voor Pa­rijs mis­tig, la­ter zon­nig.

Me­nuBe­ginIndex en einde.
Hoofd­indexOver­zicht 1972-1990.
Ma­rok­ko 1976 (over­zicht).

Va­kan­tie­over­zicht: vier we­ken in Ma­rok­ko.

Toen Cees één week voor­dat ik naar Ma­rok­ko zou gaan, be­sloot om ook mee te gaan voel­de ik dat als:
1.) Een op­luch­ting. Ik zou me vrij­er voe­len in mijn han­de­len en ik zou me ge­rug­ge­steund voe­len in mijn op­tre­den, want ik had de laat­ste tijd toch wel eens va­ker het ge­voel: ‘Hans, waar be­gin je aan?’
Zowel Pa, Ma als Opa en Jan G. voel­den zich ook erg op­ge­lucht.
2.) Als een be­las­ting in de vrij­heid van mijn han­de­len, door Cees, die een over­heer­sen­de rol zou wil­len spe­len.
Dit laat­ste, wat ik ook al op de dag Mar­ra­kesh – Ouar­za­za­te (22 sep­tem­ber) heb om­schre­ven, is soms een te gro­te be­las­ting voor mij ge­weest.
Toen ik in 1974 met Wil­lem J. naar Lon­den ben ge­weest, zijn we twee keer een paar uur uit el­kaar ge­weest, om­dat ik het soms moei­lijk had en erg krie­be­lig werd.
Bij Cees heb ik niet zo’n schei­ding ge­maakt, om­dat hij ner­gens heen kan, want er is nie­mand die hem kan ver­staan en hij kan nie­mand ver­staan.
Dit sa­men­zijn van vier we­ken met een Cees die een over­heer­sen­de rol wil­de spe­len en speel­de is voor mij per­soon­lijk soms te veel van het goe­de(?) ge­weest: dat leid­de tot span­nin­gen voor mij­zelf in Mar­ra­kesh en Al­ge­ci­ras.
In Al­ge­ci­ras, toen we niet ver van el­kaar zaten en hij zijn mond dicht hield, een half uur lang, dat was een he­le op­luch­ting.
In de trein van Hen­da­ye naar Pa­rijs, ’s nachts had hij weer een be­moe­de­ren­de op­mer­king en ik heb hem toen ge­zegd dat dit me de he­le reis ge­stoord had, dat be­moe­de­ren. De­ze op­mer­king was veel te laat en had op de eer­ste dag in plaats van op de laat­ste dag ge­zegd [ge­maakt] moe­ten wor­den.
In Mek­nes, bij het de twee­de be­zoek, had ik hem ge­zegd dat ik vond dat het goed ging met ons twee­ën en het ging be­ter als in Lon­den, maar over dat be­moe­de­ren heb ik ex­pres niet ge­spro­ken om geen ex­tra span­nin­gen tus­sen ons twee­ën op te wer­pen. Iets wat ik niet meer zal wil­len ver­dra­gen.
Ach­ter­af ge­zien zijn mijn span­nin­gen in Mar­ra­kesh en Al­ge­ci­ras goed te ver­kla­ren. Op die mo­men­ten dat ze er wa­ren, zag ik die zelf niet en Jan G. heeft me er pas don­der­dag 14 ok­to­ber op re­la­tie ge­we­zen: het do­mi­nan­te ge­drag van Cees en mijn span­nin­gen.
Ik ben blij dat Cees is mee­ge­gaan, maar ik heb me door hem ook ont­zet­tend ge­remd ge­voeld, om­dat hij al­les moet we­ten en vre­se­lijk nieuws­gie­rig is en als ik zelf wat te ber­de bracht was zijn re­ac­tie: “Zoek het maar uit.” Dat grief­de mij tel­kens weer.
Een vol­gen­de keer wil hij weer mee. Hij wil Frans le­ren en dus he­le­maal on­af­han­ke­lijk zijn. Dan kan ik ook eens zeg­gen: “Je zoekt het maar uit.”
Hij wil­de soms din­gen ge­re­geld heb­ben, die ik dan met mijn ge­brek­kig Frans moest voor el­kaar zien te krij­gen, zo­als een taxi van Tinj­dad naar Er­foud en ach­ter­af wil­de hij niet be­grij­pen waar­om dat niet ging en zei: “Vraag dan waar­om?” Ik re­a­geer­de daar niet meer op.
Soms, al in de eers­te week dacht ik: ‘Nog drie we­ken met Cees, ont­zet­tend,’ en vaak was ik blij dat er een dag om was en dat we dich­ter­bij ‘het-naar-huis-gaan‘ waren. Niet om het land Ma­rok­ko, maar om de be­moei­zucht van Cees wil­de ik naar huis. Dat was de enige mo­ge­lijk­heid om hem een poos­je kwijt te zijn en ik heb me al voor­ge­nomen om maan­dag 11 ok­to­ber ver­lof op te ne­men en dat dan de laat­ste dag te la­ten zijn waar­op ik voor­lo­pig met hem op­trek.
Soms dacht ik ver­lan­gend te­rug aan die dag in be­gin au­gus­tus waar­op ik bij IJ­ze­ren in het gras van de zon en de stil­te had zit­ten ge­nie­ten, iets wat ik in Ma­rok­ko niet heb mee­ge­maakt: stil­te.
Toen ik in Al­ge­ci­ras was, wil­de ik snel naar huis, maar toen dat niet bleek te gaan, was ik er ‘ka­pot’ van.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Ra­ma­dan, een ide­a­le tijd om te rei­zen en ook niet, na­tuur­lijk. In de bus­sen geen rook, want zelfs ket­ting­ro­kers ro­ken de he­le dag niet. Som­mi­ge men­sen zijn wel een beet­je krib­big, zo­als in de bus naar Ouar­za­za­te, toen uit het ba­ga­ge­rek een tasje naar be­ne­den viel bo­ven op een jon­gen. Die gooi­de het snel naar ach­te­ren en de man ach­ter hem gooi­de het agres­sief weer te­rug naar vo­ren. Er vie­len har­de woor­den, maar een minuut la­ter werd er weer ge­la­chen.
Als we aten, bo­den we on­ze ver­ont­schul­di­gin­gen aan, want de soms hon­ge­rige ogen de­den je de trek ver­gaan en ze zei­den dan dat we rus­tig kon­den eten, want Ra­ma­dan gold slechts voor mos­lims. Vaak lie­ten we het eten en drin­ken ook, wat voor ons ook niet mee­viel om­dat we ’s nachts ook niet ge­ge­ten had­den, maar zo erg moei­lijk was het ook niet.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Meer dan veer­tig li­ter mi­ne­raal­water heb­ben we ge­dron­ken: Si­di Ha­ra­zem in plas­tic fles­sen van 1,5 li­ter. Er zit smaak noch reuk aan en het is zon­der kool­zuur­gas.
Het is be­ter dan kraan­wa­ter, wat nog wel eens naar chloor ruikt en in Tin­ghir in Ho­tel Tod­gha zelfs een licht bruin kleurt­je had.
Met kraan­wa­ter poet­sten we hoofd­za­ke­lijk on­ze tan­den en de rest van het li­chaam. (Dou­che.)
Ook ge­bruik­ten we Si­di Ha­ra­zem om on­ze tan­den te poet­sen als het kraan­wa­ter te sterk rook of een kleur had.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Ma­rok­ko: een over­wel­di­gen­de hoe­veel­heid aan er­va­rin­gen en on­tel­baar veel knap­pe jon­ge­man­nen. Dat al­les zor­gde er­voor dat ik aan Ne­der­land niet meer dacht.
Deze hoeveel­heid aan er­va­rin­gen heb­ben me het idee ge­ge­ven heel lang op va­kan­tie te zijn ge­weest. Na twee we­ken had ik het ge­voel al maan­den on­der­weg te zijn.
Hoewel het er niet meer naar uit­zag heb­ben we toch nog op de val­reep con­tact ge­legd met een jon­ge­man: Mo­ham­med R.
Het hu­ren van een au­to is in de soep ge­lo­pen en ik weet dus niet wat dat ge­bracht had, maar ik ben blij dat het mis­lukt is (ach­ter­af) want daar­mee kwa­men we in con­tact met Mo­ham­med en het heeft ons bo­ven­dien veel geld be­spaard.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

In­clu­sief de reis­kos­ten, heb ik f. 469,40 + f. 800,00 + f. 74,00 (reis­ver­ze­ke­ring) = f. 1.340,00 uit­ge­ge­ven. Zeg: voor nog geen f. 1.400,00 een maand op va­kan­tie.

Over Mo­ham­med: een mooie, gro­te (cir­ca 1,85 m) jon­gen, ne­gro­ïde ty­pe. Een heel erg voor­ko­men­de, be­leef­de, be­schaaf­de jon­gen, 18 jaar, ge­bo­ren: 1958. Spreekt Frans en Ara­bisch, leert En­gels pas een paar dagen. Stu­deert Eco­no­mie en We­ten­schap­pen (Scien­ce) Ma­the­ma­tiek. We heb­ben el­kaars ad­res en het zou niet gek zijn om een schrif­te­lijk con­tact te on­der­hou­den, om­dat ik dan, als ik weer in Ma­rok­ko kom, een ad­res heb om een vriend te be­zoe­ken.
Ik wil via hem meer over Ma­rok­ko te we­ten ko­men en (blan­ke als ik ben) hem te la­ten zien wat er in een de­mo­cra­tie mo­ge­lijk is. Met blan­ke be­doel ik: ik wil het on­der­wij­zend deel zijn. Ik wil hem la­ten zien dat gods­dienst opium voor het volk is en dat opium (hasj) ook een ver­stik­ken­de gods­dienst is, zo­als bij ons (voor­al in Lim­burg) de drank.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

De ar­moe­di­ge toe­stan­den. De te­le­vi­sie heeft ar­moe­de la­ten zien, doch in Ma­rok­ko is die gro­ter, veel gro­ter. De meest mooie jongen die ik zag (in Ouar­za­za­te) strom­pel­de met een krom been op kruk­ken voort.
De meest ver­schrik­ke­lij­ke won­den, met een vie­ze doek en een plas­tic lap af­ge­dekt.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Ogen. Circa 20% heeft wat aan een oog, ver­min­kin­gen, ziek­ten en huid­ziek­ten. (Han­den en voe­ten zit­ten meest­al on­der een dik­ke laag zand of an­de­re rot­zooi en zien er goor uit.)
On­be­schrij­fe­lijk wat we bo­ven de ‘rok­ken’ zien, maar wat zit er­on­der? Open been­won­den, zo­als een vrouw in Ra­bat haar buur­vrouw liet zien.
En dan de hy­gië­ne: be­stel een glas te drin­ken. Bij de buur­man wordt het van de ta­fel ge­no­men, met koud wa­ter was­sen de groe­ze­li­ge han­den het glas af en je krijgt het voor­ge­zet.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Zaakjes zien er kaal en oud uit. In Fez is een leuk zaak­je met ro­de te­gel­tjes te­gen de muur en er wordt vaak ge­poetst, blijk­baar, want de vet­te stre­pen van een doek staan op de te­gel­tjes. Spie­gels zijn sme­rig, wel ge­poetst, maar met een sme­ri­ge vet­te doek.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Sla­gers, twin­tig naast el­kaar. Nie­mand maakt zich druk of hij ver­koopt of niet en nie­mand maakt zich druk over die vlie­gen: hon­der­den.
Nee, toch zijn er men­sen die zich druk ma­ken over die vlie­gen. Ze spui­ten (ge­luk­kig geen spuit­bus) met een hand­pomp het vlie­gen­ver­gif in hun zaak rond over het vlees en over an­de­re open en bloot­lig­gen­de le­vens­mid­de­len, hoe dan ook, die vie­ze vlie­gen moeten dood.
An­de­ren waai­e­ren af en toe met een waai­er­tje de vlie­gen weg, waar­van de mees­te blij­ven zit­ten om­dat die ken­ne­lijk we­ten niet te zullen wor­den dood­ge­sla­gen op het vlees, want dat ziet wel on­ge­zel­lig uit: een dooie vlieg op een dood schaap.
Kop­pen van gei­ten en scha­pen, met de ogen er­in, lig­gen uit­ge­stald. (Var­kens zijn er niet: ver­bo­den door de is­lam.)
In Tan­ger en Ra­bat op de vis­markt is al­les, vol­gens mij, rot, maar zo stinkt het ook in Maas­tricht op de vis­markt, al­leen zijn er min­der vlie­gen. Ook in de zo­mer? On­ze vlie­gen zijn gro­ter.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

En dan ta­len en re­ke­nen: zie don­der­dag 7 oktober jl. in res­tau­rant Zan­zi­bar.

De bus­ver­bin­din­gen: goed om in een be­gin­plaats of bij­na-be­gin­plaats (Er­ra­chi­dia) op te stap­pen, an­ders moet je tus­sen de Ma­rok­ka­nen, die al met meer zijn dan dat er vrije plaat­sen zijn, ook nog een kaar­tje pro­be­ren te krij­gen. Als de bus vol is, komt er de vol­gen­de dag weer een, waar het­zelf­de voor geldt, als hier­bo­ven.
Op tijd ver­trek­ken is er niet bij, maar dat stoor­de mij na­ge­noeg niet, in te­gen­stel­ling tot Cees, die er ze­nuw­ach­tig van werd. En­kel in Mar­ra­kesh sloop­te het mij ook.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Als men­sen el­kaar te­gen­ko­men en el­kaar als vrien­den be­schou­wen ge­ven zij el­kaar een hand en bren­gen dan hun hand aan hun ei­gen hart.
Bij fa­mi­lie­le­den bren­gen zij hun hand aan hun lip­pen en kus­sen de­ze. Het­zelf­de als kus­hand­jes, maar hy­gië­ni­scher want je kust je ei­gen sme­rige hand en niet die van een an­der.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Ik heb ge­zien hoe een vrouw een paar man­nen de hand kus­te. Bij ons kus­sen de man­nen de vrou­wen de hand en als je goe­de be­ken­den bent kus je el­kaar goe­den­dag, zo­als Mo­ham­med in Mek­nes.
Marokko is een man­nen­land. Man en vrouw, jon­gen en meis­je, meis­jes in een ca­fé, jon­gens en meis­jes dan­sen, dat al­les kun je zien, maar dan al­leen bij ons. In Ma­rok­ko is dat er niet bij. (Mis­schien wel in de nacht­clubs?) Jon­gens hand in hand, jon­gens die op don­kere hoek­jes dicht bij el­kaar staan (knuf­fe­len?) man­nen, hand in hand, zelfs ou­de­re man­nen en heel ou­de.
Elkaar kus­sen, open­lij­ke ho­mo­fi­lie? Dat moest in Ne­der­land ook kun­nen, maar dat is (nog) niet mo­ge­lijk.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

En de jon­gens in Ma­rok­ko, de ene is nog mooi­er dan de an­de­re en ook nog vrien­de­lij­ker. Het zijn daar mooie men­sen. Er zijn ook veel mooie meis­jes, die op een af­stand­je staan te gnif­fe­len en als je ze aan­kijkt of aan­spreekt, lo­pen ze gie­che­lend weg.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Marokko is het land van de kin­der­ar­beid en je ziet veel kin­de­ren in de soek (de markt in de Me­di­na) wer­ken en in Fez ma­ken meis­jes van cir­ca 5 jaar oud ra­zend­snel kno­pen bij een ta­pijt­kno­per.
De scho­len wor­den ook wel be­zocht en in Fez za­gen we veel kin­de­ren naar school gaan, maar ik denk dat de mees­ten wer­ken!
Veel be­de­laart­jes en als ik die kin­de­ren in de ogen kijk, wel ja, tien­tal­len Dir­hams heb ik uit­ge­deeld.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Het ver­keer: als je niet toe­te­ren kunt, kun je niet rij­den en als je remt in plaats van te toe­te­ren en niet ge­woon door­rijdt, ben je je rij­be­wijs niet waard.
Het­zelf­de geldt voor brom­mers, die meest­al mo­to­risch niet in or­de zijn, maar het zoe­mer­tje werkt als een klok­je.
De ver­keers­lich­ten. Als goe­de chauf­feur rij je mins­tens 10 me­ter door het ro­de licht en let je op het an­de­re ver­keer om te we­ten wan­neer jij aan de beurt bent en an­ders toe­tert je ach­ter­buur­man wel. Soms, zo­als in Ra­bat, staan al­le ver­keers­lich­ten dub­bel aan­ge­ge­ven. Eén keer voor het di­rect be­lang­heb­ben­de ver­keer (dat er­voor hoort te staan) en één keer voor het in­di­rect be­lang­heb­ben­de ver­keer, in de an­de­re rich­ting, zo­dat die kun­nen zien: ‘Nu ben ik aan de beurt.’

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Toen ik van­a­vond door Maas­tricht liep voel­de ik me er niet thuis. Al­les is zo groot en la­waai­e­rig en schreeu­we­rig.

Cees heeft vijf pot­jes ge­kookt op zijn pri­mus. Acht keer heb­ben we in een res­tau­rant warm ge­ge­ten en af en toe soep tus­sen door. Veel brood en wa­ter, een beet­je melk, kaas en sar­di­nes.
Ik heb thuis nog wat in te ha­len. Ik weeg 62 kg.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

As ik nu nog aan Ma­rok­ko denk, dan is dat vaak aan de ‘da­del­jon­get­jes’ op 27 sep­tem­ber, toen we lift­ten om naar Er­foud te gaan.
Ook schoot me gis­te­ren te bin­nen dat ik in Ouar­za­za­te een jon­gen heb ge­zien met een blauw ge­streep­te ‘Do­rus-trui’ en die een tul­band droeg, met een slui­er voor het ge­zicht, als een woes­tijn­man. Dat was op za­ter­dag 25 sep­tem­ber en hij was erg mooi. Dat zag ik toen hij zijn slui­er en tul­band af­deed. Daar­voor vond ik hem al erg mooi en mys­te­rieus aan­doen. Hij stond ook naar de bus te kij­ken die klaar stond voor ver­trek naar Tin­ghir.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Zaterdag 2 oktober.
Ik loop over de gang van het ho­tel en een vrouw vraagt me of ik bij haar wil ko­men. Schuch­ter volg ik haar en blijf in de deur­ope­ning van haar kamer staan. Zij zegt: “Kom toch bin­nen.” Er is nog een vrouw. De eers­te vraagt of ik dit ken. Zij houdt mee een brief­je van 25 gul­den voor de neus. Na­tuur­lijk ken ik dat.
Er is iemand ver­trok­ken, maar die kon niet in Dir­ham be­ta­len en hij of zij gaf f. 25,00
Zij vraagt hoe­veel het waard is. Ik zeg: “Kom naar mijn ka­mer, dan zoek ik het uit.” Met een re­ke­ning van Cees, die 166 Dir­ham voor f. 100,00 kreeg be­gin ik aan een moei­lij­ke be­re­ke­ning, ter­wijl ik ook een kwart van 166 had kun­nen ne­men. Ik be­taal haar 41 Dh. Ze is blij.

Me­nuBe­ginIndex en einde.

Later, thuis blijkt dat 7 gi­ro­kaar­ten van 250 Dh voor f. 151,25 zijn op­ge­no­men en eind no­vem­ber 3 van 250 Dh voor f. 145,00

Herinneringen over deze vakantie.

1:
Voor­dat ik naar Ma­rok­ko ver­trok waar­schuw­de een col­lega mij voor open­lij­ke ho­mo­fi­lie. Hij was in Tunesië met va­kan­tie ge­weest en had daar ‘al­le’ man­nen hand in hand zien lo­pen en el­kaar zien zoe­nen.
2:
Eveneens voor­dat ik naar Ma­rok­ko ver­trok waar­schuw­den di­ver­se col­le­ga’s me dat ik niet meer le­vend te­rug zou ko­men.
“In Ma­rok­ko zit­ten ge­slui­er­de man­nen langs de muur en als je langs­loopt trek­ken ze een mes en ste­ken je dood,” zo be­weer­den ze met gro­te stel­lig­heid.
3:
In de trein, op de te­rug­weg, in Span­je of in Frank­rijk, wa­ren er Ma­rok­ka­nen (of Span­jaar­den?) die tel­kens kran­ten in de brand sta­ken, wan­neer de trein door een tun­nel reed, als­of ze bang wa­ren in het don­ker.

Index

Index van termen:
Index van personen:
Index van locaties:

Me­nuBe­gin
Hoofd­in­dexOver­zicht 1972-1990.
Ma­rok­ko 1976 (over­zicht)Va­kan­tie­over­zicht.

9 oktober 1976

Dagboek 1976

(Dag 1715) Cees en ik zijn sa­men op va­kan­tie in Ma­rok­ko geweest. We zit­ten nu in de trein in een coupé voor acht personen en rei­zen door Span­je rich­ting Pa­rijs. Als me­de­pas­sa­giers heb­ben we drie Zweed­se meis­jes: Cor­ne­lia, Ann en Ann en drie Ma­rok­ka­nen, waar­van er twee nog stu­de­ren, Si­mon en Chou­a­ki, en een ou­de­re man. – Te­gen de avond be­rei­ken we Hen­da­ye aan de Spaans / Fran­se grens, waar Si­mon en Chou­a­ki door de Fran­se dou­ane wor­den te­gen­ge­hou­den. – Ik leer weer wat over de Ma­rok­kaan­se cul­tuur.

MenuIndex en het einde.

Zaterdag, 9 oktober 1976.
We komen in Ma­drid en als Si­mon en Chou­a­ki uit­ge­stapt zijn en de trein weg­rijdt, maak ik me on­ge­rust over hen, maar de trein wordt ken­ne­lijk ge­ran­geerd, want keert weer te­rug naar het per­ron.
Met Simon praten ik over van al­les in het Frans en het En­gels, wat hij re­de­lijk be­heerst. Hij wil de En­gel­se woor­den voor ‘pe­nis’ en ‘va­gi­na’ we­ten, doet dat fluis­te­rend en ge­heim­zin­nig, om­dat er meis­jes bij zijn en ik word een beet­je rood en hij stapt over op een an­der on­der­werp.
Als hij van on­ze me­loen voor ie­der een stuk­je af­snijdt, laat hij het groot­ste stuk voor mij, dat ik met Cees deel. Op Si­mon ben ik ver­liefd.
’s Middags van circa twee tot vier uur slaap ik.
De meis­jes ko­men uit Zwe­den en spre­ken al­leen maar En­gels. De ou­de­re Ma­rok­kaan vraagt Cor­ne­lia, de aar­dig­ste, ten hu­we­lijk als der­de vrouw. Hij heeft vijf kin­de­ren. Hier­bij wordt wat af­ge­la­chen, want Si­mon treedt op als ver­ta­ler Ara­bisch – Frans / En­gels en ik moet hem hel­pen met het En­gels.
Dat de meis­jes bij ons in het Wes­ten zelf be­slis­sen is voor de ou­de man moei­lijk te be­grij­pen en dat het niet duur is, kan er ook niet in.
In Marokko ko­men de ou­ders over­een. Moet de fa­mi­lie van de man veel geld bij­een bren­gen, liefst een in­ge­richt huis en heeft het meis­je ge­werkt, dan moet de man al zijn geld aan de ou­ders van het meis­je af­dra­gen.
We praten een beetje over po­li­tiek en Si­mon spreekt over [ko­ning] Has­san le Deux en als ik zeg dat Has­san le Di­a­ble is, geeft hij me glim­la­chend een hand.
Het is ge­vaar­lijk om over po­li­tiek te pra­ten.
Gis­te­ren­avond nam de ou­de­re Ma­rok­kaan 1.000 Pe­se­ta (een brief­je) van Cor­ne­lia aan en een snot­aap van de O.N.I. het im­mi­gra­tie­bu­reau [Of­fi­ce Na­tio­nal d’Im­mi­gra­tion] zag dat en maak­te en hele scène, waar­bij Simon voor­zich­tig de ge­moe­de­ren pro­beer­de te sus­sen. De ou­de­re man liet zich door de snot­aap, die met de po­li­tie dreig­de, over­don­de­ren.

Simon: “Je werkt bij de PTT (Pe­tit Tra­vail Tran­quil­le: [Een rustig werkje]) Wat doe je?”
“Ik kijk hoe an­de­ren wer­ken.”
“Chef?”
“Nee, assistent.”
“Verdien je goed?”
“Ja.”
“Geef je ook geld aan je ou­ders?”
Ik sta versteld. Dit had ik nog niet mee­ge­maakt. Ik leg hem uit dat als ik geld aan mijn ou­ders zou ge­ven, zij be­le­digd zou­den zijn. In Ne­der­land is het niet meer no­dig dat ou­ders moe­ten le­ven van door hun kin­de­ren ver­dien­de geld.
Simon kan dat maar moei­lijk ge­lo­ven.
In Hendaye schei­den zich on­ze we­gen. Zij wor­den door de dou­ane te­gen­ge­hou­den en ik vraag hem of hij hier moet wacht­en. Hij zegt dat hij dat niet weet.
Voor­dat we uit­stap­ten deel­de Si­mon aman­dels uit.
“Potentie ver­ho­gend”, zei Chou­a­ki, Al­thans, zo zegt hij, dat als een Ma­rok­kaan van vrouw wil ver­wis­se­len, eet hij aman­dels.
We lopen door* en Cees zoekt de meis­jes en ik de jon­gens. Cees heeft meer suc­ces dan ik.
In Parijs kijk ik ook, maar daar zie ik Si­mon ook niet. (Chou­a­ki zou in Bor­deaux uit­stap­pen.)
Weer: in de trein was het lek­ker en droog.

*
Station Hendaye. Wi. De tekst in het dag­boek vermeldt het niet, maar we moe­ten op sta­tion Hen­da­ye over­stap­pen. Op de heen­weg was dat niet het ge­val. Daar werd on­ze trein van een an­der on­der­stel voor­zien, want in Span­je is het spoor bre­der dan in de rest van Eu­ro­pa.

Index

In­dex van ter­men:
.
In­dex van per­so­nen:
Cees.
In­dex van lo­ca­ties:
.

Me­nuBe­ginHoofd­in­dex Over­zicht 1972-1990Ma­rok­ko 1976 (over­zicht).

8 oktober 1976

Minaret
Dit is een typische Marokkaanse minaret: vierkant, massief en groen. Deze staat in Meknes.

Dagboek 1976

(Dag 1714) Cees en ik zijn sa­men op va­kan­tie in Ma­rok­ko. We zijn in de stad Tan­ger. In de och­tend wil­len we Ma­rok­ko ver­la­ten, maar we krij­gen bij­na pro­ble­men met de po­li­tie. Uit­ein­de­lijk zijn we op tijd bij de veer­boot naar Al­ge­ci­ras in Span­je. Die ver­trekt om 8.00 uur. We va­ren over de Straat van Gi­bral­tar. In Span­je ont­dek ik dat niet al­leen de Ma­rok­kaan­se jon­ge­man­nen knap en sexy zijn, maar ook de Spaan­se. – Laat in de avond be­gin­nen we aan de trein­reis huis­waarts.

MenuIndex en het einde.

Vrijdag, 8 oktober 1976.
Adieu Ma­roc a pro­chaine an­nee sha’al­lah.*
Slecht ge­sla­pen.
Op 6.00 uur. Eten op de ka­mer.
We betalen het ho­tel. Dat is 37 Dir­ham (Dh), in­clu­sief het ont­bijt. We heb­ben geen ont­bijt gehad en kun­nen dat niet voor acht uur krij­gen. Op dat tijd­stip ver­trekt de veer­boot.
Cees wil niet meer be­ta­len dan 30 Dh en ik ben het met hem eens, maar de ei­ge­naar dreigt de po­li­tie er­bij te ha­len en dat kun­nen we op de­ze laat­ste dag niet ge­brui­ken. Ik zeg te­gen Cees dat hij moet be­ta­len, maar Cees wil weg­lo­pen. De man is hem ech­ter te snel af en sluit de deur. Cees neemt een dreig­hou­ding aan als­of hij wil slaan.
Ik zeg: “Cees, schei uit en betaal die 7 Dh.”
De man dreigt nog­maals met de po­li­tie en als ik zeg dat hij be­ter kan be­ta­len, doet hij dat en gaan we weg.
We lopen naar de ha­ven. We heb­ben nog 0,95 Dh over.
Tij­dens de over­steek zijn er en­ke­le aar­dige boys aan boord.
We ont­bij­ten aan boord, met de laat­ste Ma­rok­kaan­se qah­wa ha­lib [kof­fie ver­keerd]. Ik heb geen zin om fo­to’s van Tan­ger te maken. Ik voel me niet goed wor­den. [Zee­ziek?]
Ik ben blij weer op vas­te bo­dem te staan in Al­ge­ci­ras en hoe­wel we bang zijn voor de dou­ane, ben ik al­leen maar de­ge­ne die zijn rug­zak open moet maken, het kist­je met films er­uit moet ha­len, ope­nen en weer in­pak­ken. Cees kan zo door­lo­pen, die had zijn rug­zak nog om en ik had hem af­ge­daan.
Met de ta­xi naar het sta­tion, waar we rond 12.00 uur zijn. De trein ver­trekt pas om 21.15 uur. We le­ve­ren de ba­ga­ge in bij een de­pot voor 60 Pe­se­ta (60x f. 0,04 = f. 2,40)
We gaan in een ca­fé kof­fie drin­ken en nu het niet meer hoeft wil Cees Frans le­ren en komt voor me zit­ten en be­neemt me het uit­zicht op een mooie jon­gen van cir­ca ze­ven­tien jaar. Ik zeg hem dat Frans le­ren nu geen zin meer heeft en dat hij moet schui­ven, want ik zie wat moois en juist nu gaat hij voor me zit­ten. Hij draait zich om en zegt: “Die bus?” Een kort hoofd­knik­je van mij en hij be­grijpt wat ik be­doel en hij schuift.
In mijn zak­dag­boek­je schrijf ik ’s avonds: We gaan naar een ca­fé kof­fie drin­ken. Ik zie veel mooie Spaan­se boys. Eén draagt een licht­blau­we strak­ke spij­ker­broek om zijn mooi kont­je. Aan de voor­kant, tus­sen zijn be­nen […!] Hij zit wijd­beens. Het ziet er heer­lijk uit en lek­ker zacht. (Hij draagt die spij­ker­broek waar­schijn­lijk op zijn naak­te huid.) Ik moet heel de ver­de­re dag en avond aan hem den­ken.
We lo­pen door Al­ge­ci­ras, de stad, die over­loopt van de mooie en sexy stuk­ken en ook zijn er veel blon­de Span­jaar­den. We lo­pen tot in de ha­ven en zit­ten bij een fon­tein in de zon.
Ik geniet er­van dat Cees een half uur lang niets zegt en ik ge­niet van de ve­le mooie Span­jaar­den. He­laas be­trekt de he­mel en dan ver­dwijnt ook bij mij mijn zon­ni­ge stem­ming. Hoe meer de tijd vor­dert, hoe meer ge­span­nen ik word, tot gro­te er­ger­nis van Cees, die in een vro­lij­ke bui is.
Ik sliep af­ge­lo­pen nacht slecht, ik ben nog steeds on­der de in­druk van die knap­pe jon­ge­man van van­mid­dag en nu ver­dwijnt de zon ook nog. Daar word ik on­ge­luk­kig van.
In een fo­to­au­to­maat laat ik vier ‘drie-mi­nu­ten-pas­fo­to’s’ ma­ken voor 50 Pe­se­ta en ik koop uit die ma­chi­ne ook een sleu­tel­han­ger waar­in die fo­to’s op­ge­bor­gen kun­nen wor­den, voor 10 Pe­se­ta.
We eten in een res­tau­rant, geen hond kent er Frans, zelfs niet de ober, die zegt het te ken­nen. Ik be­stel zon­der vlees huevos met frie­ten. Dat blij­ken twee we­ke spie­gel­ei­e­ren te zijn met een beet­je friet.
Cees heeft (waar­schijn­lijk) inkt­vis met ge­bak­ken aard­ap­pel­tjes.
We drinken voor de zo­veel­ste keer kof­fie en gaan naar het sta­tion.
Cees maakt een ommetje (rond 19.00 uur) en ik maak no­ti­ties in het zak­dag­boek­je.
Weer: lekker, af en toe fris. In Tan­ger was het ook be­wolkt en fris.
Tegen 21.15 uur ver­trekt de trein.
We zitten in één cou­pé: drie Ma­rok­ka­nen: Si­mon, Chou­a­ki, een ou­de­re man wiens naam ik niet weet, drie Zweed­se meis­jes: Cor­ne­lia, Ann, Ann en twee Ne­der­lan­ders: Cees en ik.
Simon is Ber­ber, stamt uit Be­ni Mel­lal, zijn ouders wo­nen nu in Khou­rib­ga, waar zijn va­der in een fos­faat­mijn werkt.
Simon stu­deert in Ra­bat me­di­cij­nen, is der­de­jaars en gaat nu in Pa­rijs met va­kan­tie. Hij is ou­der dan 23 want hij reist niet op In­ter­rail. Hij zegt zelf ook dat hij daar te oud voor is. Zijn vriend Chou­a­ki is ook stu­dent(?) en reist wel op In­ter­rail. Die is pas 21 jaar. Met Si­mon kan ik snel goed op­schie­ten.
Hij doet als een ech­te Ma­rok­kaan en houdt ge­re­geld zijn hand op mijn be­nen en ook hou­den wij een keer onze han­den vast. (We de­len in hun zoe­te koek en bier en zij in onze me­loen.)

*
Adieu Ma­roc, à l’an­née pro­chai­ne, ‘in sha’a llah’.
Tot ziens, Ma­rok­ko, tot vol­gend jaar, als Al­lah het wil.
Vaag meen ik mij nog te her­in­ne­ren dat we on­der­weg dol­fij­nen ge­zien heb­ben. In 2011 be­ves­tig­de Cees dat, maar hij wist niet meer, even­min als ik, of dat nu op de heen­weg (14 sep­tem­ber jl.) naar Marokko was ge­beurd of op de te­rug­weg uit Tan­ger. (De­ze dag.) Ik heb dit heug­lijke feit ner­gens op­ge­schre­ven.

Index

In­dex van ter­men:
In­dex van per­so­nen:
Cees.
In­dex van lo­ca­ties:

Me­nuBe­ginHoofd­in­dex Over­zicht 1972-1990Ma­rok­ko 1976 (over­zicht).